Heb jij spreekangst? Voor een item van RTL Nieuws doen we onderzoek naar spreekangst. Laat ons weten of jij nerveus wordt van spreken voor een groep. Meedoen duurt maar 3 minuutjes.

 


Naar de vragenlijst


ADVERTENTIE
Open Avond = ontdekken of jij hier past Leren is keuzes maken. Continu blijven zoeken, twijfelen, vallen en opstaan. Dát leren, dat leer je bij Hogeschool Inholland. Tijdens onze Open Avond op woensdag 30 oktober staan onze studenten en docenten klaar om al je vragen te beantwoorden. Kom langs en ontdek of jij hier past.

Meer info!
Hoofdstuk 8 - Ideaal en werkelijkheid (de VS)
1. De koloniën en het moederland 1607-1775
Inleiding
Pledge of allegiance(1892). De VS is ontstaan van 1776 tot 1787. Na 7 oorlogsjaren tekenden 13 Engelse koloniën in 1783 een vredesverdrag met Engeland, de vrede van Parijs. 4 jaar later in 1787 kwam er een grondwet.
1.1 Politieke bewustwording in de koloniën
In 1776 kwam de Onafhankelijkheidsverklaring. In de 16de eeuw vestigden kolonisten zich in Amerika. Met de Engelse koning hadden zij het goed getroffen, maar met de Franse koning was het een absolute monarchie geworden (‘L’état c’est moi’). De theorie achter deze hele monarchie was de ‘droit divin’, het goddelijk recht. In de loop van de 18e eeuw kwam hier veel kritiek op: Rousseau(volkssoevereiniteit), Montesquieu(trias politica) en Voltaire(gelijkheid).
In Engeland was het absolutisme mislukt. Door Glorious Revolution in 1688 verdween het koningschap. In 1689 legde de Bill of Rights de fundamentele rechten van het parlement en de burgers vast. De Engelsman John Locke verwerpt het goddelijk recht, maar de landeigenaren en de bezittende klasse zijn het belangrijkst, want anders lopen ‘life, liberty and property’ in gevaar(natuurlijke rechten). Deze 3 woorden werden de steekwoorden van de Amerikaanse revolutie.
1.2 Het uitbreken van het conflict met het moederland
Boston Tea Party in 1773: protest van de kolonisten naar het Britse gezag toe, omdat Engeland de haven van Boston geblokkeerd hadden, de invloed van de burgers van Massachusetts op het bestuur over de kolonie tot een minimum beperken en ze wilden belasting heffen op de invoer van thee. Voor Amerikanen waren dit ‘Intolerable Acts’. Koloniën in 1774 bijeen in het 1e Continentale Congres. Ze stelden eisen aan de Engelse overheid en Engelse producten werden geboycot. Toch begonnen de Engelsen in 1775 de oorlog. De Boston Tea Party in 1773 was de aanleiding van het uitbreken van de oorlog tussen moederland Engeland en koloniën.
Oorzaken van (onafhankelijkheids-) oorlog in 1775:
- Economische problemen tussen moederland en koloniën (door betalen van franse oorlog, belastingmaatregelen/invoerrechten)
- Politieke redenen (Amerikanen voelden zich ‘negroes’ en ‘slaves’, ze waren niet vertegenwoordigd in de Engelse regering en door verlichte filosofen)
2. De Verenigde Staten in wording, 1775/1796
2.1 De onafhankelijkheidsoorlog
Na het aannemen van de Onafhankelijkheidsverklaring in 1776, kwam er een strijd tussen de Engelsen (goed getraind beroepsleger) en de kolonisten. Bij strijd speelden de economische overwegingen een grote rol om partij te kiezen, niet afhankelijk van Engeland dan voor opstandelingen, die groep nam vrijwillig dienst in het continentale leger. In continentale leger slechte omstandigheden zorgen voor enorm doorzettingsvermogen en in 1778 kozen Fransen voor opstandelingen. In 1781 werd een Engels leger omsingeld door Fransen en Amerikanen, Engeland besloot in 1782 de strijd te staken. De overwinning werd vastgelegd in de Vrede van Parijs in 1983.
Na overwinning werd eenheidsgevoel en gemeenschappelijke mentaliteit sterker en afkeer tegen ongelijkheid en aristocratie. Band met het land niet zo sterk. In het noorden en middengebied was het nationale gevoel sterker dan in het zuiden.
2.2 De politieke fundamenten van de VS
De VS (1e koloniën die zich hadden vrijgevochten en republiek waren geworden) konden door grote afstanden het land moeilijk besturen. Er waren 3 fundamentele problemen:
1. De ongelijkheid. Het uitgangspunt van de Onafhankelijkheidsverklaring was volkssoevereiniteit: alle 13 staten regelden zelf wie kiesrecht kreeg en welke mensen gekozen konden worden als volksvertegenwoordiger. In 1830 was er kiesrecht voor alleen blanke mannen, maar in de Onafhankelijkheidsverklaring stond dat ‘alle mensen gelijk geschapen waren’. Dit werd een steeds groter probleem.
