ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
Hs 1
Indonesië
Indonesië is en archipel van 13000 eilanden. Dit werd in de 16e eeuw niet gezien als eenheid want er waren 300 verschillende volkeren en 250 talen en dialecten. De verschillen tussen het ontwikkelde Java en de primitieve stammen van de oerwouden waren enorm.
Delen van het archipel werden al eeuwen bezocht door Arabische en Chinese handelaren. De molukken waren de enige plekken van de wereld waar nootmuskaat en kruidnagel groeiden. Door de arabieren kwam ook de islam naar het archipel en werd dat de belangrijkste godsdienst. Kort na 1500 kwamen de Europeanen. Eerst de Portugezen, zij waren vooral geïnteresseerd in peper en kruidnagelen.
In 1596 ontdekten de NLers een weg naar Oost-indie. Na een paar jaar waren er zoveel Nederlandse handelsvloten naar Java en de molukken gevaren dat ze alle andere Europeanen daar overtroffen. Dat leidde tot felle concurrentie.
Monopolie
In 1602 werd de verenigde oost-Indische compagnie opgericht. VOC. De voc mocht als enige Nederlandse onderneming handel drijven in oost-indie. Ze kreeg zelfs het verdragen sluiten met vorsten, oorlog voeren
àrecht om op te treden als overheid en gebieden bezetten en regeren. Rond 1625 was ze erin geslaagd om alle Europeanen uit de moukken te verdrijven. De voc werd het grootste bedrijf v/d wereld. Rond 1700 op alle zuid Aziatische kusten handelsposten. Belangrijkste producten waren peper, nootmuskaat en kruidnagelen. Rond 1700 kwam er ook steeds meer interesse in thee, koffie en suiker.
Weinig contact
De voc had nauwelijks contact met de inheemse bevolking. Ze bestuurde alleen de kleine nederzettingen. Het grootse deel van de inwoners merkten maar weinig op van de NLers. Hun aanwezigheid beperkte zich voornamelijk tot Java en de molukken.hoewel de voc de molukken economisch overheerste bemoeide ze zich daar ook weinig met de inheemse bevolking. De voc wilde vooral een handelscompagnie zijn, maar was ook een militaire organisatie. De personeelsleden waren soldaat en de schepen waren zwaar bewapend. Ten behoeve van de handel trad de voc nog weleens op als militaire bondgenoot tegen inheemse machthebbers en de voc liet zich betalen met handelsvoorrechten.
De voc bleef in de 18e eeuw een machtig bedrijf, maar de winsten daalden. Van 1780 leed het bedrijf verlies. In 1795 trokken de fransen NL binnen en hielpen en patriotten aan de macht. De patriotten waren niet blij met de VOC. De patriotten wilde meer invloed voor de gewone burgerij en de VOC was van de oude elite die alle baantjes onderling verdeelde. Daar kwam bij dat NL samen met Frankrijk in oorlog raakte met Engeland en dat Engeland de zee blokkeerden en dat NL zo niet meer naar Indië kon. In 1799 verklaarde de patriotten( Bataafse republiek) de VOC failliet.
Hs 2.1
Donderende grote heer
In 1806 maakte napoleon een eind aan de Bataafse republiek. Hij stichtte het koninkrijk NL en stelde zijn broer Lodewijk Napoleon aan als koning. Lodewijk stuurde generaal H.W Daendels als gouverneur generaal naar Java. Deandels ging uit van patriottische principes. Hij wilde een moderne staat met duidelijke regels. Hij moest niets hebben van het feodale systeem, waarbij de Javaanse edelen op grond van hun geboorte de baas waren en de boeren allerlei door traditie en willekeur bepaalde verplichtingen aan hun heersers hadden. De zogeheten herendiensten. Alle macht was nu in handen van de staat. De regenten waren gewone ambtenaren die tegen een vast salaris voor het Nederlandse bestuur werkten. i.p.v van feodale verplichten kwam er landrente. Om troepen sneller te kunnen verplaatsen liet deandels een weg aan leggen over de gehele lengte van Java. De grote postweg.
Hij gebruikte hiervoor duizenden Javanen, die door arbeidsomstandigheden om het leven kwamen. De herendiensten gingen dus door en dat maakte deandels niet erg consequent.
Deandels bewind was maar van korte duur. In 1811 bezetten de Engelsen Java en stelden T.S Raffles als gouverneur generaal aan. Hij zette de koers van deandels voort. Met geweld onderdrukte hij pogingen van Javaanse vorsten om hun macht terug te krijgen.
Ook raffles bewind duurde kort, na de napoleontische oorlogen wilden de britten van NL een sterke staat maken. En een sterke staat kan niet zonder kolonie, dus gaven de britten het archipel terug.
Een welvarende kolonie?
NL was na de napoleontische oorlogen verarmd. Maar men geloofde dat de kolonie zou bijdragen in het herstel en dat de kolonie er zelf ook beter van zou worden. Koning willen 1 benoemde van der capellen tot gouverneur generaal. ( 1816-1826)
Van der capellen had t beste met de bevolking voor. Hij wilde de zachte onbedorven Javaan beschermen tegen uitpersing door de eigen regenten en westerse ambtenaren en ondernemers.
