Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Met de loep op Lanchashire

Beoordeling 6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 2495 woorden
  • 5 april 2005
  • 6 keer beoordeeld
  • Cijfer 6
  • 6 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Het ontstaan van de Industriële Revolutie
Vanaf 1780 werd snelstromend water als krachtbron gebruikt. In 1782 verbeterde Watt de stoommachine. Tot 1800 werd alles met de hand gedaan, maar door oa de verbetering van de stoommachine veranderde dit. Er kwam een agrarische revolutie. Doordat de agrarische sector gemechaniseerd werd, was er minder werk in deze sector. Veel mensen stapten over naar de industriële sector. De nijverheid werd gemechaniseerd. En door de verbetering van machines, ontstond er een productiestijging. De bevolking groeide. Dit zwendelde de economie aan. Er waren meer producten nodig, dus de industrie ontwikkelde. Als energie werd steenkool gebruikt, dus er was meer nodig. OIV van de industrialisatie ontstond een markteconomie. De internationale handel groeide, doordat landen voedsel en stoffen invoerden. Vica Versa. We spreken van een revolutie omdat de gevolgen enorm en onomkeerbaar zijn.

GB was in het voordeel. Het was een eiland, dus had geen last van oorlog. Had vele rivieren, dus kon de binnenlandse handel via het water vervoeren. Bovendien was het een goede tussenstop voor schepen om ‘bij te tanken’. GB drong in 1500 al het open-field-systeem terug. Dit zorgde er dus voor dat verspreid liggende stukken land werden samengevoegd tot grotere stukken land die werden omheind. Dit waren enclosures. Boeren mochten tegen betaling aan de adel, deze gronden bewerken. In 1668 tekende de Koning de ‘Bill of rights’, hierin stond dat hij zonder toestemming van het parlement geen belasting mocht heffen en wetten mocht doorvoeren. Verder moest hij de rechterlijke macht accepteren en het parlement regelmatig bijeenroepen. Zo kwamen de rijke boeren en de adel aan de macht.


In 1750 was Lancishare vooral agrarisch. De bevolking in Lancashire groeide sneller dan in de rest van Engeland. Lancashire produceerde sinds de 16e eeuw linnen en bombazijn. De meeste textiel werd thuis met de hand gemaakt op spinnewielen en weefgetouwen. Vrouwen en kinderen deden het voorbereidende werk. De vrouwen sponnen. De mannen weefden. Deze thuiswerkers waren afhankelijk van kooplieden. Deze brachten hen de ruwe stof en haalden het textiel op. Het was een putting-out-system. Men werd per stuk betaald.

Lancashire was vanwege haar vochtige klimaat, uiterst geschikt voor de katoennijverheid. Bovendien was Lancashire al gespecialiseerd in het verwante linnen, hierdoor kon gebruik gemaakt worden van eeuwenoude kennis. De katoennijverheid in Lancashire werd niet beperkt door regels. Lancashire had geen last van de Calicio Act, deze verbood de invoer van goedkoop katoen en het dragen ervan. Hierdoor kon de plaatselijke textielindustrie zich blijven ontwikkelen. Door de bevolking zo snel groeide in Lancashire, waren er veel arbeidskrachten.

De zegetocht van katoen
De eerste uitvinding in de textielnijverheid werd toegepast was de schietspoel. Deze werd in 1730 gebouwd door John Kay, Hierdoor ging het weven 2x zo snel. Pas in 1850 werd hiervan pas optimaal gebruik van gemaakt.
In 1764 maakte James Hargreaves de ‘Spinning Jenny’. Deze kon 16 draden tegelijk spinnen. Deze draad was wel breekbaar.
In 1769 introduceerde Richard Arkwright het ‘Waterframe’, een machine door waterkracht aangedreven. Het leverde een ruwe en sterke draad op. Door dit stevige draad werd het voor het eerst mogelijk om volledig katoenen stoffen te maken. Dit was door de Calico Act verboden, maar onder druk van de handelaren, werd dit verbod in 1774 ingetrokken.
In 1779 kwam de “Mule’, uitgevonden door Samuel Crompton. Dit was een kruising tussen de Jenny en het Waterframe. De katoendraad was zowel fijn als sterk.

