Havisten uit de bovenbouw gezocht! Vul deze korte vragenlijst over jouw studiekeuze in en maak kans op een Bol.com bon t.w.v. 15 euro.

Doe mee


Par. 1: De komst van Indianen, Europeanen en Afrikanen

25.000 jaar geleden lagen Noord-Amerika en Azië nog met ijs aan elkaar vast, toen zijn mensen vanuit Azië naar Amerika gegaan en zijn zich gedurende vele eeuwen over heel Amerika gaan verspreiden. Deze mensen is men Indianen blijven noemen in navolging van Columbus. Er waren verschillende Indiaanse volkeren, ze gingen hun eigen weg en kwamen in verschillende omstandigheden terecht. In Noord-Amerika leefden volkeren van de jacht, deze zijn het meest bekend geworden. Ze waren nomaden in woonden in wigwams of tipi’s. Er waren ook volken die wel een vaste verblijfsplaats hadden en van de landbouw leefden. Door de verschillende leefomstandigheden en het feit dat de volken weinig contact met elkaar hadden, ontstonden verschillende culturen.

De volken werden bestuurd door een raad van de oudste en dapperste mannen, enkele volken hadden maar één leider. Sommige volken hadden meer een democratische manier van bestuur en bij sommige volken hadden mannen en vrouwen evenveel te zeggen.

Er waren naast verschillen ook overeenkomsten tussen de volken:

  • De indianen geloofden dat goden en geesten alles in de natuur regelden en dat dieren een grote macht bezaten.
  • Indianen kenden geen particulier bezit van land, ze zagen de aarde als een goddelijke moeder die voor planten en vruchten als voedsel zorgde.
  • Alle volken maakten goed gebruik van de natuur.

Rond 1000 na Chr. probeerden de Noormannen zich in Amerika te vestigen, maar de Indianen verdreven hen en werden de komende 5 eeuwen met rust gelaten. Na de komst van Columbus konden ze niet meer tegen de Europeanen op:

  • De Indianen hadden geen paarden, honden en metalen wapens als zwaarden, pieken en musketten.
  • De Europeanen maakten gebruik van de verdeeldheid onder de Indianen.

In Noord-Amerika vestigden vooral Spanjaarden, Engelsen en Fransen zich. De Fransen namen het huidige Canada als kolonie in bezit en breidden hun gebied langs de Mississippi naar het zuiden uit. In de 18e eeuw verloren ze Canada aan de Engelsen en Louisiana aan de Spanjaarden.

In 1619 kwamen de eerste Afrikanen in de Engelse kolonie Virginia, het leek er eerst op dat ze net als de blanke contractarbeiders na een bepaalde periode de vrijheid en een stuk land zouden krijgen. Als snel veranderden de regels voor blanke en zwarte contractarbeiders.De contractarbeid werd vervangen door slavernij.

In de 18e eeuw pleitten George Washington en Thomas Jefferson voor de afschaffing van slavernij, maar de cotton-gin werd uitgevonden: een machine waarmee men de katoenpluis machinaal kon ontzaden. De vraag naar katoen werd hoger en daardoor nam het aantal plantages en dus de vraag naar slaven toe. Rond 1860 waren er 4 miljoen slaven in het zuiden, ze werkten meestal op plantages of boerderijen en een half miljoen in steden. In het noorden leefden een half miljoen slaven.

In 1808 wist Jefferson als president van de VS de slavenhandel af te schaffen, maar er ontstond illegale handel.

Enkel een klein aantal Afrikanen was wel vrij, zij hadden deze vrijheid op verschillende manieren verworven:

  • Ze waren afstammelingen van Afrikanen die als contractarbeiders hadden gewerkt.
  • Soms liet een meester een slaaf vrij als beloning voor trouwe dienst of om te voorkomen dat hij de slaaf op zijn oude dag moest verzorgen.
  • Soms kochten slaven zich vrij met geld, dat de eigenaars hen hadden laten verdienen.
  • Kinderen van een blanke moeder en een zwarte vader werden als vrije mensen beschouwd.

 

 

Par.2: Ontstaan van de Verenigde Staten

In 1756 kwam er in Amerika een oorlog tussen Engeland en Frankrijk die tot 1763 duurde. Het Engelse leger en de Franse kolonisten vochten tegen de Fransen die door de Indianen gesteund werden. De Fransen verdreven de Indianen in hun gebieden meestal niet en beperkten zich tot handelsposten. De Engelsen verdreven de Indianen wel steeds meer westwaarts. Door de Fransen te steunen wilden de Indianen zich op de Engelsen wreken. De Engelsen wonnen echter, bij vrede kreeg Engeland:

  • Het grondgebied wat nu Canada is;
  • Het Franse grondgebied ten oosten van Mississippi;
  • Florida (wat eerst van de Franse bondgenoot Spanje was).

De regering in Londen wilde dat de koloniën mee betaalden aan het delgen van de oorlogsschuld, er kwamen nieuwe belastingen zoals invoerrechten op suiker, glas, papier en thee en belasting op elk bedrukt papier. De kolonisten waren hier boos over en kwamen bijeen om gezamenlijk tegen de Engelse maatregelen te protesteren: ‘No taxation without representation’ was de leuze. Ze wilden de vertegenwoordigers in het Engelse parlement kunnen kiezen, zodat die het recht hadden om belastingen goed of af te keuren. Er kwam een boycot van Engelse goederen door kooplieden, propaganda-acties werden gevoerd en gingen soms zelfs over tot geweld.