Maar dit leidde tot niets. Herendiensten bleven bestaan, dus de landrente betekende een extra belasting voor de boeren. Westerse planters hadden sinds de Britten ruim baan en konden grond kopen inclusief de herendiensten. Dus de boeren werden niet beschermd tegen uitpersing. In 1823 verbood van der capellen deze grondverkopen. Rond die tijd werd ook duidelijk dat het NLse bedrijfsleven niet profiteerde van de geboden vrijheid. De Nlse schepen waren verouderd en konden de concurrentie niet aan. En de Javaanse regenten en vorsten gingen zich steeds meer verzetten tegen de beknotting van hun macht.
De Java oorlog
In 1825 begon de Javaanse prins Diponegoro een opstand. Diponegoro was een moslim die zich geroepen voelde om vorst van heel Java te worden en de heidenen te verjagen. De opstand breidde zich razendsnel uit over midden-java en liep uit tot een echte oorlog. De Java-oorlog. Diponegoro kreeg massale steun van de inheemse bevolking. Met guerrillatactieken kreeg het NLse leger het zwaar te verduren. Diponegoro gaf zich pas over na 5 jaar. Veel verwoest, 200000doden.
2.2
de nieuwe man in Batavia.
De patriottistische of liberale ideeën hadden in Indië sinds 1808 de overhand gehad. De handelsmonopolie was vervangen door vrijhandel. Het feodale systeem had plaatsgemaakt voor een modern bestuur. De koning had zich lang vastgehouden aan dit liberale beleid, maar liet zich nu overtuigen door VOC militair Johannes van den Bosch. Van den Bosch was eerder uit Indië vertrokken omdat ie naar eigen zeggen het niet mee eens was met de liberale ideeën. Hij vond dat NL alleen aan de kolonie kon verdienen als de feodale tradities in ere herstelde. Van den Bosch kwam vooral met economische argumenten. De kolonie was er voor t moederland en niet andersom. Java enige taak was om NLs schatkist te vullen. Daarvoor voerde hij het cultuurstelsel in.Van den Bosch vond dat de koloniale overheid eigenaar was van de grond. In het cultuurstelsel werd de Javaanse bevolking gedwongen tropische exportgewassen als koffie, suiker, thee en indigo te verbouwen. Deze cultures werden opgekocht tegen door de koloniale overheid vastgestelde prijzen. En daarna in NL verkocht. Om boeren aan t werk te krijgen kregen regenten hun gezag over de bevolking terug. In ruil daarvoor moesten ze zorgen dat de bestelde hoeveelheid werd geleverd. De door koning willen opgerichte Nederlandse handel maatschappij kreeg de cultuurproducten in consignatie: de NHM kreeg het alleenrecht om de tropische producten op Java te kopen.
Dualistisch bestuur.
Van den Bosch voerde een dualistisch bestuur in waarin het NLse en inheemse bestuur naast binnenlandse bestuur bestond uit eenàelkaar functioneerden. Het NLse bestuur gouverneur-generaal, ambtelijke diensten en residenten, assistent residenten en controleurs.
 inlands bestuur waren de nakomelingen vanàHet inheemse bestuurd vroegere vorstenfamilies. Zij verdeelde het werk en de grond onder de boeren. De boeren kregen voor het verplichte werk in het cultuurstelsel een plantloon. De regenten waren ambtenaren in dienst van de NLse overheid. De mochten weer herendiensten verlangen. De kregen een vast salaris en daar bovenop kwamen de cultuurprocenten. Van de NLers hadden de regenten weinig last. Het binnenlandse bestuur hield zich vooral bezig met inkoop, opslag en transport van producten. Ook met de bevloking hadden de Nlse ambtenaren weinig contact.
Rustige rust.
Het cultuurstelsel werd een groot succes Afgezien van wat kleine opstootjes. De boeren deden wat er van hun verlangd werd en het leverde zoete winsten op. In de jaren 1850-1860 was het batig slot zelfs goed voor 1/3 van de NLse overheidsinkomsten. Vooral op koffie en suiker werd veel verdiend. Van dit geld werden spoorwegen en bruggen gebouwd.
2.3
Rijsteelt onder druk
Door het cultuurstelsel nam voor de Javaanse bevolking de werkdruk flink toe. Veel Javanen werden ingezet. Tegelijk bleven ook herendiensten en de landrente bestaan. Ook het gouvernement maakte van herendiensten gebruik, bijvoorbeeld voor de aanleg van wegen en havens. Naast het cultuurstelsel bleef de inheemse economie bestaan gericht op zelfvoorziening en regionale handel. Maar door het cultuurstelsel ging de verbouw van rijst ten koste. Omdat de boeren aan de cultures moesten werken was er geen grond en tijd meer over voor rijst. Vooral de suiker- en indigocultures zetten de rijst onder druk.
Daar kwam bij dat NLse handelaren en de inheemse bestuurders profiteerde van een zo hoog mogelijke productie d.m.v cultuurprocenten. Ze kwamen steeds in de verleiding om boeren uit te persen.
Maar omdat het later goed ging en de boeren een plantloon kregen want al snel hoger was dan de landrente kon de inheemse handel voortgaan. Door deze monetarisering namen de welvaart en inheemse handel toe.