Omdat het spinnewiel dankzij de Mule helemaal terugkwam, werd dit werk verplaatst naar de fabriek.

In 1787 werd het eerste stoomweefgetouw uitgevonden. Pas in 1802 kwam het eerste stoomweefgetouw, die een beetje rendabel was, op de markt. Maar tot 1840 waren handwevers in de meerderheid. In de spinnerij was de stoommachine al vanaf 1790 actief. Omdat deze machines niet meer van stromend water afhankelijk waren, verplaatsten deze zich naar de fabrieken in de stad. De huisnijverheid bleef lang bestaan. Dit kwam doordat de wevers gesteld waren op hun zelfstandigheid. Bovendien vertoonden de stoommachines nog kinderziekten, en waren niet geschikt voor fijne stoffen. Een derde oorzaak was dat de handwevers goedkoper waren. In de periode 1750-1850 werd er ook veel vooruitgang geboekt bij het bleken, verven, bedrukken en naaien.

In 1793 werd de “Cotton Gin” uitgevonden. Deze kon de spinbare vezels van de katoenplant, van de plakkerige zaden scheiden. Hierdoor werd er meer ruwe katoen geproduceerd. In de 1830’s werd het stoomweefgetouw geperfectioneerd, dit bevorderde de groei van de machinaal geweven stoffen. De uitvoer van katoen nam na 1790 enorm toe.

Eind 18e eeuw groeide de haven van Liverpool uit tot de poort van het westen. Dit kwam doordat het meeste katoen vanuit Amerika overgevaren werd. Rond 1790 ontstond de koopman-fabrikant. Rond 1850 waren er honderden kooplieden en fabrikanten. Hun centrale punt was de in 1805 opgerichte katoenbeurs van Manchester. Hier werden de prijzen vastgesteld. Na 1850 daalde de katoenexport, dit komt misschien door het falende ondernemersschap, of misschien door de concurrentie van andere landen. De handelsbanken hadden een machtige positie, maar zelfs voor de grootste banken bleven de risico's van buitenlandse handel groot.

Leven in Cottonopolis
Tussen 1780 en 1850 urbaniseerden steeds meer mensen van het zuidoosten van Lancashire.
Dit kwam doordat de uitvinding van nieuwe spinmachines wevers van het platteland trok.
Bovendien trok de aanleg van een netwerk van kanalen, bedrijvigheid aan. En de opkomst van de stoommachine verplaatste de textielindustrie steeds meer naar de steden.

Na een cholera-epidemie in 1844 werd in Bolton een waterleiding aangelegd. In Bolton was 10 jaar eerder al een arbeidersdorp aangelegd: Barrow Bridge. Er ontstond verlicht paternalisme. Door de toestroom van wevers groeide de bevolking in Bolton. Door de spinmachines was er nu genoeg werk. Door de aanleg van een kanaal tussen Bolton en Manchester was er invoer van kolen ed mogelijk en werd de ruwe katoen uitgevoerd. Van 1839-1842 was er malaise, er was minder loon. Er kwamen opstanden. Hierdoor gingen politici maatregelen nemen om de situatie van de arbeiders te verbeteren.

Vanaf 1770 veranderde Manchester in de grootste industriestad ter wereld. Dit begon met het bridgewaterkanaal. Er werd een aquaduct over de rivier de Irewell gemaakt, zodat kolen vanaf de kolenmijnen naar Manchester vervoerd konden worden. Er ontstond een nationaal waterwegnet. Langs de kanalen kwamen stoomspinnerijen. Tussen Manchester en Liverpool kwam in 1830 een spoorlijn.

