Heb jij spreekangst? Voor een item van RTL Nieuws doen we onderzoek naar spreekangst. Laat ons weten of jij nerveus wordt van spreken voor een groep. Meedoen duurt maar 3 minuutjes.

 


Naar de vragenlijst


ADVERTENTIE
Open Avond = ontdekken of jij hier past Leren is keuzes maken. Continu blijven zoeken, twijfelen, vallen en opstaan. Dát leren, dat leer je bij Hogeschool Inholland. Tijdens onze Open Avond op woensdag 30 oktober staan onze studenten en docenten klaar om al je vragen te beantwoorden. Kom langs en ontdek of jij hier past.

Meer info!
Hoofdstuk 1: Ontmoetingen in verre streken

§1 Europese expansie (1500-1800)
Deelvragen:
-Waarom ontstonden er na 1500 contacten tussen West-Europa en andere werelddelen?
-Welke vormen van Europese aanwezigheid waren buiten Europa?

§1.1
Vanaf kwamen de West-Europeanen voor het eerst in contact met andere beschavingen en volken omdat ze met kleine schepen andere continenten gingen ontdekken. Het doel hiervan was de Europese invloed en de westerse invloed uitbreiden. Dit werd de Europese expansie genoemd.
Hier waren 3 motieven voor:
• nieuwsgierigheid naar onbekende gebieden. (ontwikkelde wetenschap)
• verspreiding van het christendom (heel belangrijk in de Europese samenleving)
• handel met Azië (belangrijkste reden, wilden de handel met Azië domineren)

Aan het einde van de 15de eeuw gingen veel missionarissen (mensen die het katholieke geloof verspreiden) naar andere werelddelen toe om daar het christendom te verspreiden. De Aziatische handel was in de Middeleeuwen over het land, door het Midden-Oosten heen. Arabieren kochten daar specerijen, katoen en zijde. Ze handelden ook met Zuid-Afrika in goud en ivoor. De Spanjaarden en Portugezen wilden handelen zonder de tussenkomst van een Arabische handelaar. De Spanjaarden en Portugezen gingen in de nieuwe ontdekte gebieden kolonies stichten. Velen gingen er ook wonen. Rond 1600 gingen particuliere ondernemingen van kooplieden zich verenigen tot handelsondernemingen (compagnieën). Door deze compagnieën kregen ze een grotere winst. Aan het einde van de 16de eeuw gingen ook Engelsen, Fransen en Nederlanders kolonies stichten in Azië en Amerika die ook gebruik wilde maken van de rijkdommen van die landen. In 1602 stichtten de Nederlanders de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) op. Deze compagnie mocht verdragen sluiten, forten bouwen en ambtenaren aanstellen zonder dat het Nederlandse bestuur zich hiermee bemoeide. Door de nieuwe gebieden die ontdekt waren en door de gestichte kolonies ontstonden er totaal nieuwe handelsnetwerken en communicatiekanalen. Rond 1500 was er nog weinig handel en ging het alleen om luxe goederen. Na 1500 ging het ook om eerste levensbehoeften (suikerriet, tarwe en aardappelen).
Eerst ging er alleen een schip van Europa naar Amerika en weer terug en van Europa naar Afrika en weer terug. Op de heenweg naar die continenten waren de schepen zo goed als leeg. Toen ontstond de driehoekshandel. Europa verhandelde o.a. cognac, kleding en ijzerwaren voor slaven in Afrika. Die slaven werden naar Amerika gevoerd. Voor die slaven kregen ze geld en kochten ze daar weer o.a. suiker, rum, tabak en katoen. Deze handel werd overheerst door de Europese compagnieën, met name door de Nederlandse West-Indische Compagnie (WIC)

§1.2
De West-Europeanen stichtten niet alleen maar kolonies in Afrika, Azië en Amerika.
Er waren 3 soorten van Europese ‘aanwezigheid’:
• Handelsposten (facktorijen): Die waren vooral in plaatsen waar de handel interessant was. Het waren plekken waar de plaatselijke machthebbers veel macht hadden zoadat de Europeanen er niet konden wonen. Voor handelsposten moest ook vaak gevecht worden. Deze soort van invloed heet (handel)imperialisme. Hoe groot de invloed van de Europeanen in gebied was hing af van de relatie van de vorst van het land. In Indonesie had Nederland veel macht omdat ze de vorsten tegen elkaar uitspeelden. Dit is de verdeel- en heerspolitiek. Aan het einde van de 19de eeuw hadden de Nederlanders de volledige macht over het lokale bestuur en kwam het nieuw imperialisme.

• Vestigingskolonies: Die waren bedoeld om daar voor altijd of in ieder geval lang te blijven. Deze vestigingskolonies moesten belasting betalen en waren ook verantwoording verontschuldigd aan het moederland. Die werden vooral door Spanjaarden gesticht in Latijns-Amerika aan het begin van de 16de eeuw. Naar Noord-Amerika verhuisden vooral Engelsen en Fransen. Er werden ook vestigingskolonies gesticht in Zuid-Afrika door de Engelsen en Nederlanders en in de 18de eeuw ook in Australië en Nieuw-Zeeland. De vestigingskolonies werden wel langzaam aan een ‘eigen’ land omdat degenen die zich er vestigden zich steeds minder op het moederland gingen richten. Vanaf de 18de eeuw wilden de kolonies onafhankelijk worden.

