Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Hoofdstuk 3

Beoordeling 5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo/vwo | 908 woorden
  • 15 januari 2013
  • 6 keer beoordeeld
  • Cijfer 5
  • 6 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

Hoofdstuk 3: Van Mohammed tot


Karel de Grote Orientatie



Middeleeuwen: de benaming Middeleeuwen werd bedacht in de Renaissance en werd beschouwd als kleurloos en barbaars. De Oudheid werd als ideale periode bepaald mede door de kunst, filosofie en manier van leven.



Paragraaf 1: Hofstelsel en horigheid



Door de val van het Romeinse Rijk viel men terug op handel, in plaats van een geldeconomie. De agrarische-urbane samenleving veranderde in een agrarische samenleving, de stad werd minder belangrijk qua handel en bestuur. De landouwproductie en daarmee de techniek ging een flinke stap achteruit, en men richtte zich vooral op de landbouw.



Hofstelsel: systeem van kleine boeren gemeenschappen die werken en leven op het grondbezit van hun heer.



Domein (gebied van een leenheer met als voornaamste kenmerk autarkie) opgesplitst in:




  1. Vroonland: door de eigenaar zelf beheerd, vaak door een rentmeester. Hier stond de hoofdhoeve en allerlei werkplaatsen, het werd vaak een kasteel.


Vroonland werd opgesplitst in bouwland, weideland en onontgonnenland. Het vroonland en de werkplaatsen werd bewerkt door boeren van het landgoed.




  1. Hoevenland: land verdeeld over een aantal boerderijen.


Drie soorten boeren op een domein:



  1. Vrijen: bewerkten het land van de heer in ruil voor pacht, herendiensten en heervaart. Ze hadden recht op bescherm, deelname aan rechtsprekende vergaderingen en mochten gebruik maken van onontgonnen land.

  2. Horigen: boeren die gebonden waren aan de grond van de heer, ze moesten een groot deel van de arbeidstijd voor de heer werken. Ze bezaten vaak zelf ook grond maar mochten niet zonder toestemming vertrekken (globae adstrictus: aan de aardkluit verbonden).

  3. Boeren: boeren die geen gebruik maakten van de grond of bescherming van de heer, maar wel van de diensen zoals de bakkerij en de molen.


De koningen bestuurden hun landgoederen (kroondomeinen) niet vanuit één plaats, maar lieten paltsen bouwen. Ze bestuurden het rijk niet vanaf één punt en de hofhouding verhuisde mee. Zo’n palts werd dan even de hoofdplaats waaruit raadsbesprekingen werden gehouden, rechtszittingen georganiseerd en wetten (capitularia) gemaakt.



Paragraaf 2: Leenheren en leenmannen



Het keizerlijke Romeinse bestuur werd steeds minder effectief waardoor uiteindelijk de Franken Gallië veroverden. De Frankische vorsten legden geen nieuw bestuur op, de Romeinse bureaucratie bleef aan. Het Romeinse karakter verdween echter toch langzaam omdat taal, cultuur en religieuze gewoontes vermengden.



Ontstaan feodum


(feodalisme):


De Frankische koningen hadden ridders te paard nodig om het rijk verder uit te breiden, beschermen en besturen. In ruil voor deze steun kreeg de ridder een stuk land in leen (deel krijgsbuit voldeed niet meer), mits ze een eed van trouw beloofden. De ridder werd nu leenman en de koning leenheer: het leenstelsel.



Uitbreiding:


Karel de Grote splitste het rijk op in graafschappen, de leenmannen werden graven. Ze beslisten in hun graafschap over rechtspraak en bestuur, ze bleven echter wel troepen leveren aan de leenheer. Het systeem werd erg complex, de koning was te afhankelijk van zijn leenmannen en op hun beurt werden zij weer te machtig.



Rollo de Noorman is een goed voorbeeld van een machtige leenman, de koning was erg afhankelijk van een goede kustbescherming van Normandië en kroonde Rollo tot hertog. Rollo plunderde erg veel.



Paragraaf 3: Christendom in Europa



De paus zond missionarissen om heidense volken te bekeren, dit had voordelen voor zowel het (lokale) bestuur als voor de kerk. De kerk kreeg meer invloed door meer gelovigen en kreeg militaire steun, de koning kreeg steun van een groeiende kerk en goddelijk zegen.



De kloosters hadden een belangrijke rol in de verspreiding van de Europees-christelijke cultuur. Vanuit kloosters werd het geloof verspreid en de geestelijker waren vaak de enige die konden lezen en schrijven, het was ook een belangrijk (religieus)centra voor geestelijke steun en in geval van ziekte.  Daarnaast kregen ze de opdracht van Karel de Grote een betrouwbare Bijbeltekst op te stellen.



Karolingische Renaissance: opleving van de klassieke cultuur en wetenschap door toedoen van de regeerperiode van Karel de Grote (de koning voerde ook een leerplan in en gaf opdracht een nieuw lettertype te maken).



Oorzaken: veroveringen van Karel de Grote in Italië, contacten met het Bijzantijnse Rijk (oude Oost-Romeinse rijk).



Kenmerken: kunst (afbeeldingen menselijke figuur, aandacht voor ornamentiek/versieringen) en politiek (keizertitel, groot rijk/imperium)



Paragraaf 4: Islam en Europa



Snelle verovering Islam door: fanatisme van de veroveraars, zwakte van de tegenstanders (verdeel/klein), tolerante houding van de veroveraars t.o.v. de veroverden, veroverden werden veroveraars.



Motieven voor veroveringen:




  1. Religieuze motieven: ideologische boodschap van de Islam (goddelijke missie om in naam van Allah te veroveren, oftewel de Jihad), missie om het onrecht in de wereld te corrigeren, het invoeren van Allah’s volmaakte wil.

  2. Economische motieven: de regerende elite veroveren op de trans-Arabische handel te verzekeren die ze gedurende een aantal eeuwen hadden bedreven.

  3. Politieke motieven: de druk van naburige rijken, de Bijzantijnen en de Perzen.




In 622 begon de Islamitsche jaartelling met door de Hedsjra (Mohammed en zijn volgelingen moesten vluchten uit Mekka). Een ernstig conflict binnen de Islam ging tussen de Soennieten (leider van een Islamitische gemeenschap – kalifaat – hoeft niet af te stammen van Mohammed) en de Sji’ieten (alleen afstammelingen van Mohammed mochten zich kalief noemen).



De Islam was erg belangrijk voor de wetenschap. Vooral de medische wetenschap maakte een grote sprong. Geschriften vanuit het Grieks werden vertaald naar het Arabisch, en het Arabisch weer naar het Latijn (taal Europese wetenschappers).


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.