Nadat waterkracht niet langer noodzakelijk was, was het centraal gelegen, overbevolkte en van alle kanten bereikbare Manchester de aantrekkelijkste plaats om grote fabrieken te bouwen.
Manchester was rijk, maar ontzettend ongezond. Er was geen riolering of waterleiding. “Ancouts” was een beruchte wijk, die altijd onder de smog zat. Een slechtere wijk was “Little Ireland’. Dit was aan alle kanten omgeven door fabrieken. Tussen 1845 en 1849 werd Ierland 5x door aardappelziekte.

Voor de IR In de standenmaatschappij stond je plaats in de samenleving al bij de geboorte vast. Er was goed en hartelijk contact tussen de verschillende standen. De rijken zorgden voor de armen. Na de IR veranderde de zaken. Er kwam een klassenmaatschappij. Arbeiders en ondernemers stonden vaak vijandig tegenover elkaar. Behoorde je niet tot de aristocratie of arbeidersklasse, dan behoorde je tot de middenklasse. De middenklasse hield vast aan de ‘Burgerlijke Cultuur’. Er waren verschillende waarden die daarbij hoorden: Afwijkend gedrag getuigt van een gebrek aan beschaving; elk individu heeft invloed op zijn eigen maatschappelijke succes; vrouwen moeten de moraal en goede smaak hooghouden en zich opofferen voor het gezin. Deze cultuur ontwikkelde zich vooral tijdens de regeerperiode van Queen Victoria (1837-1901). De arbeidersklasse en middenklasse leefden gescheiden van elkaar. Vanaf 1845 veranderde de ‘werkstad’Manchester naar een betere stad. Er kwamen sociale wetten, riolering, bibliotheken ed. De ‘Public Health Act’ uit 1835 leidde ertoe dat de overheid zich steeds meer over het welzijn van de arbeidersklasse ging ontfermen. Het gemeentebestuur van Manchester bijvoorbeeld begon met de aanleg van waterleiding, riolen en verharde straten.

Ondernemers en arbeiders
In de agrarische sector werd het levenstempo en –ritme door de natuur bepaald. In Lancashire deed de fabriek dat. Bij het putting-out-system werden en landbouw en textielnijverheid met elkaar gecombineerd. Vanaf 1780 werd er bij het spinnen overgegaan op de fabriek. Hierdoor ontstond een overvloed aan garen. Waardoor het aantal handwevers toenam. Vanaf 1802 werd ook het weven door machines overgenomen. In 1840 was het hele productieproces gemechaniseerd. De gevolgen hiervan waren de arbeidsverdeling (wat voor een hiërarchie zorgde); vaste arbeidstijden; toezicht; versneld tempo; geen werd in gezinsverband meer.
De mannen weefden, de vrouwen sponnen. Later in de fabriek werd het spinnen mannenwerk en het weven vrouwenwerk.

De meeste fabrieken gingen over van vader op zoon. Sommige zonen waren meer geïnteresseerd in het welzijn van de arbeiders en namen een paternalistische rol op zich. Toch waren de verhoudingen harder en zakelijker geworden. Rond 1850 kende de fabrikant zijn werknemers niet meer. Fabrieksarbeiders kregen stukloon. ‘Combination Act’ uit 1799, verbood vakbonden. Deze wet werd in 1824 afgeschaft. Maar toch konden de meeste mensen geen lidmaatschap betalen. In 1853 werd een vaste afspraak over het stukloon gemaakt.

De gemiddelde levensduur steeg, hoewel de levensomstandigheden slecht bleven. Dit kwam door de aardappel. In GB waren er minder misoogsten. De kindersterfte daalde. In 1838 kwam de ‘Anti Corn Law Leage.’ Dit was een pressiegroep uit Manchester, die van de Corn ‘Law afwilde’. De Corn Laws werd in 1845 opgeheven en maakte het graan goedkoop. De stad raakte propvol.