In 1845 ging het mis, door misoogsten ontstond er hongersnood en de jaren 1845-1850
De verzwakte bevolking viel bovendien ten prooi aan ziektes.
Toenemende kritiek
De humanitaire ramp leidde tot de eerste kritieken op het cultuurstelsel. Het kamerlid van hoevell beschuldigde de regering ervan alleen maar naar de schatkist te kijken dat naar het lot van de Javanen. Ook de regering besefte dat er iets moest gebeuren. Besloten werd om het cultuurstelsel te hervormen. Het verplichte werk op suiker- en koffieplantages werd verminderd en de cultuurprocenten gingen omlaag. De NLse ambtenaren kregen niet langer het advies om zich zo weinig mogelijk met de inheemse bevolking te bemoeien. Voortaan moesten ze de bevolking tegen misbruik door hun eigen bestuurders beschermen.
De regenten zagen hierdoor hun macht weer verschuiven naar de NLse ambtenaren die het binnenlands bestuur deed groeien.
Het boek Max. havelaar van Multatuli heeft een belangrijke bijdrage geleverd. De aankomende ambtenaren gingen het als hun taak zien de inheemse bevolking te beschermen.
Liberale principes.
De aanval op het cultuurstelsel kwam vooral uit een liberale hoek. Het cultuurstelsel sloot niet aan bij liberale principes. Gedwongen arbeid was volgens liberalen in strijd met de menselijke natuur, want het onderdrukte de natuurlijke drang om door werk het eigen bestaan te verbeteren. Volgens het liberalisme moest de staat particulier initiatief de ruimte geven.
Tot 1848 had het liberalisme in NL weinig voorgesteld, maar omdat de koning een revolutie wilde tegengaan liet hij thorbecke een nieuwe grondwet maken met liberale uitgangspunten.
Thorbecke legde de macht bij de 2e maken die gekozen werd door de gegoede burgerij.
Vanaf 1850 waren de liberalen de meerderheid in de 2e kamer. Zij zouden uiteindelijk het cultuurstelsel opheffen.
2.4
ondernemers

voor 1830 waren er te weinig kapitaalkrachtige NLse ondernemers geweest om te profiteren van de vrijhandel. Ondanks het cultuurstelsel was het meer op gang op Java. De 1e groep rijke ondernemers op java waren de suikerfabrikanten. In t begin waren zij de enige particuliere die binnen het cultuurstelsel een rol speelden. Zij mochten een klein deel buitenom de NHM verkopen. Na 1845 nam dit toe. Toen waren er inmiddels ook al meer particuliere ondernemers op java. Vanaf de jaren 1840 mochten particulieren ook thee tabak en indigo produceren en verhandelen. De opkomst van de particuliere ondernemers tastte de monopoliepositie van de NHM aan. Want er werden ook particuliere handelsondernemingen gesticht.
Afschaffing van de cultures.
Na 1860 maakte liberale regeringen geleidelijk aan een eind aan het cultuurstelsel. 1860 werden de laaste gedwongen theecultures afgeschaft, in 1862 en ’63 volgende de specerijen en in 1864 de indigo en het tabak. In 1867 werd het monopolie van de NHM opgeheven.
In 1870 kwam de genadeklap voor het cultuurstelsel, die de afschaffing van suikercultures regelde.
Tegelijk met de suikerwet kwam de agrarische wet: om de inheemse bevolking te beschermen bepaalde deze wet dat ondernemers geen grond mochten kopen, alleen maar huren.
Culturele contacten.
NL ging Java geleidelijk aan meer overheersen. In de VOC tijd was er niet veel sprake van cultuurmengel, doordat NLers alleen bij de handelsposten bleven. Later ontstond er een indo-europese mengcultuur. de meeste nakomelingen van de NLers beheersten niet eens de Nlse taal maar spraken maleis. Ook kleding en eten werd langzaam gewoon bij NLers. Op hun werk droegen ze pakken en spraken ze Nls maar thuis niet. Ook lieten getrouwde mannen zich verwennen door inheemse vrouwen of kregen daar kinderen mee.
Hoofdstuk 3 3.1
Onthouding

Gouverneur generaal van den Bosch bepaalde in 1830 dat NL zich in de buitengewesten een politiek van onthouding moest voeren. Men moest zich er zo weinig mogelijk mee bemoeien. Er was toch geen geld aan te verdienen en t zou alleen maar geld kosten om het te regeren en te besturen. Het bestuur kon beter worden overgelaten aan lokale vorsten en sultans. Toch werd met behulp van het KNIL het koloniale gezag uitgebreid. In de jaren 1840 verloor NL op Borneo een groot gebied aan de Britten. Om herhaling te voorkomen voerde het KNIL jarenlang strafexpedities uit tegen sultans die zich te onafhankelijk gedroegen. NL liet hiermee zien dat ze niet met hun lieten sollen. Maar het KNIL trok zich terug en er kwam geen NLs koloniaal bestuur. De onthoudingspolitiek werd lang volgehouden. Na 1875 legde het gouvernement de relatie met de inheemse vorsten en sultans vast in een standaardcontract. NL beloofde militaire steun en politiek waarborgen in ruil voor economische goederen en erkenning van het NLse gezag.