2. Het gebrek aan eenheidsgevoel tussen de inwoners door het uitgestrekte land. Het nationalismegevoel was bij weinig mensen aanwezig en werd aangewakkerd: de natie wil onafhankelijk zijn. Natie en nationalisme werden steeds belangrijker en waren verbonden met de ideeën van de Verlichting. De Amerikaanse (1776) en Franse Revolutie (1789) werden de Atlantische Revolutie genoemd, omdat de 2 landen elkaar sterk hebben beïnvloedt. Er kwam later een akelige variant van nationalisme op: integrale nationalisme(gehele vorm).
3. De staatsvorm: er kwam in 1777 een confederatie, waarbij elke staat zelfstandig/soeverein bestuurt. Maar dit werkte niet, want er moest steeds met elkaar overlegd worden en steeds weer nieuwe afspraken worden gemaakt en ook was er steeds geldgebrek.
In 1787 nam een groep nationalistische politici o.l.v. George Washington de leiding over en vergaderden 12 staten, waarvan 9 van de 12 afgevaardigden een grondwet ondertekenden. De hoofdpunten:
- Federale opbouw: elk van de 13 staten kon zaken zelf regelen. Maar belangrijke zaken kwamen in de handen van de centrale/federale regering. De federale overheid hief belasting om deze taken te kunnen uitvoeren. Dit alles zorgde voor een versterking van de centrale staat.
- Trias Politica: de federale regering kreeg een stelsel van checks and balances. De president had de uitvoerende macht, het congres de wetgevende macht, het centrale gezag de rechterlijke macht.
- Samenstelling van het Congres: elke staat mocht 2 vertegenwoordigers naar het Senaat afvaardigen en in het Huis van Afgevaardigden een aantal dat in overeenstemming was met de grootte van de staat.
- Het woord slavernij werd vermeden, omdat anders de zuidelijke staten de grondwet niet zouden ondertekenen. De staten mochten zelf hierin beslissen. In het noorden werd slavernij afgeschaft, in het zuiden hield men eraan vast.
3. De zwarten in de Amerikaanse natie
3.1 Opvattingen over de zwarte bevolking in de periode 1776/1860
Het woord slavernij werd vermeden in de grondwet, omdat anders de zuidelijke staten de grondwet niet zouden ondertekenen. Op centraal niveau werd geen besluit genomen over afschaffing van slavernij. Er was spanning tussen het vrije industrialiserende noorden, en het onvrije agrarische zuiden. Het zuiden liet de slaven niet gaan, omdat het agrarisch was en er waren slaven nodig.
In de grondwet 2 merkwaardige punten:
- Het Zuiden mocht nog 20 jaar lang personen importeren(slavenhandel) uit Afrika.
- Het Zuiden wilden dat slaven meetelden in het aantal inwoners, maar zonder belasting te betalen. Oplossing: de drievijfde clausule (een slaaf telde voor drievijfde mens mee).
Het bijeenhouden van de staten en het recht op bezit, waren dus belangrijker dan vrijheid en gelijkheid.
Het abolitionisme kwam vanaf 1830 in op gang en wilde directe afschaffing (abolition) van slavernij en gelijke plaats voor zwarten in de samenleving. Drijfveren bij streven naar afschaffing:
- Idealen van vrijheid en gelijkheid: ‘zwarten konden volwaardige mensen worden’.
- Predikanten en gelovigen steunden het abolitionisme en waren tegen slavernij, want in de bijbel gaat het over gelijkheid en naastenliefde (Evangelisch protestantisme).
3.2 Het staatsvormingsproces rond het midden van de 19e eeuw
Door industrialisatie in het Noorden waren steeds minder slaven nodig, dus de tegenstelling met het plantageleven in Zuiden werd sterker. Toen Noord en Zuid meer verbonden werden door wegen, kwamen meer spanningen. In Noorden hielpen mensen de slaven uit het zuiden d.m.v. vluchtwegen.
Nadat president Lincoln (voorstander afschaffing) aan de macht kwam, werd de zuidelijke Confederate States of America gesticht in 1861. Toen wilden de zuidelijke staten een scheiding. Alleen met geweld kon het Zuiden weer binnen staatsverband getrokken worden en zo ontstond er in 1861 een burgeroorlog/oorlog tussen de staten. De Burgeroorlog duurde van 1861-1865 en het Noorden won door de tactiek van ‘de verschroeide aarde’: het Zuiden economisch uitschakelen.
Na de oorlog werden het Zuiden lang door het Noorden bezet en onder dwang opgenomen in de centrale/federale staat: de reconstructieperiode 1867-1877. Staatsvormingsproces door het Noorden ging hard door tijdens burgeroorlog. Het zuiden wilden zwarten terug drijven en vermoorden zwarte vertegenwoordigers. Het Noorden kon dit niet tegenhouden en in 1877 vertrok het Noorden, maar de blanke overmacht en ongelijkheid bleven in het zuiden.
3.3 Vormen van discriminatie in de periode 1865-1955
Drie grondwetvoorstellen zorgden voor: de afschaffing van de slavernij (1865), gelijke burgerrechten voor zwart en blank (1868) en voor kiesrecht voor zwarten(1870).