In Engeland gingen er stemmen tot verzoening op, koning George de 3e en zijn ministers gaven de voorkeur aan polarisatie. Toen de Engelsen in 1773 bepaalden dat alleen de Engelse Oost-Indische Compagnie thee mocht verkopen in de koloniën, volgde de Boston Teaparty en daarna een aaneenschakeling van gebeurtenissen die in 1775 leidden tot de Onafhankelijkheidsoorlog. Maar de Engelse regering gaf niet toe. De koloniën benoemden George Washington tot opperbevelhebber en kort daarna stelden zij de Onafhankelijkheidsverklaring op.

Uiteindelijk overwonnen de kolonisten, in 1783 verwierven de koloniën bij vrede de onafhankelijkheid en al het land ten oosten van Mississippi. Florida niet, dat werd aan de Spanjaarden gegeven op Gibraltar te kunnen behouden.

 

 

Par. 3: De verovering van het westen

Toen de VS onafhankelijk waren geworden trokken viel Amerikanen naar het westen en daarbij werden vooral de Indianen hun tegenstanders. Het gebied ten westen van de oorspronkelijke 13 staten werd verdeeld in territoria, die onder bestuur van de Unie bleven. Als een territorium 60.000 vrije inwoners had, mochten ze een grondwet opstellen. Na goedkeuring door het Congres werd het territorium als nieuwe staat toegelaten. Mensen die naar het westen trokken werden pioniers genoemd en het gebied waar ze heen gingen werd de frontier genoemd. Met de frontier bedoelde men het grensgebied tussen het oude en het nieuwe land. De frontier schuift in de loop van de Amerikaanse geschiedenis steeds meer naar het westen.

In het noorden-westen van de VS brak een oorlog uit (1789-1794) na vele botsingen met Indianen. De Indianen behaalden overwinningen, maar ze werden uiteindelijk verslagen. De regering besloot in die tijd, op voorstel van minister van oorlog Henry Knox, tot een politiek van verdragen sluiten en ‘beschaven’. Maar de blanken hielden zich niet aan de verdragen, de Indianen werden steeds weer van hun grond verdreven.

In de tweede helft van de 19e eeuw kwamen er heel veel immigranten binnen en boeren trokken naar het westen om te zoeken naar nieuwe landbouwgronden. Spoorlijnen werden aangelegd en steden werden gesticht. Grote Indiaanse volken als de Sioux, de Comanchen en de Apachen werden in hun bestaan bedreigd en ze begonnen opnieuw een oorlog. Bijna elke slag liep op een nederlaag uit en eenmaal wisten de Indianen te winnen, tijdens de battle of the little big horn river. De Indianen moesten zichzelf in reservaten laten plaatsen door de blanke regering. Vaak waren de reservaten stukken grond waar weinig mee te beginnen was en als de blanken de grond terug wilden, werden de Indianen verdreven. Het reservaat Oklahoma werd in 1889 voor een groot deel aan de Indianen ontnomen. De Indianen konden niets anders dan zich door de regering te laten onderhouden in reservaten en Indianen die zich aan de blanke samenleving wilden aanpassen kregen geen kans. In de 19e eeuw kwam het grootste deel van de Indianen om het leven, door toedoen van blanken.

 

 

Par. 4: De Amerikaanse Burgeroorlog

Industrie tegenover landbouw

In de noordelijke staten nam de industrie snel toe, want deze staten wilden dat de regering van de VS hun industrie zou beschermen. Bijvoorbeeld door invoerrechten te heffen op alle industrieproducten uit andere landen en daarbij ging het vooral om Engelse producten.

In het zuiden was weinig industrie, hier leverden akkerbouw en veeteelt de belangrijkste producten op. Het zuiden leverde meer katoen dan welk ander land in de wereld en het grootste deel van de oogst ging naar Engeland. Het zuiden verhandelde katoen tegen Engelse industrieproducten, zuidelijke staten hadden dus geen enkele behoefte om invoerrechten te heffen op deze Engelse producten.

 

Slavenarbeid tegenover vrije arbeid

Op de plantages in het zuiden werkten slaven, in het noorden was iedereen vrij, maar deze vrijheid was voor de armste arbeiders niet groot. Ze moesten vaak lang en hard werken voor erg weinig geld. In het noorden vond een deel van de bevolking dat de slavenhandel in het zuiden afgeschaft moest worden, vooral de abolitionisten ijverden voor de afschaffing. Een groter deel van de noordelijke bevolking vond dat de slavernij mocht blijven in de staten waar slavernij is. Maar er mocht geen uitbreiding van de slavernij in andere staten zijn. Het zuiden was fel tegen de afschaffing en beperking van slavernij.

Er waren ook politieke tegenstellingen tussen noord en zuid, de noordelijke staten waren voor en grotere macht van de centrale regering in Washington (president en zijn ministers), maar de zuidelijke staten wilden de losse staten zelf veel macht laten behouden. In de 19e hadden de noordelijke en zuidelijke staten aan het begin ongeveer evenveel stemmen in de Senaat, maar er kwamen veel nieuwe staten bij, maar het was de vraag bij wie deze staten zich zouden aansluiten.

Een deel van de verontwaardigden in het noorden ging over tot het oprichten van een nieuwe partij, deze sprak zich anders dan de bestaande twee partijen duidelijker uit tegen de uitbreiding van slavernij in het westen. De nieuwe regering noemde zich de Republikeinse partij, de volgelingen waren alleen noordelijk. De oude Democratische partij had door het hele land volgelingen en de andere partij, de Whig partij, zou snel verdwijnen.

In 1860 werd de Republikein Lincoln tot president gekozen, maar de meeste zuidelijke state wilden hem niet als president erkennen. Ze besloten uit de Unie van de VS te stappen en een eigen staat te vormen. Het noorden was hier tegen en zo ontstond een burgeroorlog (1861-1865). In deze oorlog vochten meer mensen tegen elkaar als ooit tevoren, er sneuvelden 618.000 soldaten. Het zuiden verdedigde zich alleen en had de bekwaamste legeraanvoerders. Het noorden had meer inwoners en een groter leger, en bovendien meer natuurlijke hulpbronnen. Ook kon het met de vloot een blokkade van het zuiden instellen.

