Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Hoofdstuk 5

Beoordeling 1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 1909 woorden
  • 19 mei 2013
  • 2 keer beoordeeld
  • Cijfer 1
  • 2 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!

5.1 Alles is handel


slavenhandel:


De ontdekkingsreizen:



  • Kennis

  • Veel rijkdom


De rijkdom kwam doordat de veroveraars zoals Columbus of Vasco da Gama op zoek waren naar goud, zilver en specerijen.


De schepen van de Portugezen, Spanjaarden, Engelsen en Nederlanders gingen naar het oosten en westen om daar de gemakkelijkste en goedkoopste handel te vinden. Daarbij kwam natuurlijk ook geweld want handel is oorlog. In het oosten werd gehandel rond de Indische Oceaan voor zijde en specerijen zoals peper, nootmuskaat en kruidnagel. In de 17e eeuw kregen de Nederlanders de handelsmonopolie op de Indonesische eilanden. In het westen wilden de handelaren naar Amerika.


Daar stichtten de europeanen plantages, waar alle handelsgewassen werden verbouwd. Daar werden vooral suikerriet en tabak verbouwd en rond 1800 ook katoen. Andere belangrijke producten waren koffie en cacao.


De mensen die al dit werk deden waren slaven. Die werden aan de westkust van Afrika gekocht. Hiermee werd erg veel geld verdiend. De slaven waren krijgsgevangenen uit de oorlogen die de afrikaanse stammen voerden. De slaven werden verkocht aan Nederlandse handelaren in ruil voor bijv. wapens. De slaven werden op Suriname verkocht aan plantage eigenaren. De producten die werden verbouwd op de plantages werden per schip naar Europa vervoerd om daar verkocht te worden.


Zo ontstond er een driehoekshandel tussen de continenten rond de Atlantische Oceaan.


Slavenleven:


Het leven van een slaaf was erg zwaar.



  • ze moesten in een schip dicht op elkaar gepakt naar zuid-amerika om daar verkocht te worden. Ze kregen ook heel weinig eten en als ze lastig waren werden ze zwaar gestraft.

  • Op zuid-amerika werden ze, nadat ze gekeurd waren, verkocht op een slavenmarkt.

  • De slaven kregen een brandmerk met het teken van hun eigenaar.

  • 9 van de 10 slaven werkten op een plantage

  • slaven in het huishouden hadden het meestal beter dan de slaven op een plantage.

  • De slaven hadden meestal maar een kort leven, dit kwam doordat; werken bij tropische temperaturen, weinig eten en ze werden streng gestraft.

  • Het werk: planten van suikerriet of tabak, binnenhalen van de katoenoogst en het verwerken ervan.


Afschaffing:


Heel erg lang vonden mensen dat de slaven minder waren dan anderen. Daarom moesten zij ook al het zware werk doen. En ook omdat ze niet christelijk waren.


18e eeuw: de verlichting: daardoor gingen mensen anders denken.


De aanhangers van de verlichting vonden dat ieder mens gelijk was.


In 1787 werd er een vereniging opgericht voor de afschaffing van de slavenhandel onder leiding van William Wilberforce. Dit noem je abolitionisme.


De abolitionisten wilden de slavenhandel afschaffen, omdat ze de behandeling onmenselijk vonden. In 1807 werd de slavenhandel door de Engelsen officieel verboden. Maar toch ging de slavenhandel stiekem door. Pas in 1863 werd de slavenhandel in Nederland afgeschaft.


Handelsgewassen:


Producten die speciaal voor de handel verbouwd worden, zoals kruidnagel in Indonesië.


Plantages:


Grote stukken landbouwgrond waar meestal één product verbouwd word, bijvoorbeeld koffie of katoen.


Handelsmonopolie:


Het alleenrecht om te handelen in een bepaald product, zoals de VOC dat had in indonesië.


Abolitionisme:


Beweging die zich inzet voor het afschaffen van de slavenhandel en slavernij.


5.2 mensen zijn niet gelijk


standensamenleving:


De meeste landen in europa bestonden in de 18e eeuw uit een standensamenleving. In 1774 was Lodewijk XVI koning in Frankrijk. Hij had absolute macht. Zijn wil was wet.


De samenleving was verdeeld in 3 standen:



  • geestelijkheid

  • de adel

  • de rest


de derde stand was een verzameling mensen met verschillende beroepen,de een was hoger dan de ander. De grote groep had weinig aanzien zoals boeren of arbeiders. Binnen de derde groep was er een groep rijke burgers.


