Hoofdstuk 3

Beoordeling 5.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1876 woorden
  • 19 januari 2015
  • 9 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.2
  • 9 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

3.1 – Hofstelsel en horigheid



Op het domein




  • In die tijd was er een groot machtsverschil tussen de mensen.

    • De adel en geestelijkheid waren de twee hoogste standen (sociale groepen).



  • Op de landerijen van de heren woonde en werkten de grootste groep mensen, boeren.

    • Zij vormen de derde stand en zijn erg afhankelijk van de heren.



  • Er zijn 3 verschillende groepen die in dienst zijn bij een landheer

    • Vrije boeren: Ze bewerkten hun eigen land en hadden de vrije beschikking over hun eigen persoon en hun goederen. Ze hadden wel een militaire verplichting.

      • Ze moesten zelf voor hun uitrusting zorgen.



    • Horige boeren: Ze bewerkten hun eigen land, maar mochten niet van de landerijen af om ergens anders te wonen. Ook moesten ze wat inleveren van de oogst.

    • Lijfeigenen: Ze hadden geen bezittingen en werkten volledig als knecht in de macht van de heer.



  • Deze mensen waren verbonden aan de belangrijkste sociaaleconomische eenheid, domein.

    • In de economie stond het domein zo centraal, dat het systeem hofstelsel heet.

      • Het hof verwijst naar de hoeve van een heer, het centrum van het domein.





  • Een belangrijk kenmerk van een domein was de driedeling in grond

    • Vroonhof: Hier woonde de heer, bij gevaar kon men daar bescherming zoeken

    • Akkers: Hier werkten de horige boeren en lijfeigenen

    • Woeste grond: ongerepte natuur, hier grazen de dieren, boeren verzamelden daar hout en zochten bessen voor medicijnen.



  • Een hofstelsel ontwikkelde zich in het noordwesten van het West-Romeinse Rijk

    • Dit was Frankrijk, delen van Duitsland, België en het zuiden van Nederland.

    • Een domein vormde geen aangesloten geheel, maar bestond uit losse lappen grond.

      • Het  voordeel was dat het domein verschillende producten kon leveren.









Handel en steden verdwijnen




  • In de vroege Middeleeuwen woonde vrijwel iedereen op een domein / boerderij.

    • Er was vrijwel een volledige agrarische samenleving ontstaan.

    • Eerder (tijdens het Romeinse Rijk) was er een agrarisch-urbane samenleving.

      • Toen leefden mensen ook van de handel en nijverheid.





  • De verandering had een aantal oorzaken:

    • Door het uiteenvallen van het West-Romeinse Rijk, door volksverhuizingen.

    • Lokale edelen maakte gebruik van het wegvallen van het centraal bestuur.

      • Dit leidde voor de bewoners tot grote onveiligheid, omdat er geen leger meer was om ze te beschermen.



    • Daardoor werd het reizen bemoeilijkt en kon er geen handel gedreven worden.

      • Internationale handelscentra veranderden in regionale markplaatsen.



    • Dit leidde tot het verdwijnen van het gebruik van geld, nu kwam ruilhandel weer.

    • Ook de productie van ambachtsproducten nam af, deze werden schaars.



  • De mensen bleven zo dicht mogelijk bij huis, ze moesten alles zelf maken wat ze gebruikten.

    • Dus mensen maakten eigen kleding en zorgden voor hun eigen voedsel.

    • De boeren werden vrijwel volledig zelfvoorzienend of ‘autarkisch’.



  • Die autarkie was niet volledig.

    • In een dorp was er nog wel enige mate van specialisatie, zoals het maken van schoenen.

    • Ook was er nog wel enige ruilhandel met gebieden buiten het dorp.

      • Men ruilde bijvoorbeeld zout voor het vlees.





  • Maar in West-Europa was van de gespecialiseerde economie uit de oudheid weinig over.



Kenmerkend aspect: Het vervagen van de agrarisch-urbane cultuur door een agrarische cultuur, door middel van het hofstelsel en horigheid



3.2 – Europa wordt christelijk





De verbreiding van het christendom




  • Eind 4e eeuw hadden de Romeinen het christendom tot staatsgodsdienst gemaakt.


    • Maar niet het hele rijk was volledig christen geworden.

    • Zo waren er Germanen die hun eigen goden vereerden en Galliërs, die een variant van het geloof beleden, het arianisme.

    • In de eeuwen daarna gingen mensen toch over op het vereren van God.



  • Dit proces heet kerstening (bekeren tot het christendom)

    • Dit ging tegelijk met een politieke ontwikkeling: de uitbreiding van Frankrijk.






  • De Franken hadden geluk, ze hadden een verbond met de paus in Rome.

  • Voor de Frankische machthebbers was samenwerking met de kerk gunstig.

    • Zij konden gebruik maken van de ervaren bestuurders als bisschoppen.

    • En ze kregen de zegen van God dankzij de paus.