Maar in de praktijk was het anders om kiesrecht te mogen uitoefenen Sociaal-economisch stonden zwarten ook zwak, want ze hadden geen geld om iets te beginnen. In het openbaar leven waren zwarten en blanken totaal gescheiden, zwarten stonden dus buiten de normale samenleving.
Veel zwarten trokken rond WOI en vanaf WOII tot de jaren 60 naar het noorden, ze hadden hier meer kansen. In het noorden was alles opener. Na de WOII was er dekolonisatie, wat voor de zwarten ook een inspiratiebron was om naar verandering te streven, die er uiteindelijk ook kwam.
3.4 De zwarten in de Amerikaanse natie na 1955
In 1955-1965 was het hoogtepunt van de Civil Rights Movement. Het Hooggerechtshof oordeelde in 1955 dat rassenscheiding in strijd was met de grondwet, dus aan de segregatie kwam een eind. In 1964 en 1965 kwamen er 2 wetten van het Congres:
- Civil Rights Act: maakte een eind aan de gereglementeerde rassenscheiding in de Zuidelijke staten.
- Voting Rights Act: gaf de federale overheid de bevoegdheid om het zuiden te dwingen zwarte kiezers te registreren.
Martin Luther King werd inspirerend leidersfiguur. Er kwam een geweldloze massabeweging uit het zuiden op straat. Door schokkende beelden op tv, werd aangetoond hoe onderdrukkend het Zuiden was. De ideeën van deze activisten zijn christelijk en progressief-liberaal. De zwarten kregen veel steun van blanken uit het noorden en hadden veel succes.
Later in de jaren 60 waren er veel rassenrellen, omdat radicale zwarten voor een harde aanpak waren. De Civil Rights Movement kon deze rellen niet tegenhouden.
4. De indiaan: van wilde tot staatsburger
Voor de indianenstammen had de trek van de blanke kolonisten naar het westen grote gevolgen:
- ze waren niet bestand tegen de ziektes die de blanken meebrachten
- ze werden beroofd van hun bestaansmiddelen
- met vechten waren de indianen de mindere van de blanke kolonisten en militairen
Indianen stonden buiten de Amerikaanse natie en de federale regering onderhandelde met zoals met het buitenland rond 1800. Indian Removal Act in 1830: het werd mogelijk om indianenstammen uit te kopen en te verwijderen naar Indian Territory. Dit werd doorgezet tot 1877, toen de gebieden door pioniers in bezit werden genomen. Indianen werden overgehaald/gedwongen in reservaten te gaan wonen die klein en onvruchtbaar waren. Ze waren hun zelfstandige bestaansmogelijkheden kwijt. Gevolg: Indian wars 1851-1870 (steeds vijandelijkheden uitbraken tussen het federale leger en de indianen).
4.1 Indianen zijn ook mensen
Tijdens deze oorlogen(en emancipatie zwarten) ontstond kritiek op slechte behandeling van de indianen in reservaten. In 1882 werd de Indian Rights Association opgericht door blanke protestanten, liefdadigheidsinstellingen en politiek: wilde Indianen opvoeden tot brave Amerikaanse burgers.
In 1887 Dawes-wet(opvoedingsproject): de reservaten werden opgedeeld in privé-grondbezit. Elke Indiaan kon zelf een boerenbedrijfje beginnen. 30% van grondgebied verdeeld onder de indianen, de rest verkocht. Indianen na 25 jaar grondbezitter ook een Amerikaanse staatsburger.
Dawes-wet aangenomen door:
- oprechte betrokkenheid voor de indianen
- om indianen te opvoeden
- groot deel van de reservaten komen in handen van de blanken.
In sociaal-economisch opzicht had de wet een averechts effect: vooral blanken profiteerden van de grondhervormingen en voor indianen was dat overschakelen strijdig met hun cultuur en tradities. In 1924 waren alle indianen staatsburger.
5. Amerika de smeltkroes voor immigranten?
5.1 De VS als immigrantensamenleving
Sinds 1802 gold een standaardprocedure: je moest al 5 jaar in het land wonen, goede morele opvattingen, een goed karakter, je moest instemmen met de grondwet, getuigen moesten dit bevestigen, je moest ook een eed van trouw afleggen aan de natie.
Na de burgeroorlog, WOI en WOII, aanslag op WTC werden immigranten/vreemdelingen met meer wantrouwen bekeken.
Het ‘nativism’ was een reeks van eigen-volk-eerst-bewegingen. Deze stromingen vonden zichzelf de ware Amerikanen: de White Anglo Saxon Protestants (WASP’s). Voor de nativists in de VS was duidelijk dat de superieure eigenschappen van de Angelsaksen aangeboren waren.
5.2 Aanpassing aan de Amerikaanse samenleving
Voor de immigranten was werk en inkomen belangrijker dan het overnemen van de cultuur van de VS. De groepen immigranten uit hetzelfde land trokken naar elkaar toe en hielden zo hun eigen gewoonten. Dit was strijdig met het idee van de meltingpot. Omdat immigranten zo lang vasthielden aan de eigen cultuur werd de Amerikaanse samenleving liever getypeerd als salad-bowl.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.