Lombok en atjeh
NL was in die tijd verwikkeld in de Atjeh-oorlog. Tot 1871 was Atjeh op Noord-Sumatra onafhankelijk. Dat werd een probleem toen het suezkanaal werd geopend in 1869. Schepen voerden niet meer langs kaap de goede hoop en de zeestraat tussen Europa en NL- Indië maar via Atjeh. Maar daar waren veel zeerovers waartegen NL niet kon optreden omdat de sultan soeverein was.
In 1871 kreeg NL het voor elkaar dat Engeland NL de soevereiniteit over Atjeh erkende. NL wilde Atjeh niet besturen, ze wilde alleen maar rust. Toch kwam er een oorlog. NL voerde een tuchtigingsoperatie uit, maar nadat de sultan verslagen was begonnen de Atjeeërs een felle guerrilla.
De omslag naar een meer imperialistische koers kwam in 1894. De gouverneur-generaal stuurde het KNIL naar lombok, waar de lokale bevolking een conflict had met de Balinese heersers. De Balinezen openden onderhandelingen. Maar daarna werden de KNIL troepen onverwacht aangevallen. De lafhartige overval leidde tot een ommekeer in de publieke opinie. In NL meldde vrijwilligers zich massaal aan om de Balinezen een lesje te leren. Maar dat was niet nodig want het KNIL maakte snel korte metten met ze. In NL was de stemming euforisch. De helden van lombok kregen een onderscheiding van koningin Emma.

Nationale eer

Na lombok werd ook Atjeh een zaak van nationale eer. De leiding van de oorlog kwam in handen van generaal Van Heutsz, die al lang genoeg had van de onthoudingpolitiek. Als Atjeh was onderworpen moest er een krachtig nationaal bestuur komen gericht op modernisering en welvaart. In 1903 gaven de belangrijkste verzetsstrijders zich over en verklaarde Van Heutsz Atjeh tot gepacificeerd. Het duurde nog wel lang voordat t rustig werd in Atjeh maar er was nu wel een koloniaal bestuur. De hoofden moesten een door snoeck hurgronje ontworpen korte verklaring ondertekenen. Daarin beloofden ze dat ze zich aan het NLse gezag onderwierpen, geen betrekkingen met vreemde zouden onderhouden en trouw aan alle regels van het gouvernement.
Nadat Van Heutsz tot gouverneur-generaal was gepromoveerd bracht het het ene na t andere gebied onder NLs gezag. Soms was dreiging voldoende, maar op zuidoost borneo, zuid-Celebs en Bali niet. Alle vorsten en sultans moesten de korte verklaring ondertekenen. Dus in feite gingen de NLse ambtenaren de dienst uitmaken. In 1914 was heel NLs Indië onder NLs bestuur gebracht.
3.2
Tabak en tin

Na de agrarische wet van 1870 groeide het particuliere landbouwbedrijfsleven sterk. Op Java ontstonden grote suiker-, koffie en theeplantages. Maar ook op sumatra, dat kwam omdat jacob nienhuys en 1863 een stuk oerwoud voor tabak ging gebruiken en dat leverde uitzonderlijk goede tabak op. In de buitengewesten leefde ook de mijnbouw op. Tot 1850 was deze in overheidshanden. De mijnwet van 1850 bepaalde echter dat ook particulieren concessies konden krijgen voor de winning van bodemschatten. Toen bleek dat de buitengewesten rijk aan delfstoffen waren zoals goud, steenkool en tin.
Olie en rubber
In 1884 raakte de Indische economie in een crisis. Door overproductie kelderde de suikerprijs. Ook koffie en andere producten werden getroffen door prijsdalingen. Pas tegen 1900 leefde de suiker, thee en koffieteelt weer op. De economische groei kwam vooral van nieuwe producten, zoals aardolie. Borneo en Sumatra hadden grote olievoorraden. Vele bedrijfjes gingen de velden exploiteren. Op den duur werden ze allemaal opgeslokt door de koninklijke aardolie industrie, die in 1907 met het Britse Shell fuseerde tot de koninklijke/Shell.
Vanaf 1900 werd olie steeds meer gebruikt als energiebron van de industrie en als benzine. Aanvankelijk was aardolie alleen voor verlichting. Door de auto-industrie kwam er nog een nieuw landbouwproduct. Rubber. Rubber bomen bleken het heel goed te doen op Borneo en Sumatra. De economische groei was mede mogelijk door de goede infrastructuur. Vooral scheepvaart. Binnen de archipel speelde vanaf 1891 de koninklijke pakketvaart maatschappij(PKM) een hoofdrol. De KPM had van de overheid het alleenrecht gekregen op het vervoer tussen de eilanden. Zeilschepen werden door stoommachines vervangen en geïsoleerde gebieden werden met de buitenwereld verbonden door een netwerk van lijndiensten.
Inheemse producten
Na het cultuurstelsel bleef NL Indië belangrijk voor NL. koloniale oorlogen en koloniaal bestuur was duur maar er stond genoeg tegenover. Het bedrijfsleven maakte winsten naar NL over. NLse handelsondernemingen gingen ondernemers in Indië financieren, organiseerden de handel en kregen in Indië ook eigen bezittingen die vanuit NL werden geëxploiteerd. Verder leverde de kolonie grondstoffen voor de NLse industrie. Suiker, en tabak industrie groeiden.