Op 9 april 1865 gaf de zuidelijke opperbevelhebber Lee zich over aan Grant, de opperbevelhebber van het noorden. Grant gaf toen de order: ‘The war is over: the rebels are our countrymen again’. Vijf dagen later werd Lincoln vermoord door een aanhanger van het zuiden, die zijn naam wilde vereeuwigen.

De moord was een ramp voor het noorden en zuiden, want Lincoln was altijd al gematigd en in de oorlog had hij groot aanzien verworven. De verzoening van noord en zuid had bij Lincoln veel kans gehad, maar het lukte zijn opvolger niet om noord en zuid te verzoenen.

 

 

Par. 5: Industrialisatie en segregatie

Sociaal en politiek zouden de gevolgen van de burgeroorlog tot in onze tijd merkbaar blijven, maar economisch gezien kwamen de gevolgen van de burgeroorlog snel te boven: de schade werd hersteld en er ontstonden weer handelsbetrekkingen tussen noord en zuid. De VS ontwikkelden zich snel tot een van de belangrijkste staten van de wereld, omstreeks 1900 produceerden de VS bijvoorbeeld meer staal, olie en steenkool dan welk land dan ook. Amerikaanse producten gingen over de hele wereld en in andere landen nam men de VS als voorbeeld. De economische groei werd ook mede mogelijk gemaakt door de enorme stroom (30 miljoen) migranten tussen 1860 en 1920, de meesten kwamen uit Europa.

In West-Europa werden veel hervormingen ingevoerd onder invloed van de opkomst van socialistische partijen en in de VS kwam net als in Europa grote armoede voor. Socialisten en communisten kregen weinig aanhang, dat had waarschijnlijk met de volgende omstandigheden te maken:

  • De verdeeldheid onder arbeiders was in de VS veel groter dan in Europa: blanken wilden niet met zwarten samenwerken en zwarte arbeiders werden niet in blanke arbeidersverenigingen opgenomen. Tussen 1860 en 1920 kwamen er dus erg veel migranten, en die migranten wilden ook werk,hoe slecht betaald ook.
  • De arbeiders in de VS hadden meer hoop op een betere toekomst dan in Europa.
  • In de VS ijverden niet-socialistische organisaties en personen met succes voor hervorming en sociale wetgeving.

 

De VS hebben een zeer gemengde bevolking, de meerderheid is blank en afkomstig uit bijna alle landen van Europa. Er zijn ook aanzienlijke minderheden zoals de Indianen en mensen afkomstig uit Azië en Latijns-Amerika, maar de grootste minderheid wordt door nakomelingen van de Afrikaanse slaven gevormd.

 

Nog geen politieke gelijkheid voor de zwarten in het zuiden

Het Congres besloot het zuiden tot 1877 onder militaire controle te plaatsen. Aan de zwarten werden dezelfde rechten gegeven als aan de blanken, maar in de praktijk werd dit niet uitgevoerd. Veel blanken gingen met oneerlijke middelen de zwarten verhinderen te stemmen, bijvoorbeeld door zwarte stemmen niet te tellen of te zorgen dat ze niet wisten waar het stemlokaal was. Na een tijdje ging het zuiden de regel invoeren dat je als kiezer in staat moest zijn te lezen, schrijven en de grondwet te begrijpen. Zo konden veel zwarten niet stemmen. Er werden ook terreurorganisaties opgericht om de zwarten af te schrikken, de bekendste werd de in 1865 opgerichte Ku Klux Klan.

 

Ook ongelijkheid voor zwarten op economisch en sociaal gebied

In het bevrijde zuiden was er voor de meesten zwarten alleen werk in dienst van blanken. Er werd niet zoals in Rusland bij de afschaffing van de lijfeigenschap land verdeeld. Ook in het noorden kregen de zwarten de slechtst betaalde banen en werden het eerst ontslagen als de zaken minder goed gingen. Andere zwarten gingen naar het westen, daar was het ook armoedig voor ze, maar er was meer kans op verbetering van hun bestaan.

Na het einde van de militaire controle van het zuiden gingen zuidelijke staten nieuwe wetten invoeren om de zwarte bevolking van de blanken te scheiden, dit noem je segregatie. Alle openbare gelegenheden werden voor blanken en zwarten gesplitst, de zwarten moesten hun plaats weten en die lag onder de laagste blanke bevolkingslaag.

Booker T. Washington was een bekende zwarte leider aan het einde van de 19e eeuw, hij bereikte veel, vooral op het gebied van onderwijs. Niet alle zwarten waardeerden hem, want hij vond dat je als zwarte eerst economisch onafhankelijk moest worden en pas daarna zou je om gelijke rechten en afschaffing van de segregatie moeten vragen. In 1908 werd er een nieuwe beweging gesticht die er vanuit ging dat een zwarte pas economisch afhankelijk kon worden als jij gelijke rechten had. Deze beweging werd de National Assciation for the Advancent of Coloured People (NAACP) genoemd. De NAACP wilde haar doelen door demonstraties en via rechtszaken bereiken, maar het was een lange weg.

