Industriële Samenleving in NL

Beoordeling 6.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas vmbo | 848 woorden
  • 6 augustus 2008
  • 58 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.3
  • 58 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Industriële Samenleving in Nederland
Veel mensen waren van het platteland naar de stad verhuisd om werk te zoeken. Dit had te maken met Industrialisatie, die aan het eind van de 18e eeuw in Engeland was begonnen. In Nederland ontstond omstreeks 1870 een industriële samenleving. Op 20 september 1839 kwam de eerste Nederlandse treinreis vanuit Amsterdam. De stoommachine was een belangrijke ontwikkeling in de wetenschap want, vroeger was er alleen windkracht, waterkracht, en spierkracht van mensen en dieren. Nu was er aandrijfkracht die niet uit de natuur zelf kwam. Er kwamen fabrieken waar meerdere machines met stangen, wielen & riemen werden
aangedreven door één stoommachine. Daardoor werden producten op steeds grotere schaal gemaakt (schaalvergroting) ..conclusie: oorzaak: De toepassing van wetenschappelijke en technische uitvindingen in de industrie is een belangrijke. Gevolg: schaalvergroting van de productie. De toepassing van de stoommachine was een belangrijke oorzaak van de industriële samenlevingen. In Nederland kwam deze ontwikkeling omstreeks 1870 goed op gang. De meeste fabrieken bestonden eerst uit een grote schuur of achterhuis met enkele weefgetouwen en wat werktuigen voor de bewerking van deze stoffen. Ondernemers hadden deze productiemiddelen met eigen kapitaal gekocht en arbeiders in dienst genomen. Deze fabrikanten investeerden de winst van hun bedrijf in nieuwe productiemiddelen,

in de hoop nieuwe winsten te maken. Door deze investeringen ontstonden grotere bedrijven die meer en sneller konden produceren. Deze schaalvergroting zorgde ook voor lagere productiekosten, waardoor producten goedkoper op de markt konden worden aangeboden. Kleine bedrijven, met hogere productiekosten, konden moeilijk op tegen deze concurrentie. Goed ondernemerschap was belangrijk voor commercieel succes. In Oss waren bijv. twee margarinefabrieken, die elkaar fel beconcurreerden. Ze probeerden margarinerecepten van elkaar te stelen en verkochten hun product voor steeds lagere prijzen. Voor een ondernemer met nog andere bedrijven was een tijdje verlies lijden niet zo erg. In 1891 leende Gerard Philips geld van zijn vader om een gloeilampenfabriek te beginnen in Eindhoven.
Om de kwaliteit van zijn gloeilampen te verbeteren nam hij onderzoekers in dienst. En met succes. Door de goede verkoop van de gloeilampen kon Philips zijn onderneming uitbreiden en andere elektrische apparaten gaan produceren . zoals radiotoestellen Om zijn producten beter te kunnen verkopen in binnen-en buitenland nam Philps reclamemakers in dienst. Door handig gebruik te maken van kapitaal werd Philips een van de grootste elektronicabedrijven ter wereld.
Een oorzaak van de schaalvergroting in de industrie was goed ondernemerschap, waarbij fabrikanten hun kapitaal. Waarbij fabrikanten hun kapitaal investeerden in productiemiddelen. In het begin van de industrialisatie werkten arbeiders onder ellendige omstandigheden. Mannen, vrouwen en kinderen maakten zes lange werkdagen per week. Lonen waren laag. Werk met machines was vaak gevaarklijk en ongezond. In fabrieken werd de productie steeds meer in stukjes verdeeld die telkens door andere arbeiders werden gedaan. Deze arbeidsdeling maakte fabriekswerk erg eentonig. Sociale zekerheid, zoals een uitkering voor weduwen en wezen, was er niet. Door de industrialisatie veranderden de arbeidsverhoudingen. Toen bedrijven nog niet zo groot waren was er meer persoonlijk contact tussen bazen en knechten, zoals in de nijverheid.. Tussen patronen en gezellen. Door de schaalvergroting in de industrie werd de afstand tussen directeur en arbeiders steeds groter. Arbeiders kregen meestal alleen nog te maken met afdelingschef. Arbeiders gingen zich steeds meer organiseren in plaatselijke vakbonden.
Deze bonden zorgden voor onderlinge verzekeringen, Bijv. tegen ziekte. Ook onderhielden ze stakingskassen, om stakers geld te kunnen geven. Omstreeks 1900 gingen vakbonden landelijk samenwerken in vakcentrales, zoals het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV). Steeds meer politici vonden dat de overheid met sociale wetten iets moest doen aan de ergste verschillen in de samenleving. Arbeiders richten hiervoor politieke organisaties op, zoals de sociaal Democratische Arbeiders Partij. De eerste sociale wet was de 'kinderwet van Van Houten' (1874), waarin kinderarbeid onder 12 jaar werd verboden. De wet was voorgesteld door het liberale Tweede-Kamerlid Van Houten. 1890 begon de regering met een onderzoek naar de arbeidsomstandigheden. In 1919 werd de Arbeidswet aangenomen, waarin voor alle Nederlanders een 45-urige werkweek werd vastgesteld: vijf achturige werkdagen en een vrije zaterdagmiddag. Van de beroepsbevolking werkte toen 30% in de eerste beroepssector (landbouw & visserij). In 1850 was dat nog 46%. In de industriële samenleving was veel migratie van platteland naar stad. Door toepassing van landbouwmachines en andere verbeteringen ging de landbouw met steeds minder mensen steeds meer voedsel produceren. In de 20e eeuw ging Nederland ook steeds meer voedsel importeren, in plaats van eigen productie. Hierdoor daalde het aandeel van de beroepsbevolking in de eerste beroepssector naar ongeveer 4% in 2000. In de tweede beroepssector (industrie en handnijverheid) steeg het aandeel van de beroepsbevolking tussen 1850 en 1900 van 25% naar 33%. Door de verdere industrialisatie steeg dit aandeel naar 43% in 196, maar daarna daalde het. De belangrijkste oorzaak was buitenlandse concurrentie, waardoor veel Nederlandse fabrieken sloten. In 2000 werkte ongeveer 23% van de beroepsbevolking in de tweede beroepssector. Door de industrialisatie ontstond veel werkgelegenheid bij handel, vervoer, overheid en verzorgende beroepen. Tussen 1850 en 1900 steeg het aandeel van beroepsbevolking in deze dienstensector van 29% naar 37%. Vanaf omstreeks 1890 is de dienstensector de grootste beroepssector van Nederland. In de 20e eeuw werd Nederland steeds meer een dienstenland, waar bijv. veel geld werd verdiend met verkoop van Nederlandse televisieprogramma's aan het buitenland. In 2000 was het aandeel van de beroepsbevolking in de 3de beroepssector gestegen naar ongeveer 73%.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.