De rijke burgers heten de bourgeoisie. Zij werden in de loop van de eeuw steeds rijker en hadden ook grond. De bourgeoisie waren boos omdat de geestelijkheid en de adel geen belasting hoefden te betalen en wel mochten meebeslissen en dat mochten zij niet. De bourgeoisie werd steeds zelfbewuster en werd kritischer over de politiek.


Een boerenleven:


Heel erg veel fransen woonden op het platteland en werkten als boer.


Zij waren de grootste bevolkingsgroep maar ze hadden toch niks te vertellen.


Ze moesten bijna alle belastingen betalen en bijv. het onderhoud van de wegen moesten zij ook doen. Veel boeren woonden op een klein stukje land dat van de landheer is. Om dat stukje land te kunnen gebruiken moesten ze pacht betalen met een deel van hun oogst.


Daardoor hielden ze vaak te weinig oogst over om hun gezin eten te geven dus deden ze aan huisnijverheid. Dan kregen ze een stuk ruwe schapenwol en dan sponnen de vrouwen de draden en de boer weefde de draden. De handelaar kwam de geweven stof weer ophalen en betaalde de boer daarvoor. Hij verkocht de stof dan weer door voor veel geld.


De boeren moesten behalve pacht ook belasting betalen. Als er misoogsten waren dan konden ze de belastingen niet betalen en moesten ze zichzelf in de schulden steken.


Er braken opstanden uit in de tijden van slechte oogsten en natuurrampen. De soldaten van de landeigenaar of van de koning gingen tegen de opstandelingen en de opstandelingen werden hardhandig neergeslagen.


5.3 de verlichting


verlichting:


Het verlichtingsdenken ontstond in de zeventiende eeuw toen filosofen als Spinoza (1632-1677) en Locke (1632-1704) bestonden.Door de  ontwikkelingen in de filosofie en wetenschap meensen mensen dat je zelf kon bepalen wat je met je leven wou doen. Je moest de beslissingen over je leven laten leiden door je verstand. Door kritisch na te denken kon je jezelf ontwikkelen.


Spinoza vond dat vrijheid van meningsuiting nodig was om de samenleving in stand te houden. De vorsten van die tijd vonden dat een slecht idee want toen was er nog absolutisme maar de bourgeoisie had wel belangstelling voor dit soort opvattingen. Spinoza kon alleen in Nederland zijn ideeen publiceren want dat was het meest tolerante land in Europa.


Locke leefde ook in de tijd van Spinoza maar hij woonde en werkte in Engeland. Volgens hem kon een mens nooit iets 100% zeker weten dus je moest altijd luisteren naar iemand met andere ideeen want diegene kan ook gelijk hebben. Hij vond ook dat als je bezittingen bezat doordat je arbeid verrichte dan mocht je daarmee doen wat je zelf wou en niemand mocht die bezittingen van je afpakken. In Frankrijk kreeg de verlichting steeds meer aanhangers en werden er beroemde verlichters geboren zoals Voltaire en Rousseau.


De trias politica:


Montesquieu:


Hij bedacht het bestuurssysteem de Trias Politica, die het volgende inhield: de wetgevende macht, de uitvoerende macht en de rechtsprekende macht moeten strikt gescheiden worden. Deze verschillende machten werden in de volgende groepen onderverdeeld: de groep die de wetten maakte, de groep die de wetten uitvoerde en de groep die de tweede groep controleerde.


Als iemand de wet overtrad dan berrechte de derde stand hem.


Deze macht moest onafhankelijk zijn van de andere 2 machten en zo voorkwamen ze dat mensen werden voorgetrokken.


Het gebeurde dat de koning de wet voorschreef, hem ook uitvoerde en als de wet werd overtreden, kon de koning iemand daarvoor straffen.


Als gewone burger kon je daar niks tegen beginnen.


Dit systeem van trias politica zou lateer in de meeste democratische staten worden doorgevoerd.


Vrijheid en gelijkheid:


De ideeen van de verlichting benadrukten vrijheid en gelijkheid. Het was erg nieuw voor alle mensen want sinds de middeleeuwen was de samenleving gebaseerd op geloof, traditie en gezag.


In Parijs werkten geleerden, onder leiding van Denis Diderot, aan de uitgave van de eerste encyclopedie ter wereld. Schrijvers als Voltaire en Rousseau schreven allerlei artikelen ervoor. In die artikelen stond ook kritiek tegen de overheid en koning.