Door de kolonie ging NL zich ook weer bezighouden met scheepvaart. Het zeilschip werd omgebouwd tot staal en stoom. Ook andere Europeanen en Amerikanen stichtten plantages in NL Indië. Ook zelfstandige inheemse boeren gingen vanaf 1900 produceren voor de wereldmarkt. Inheemse producenten werden verantwoordelijk voor koffie thee en peper omdat hier geen beginkapitaal voor nodig was.
3.3
Onrust op Java
Door de afschaffing van het cultuurstelsel maakte de agrarische-feodale samenleving plaats voor een geldeconomie. Loonarbeid en zakelijke contracten kwamen in de plaats van feodale verplichten. Javanen werkten voor NLse ondernemers. Javanen voelden zich gedegradeerd van boer tot loonarbeider. Vooral in de jaren 1880- 1890 waren er veel onrust op het platteland. Relletjes en opzichters werden vermoord. De onrust werd aangewakkerd door de malaise suikercrisis van 1884. Doordat de afhankelijkheid van de geldeconomie toenam, gingen de inkomens omlaag, maar Javanen moesten de stijgende belastingen wel betalen. De belasting steeg vanwege de imperialistische expansie en de bestuursuitbreiding.
En ten slotte bleef de rijstproductie achter bij de bevolkingsgroei, grote delen van het eiland kampten met armoede en hongersnood.
De koelies van deli
Java had 3x zoveel inwoners als alle andere eilanden samen. In Deli hadden ze dan ook grote moeite arbeiders te vinden voor de tabaksplantages. De oorspronkelijke bewoners wilden niet dus haalden de planters massaal Chinese en Javaanse koelies. Die werden gelokt met een voorschot dat ze na afloop moesten terugbetalen. Het werk was loodzwaar en de arbeiders leefden en verschrikkelijke omstandigheden. Ze stierven als ratten. Ze konden niet weg vanwege het wurgcontract.
Door de koelieordonnantie van 1880 werd de macht van de planters versterkt.
Een poenale actie wat bepaalde dat een planter zijn koelies mocht straffen vanwege luiheid, weglopen of belediging. Mishandeling gebeurde dagelijks. Omdat anders volgens de opzichters de koelies niet aan het werk waren te krijgen.
Onder de Europeanen in Deli heerste een pioneerssfeer. Het waren jonge ongehuwde mannen die snel rijk wilde worden. Ze reageerden hun frustraties uit op de koelies of door zich vol te gieten.
Tempo doeloe
Na 1870 kwamen er steeds meer NLers naar NLs Indië. Dat kwam door het particuliere initiatief de ruimte kreeg en dat de reistijd van 4 maanden van verkort tot 5 weken. Het aantal Europeanen verdubbelde tussen 1870 tot 1900 tot 90000. Toch bleven nieuwkomers zich aanpassen aan de mengcultuur. Aankomende bestuursambtenaren kregen zelfs het advies een inheemse huishoudster te nemen omdat taal en gewoonten van het land het best uit zo’n boek kon worden geleerd.
De jaren de goede oude tijd. Deà1870-1920 werden later verheerlijkt als tempo doeloe verhouding tussen Europeanen en Indonesiërs zou goed zijn. Maar hier was niets van waar.
Indo-europeanen waren arm, gefrustreerd en bitter en de Europeanen waren grof, vadsig en verveeld. Doordat de nieuwe stroom Europeanen hun vrouwen uit Europa meenamen werd de koloniale elite meer op Europa gericht en werd het trouwen met een inheemse vrouw steeds minder geaccepteerd. De kinderen die uit Indo-europese relaties voortkwamen werden geminacht en gediscrimineerd. Ook waren de Europeanen bang voor de Javanen en andersom.
3.4
Voogdij.
Rond 1900 was de inheemse adel duidelijk naar de 2e plek verdrongen. NLse ambtenaren hadden het voor t zeggen en hadden ook traditionele tekenen van waardigheid overgenomen.
Toch waren er ook veel idealistische ambtenaren geïnspireerd door Max. Havelaar. Zij zagen het als hun roeping de bevolking te bevrijden van uitbuiting en onderdrukking. Ze wilden dat inheemse bevolking op westers niveau van welvaart en ontwikkeling brengen. Op eigen initiatief startten zij ontwikkelingsprojecten, zoals landbouwschooltjes. Abraham kyuper, de leider van de oppositie tegen de liberalen schreef in 1879 het beginselprogramma van de antirevolutionaire partij dat NL verplichtingen had tegenover Indië. Het had de voogdij over een bevolking die het moest opvoeden tot meer zelfstandigheid. Ook de liberalen namen uiteindelijk deze voogdijgedachte over. In 1899 schreef van Deventer een artikel wat de doorbraak gaf. NL had een ereschuld ten opzichte van Indië. De miljoenen die uit de kolonie waren gehaald door het cultuurstelsel moesten worden terugbetaald. Er moest geld worden gestoken in onderwijs en de economische ontwikkeling van de inheemse bevolking.
Irrigatie, emigratie en educatie.
Het artikel sloeg aan doordat in NL ook een eind kwam een het liberale beleid van staatsonthouding en werd een begin gemaakt met sociale wetgeving.