President Roosevelt (1933-1945) had te maken met enorme economische problemen, hij zorgde ervoor dat de zwarte bevolking een aandeel kreeg in de steunprogramma’s voor werklozen en hij benoemde enkelen zwarten op posten bij de overheid. Het lukte hem niet om blanken en zwarten volledig gelijk te stellen, want het weinige dat hij voor de zwarten deed vonden de blanken in het zuiden al vaak te veel. Als hij meer ging doen gingen de blanken zich misschien verzetten. Veel zwarten met kiesrecht stapten toch van de Republikeinse partij over naar de Democratische partij van Roosevelt. Voorheen kregen de Republikeinen veel stemmen van de zwarte bevolking, omdat ze onder leiding van Lincoln de slavernij hadden afgeschaft. Sinds het begin van de 20e eeuw kwamen de Democraten steeds meer voor de sociaal zwakkeren in de samenleving op.

De Republikeinse president Eisenhower (1953-1961) meende dat het denken van mensen niet door wetgeving veranderd kon worden, maar hij kreeg te maken met zwarte leiders die er anders over dachten. Zij wilden snel gelijke rechten bereiken, de belangrijkste zwarte leider werd de jonge dominee Martin Luther King. Hij en zijn aanhangers wilden via geweldloze acties rechten voor de zwarte krijgen, zuidelijke blanken reageerden hier woedend op. Hier en daar leefde de Ku Klux Klan op.

President Kennedy (1961-1963) diende bij het Congres een wetsvoorstel in waarmee hij een einde wilde maken aan de segregatie in het zuiden. Hij zou het kiesrecht beter gaan beschermen, want in het zuiden konden zwarten vaak nog niet stemmen. Kennedy werd vermoord, maar onder zijn opvolger president Johnson (1963-1969) zorgde ervoor dat voorstellen tegen de segregatie en voor bescherming van zwarte kiezers door het Congres werden aangenomen.

Veel zwarten buiten het zuiden waren niet tevreden met de gelijke burgerrechten, want ze vonden dat de samenleving door en door corrupt was. Daarom konden de zwarten zich beter in kleine kring terugtrekken. Rond 1965-1969 ontstonden er ernstige rassenonlusten in de getto’s van de grote steden, er vielen vele slachtoffers en Martin Luther King werd vermoord.

Sinds de jaren ‘70 kwam er meer rust tussen blank en zwart, onder president Nixon (1969-1974) werd een politiek van ‘heilzame verwaarlozing’ begonnen. Het was volgens het beter voor de zwarten als hun problemen naar de achtergrond geschoven werden, want anders zou het achterdocht en jaloezie bij de blanken oproepen. Het streven naar integratie bleef belangrijk, maar de slechte positie van de zwarten bleef. Ze misten een inspirerend leider als Martin Luther King en er bleef veel verdeeldheid onder de zwarten bestaan. Sommigen hadden zich tot een hogere laag opgewerkt, maar wilden niet opkomen voor de belangen van de arme zwarten.

 

 

Par. 6: De VS gaan optreden als een grote mogendheid

Eind 19e eeuw gingen de VS zich met de wereld buiten Amerika bemoeien, maar er was geen grote eensgezindheid onder de Amerikanen als het om imperialistische avonturen gaat. Sommigen vonden dat de Manifest destiny ook gold voor gebieden buiten Noord-Amerika, maar anderen vonden dat Amerikanen nu niet juist zelf moesten gaan overheersen, omdat ze zichzelf hadden vrijgevochten. Rond 1900 dreven de Amerikaanse imperialisten hun zin door in de politiek van de VS, ze namen deel aan de Eerste Wereldoorlog. Het ging daarbij niet om imperialisme. Na die oorlog kwam tegenover het nationalisme van president Wilson het isolationisme te staan. Aanhangers daarvan wilden de VS zo onafhankelijk mogelijk alleen voor hun eigen belangen laten ophalen. Door de Tweede Wereldoorlog verloor het isolationisme veel aan betekenis en sindsdien hebben de VS met enige korte onderbrekingen een actieve buitenlandse politiek gevoerd. Ze hebben vaak in andere landen ingegrepen.

 

Par. 7: De economische crisis en de New Deal

De regeringspolitiek in de jaren ‘20 wordt het best weergegeven door een uitspraak van president Coolidge (1923-1929): ‘De business of America is business’. Hiermee bedoelde hij dat de regering het bedrijfsleven zo veel mogelijk vrij moest laten en geen of weinig belasting en beperkende wetten voor de industrie moest heffen. Als men de economie aan zakenlieden overliet en hen hielp zou iedereen ervan profiteren. In 1928 won de Republikeinse presidentskandidaat Herbert Hoover de verkiezingen en tijdens de campagne werd iedereen ‘een kip in de pan en een auto in de garage’ beloofd. Hoover stelde zichzelf voor als een Grote ingenieur, die precies wist hoe de economische ‘machine’ van de VS in elkaar zat. In 1929 kwam er een einde aan de welvaart van de Republikeinen, er werden minder auto’s verkocht en minder huizen gebouwd. Aandeelhouders werden ongerust dat het helemaal niet zo goed ging met de economie van de VS. Sommigen begonnen in grote getallen aandelen te verkopen, omdat ze bang waren dat ze in waarde zouden dalen. De prijzen van aandelen daalden en aandeelhouders raakten in paniek, iedereen wilde van de aandelen af.

De banken hadden in tijd van economische groei veel geld uitgeleend aan klanten, dit was voordelig voor ze, want hier krijgen ze rente over. Ze leenden veel meer geld uit dan ze hadden, dat levert normaal geen problemen op, maar nu konden veel mensen hun schulden niet meer terugbetalen, omdat hun aandelen niets meer waard waren. Banken konden mensen niet meer terugbetalen en gingen failliet. Veel bedrijven en particulieren verloren bezit en konden geen andere bank meer vinden om geld te lenen en gingen ook failliet.