  • Ook voor de kerk was het gunstig

    • Ze kregen militaire bescherming in Italië.

    • Zo werd het Frankische volk het machtigste in Noordwest-Europa.



  • In Nederland gebeurde dat ook, koning Dagobert stichtte een kerk in Utrecht.

    • De missionarissen waren vanuit Engeland gekomen om het katholieke geloof te verspreiden.

    • Zij kregen van de Frankische machthebbers grond voor een kerk.



  • Bonifatius werd in 754 vermoord, hij werd bekend als heuse martelaar van het christelijk geloof.

  • Maar door zijn dood werd kerstening gezien als aantasting van hun eigen cultuur.





Reguliere en seculiere geestelijkheid




  • Door de verspreiding van het christendom nam de macht van de geestelijkheid toe.

  • In de middeleeuwen waren er 2 soorten geestelijken:

    • Regulieren geestelijken: ze leefden in kloosters (monniken)

    • Secundaire geestelijken: ze leefden gewoon tussen de mensen (priesters).



  • De regulieren geestelijken, monniken, hadden zich uit de wereld teruggetrokken.

    • Ze woonden in een klooster onder leiding van een abt.

    • De indeling van de dag was vastgelegd door een aantal regels.

    • De getekende regel van Benedictus van Nursia was de bekendste en invloedrijkste.

      • Deze regel legden plichten op: gehoorzaamheid, armoede en onthouding.





  • Verder moest een klooster zo veel mogelijk in eigen behoeften voorzien.

    • Maar ook buiten het rooster moesten ze het evangelie verkondigen.

    • Het kloosterleven had aantrekkingskracht op mensen van hogere klasse.



  • Ze schonken land aan de kloosters en lieten hun kinderen intreden. (door betaling geld)

    • Ze hoopten zich te verzekeren van een plaats in de hemel.

    • Het gevolg: ze ontwikkelden zich tot grootgrondbezitters.

      • Ze kregen ook een rol bij het beheer van domeinen.





  • De monniken speelden een grote rol bij het bewaren en doorgeven van culturele erfgoed.

  • De seculieren geestelijken, priesters, waren leidinggevende van de kerk.

    • Ze waren verantwoordelijk voor de uitvoering van kerkelijke rituelen.

    • Om speciale handelingen te mogen uitvoeren, moesten ze worden gewijd.

    • Ze moesten rein zijn en mochten geen seks hebben.



  • Deze groep had een aantal rangen

    • De laatste groep was de hiërarchie, daar stonden de pastoors.

      • Ze zorgden op het niveau van parochie (gemeente) voor gelovigen.

      • En ze gehoorzamen aan de bisschop, die boven hen stond.



    • De hoogste rang is de paus in Rome.

      • De paus en de bisschoppen zorgden voor de vestiging van bisdommen en de stichting van kerk in nieuw gekerstende gebieden.











3.3 – Het bestuur wordt feodaal





Het feodale stelsel: hoe het werkt




  • Het feodale stelsel, leenstelsel, ontstaan in 700 in het Frankische Rijk.

    • Met het feodale stelsel bedoelen we de manier waarbij leenheren gebieden uitlenen.



  • De Frankische koning stond bovenaan de top van de piramide.

    • Hij verdeelde het land in ‘gouwen’, die werden bestuurd door een graaf.

      • Ook wel graafschappen genoemd.



    • Wanneer een gouw erg groot was, kreeg de bestuurder als titel: hertog.

      • Zo werd zijn gebied ook wel hertogdom genoemd.



    • De graaf mocht de opbrengsten van zijn leen voor zichzelf houden of voor het bestuur.

      • In ruil voor leen, betaalde de leenman eenmalig een groot geldbedrag.

      • Hij gaf dit aan de leenheer en beloofde hem militaire dienst.



    • Tot de taak van leenmannen behoorden ook het bestuur en rechtspraak.



  • Omdat de graaf dit niet alleen kon, gaf hij delen aan belangrijke volgelingen.

    • Zij konden de leen weer doorgeven aan een ander, de achterleenmannen.

      • Het was de bedoeling dat iedereen trouw bleef aan zijn landheer.

      • Daarom legden leenmannen steeds een eed af.









Het ontstaan en de nadelen van het feodale stelsel




  • Het stelsel is niet in een keer uitgevonden, maar geleidelijk tot ontwikkeling gekomen.

    • Het heeft tot na de middeleeuwen bestaan.



  • Het eerste feodale stelsel zien we bij het Frankische rijk met koning Karel Martel.

    • Hij moest veel oorlogen voeren en gebruikte een ruiterleger.

    • Maar de ruiters hadden geen geld voor een paard en wapens.



  • Karel bedacht iets: in militaire steun, zorgde Karel voor hun levensonderhoud.

    • Hij besloot zijn mannen een aantal boerderijen in leen te geven.

      • Zodat zijn vazallen zelf van onderhoud konden voorzien.