In 1579 verbad de Franse regering de Encyclopedie maar het werk ging door.


Filosofen reisden veel rond en ze discusseerden veel over de nieuwste ideeen in de Encyclopedie. De verlichtingsideeen werden ook verspreid via brieven, romanse en toneelstukken. Daardoor kregen ze steeds meer aandacht.


Begrippen:


Rationalisme:


Ander word voor Verlichting, een denkstroming uit de 18e eeuw waarin het gebruik van het eigen verstand centraal stond.


Trias politica: Het idée dat de macht in een staat gespreid moet worden over drie los van elkaar staande sectoren: de wetgevende macht, de uitvoerende macht en de rechterlijke macht.


5.4 buigen of barsten


het gezag in gevaar:


Twijfelen aan het gezag van de koning en Kerk was niet zonder gevaar. Vele verlichtingsdenkers vluchtten naar de republiek der 7 Nederlanden. hier was meer mogelijk dan ergens anders. Boeken die ergens anders verboden waren werden in Nederland gedrukt en verspreid.


Hoe meer de machthebbers probeerden om de nieuwe ideeën te onderdrukken, hoe sneller ze zich leken te verspreiden.


Ster van het Noorden:


Veel vorsten probeerden de Verlichting te onderdrukken, maar dat werd steeds moeilijker. Er waren ook vorsten die bedachten: als je ze niet kunt verslaan, moet je meedoen. Het was buigen of barsten. Twee strenge heersers zijn bekend geworden door de manier waarop zij de ideeën van de Verlichting zó wisten in te voeren, dat zij toch oppermachtig konden blijven: Frederik II de Grote van Pruisen en tsarina Catharina II de Grote van Rusland. Dit noemen we verlicht absolutisme. Keizerin Cartharina regeerde vanaf 1762.  Zij bestuurde Rusland met een harde hand. Zij schreef vele briefen aan filosofen als Voltaire of Diderot. Catharina veranderde de wet onder invloed van de ideeen van Diderot. Ze wilde Rusland een moderner, meer westers land maken en ze liet zich daarbij leiden door de verlichtingsideeen.


Ze liet een inentingsprogramma opzetten waarbij ze zichzelf eerst liet inenten. Zo wou ze de Russen laten zien dat je ziekten kon voorkomen. Ze stichtte ook een school naar de opvoedingsideeen van de engelse filosoof John Locke. Die school was een van de beste van Europa. Toen de Franse Revolutie in 1789 begon was Catherina erg geschrokken, daar zaten verlichtingsideeen achter. Ze wilde niet dat Rusland dat ook zou gebeuren dus ging ze meer echt absolutistisch regeren. Vrijheid van meningsuiting werd afgeschaft.


Staatsinrichting:


De denkers van de Verlichting vonden dat de absolute macht van de koning beperkt moest worden. Ze waren dan wel geen voorstanders van het zomaar invoeren van algemeen kiesrecht voor alle mensen, maar ze vonden een grondwet waar iedereen zich aan moest houden wel heel belangrijk. Een van de rechten die in de grondwet moest komen, was de vrijheid van meningsuiting. Deze vind je nu nog terug in de grondwet, net als de basis van de Trias Politica. Er is nu in Nederland namelijk geen persoon of partij meer die alle touwtjes in handen heeft.


Bronnen:


Verlicht absolutisme:


Heerschappijvorm van vorsten die het absolutistisch ideaal omarmden, maar wel voor de denkbeelden van de Verlichting voelden, zoals Catarhina de Grote van Rusland en Frederik de Grote van Pruisen.


5.5 een verlichte toekomst?


Gevolgen in Nederland:


In Nederland kregen de ideeen van de Verlichting ook aanhang. Het gaat niet zo goed meer met Nederlands als in de gouden eeuw. Met de handel ging het niet goed en de ontevredenheid van de burgers groeide. De burgers wilden meer democratie in Nederland. Vanaf 1780 kwam er een revolutionaire groepering op: de Patriotten. Zij vonden dat de oude machthebbers moesten verdwijnen. Ze waren ook tegen de prins van Oranje, die als stadhouder bijna koninklijke macht bezat. In 1795 vielen de Franse troepen Nederland binnen om daar een revolutionaire regering te vestigen.


Nederland heette voortaan de Bataafse Republiek. Er kwam een nieuw bestuur en een grondwet. De Patriotten werden niet teleur gesteld door het nieuwe bestuur, dat ideeën die sterk gebaseerd waren op de verlichting had.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.