 

Volgens historici hebben de volgende zwakke plekken van de economie bijgedragen aan het ontstaan van de crisis:

  • Slechte verdeling van inkomsten: veel mensen hadden een minimuminkomen en een klein deel van de bevolking verdiende heel erg veel. Niet veel mensen hadden geld voor huizen, auto’s en andere dure producten.
  • Overproductie in de industrie: bedrijven bleven maar produceren, hoewel de markt verzadigd was. Ze bleven dus met grote voorraden zitten en kwamen hierdoor in financiële moeilijkheden.
  • Overproductie in de landbouw: tijdens de Eerste Wereldoorlog konden boeren veel naar Europa exporteren, maar dit viel na de oorlog weg, omdat de boeren in Europa zelf weer konden verbouwen. Daardoor ontstond er overproductie in de VS en bijna een half miljoen boeren gingen hierdoor failliet en verloren hun bedrijven. Veel boeren gingen hun bedrijf moderniseren en namen nieuwe machines in gebruik, dit betaalden ze met geleend geld. Door de modernisering steeg de productie weer zo erg, dat er weer overproductie ontstond. Boeren verdienden te weinig om schulden te kunnen betalen en ook fabrikanten van landbouwmachines kwamen in de problemen. Daarbij waren veel landarbeiders werkloos geworden, door de mechanisering. De lonen van de landarbeiders die nog wel werk hadden waren erg laag en ze verdienden vaak nog niet eens de helft van de fabrieksarbeiders.
  • Een te groot vertrouwen in de economische ontwikkeling: mensen leenden te veel geld om aandelen te kopen door de hoge verwachtingen, de prijs en de vraag van aandelen stegen.
  • Onvoldoende controle op banken: bankiers leenden veel geld uit, omdat ze verwachtten dat het goed zou blijven gaan met de economie, maar dit veranderde toen de aandelen sterk in waarde daalden of zelfs waardeloos werden. Banken en aandeelhouders leden enorme verliezen en vaak konden banken geleend geld niet terugbetalen. Er waren in de VS ook veel kleine banken, vaak hadden deze al helemaal niet genoeg kapitaal om te kunnen overleven. Een betere controle op banken had kunnen voorkomen dat banken te veel geld uitleenden.

 

De crisis was het begin van en depressie (grote economische teruggang), in 1933 was 25% van de bevolking werkloos. Lonen en salarissen daalden met ongeveer 40-60%. De regering van president Hoover kreeg steeds meer tegenstanders en zij wilden een ander beleid. Er moest iemand met een krachtigere persoonlijkheid komen, zijn opvolger werd de Democraat Franklin Delano Roosevelt in 1933. Anders dan Hoover vond Roosevelt dat de regering verantwoordelijk was voor burgers die buiten hun schuld in moeilijkheden waren geraakt. Roosevelt stelde een plan op om werklozen te helpen.

Hij beloofde kiezers een New Deal: de kaarten zouden opnieuw worden uitgedeeld en geschud. Hij bedoelde hiermee een groot aantal sociaal-economische maatregelen om de economie weer op gang te brengen en de nationale eenheid te stimuleren.

  • Herstel vertrouwen in banken: hij liet eerst banken een week sluiten voor publiek, de regering zorgde ervoor dat de geldvoorraad van sterke banken werd aangevuld en dat zwakke banken definitief dicht gingen. Het vertrouwen in de banken werd hersteld en in plaats van alleen geld te halen, ging men ook weer geld naar banken brengen.
  • Steun aan de boeren: de boeren die hun productie wilden beperken, kregen subsidie. Zo hoopten ze dat de prijzen weer omhoog gingen en dat de koopkracht van de boeren zou toenemen. Hier profiteerden vooral de grote boeren eerst van, maar later kwamen er ook maatregelen voor kleinere boeren.
  • Het bedrijfsleven werd aangespoord afspraken te maken en na te leven: in een wet, de national Industrial Recovery Act, werd het bedrijfsleven uitgenodigd met de overheid afspraken te maken, ‘codes of fair competition’. Het doel was om overproductie en slechte werkomstandigheden tegen te gaan. Het bleek niet de oplossing, omdat veel bedrijven niet meededen.
  • Met grote projecten worden werklozen aan werk geholpen: De WPA ging tussen 1935 en 1943 miljoenen projecten uitvoeren waar veel mensen mee konden werken. Meer dan een kwart van de werklozen konden ze niet aan werk helpen.

 

Het harmoniemodel wordt vervangen door een conflictmodel

Na de Congresverkiezingen in 1934, waarbij de Democraten weer hadden gewonnen, werd het bedrijfsleven niet meer gevraagd mee te werken, maar ze werden gedwongen door wetten. De periode waarin Roosevelt zijn plannen harmonieus probeert door te voren wordt de eerste New Deal genoemd, daarna kwam de periode waarin hij zijn plannen tegen de oppositie van het bedrijfsleven probeerde door te voeren, dit wordt de tweede New Deal genoemd.

 

Geboorte van de verzorgingsstaat

Door de invoering van de Social Security Act (SSA) in 1935 werd een begin gemaakt met het verzekeren van werknemers tegen ziektekosten, werkloosheid en ouderdom. Niet iedereen had hier profijt van, landarbeiders en huishoudelijk personeel vielen er buiten. De SSA was dus enkel een begin, maar de opvatting dat een Amerikaan onder alle omstandigheden voor zichzelf moet zorgen was losgelaten. Het geld voor de verzekering werd vooral door de werkgevers en werknemers betaald. De werkgevers protesteerden hevig en vonden steun bij de Republikeinse partij die tijdens de verkiezingen van 1936 Roosevelt verweet dat hij van de VS een socialistische staat wilde maken. Na hun nederlaag in 1936 aanvaardden ook de Republikeinen de sociale verzekeringen en vanaf nu ging de discussie om de vragen in welke gevallen sociale verzekeringen moeten bestaan en hoe hoog de uitkeringen horen te zijn. De Democraten gingen verder dan de Republikeinen, maar ze gaan beiden minder ver dan in Europa, omdat de VS men meer overlaat aan de burgers zelf.