Bovendien drong door dat de Javaanse bevolking erg leed onder alles. In 1901 kwam werd kyuper minister-president en werd de ethische politiek het officiële beleid.
De ethische politiek was gebaseerd op de gedachte dat NL een zedelijke roeping had om de welvaart en zelfstandigheid van de Indonesische bevolking te bevorderen.
 hogere voedselproductieàIrrigratie
 overbevolking
àEmigratie op Java tegengaan en op de buitengewesten gebrek aan arbeidskrachten.
 definitieve overwinning op armoede en helpen ontwikkelen tot meer
àEducatie zelfstandigheid.
Dit alles zou Indonesië zelf rijp maken voor een eigen bestuurd in het koninkrijk der Nederlanden. Doordat er een westerse cultuur zou ontstaan door associatie.
Inspraak
D.m.v de ethische politiek werden het binnenlandsbestuur en het inheems bestuur gemoderniseerd. NLse ambtenaren kregen opdracht hun inheemse collega’s gelijk te behandelen. Er kwamen landbouw, onderwijs en speciale diensten.
àvakdepartementen
àSpeciale dienst dienst voor volkskredietwezen die zich ging bezighouden met de ontwikkeling van de bevolking.
Het koloniale bestuur drong steeds verder door in het leven van de inheemse bevolking.
BV rechtspraak: iedere bevolkingsgroep kreeg zijn eigen rechtspraak.
In 1903 kwam er de decentralisatie wet die regelde dat de oprichting van gemeenteraden en provincieraden waarin ook inheemse leden zaten.
In 1916 werd besloten tot oprichting van een vertegenwoordigend lichaam voor de hele kolonie: de volksraad. De volksraad zou aanvankelijk alleen advies geven en 15 van de 39 zetels gingen naar de inheemse leden.
Maar volgens de gouverneur-generaal zou deze raad uitgroeien tot een echt democratische Nederlands- Indisch parlement.
Hoofdstuk 4 4.1
Rijstschuren
Irrigatie, emigratie en educatie. De infrastructuur werd verbeterd, wegen en bruggen werden gebouwd. De landbouwgrond werd uitgebreid en er waren volop irrigatieprojecten. Rijst voorraadschuren werden gebouwd en dorpsbanken waar men goedkoop geld kon lenen.
Tussen 1900 en 1940 verdubbelde de rijstproductie waardoor hongersnoden niet meer voorkwamen. Toch nam de levenstandaard niet echt toe. De Javaanse bevolking groeide bijna net zo hard als de rijstproductie. Boeren leenden om te consumeren en niet om investeringen in de landbouw te doen. Emigratiepolitiek was ook geen succes. Slecht enkele 10 000 bouwden een nieuw bestaan op in Sumatra maar dit was veel te weinig. De ethische politiek zorgde wel voor betere gezondheidszorg. Geen hongersnoden/ epidemieën meer.
Gezondheidszorg
Voordat de overheid het overnam was verbetering aan de gezondheidszorg te danken aan katholieke en protestantse zendelingen.
Naast het bekeren zette ze ziekenhuisjes op en deden ze ander medisch werk. De kerken hebben nooit veel steun gehad van de overheid. Het gouvernement was bang dat de kerk rellen zou veroorzaken in gebieden waar de islam sterk was. Dankzij de liberale grondwet van 1848 kregen de kerken meer ruimte, maar alleen bij toestemming van de gouverneur-generaal en in gebieden waar de islam niet sterk was. De ethische politiek bracht daar weinig verandering in.
Onder invloed van de ethische politiek kreeg NL oog voor arbeidsomstandigheden. Na een schokkend onderzoek in Deli werd de arbeidsinspectie ingesteld. Het controleren was lastig vanwege de tegenwerking van de planters. Koelies kregen het materieel wel beter maar de stemming op de plantages was nog steeds slecht. Pas vele jaren later kreeg de arbeidsinspectie toestemming om onaangekondigd te inspecteren en nog later werd de poenale sanctie afgeschaft.
Onderwijs
Het onderwijs moest uit het niets worden opgebouwd. Omstreeks 1900 was het overgrote deel van de inheemse bevolking analfabeet. De regering besloot overal dorpsschooltjes te stichtten voor kids van 6tot 9 jaar. Ze leerden er Javaans of Maleis, beetje rekenen en lezen en schrijven. Voor de elite kwamen er apart scholen. Kinderen van de inheemse elite gingen al wat langer naar de Europese lagere school. Voor Chinese en Hollandse kwamen er weer aparte scholen dus speciaal voor hen waren. Op deze scholen werd een volwaardig Europees programma met NL als voertaal gegeven. Er kwamen ook middelbare scholen en instellingen voor hoger onderwijs. Indonesische jongeren gingen aan universiteiten in NL studeren.
De belangstelling voor westers onderwijs was groot onder de inheemse elite, zij zagen het als een belangrijk emancipatiemiddel.
Kartini een regentendochter, zette zich in voor meisjesonderwijs.
Zij geloofde in de associatiegedachte, Indonesiërs moesten zonder zichzelf te verloochen het beste van de westerse wereld overnemen, zoals de rechten van de vrouw.
Het kwam allemaal maar moeizaam van de grond. Er waren 2 miljoen kids die naar school gingen, veel spraken NL en er waren zelfs al een paar 100 Indonesische academici opgeleid.