Voor wevers was de IR de gouden tijd. De spinfabrieken hadden een overvloed aan garen. Toen in 1830 het stoomweefgetouw kwam, zorgde dit voor een crisis voor de wevers, voor hen werd de situatie uitzichtloos.
De toestand voor kinderen voor 1750: ondervoeding en slecht gekleed
De toestand voor kinderen na 1800: kinderen in de fabrieken voor laag loon
In 1833 kwam de ‘Factory Acts’, deze verbood het werken voor kinderen onder de 9 jaar, en nachtwerk voor kinderen onder de 13 jaar. In 1847 werd deze wet gevolgd door de ‘Ten Hours Act’, deze was voor vrouwen en kinderen. En al snel ook voor mannen.

Een halve eeuw politieke spanningen
Tussen 1830 en 1850 kwam het debat over de industriële samenleving op gang. Politieke spanningen kwamen tot een hoogtepunt. Hierdoor ontstond een nieuw soort roman, de ‘Social Novel’. Hierin werd een beeld geschept tussen de sociale verhoudingen. Dickens, Disraëli (two nations) en Gaskell (Mary Borton) waren beroemde schrijvers. Disraëli was een politicus. Hij was conservatief, maar toch voerde hij sociale wetten in en uitbreiding van het kiesrecht. Er was ook een wetenschappelijk debat. De econoom en liberaal Ricardo, vond dat de overheid zich zo min mogelijk met de economie moest bemoeien. Hij was tegen de Corn Laws. In 1820 was hij nog sceptisch over de mogelijkheden van de economische groei. Andrew Ure en Charles Babbage geloofden dat de industrialisatie onbegrensde groeikansen bood. Dit berustte op oa de technologische vooruitgang en de arbeidsverdeling in de fabrieken. (Theorie van Maltus: Op een gegeven moment komt de agrarische groei tot het plafond.) De technologische vooruitgang zorgde voor meer machines. Deze machines zorgden voor arbeidsverdeling, wat voor meer producten zorgen. Dit resulteerde in lagere kosten en hogere winst. Andrew en Babbage vonden kinderarbeid een goede zaak.
Marxisten en Engels waren kapitalisten die het proletariaat uitbuitte. Dit proletariaat werd een meerderheid. Dit zorgde voor een revolutie.

Thomas Paine eistte algemeen kiesrecht en sociale hervormingen. Dit schreef hij in ‘The rights of man’. De autoriteiten waren bang voor een revolutie en verboden het boek. In 1802 kregen de wevers in Lancashire minder loon en was het volk klaar voor radicale hervormingen. In 1807 ondertekenden 130 duizend wevers een petitie waarin ze het parlement vroegen om een minimumloon. Er kwamen stakingen en demonstraties. Het leger maakte hier een eind aan. Groepen gemaskerde mannen, de ludieten, die zich ‘het leger van generaal van Ned Ludd’ richtten vanaf 1811 veel vernielingen aan. Veel machines werden kapot gemaakt. Weer maakte het leger hier een einde aan. In de zomer van 1812 brak er een hongersnood uit. Crisis. Veel arrestaties volgden. En veel executies. De luddietenacties stopten. In 1815-1820 volgden een volgende politieke crisis in Engeland. Gevolg door een politieke crisis.

1820 – 1825 waren periodes van sociale en politieke rust. Er was welvaart. Maar in 1826 kwam er weer een crisis. Er waren weer acties. Pas in 1830 werden de politieke tegenstellingen op de spits gedreven. Het hogerhuis bestond alleen uit edelen. Het lagerhuis uit landadel. De koning benoemde een premier. Deze diende meteen een hervormingsvoorstel in. In 1832 werd de ‘Reform Bill’aanvaard. De Reform Bill handhaafde het districtenstelsel, waarbij elk district 1 of 2 vertegenwoordigers koos, maar veranderde de indeling van de kiesdistricten. Deze kwam vooral aan de industriele ondernemers en stedelijke middenklasse ten goede. Ook de nieuwe stedelijke gebieden kregen nu vertegenwoordigers in het parlement Er was censuskiesrechtIn 1838 kwam de Anti Corn Leage. Dit zorgde ervoor dat de Corn Leage in 1846 werd afgeschaft. De Manchesterschool was voor liberalen