 

De positie van vakbonden wordt versterkt

Kenmerkend voor de New Deal was ook dat de regering probeerde de positie van vakbonden te versterken, Roosevelt vond vooral dat het noodzakelijk was dat tegenover de werkgevers sterke vakbonden zouden staan. De National Labor Relations Act (NLRA) uit 1935 gaf de werknemers garantie dat zij zich konden verenigen en konden onderhandelen met hun werkgevers via vertegenwoordigers die ze hadden gekozen.

 

Big Government onder leiding van Franklin D. Roosevelt

In de jaren ‘20 hadden de werkgevers het voor het zeggen gehad, maar nu moesten ze hun macht delen met georganiseerde werknemers, Big Labor. Als derde macht stond er ook nog de Big Government, het bureaucratisch apparaat dat door de New Deal was gevormd. Door wetten kreeg de overheid meer invloed op de economie en voor de naleving van de wetten waren veel ambtenaren nodig. De regering groeide uit tot een Big Government, die werd belichaamd in de persoon van Franklin D. Roosevelt. Hij werd in 1936, 1940 en 1944 tot president gekozen.

 

Roosevelt en het Hooggerechtshof botsen

In 1934-1936 verklaarde het hof dat enkele wetten in strijd waren met de grondwet, deze New Deal-wetten verloren daarmee hun geldigheid. In 1936 besloot Rooseveld het Hooggerechtshof met enkele leden uit te breiden, met het argument dat de meeste leden te oud waren geworden. De echte reden was duidelijk: nieuwe leden, die door hem waren benoemd, moesten voor de New Deal stemmen. Het voorstel werd uiteindelijk verworpen.

 

Oorlogsdreiging leidt tot einde New Deal

Roosevelt was bang dat de VS niet buiten een nieuwe oorlog konden blijven en hij wist dat het isolationisme diep in de VS geworteld was. Als ze West-Europa gingen steunen tegen nazi-Duitsland had hij de steun van zo veel mogelijk Amerikanen nodig. De mensen in het zuiden wilden alleen helpen als hij de New Deal niet verder uit zou breiden, in 1939 legde hij zich bij hun eis neer en verklaarde dat hij niet meer zou streven naar verdere veranderingen in de Amerikaanse samenleving. De New Deal was ten einde. Buitenlandse politiek kreeg voorrang op de binnenlandse en de Nationale solidariteit was opnieuw geboden, maar nu tegen gevaren van buitenaf.

 

 

Par. 8: De macht van de presidenten sinds 1945

Trunan neemt belangrijke beslissingen, maar stuit op veel verzet

In april 1945 stierf Roosevelt, hij werd opgevolgd door vice-president Harry Trunan (1945-1953). Hij stelde zich harder op tegen Rusland en op binnenlands gebied zette Truman de politiek van Roosevelt voort. Hij ging zijn programma de Fair Deal noemen. In 1946 haalden de Republikeinen voor het Congres weer de meerderheid, dit was sinds 1928 niet meer gebeurd. Veel kiezers wilden minder invloed van de regering op het sociaal-economische leven. Het lukte Truman te behouden van het meeste wat de New Deal had voortgebracht, en hij wist de positie van de zwarte bevolking te verbeteren. De scheiding tussen zwart en blank werd opgeheven en hij drong aan op betere voorzieningen voor zieken en bejaarden. Ondanks alle kritiek, won Truman in 1948 toch de presidentsverkiezingen, de Republikeinen waren door hun nederlaag teleurgesteld en vielen daarom de volgende jaren de Democraten met alle middelen aan. De beruchte senator Joseph McCarthy werd hun stormram die de regering-Truman van slapheid tegen het communisme beschuldigen en een heksenjacht tegen zogenoemde verraders en spionnen ontketenen. Daardoor lukte het de Republikeinen in 1952 met Eisenhouwer de verkiezingen te winnen.

 

Eisenhower, een populaire president met een gematigd beleid

In 1952 legde de democratische kandidaat Adlai Stevenson het af tegen Dwight D. Eisenhouwer, een populaire generaal uit de Tweede Wereldoorlog. Eisenhouwer wilde veel minder invloed uitoefenen op de binnenlandse politiek dan Truman en hij ging ervan uit dat een stijgende welvaart problemen zou oplossen. Het bedrijfsleven moest volgens Eisenhouwer voor die vooruitgang zorgen. Hij handhaafde toch nog veel van de New Deal, tegen zijn partij in.

Deze jaren gingen de VS economisch door de wind, alleen de arme stedelijke bevolking profiteerde er niet van. Roosevelt en Truman probeerden de rassenscheiding op te lossen door maatregelen van de federale regering. Eisenhouwer geloofde niet dat men door wetten en doen en denken van mensen kon veranderen. In de periode 1953-1968 deed het Hooggerechtshof een aantal belangrijke uitspraken over gelijke rechten van zwarten. Het Hooggerechtshof steunde het afwachtende regeringsbeleid niet en in 1954 verklaarde het Hooggerechtshof dat blank en zwart op scholen niet langer gescheiden mochten worden. Gelijkheid voor allen was volgens rechters in de grondwet vastgelegd.

 

Kennedy wil meer leiderschap dan Eisenhouwer

De Republikeinse president Eisenhouwer en Dulles, de minister van buitenlandse zaken, vonden de buitenlandse politiek van Eisenhouwers voorganger, Truman, te slap. Truman wilde het communisme in bedwang houden en het mocht zich niet verder uitbreiden. Dulles wilde het communisme in Oost-Europa terugdringen, maar dit lukte niet, want terugdringen kon tot een grote oorlog leiden. Rusland was zelf ook bezig met de opbouw van een eigen kernkracht. Later probeerde Eisenhouwer een betere relatie met Rusland te krijgen. Qua binnenlands beleid liet Eisenhouwer zo veel mogelijk aan de afzonderlijke staten over.