Maar in een land van 70 miljoen was t te weinig om snel zelfstandig te worden. Bovendien raakte veel Indo-europese hoger opgeleiden gefrustreerd, omdat zij niet in het bedrijfsleven en de overheid in aanmerking kwamen voor topfuncties. Bij vakdepartementen en speciaal diensten wel. De Indonesische elite kreeg zo geleidelijk meer emancipatiekansen en toegang tot hogere functies. Maar van de echte top bleven ze uitgesloten.
Na 1920 nam de blanke trotse gevoel toe en de voogdijgedachte ging op de rem. Indonesië werd meer en meer gezien als een kind dat nog lang niet rijp was voor zelfstandigheid.
Gouveneur-generaal zei toen: we zijn al 300 jaar bezig hier, en t zal nog wel 300 jaar duren voordat dit land eindelijk klaar is voor zelfstandigheid.
4.2
Optimisme

In de 20ste eeuw ontstond er Indonesisch nationalisme. De eerste vereniging was boedi oetomo. Het was een elitaire club van onderwijzers, artsen en andere hoog opgeleide Javanen, die door westers onderwijs de ontwikkelingen van NL-Indië wilde bevorderen. In 1912 werd de sarekat islam opgericht die nog massaler was. De si kwam op voor de belangen van het Javaanse volk en stelde op haar 1e nationale congres politiek eisen. Ze wilden democratisering van het bestuur. Bestuurder en politici reageerden met begrip omdat ze de nationalistische beweging als een succes van de ethische politiek zagen. In 1916 stuurden de si en boedi oetomo een delegatie naar NL om te pleiten voor andere verhoudingen tussen kolonie en moederland. Het bezoek leidde tot de oprichting van de volksraad. Aan het eind van de 1e wo hingen er grote veranderingen in de lucht. The US beloofde zijn kolonie de Filippijnen volledige onafhankelijkheid. De Britten beloofde dat India zelfstandige democratie mocht worden binnen het Britse rijk. En in NL zei gouverneur-generaal in december 1918 dat Indië zelfstandig mocht worden binnen het NLse rijk als de tijd daar rijp voor was. De volksraad zou zich ontwikkelen tot een echt democratisch gekozen parlement.
Opstand.
Van de beloofde zelfstandigheid kwam weinig terecht. Wel werd de volksraad gepromoveerd van adviesgevend tot medewetgevend orgaan en kreeg de kolonie een autonomie binnen het koninkrijk. Maar in feite bleef NL autocratisch en de in de volksraad zaten voornamelijk alleen blanken. In den haag en Batavia kregen den tegenstanders van de ethische politiek het voor t zeggen. De meeste NLers in Indië waren vanaf het begin niet blij geweest met de nationalistische bewegingen. Na 1920 kwam ook de politieke leiding sceptisch te staan tegenover de ethische politiek. De sterke oud KNIL militair colijn stapte naar voren, hij vond dat Indië nog lang niet rijp was voor democratie. Hij werd sterk gesteund door de koloniale bovenlaag en de bestuursambtenaren. De nationalisten keerden zich tegen NL. Omdat van de beloftes van 1918 niets terechtkwam steunde de si opstandjes en stapte in 1923 uit de volksraad. De si was toen allang niet meer de enige nationalistische partij. Ze werd overschaduwd door de partai komunis indonesia( PKI) de PKI was communistisch, nationalistisch, antigodsdienstig en het vereerde Diponegoro.
100 jaar later besloot de PKI zelf een opstand te organiseren. Het zou op Sumatra beginnen om het KNIL weg te halen op Java, zodat de communisten daar de macht konden grijpen.
Eind 1926 was t zover. Ze pleegden sabotagesacties en enkele NLers werden gedood maar t KNIL wist de opstand snel te bedwingen. Begin 1927 was de orde hersteld. Een harde repressie volgde, 13000 personen werden gearresteerd en verbannen naar nieuw-guinea, daar was t een hel. Eind 1927 was het PKI ontmanteld doordat een speciale inlichtingendienst de oppositie ging infiltreren NL had orde op zaken gesteld.

4.3
Non-coöperatie
In NL richtten Indonesische studenten in 1922 een nationalistische club op met d naam Indonesische vereniging. NL was voor de indonesische studenten een vreemde wereld.
De verschillen onderling deden niet er meer toe dan thuis. Veel invloed kreeg Mohammed Hatta. Volgens Hatta vormden alle inheemse inwoners van NL-Indië 1 volk. Godsdienstige, etnische en sociale verschillen waren daar aan ondergeschikt. Alle Indonesiërs moesten zich verenigen in de strijd voor een vrije Indonesië. Hatta wilde meteen onafhankelijkheid. De nationalisten moesten iedere samenleving met NL weigeren. Deze ideeën bereikten ook de nationalistische clubs die studenten in de jaren 1920 in NL Indië hadden opgericht. Soekarno viel al snel op. Hij was 1 van de 1e 6 studenten aan de technische hogeschool van Bandoeng. Hij stichtte in 1927 de partai naisional indonesia. (PNI)
Oplopende spanningen
Soekarno was vanaf het begin de leider van de PNI. Binnen een jaar was hij op Java erg populair geworden door zijn toespraken. Volgens hem zou NL nooit uit zichzelf vertrekken.