Vanaf 1832 kwamen er liberale regeringen, daarvoor waren er altijd conservatieve regeringen. In 1834 kwam de ‘Strong Poor Law’, met als gevolg dat arbeidsongeschikten niet meer mochten werken en er geen aanvullingen op het loon meer waren

Een klein deel van de arbeiders was politiek actief. De arbeiders waren kwaad, vanwege de Reform Bill. Dit werd nog eens versterkt door de liberale regeringen die al vanaf 1832 aan de macht waren. Daarvoor waren conservatieve regeringen aan de macht geweest. Vooral de strenge armenwet van 1834 betekende een verslechtering voor de lagere klassen. De arbeiders hoopten op politieke hervormingen. In 1836 begon er weer een crisis. ‘The hungry forties’. In 1838 stelde een arbeidsorganisatie in London een Charter met politieke eisen. De belangrijkste eis was algemeen mannelijk kiesrecht. Verder werd er gevraagd om jaarlijkse verkiezingen; geheim kiesrecht en salaris voor parlementsleden. Arbeidsverenigingen in hele land namen het charter meteen over. Zo ontstond de landelijke Chartisten-beweging. Er volgden massabijeenkomsten. Meer dan 1,3 miljoen mensen tekenden de petitie om het charter aan te nemen. Het gebeurde niet. Dit zorgde voor de chartisten voor een crisis. De regering greep hard in. Executies en arrestaties. Er volgde een twee petitie, getekend door 3,25 miljoen mensen. Weer geen resultaat. Deze nederlaag bracht een stakingsgolf op gang. De staking duurde even, maar mislukte. De charterbeweging was aan haar einde. Dit kwam ook omdat de Corn Laws en The Hours Act werden opgeheven. Nadat de charterbeweging was opgeheven, werden al haar eisen in de driekwart eeuw die volgde, alsnog ingewilligd.

Peterloo Massacre was onderdeel van de strijd voor algemeen kiesrecht. Het neerslaan van deze betoging, leidde alleen maar tot meer betogingen. En hiermee keerde de regering terug naar de harde aanpak van de 1790’s

Franse revolutie 1789-1815, Luddieten 1811-12, Peterloo 1819, Reform Bill 1832, chartisme 1838-1848.

Rond 1820:
Het Hogerhuis (House of Lords) bestond uit edelen die voor het leven benoemd waren door de koning.
Het Lagerhuis (House of Commons) bestond uit steeds twee vertegenwoordigers per district, overwegend edelen.
Gewone arbeiders hadden geen stemrecht.
De stedelijke middenklasse was in het parlement nauwelijks vertegenwoordigd.

Het kiesstelsel werd veranderd vanwege de volksopstand in Parijs in 1830.

De stedelijke middenstanders, de arbeidersklasse en de ondernemers waren tegen de Corn Laws

Tussen 1600 tot 1750 was de aanloop naar de IR
Tussen 1720 tot 1770 kwamen de eerste kanalen in Lancashire.
Tussen 1792 en 1815 was Frankrijk steeds met Engeland in oorlog
Tussen 1785 en 1802 ontstonden de eerste fabrieken
Tussen 1802 en 1815 was er een moeilijke periode voor de katoenindustrie
Tussen 1815 en 1820 was er veel politieke onrust nav de invoertarieven.
Tussen 1820 en 1830 was er een sterke economische groei
Tussen 1832 en 1850 was de economische crisis
Tussen 1848 en 1914 was GB op haar toppunt, wat betreft politieke, economische en militaire macht.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.