Na Eisenhouwer kwam er weer een Democratische president, John F. Kennedy. Hij vond dat de VS onder Eisenhouwer in slaap waren gesukkeld en wilde de VS weer wakkerschudden. Daarvoor voerde hij een dure buitenlandse politiek, hij wilde bijvoorbeeld dat een Amerikaanse raket de eerste mensen naar de maan zou brengen en het Congres gaf hiervoor middelen. Het Congres wilde ook dat de VS de sterkste natie zou blijven. In 1969 landde er een bemande raket op de maan. Ook met de binnenlandse politiek had Kennedy plannen: de Amerikanen moesten naar een New Frontier trekken en daarmee wilde hij de politiek van de New Deal voortzetten. Armoede, wekloosheid en rassendiscriminatie moeste worden bestreden en daarvoor diende hij bij het Congres nieuwe voorstellen in. De overheid moest voor voorzieningen voor zieken en ouderen gaan zorgen, meer financiële steun in het onderwijs en de ontwikkeling van nieuwe industrieën in gebieden met grote werkloosheid steunen. De economie groeide en de werkloosheid daalde. Sommige voorstellen werden in het Congres toch nog afgewezen, ook al was de meerderheid Democratisch, de zuidelijke Democraten waren conservatief en steunden de Republikeinen als zij de voorstellen van Kennedy te vooruitstrevend vonden. Kennedy was een sympathieke man.

 

Oppositie tegen de presidenten Johnson en Nixon

In 1963 werd Kennedy vermoord en Johnson werd zijn opvolger, er waren na 1964 meer vooruitstrevende Democraten in het Congres. De voorstellen van Johnson in zijn programma The Great Society (oorlog tegen armoede) werden aangenomen en vanaf 1965 stuurde Johnson steeds meer soldaten naar Zuid-Vietnam. Daar was een oorlog tussen het communistische Noord-Vietnam en het niet-communistische Zuid-Vietnam. De oorlog kostte de VS veel geld, maar Johnson dacht dat ze het makkelijk konden betalen, daarmee maakte hij een fout. Er bleef weinig geld over voor zijn programma The Great Society, maar een deel is uitgevoerd. Door de oorlog in Vietnam nam de oppositie tegen het beleid van Johnson toe en de Republikeinen wilden een harder optreden in Vietnam. In 1968 waren er steeds meer slachtoffers, terwijl het einde van de oorlog nog niet in zicht was. Er werd gedemonstreerd tegen het beleid van Johnson en hij besloot zich niet meer herkiesbaar te stellen. Hierna werd Nixon president.

 

Onder Nixon kwam er een einde aan de vooruitstrevende rol van het Hooggerechtshof. De negen rechters hadden niet alleen zich ingespannen voor gelijke burgerrechten, maar ook een einde gemaakt aan de onrechtvaardige indeling van de kiesdistricten, waardoor het platteland voordeel had en grote steden nadeel. Veel conservatieven hadden zich aan het Hof geërgerd. Ook waren ze boos dat bidden niet meer verplicht mocht worden gesteld op scholen, maar het Hof vond dit discriminerend voor mensen die niet in God geloven.

In 1969 ging rechter Earl Warren met pensioen en Nixon benoemde conservatieve Warren Burger tot zijn opvolger. Daardoor ging het Hooggerechtshof een veel behoudender koers gaan varen. In het buitenland bereikte Nixon het volgende:

  • Een wapenstilstand en daarmee een einde aan de deelname van de VS aan de oorlog in Vietnam, januari 1973;
  • Verbetering van de betrekkingen met China en Rusland.

 

Nixon treedt af

In 1972 werd Nixon herkozen als president, maar dit werd een grote mislukking. Nixon voerde een buitenlands beleid waarop het Congres weinig invloed on uitoegenen. Hij had in de verkiezingscampagne beloofd dat de oorlog in Vietnam snel over zou zijn, maar hij besloot rond Kerstmis 1972 Vietnam 12 dagen te laten bombarderen, zonder dat hij het Congres had ingelicht. De Democraten vond dat het Congres meer controle op de buitenlandse politiek van Nixon moest krijgen.

De corruptie in zijn regering en zijn eigen onbetrouwbaarheid zorgden ervoor dat Nixon aftrad. Hij moest zijn eigen minister van justitie ontslaan, want deze had veel geld aangenomen van bedrijven in ruil voor gunsten. Ook vice-president Agnew moest aftreden, omdat hij zich altijd als en groot voorvechter van recht, orde en fatsoen had getoond, maar na de verkiezingen bleek dat Agnew vóór zijn vice-presidentschap de belastingen had ontdoken en zich had laten omkopen. Toen bleek ook nog dat vertrouwelingen van Nixon de opdracht hadden gegeven om in te breken in het Watergatehotel, waren de Amerikanen erg geschokt. In het Watergatehotel was het hoofdkwartier van de Democraten gevestigd.

Toen in het Huis van Afgevaardigden een meerderheid hem uit zijn ambt als president wilde zetten, besloot Nixon eer aan zichzelf te houden. Op 9 augustus 1974 kondigde hij aan dat hij zou aftreden.

 

Ford en Carter: weinig slagvaardig

In de periode van Roosevelt tot Nixon was de macht van presidenten toegenomen, maar daarin kwam verandering als gevolg van het optreden van presidenten in de oorlog in Vietnam en in het Watergate-schandaal. Het Congres beperkte de macht van de president. Nixon werd opgevolgd door Gerald Ford en die door Jimmy Carter. Zij wilden zeker als een reactie op Nixon in de eerste plaats eerlijk zijn en hiermee bewezen ze de VS een goede dienst, maar de belangstelling voor de politiek bleef dalen.