      • Zo ontstond het feodale stelsel, met militaire oorsprong.





  • Karel de Grote, de kleinzoon van Karel Martel, zette een belangrijke tweede stap

    • Hij koppelde het leenstelsel aan het bestuur.

    • Hij maakte soldaten én bestuurders (graven en hertogen) tot leenmannen.

    • Hun leen viel uiteindelijk samen met het gebied dat zij al bestuurden.



  • Het feodale stelsel leek heel mooi, maar de leenmannen zagen het als hun eigendom.

    • Als een leenman overleed, gaf hij het aan zijn oudste zoon.

    • Op den duur zagen leenmannen het dus als een erfelijk goed.

    • Ze voelden zich onafhankelijker en waren vaak ongehoorzamer.

      • Dit verklaart dat sommige koningen in Frankrijk en Duitsland niet veel macht meer hadden.





  • Feodaliteit was dus we leen oplossing voor geldgebrek, maar veroorzaakte nieuwe problemen.



Kenmerkend aspect: ontstaan feodale verhoudingen in het bestuur



3.4 – De verbreiding van de islam





Het ontstaan van een islamitisch rijk




  • Van de 7e tot de 9e eeuw veroverden Arabieren grote delen van het Midden-Oosten en Noord-Afrika.


    • Ze stichtten een islamitisch rijk.



  • Mekka was een centrale plaats waar handelsroutes elkaar kruisen en kooplieden met elkaar in contact komen.

    • Zo konden verschillende religieuze ideeën met elkaar in contact komen.



  • Mohammed, profeet islam, bouwde voort op ideeën en geschriften van joden en christenen.

    • De islam gelooft in één god, Allah.

    • Mohammed zag zichzelf als boodschapper van Allah

    • Hun heilige teksten staan in de Koran, de bijbel van de islam.



  • In de Koran staan voorschriften die moslims moeten naleven.

    • Ze moeten 5x per dag bidden.

    • Ze moeten erkennen dat Allah de enige God is.



  • Door religieuze inspiratie, militaire strijd en diplomatie zorgde Mohammed voor erkenning van de islam op Arabische eilanden

    • Dit gebied werd bevolkt door nomadische stammen.

    • Mohammed maakte van deze stammen een stamgemeenschap.

    • Daarmee legde hij de basis voor een islamitisch rijk.



  • Mohammed werd (na zijn dood in 632) opgevolgd door zijn schoonvader.

    • Net als Mohammed was hij tegelijkertijd een politieke en religieuze leider.

    • Hij werd geen profeet genoemd, maar kalifaat (opvolger van de profeet)

    • De regering door een kalief duiden we aan met het woord kalifaat.



  • De opzienbarende expansie van het rijk na 632 verliep in verschillende fases.

    • Fase 1: Arabië werd helemaal onder controle gebracht.

      • Vanaf dat moment stokte de expansie, door onderlinge strijd (geloof).



    • Fase 2: Heel Noord-Afrika en Spanje werden veroverd.

      • Vanaf dit moment werd de functie van het kalifaat overerfbaar.

      • Het regeringscentrum ging van Medina naar Damascus.

      • Deze stad lag centraler ten opzichte van de nieuwe grenzen in het rijk.





  • De snelle gebiedsuitbreiding heeft een aantal redenen.

    • Moslims hebben als plicht te strijden voor Allah.

    • Ze bevorderden de religie en het saamhorigheidsgevoel.







De definitieve vestiging van de islam




  • Ze komen om het land te besturen vanuit aparte, met soldaten verstrekte kampen.

    • Soms lagen deze kampen bij bestaande steden, zoals bij Merv.

    • De kampen werden gefinancierd door de belasting voor de lokale bevolking.



  • De leiders deden geen actieve poging de lokale bevolking te bekeren.

    • Wel moesten niet-moslims extra belasting betalen, en uitgesloten van bestuur functie.

    • Zelfs van Egyptenaren die moslim werden, bleef de status laag.



  • Vanaf 690-700 kwam het islamitische karakter steeds nadrukkelijker naar voren.

    • Ten eerste werd er een islamitische munt ingevoerd

      • Op deze munten stonden alleen nog (religieuze) woorden.



    • Ten tweede werd het Arabisch geïntroduceerd als taal van bestuur en wetenschap.

    • Ten derde ontwikkelde zich een stelsel van rechtsregels, gebaseerd op de sharia.

      • De sharia is het woord van Allah.



    • Als laatste de bouw van monumentale publieke gebouwen.



  • Het islamitische rijk zou niet lang een bestuurlijke eenheid vormen.

    • In de 9e eeuw maakten gouverneurs van verschillende gebieden zich los van het centraal gezag.

    • Desondanks bleef er wel een sterke culturele verwantschap bestaan.






REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

S.

S.

Kopiëren en plakken in word met lettergrootte 11, dan is het 4 pagina's :D

7 jaar geleden