Het gouvernement zag Soekarno als een serieuze bedreiging en in 1929 werden hij en andere PNI leden opgepakt. Soekarno kreeg 4 jaar maar kwam na 2 jaar vrij. Hij ging direct naar een gevangenis en werd juichend begroet. De sfeer in NL Indië werd steeds grimmiger. De economische malaise leidde tot massale onvrede en stimuleerde het nationalisme. Maar de regering en de gouverneur-generaal waren nu minder dan ooit van plan om toe te geven. De spanningen bereikten een hoogtepunt toen in februai 1033 muiterij uitbrak. Honderden inheemse matrozen veroverden een zwaar bewapend schip. Ze voerden naar de marinehaven van soerabaja. NLers waren bang dat ze dit wilden bombarderen. De autoriteiten besloten het schip terug te geven maar het schip werd per ongeluk gebombardeerd, toen NL een waarschuwing wilde geven. Er vielen 23 doden
Repressie
De muiterij van de zeven provinciën was voor het gouvernement het sein voor nieuwe repressies. De veiligheidsdienst kreeg toestemming elke brief te onderscheppen en elk telefoongesprek af te luisteren. De pers werd onder strenge censuur gesteld, de politiek kreeg bevoegdheden om verdachte elementen te arresteren. De PNI leiders werden zonder proces gevangengezet en verbannen naar afgelegen delen van de archipel. Soekarno werd naar Flores gestuurd. Hatta en Sjahir naar boven-digoel. De respressie was een succes. Nu het radicale nationalisme werd onderdrukt lieten velen hun non coöperatieve houding varen. Alleen organisaties die met NL wilde samenwerken werden toegestaan.
Gouverneur-generaal stelde tevreden vast dat indonesiers een rustig geduldig volk waren dat nog eeuwen met vrede onder NL gezag kon leven. Zolang de ‘kleine’ nationalistische bewegingen maar werden onderdrukt. Zelfs de gematigde nationalisten uit te volksraad werden niet te vriend gehouden. In 1936 nam de volksraad een petitie aan van soetardje. Daarin werd gevraagd aan de NLse regering om een conferentie te organiseren waar vertegenwoordigers van Indië en NL als gelijkwaardige partners een plan zouden opstellen voor geleidelijke onafhankelijkheid. Er werd geen tijd geëist en onafhankelijkheid gevraagd.
Volgens de regering en andere partijen wilden slechts een handjevol intellectuelen onafhankelijkheid maar leefde dit onder de bevolking helemaal niet. Het werd dus afgewezen. De nationalisten waren laaiend en verwachten niets meer van NL.
4.4
Crisis
Ondanks de overtuiging dat de NLse welvaart afhankelijk was NL-Indië groeiden kolonie en moederland uit elkaar. NL ging zich steeds meer richten op de US en Azië. Doordat de Indische economie sterk afhing van de export kwam WO1 hard aan. Na de oorlog werd dankzij een inhaalvraag weer geld verdiend, maar door overproductie daalden de prijzen en raakte Indië weer in een economische crisis. In de jaren 1929-1935 werd de kolonie door de economische wereldcrisis nog harder getroffen. De vraag naar olie, suiker, koffie, tin, rubber, thee en tabak stortte in. Om toch nog wat te kunnen verkopen moesten den prijzen dramatisch worden verlaagd. Fabrieken moesten sluiten. Mensen verloren hun baan. Inkomens werden gehalveerd. Import was niet goedkoper geworden waardoor het allemaal erg lastig werd.
Aanpassingspolitiek.
Het regeringsbeleid maakte het alleen maar erger. De NLse regering kwam met een aanpassingspolitiek. Dit hield in dat de NL- indische regering aan rigoureuze bezuinigingen moet doen die vooral de inheemse bevolking hard troffen. Onder druk van de crisis werd de liberale economische politiek vervangen door en meer planmatig beleid. Ook dot pakte verkeerd uit.
Bloemendaal in de tropen
NL Indië werd voor NL nog maar in 1 opzicht belangrijk. Als vestigingsplaats. Het aantal Europeanen in Indië steeg hard door de groei van het bestuursapparaat en het Indische bedrijfsleven. Vrouwen konden nu meekomen met hun man en er kon gebeld worden met NL.
Ook kwam er een lijndienst tussen schiphol en Batavia. Hierdoor zonderde de NLers zich sterk af van de inheemse bevolking.
De inheemse maîtresse verdween, er was nog wel inheems huispersoneel maar van vertrouwelijke omgang was geen sprake meer. NLse kids speelden niet meer met inheemse leeftijdgenootjes en werden niet meer opgevoed door een inheemse oppas. Er verrezen blanke villawijken. NLer droegen geen indo kleding meer maar jurken en overhemden. Ze vermaakten zich bij het zwembad, paardenraces of in de bioscoop. Waterleiding, airco en koelkast bevorderden een westerse levensstijl. Dit alles maakte dat de Nlers nauwelijks wisten wat er leefde onder de inheemse bevolking. Ze dachten dat de inheemse bevolking het allemaal maar prima vond. Naar bij de Japanse invasie, was de inheemse bevolking blij.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.