 

Reagan als wonderdokter

Bij de verkiezingen van 1980 won de Republikein Ronald Reagan het van de Democratische Carter. Reagan beloofde net als Kennedy dat hij van de VS weer het belangrijkste land ter wereld zou maken, maar hiervoor zouden de Amerikanen wel offers moeten brengen. De mensen die die offers moesten brengen werden de mensen die afhankelijk waren van uitkeringen van de staat. Er werd ook minder geld aan sociale voorzieningen uitgegeven en allerlei federale instellingen werden ingekrompen of opgeheven. Het bedrijfsleven kreeg meer vrijheid en hierdoor hoopten de Republikeinen dat de economie vooruit ging. Reagan bleef 8 jaar president en kon zijn plannen doorvoeren, omdat de Republikeinen een meerderheid in het Congres hadden.

 

Bush sr. vindt geen oplossing voor binnenlandse problemen

De verkiezingen voor het presidentschap zijn vaak spanend, de tegenstanders vallen elkaars politieke daden, ideeën en de personen aan. In 1988 wist de Republikein George Bush sr. zijn tegenstander Dukakis te verslaan. Maar de Democraten hielden hun meerderheid in het Huis van Afgevaardigden en in de Senaat. Dat hield in dat de nieuwe president voorzichtig te werk moest gaan.

Onder leiding van Bush nam het begrotingstekort nog meer toe en er was geld nodig voor de verbetering van de positie van arme zwarten, voor onderwijs, medische zorg en milieu. Dan zouden de belastingen fors omhoog moeten en Bush had beloofd dat niet te doen. Toch ging hij de belasting iets verhogen, de Republikeinen protesteerden heftig, maar het Congres steunde hem (meerderheid Democratisch). Er was aan het einde van het presidentschap van Bush niet veel meer van het Amerikaanse zelfvertrouwen over, de VS waren een supermacht met kwalen geworden.

 

Onder Clinton verbetert de economie

Bij de verkiezingen van 1992 versloeg de Democraat Bill Clinton Bush sr., nu waren veel kiezers tegen de manier waarop de Republikeinen campagne voerden, die opnieuw gericht was op het beschadigen van de persoon, veel meer dan de toekomst van de VS. Clinton werd vier jaar later opnieuw gekozen. In de eerste periode van Clinton hadden de Democraten de meerderheid in het Congres, maar de Republikeinen kregen vaak steun van de conservatieve Democraten. In de tweede periode was er een Republikeinse meerderheid in het Congres, Clinton ging er echter handig mee om. Hij wilde meer uitgeven dan Bush, en de economie draaide om. Het begrotingstekort werd weggewerkt en de werkloosheid daalde.

 

Bush jr. begint ‘oorlog tegen het terrorisme’, de Amerikaanse bevolking raakt sterk verdeeld

De Republikein George Bush jr. (2001-2009), zoon van de vroegere president Bush, won in 2000 de verkiezingen op het nippertje, tegen Al Gore. Hij was bijna negen maanden president toen de aanslag op de Twin Towers plaatsvond, vanaf toen concentreerde hij zich op de buitenlandse politiek en verklaarde de ‘oorlog aan het terrorisme’. Volgens de VS was de aanslag door Al Qaida georganiseerd, een terreurorganisatie onder leiding van Osama bin Laden. Bush begon een korte oorlog tegen Afghanistan. Samen met enkele andere NAVO-landen, waaronder Nederland, staan de VS de nieuwe regering van Afghanistan terzijde bij haar pogingen de macht in het land ook daadwerkelijk te vestigen.

Bush richtte zich ook op Irak, want volgens hem steunde de Iraakse leider Saddam Hoessein de internationale terreur en was hij in bezit van massavernietigingswapens, die een bedreiging voor de VS vormden. Bush kreeg weer toestemming voor oorlog, deze begon in maart 2003 en alleen Engeland deed mee met de VS en het bewind van Saddam Hoesseini werd omvergeworpen. Er werden geen massavernietigingswapens gevonden. Irak werd een tijdje bezet door de BS, maar na enkele maanden kwamen er aanslagen in Irak, eerst tegen Amerikanen, maar later ook tegen Irakezen die met Amerikanen samenwerkten. Een succes voor Bush leek in 2005 dat in januari er in Irak verkiezingen werden gehouden, maar de bevolking was sterk verdeeld. In het noorden woont een Koerdische minderheid en in de rest van het land zijn de tegenstellingen tussen soennieten en sjiieten groot. Voor deze groepen is het behoud of het vergroten van de eigen machtspositie belangrijker dan de democratie.

De stemming in de VS bleef verdeeld, in 2004 koos bij de verkiezingen een krappe meerderheid voor Bush jr., ondanks het oplopen van de verliezen aan soldaten, het toenemen van het begrotingstekort en van de werkloosheid. Bush kon als president niks anders dan zijn voorganger Clinton het grootste deel van zijn beleidsperiode rekenen op een Republikeinse meerderheid in het congres.

In 2008 versloeg de Democraat Barack Obama zijn Republikeinse tegenstander John McCain, in het Huis van Afgevaardigden behaalden de democraten een ruime en in de Senaat een krappe meerderheid. In het Huis van Afgevaardigden zijn de Democraten hun meerderheid inmiddels kwijt. De VS hebben onder leiding van Obama Irak verlaten, Afghanistan nog niet. De politieke en economische problemen zijn groot en in verkiezingsjaar 2012 staan de partijen scherp tegenover elkaar.



 

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.