• Plantagekolonies: Deze werden gesticht om veel (sub)tropische landbouwgewassen te verbouwen en dan te verhandelen met Europa. De plantagekolonies waren sterk afhankelijk van Europa omdat het grootste deel van hun inkomsten in zat. Er werd vooral veel suikerriet, koffie en katoen geëxporteerd naar Europa. Deze plantage waren er met name in het noordoosten van Zuid-Amerika, het Caribisch gebied en het zuidoosten van Noord-Amerika. Hier is het klimaat en de bodem goed om dit soort landbouw te verbouwen. Op de plantages vestigden zich enkele Europeanen, maar veel minder dan in de vestigingskolonies. De Europeanen hadden geen zin om het zware werk op de plantages te verrichten. De indianen waren er niet sterk genoeg voor en de meeste stierven. Dankzij de driehoekshandel (WIC) en de hulp van de Britse Royal African Company en de Portugezen werden er miljoenen slaven van Afrika naar Amerika gebracht en werden die verkocht op de slavenmarkt.

Antwoord op de deelvragen:
-Waarom ontstonden er na 1500 contacten tussen West-Europa en andere werelddelen?
Dit kwam omdat de Europeanen nieuwsgierig waren geworden naar de rest van de wereld door nieuwe technologieën en omdat er zeelieden waar die dachten dat wereld rond was i.p.v. plat.
De Europeanen wilde ook het katholieke geloof uitbreiden, omdat die heel erg belangrijk was in de Europeaanse samenleving. De handel met Azië moest worden versterkt en de Europeanen wilde zelfstandig, zonder dat het er een Arabische handelaar tussenkwam zoals eerst altijd was, handelen met Azië en de handel daar overheersen. Dit is uiteindelijk aardig gelukt.

-Welke vormen van Europese aanwezigheid waren buiten Europa?
Er waren 3 vormen van kolonies: handelsposten, vestigingskolonies en plantage kolonies. Voor uitwerkingen zie samenvatting §1.2

§2 De Spaanse koloniën
Deelvraag: Hoe verliep het kolonisatieproces in de Spaanse koloniën?

§2.1/3
In 1942 ontdekte Christoffel Columbus een nieuw gebied, een continent ten oosten van Afrika. Het continent wat ten oosten van Afrika lag was, dacht men toen, Indië. De mensen die hij daar tegenkwam noemde hij de indianen. Dit was een vergissing. Later werd het de ‘Nieuwe Wereld’ genoemd. Ontdekkingsreizigers die na Columbus kwamen vonden dat de planten en de dieren heel anders waren dan dat ze van Indië hadden verwacht. Een kaartenmaker, Amerigo Vespucci, onderzocht tussen 1499 en 1502 de kusten van Zuid-Amerika en ontdekte dat het nieuw continent was. Hij noemde dit naar zichzelf: Amerika. De kuststroken van Amerika werden in kaart gebracht. De eerste man die het binnenland ging verkennen was Hernán Cortés, dat deed hij in 1519.
Er woonden daar al heel lang verschillende volken. Als het ene volk ten onder ging nam het andere de macht over. Bekende culturen zijn de Mayacultuur (machtig tussen -500 en 900). De Maya’s konden goed beeldhouwen en pottenbakken. Rond 1500 waren de Azteken en de Inca’s de belangrijkste volken. Ze wilde beide zoveel mogelijk volken bij hun cultuur hebben. De Azteken deden dit door ‘militaire’ ingrepen en de Inca’s door bondgenootschappen te sluiten.

Azteken
Land: Mexico Hoofdstad: Tenochtitlán*
Hoofd: koning Montezuma
Vijanden aan laten sluiten door militaire ingrepen
Inca’s
Land: Peru
-Sloten bondgenootschappen met vijanden

*Mexico Stad
De Azteken hadden een soort standenmaatschappij. Bovenaan aan deze hiërarchie stond de koning (Montezuma), daaronder religieuze en militaire leiders. Deze hadden veel te zeggen in de aangesloten volken. Deze volken moesten belasting betalen, in ruil hier voor beschermden de Azteken hen. Het grootste deel van de aangesloten volken werkten in de landbouw. Er waren ook ambachtslieden. Die maakten aardewerk, weefden stoffen en bewerkten goud en koper.
Hernán Cortés ging het binnenland van Midden-Amerika verkennen met 600 manschappen. In Mexico werden de Spanjaarden met respect ontvangen door de koning Montezuma.
De Spanjaarden gingen daarna de Azteken overmeesteren en hoorden de Azteken bij de Spaanse overheid. In het begin ging dit zonder wapens en gevechten. Maar na een jaar moesten de wapens er toch bij te pas komen. De Spanjaarden kregen hulp van de volken die bij de Azteken hoorden. Die volken wisten dat ze dan meteen van de Azteken af zouden zijn. In 1521 hadden de Spanjaarden Mexico veroverd. Het was erg makkelijk gegaan. Tenochtitlán werd volledig verwoest. Er werd een nieuw centrum (fort) van de Spanjaarden opgebouwd. Dit deden ze met de resten van de ruïnes. Die werd Nieuw-Spanje genoemd en van hieruit wilden de Spanjaarden Noord-Amerika veroveren.

Om de volgende redenen hadden de Spanjaarden met gemak gewonnen van de Azteken:
• De Spanjaarden hadden paarden, vuurwapens en de steun van de volken die eerst bij de Azteken hoorden
• De Spanjaarden kwamen precies in een tijd dat volgens het Azteekse geloof de belangrijkste goden van de Azteken zouden terugkeren. Dus dachten de Azteken dat de Spanjaarden dat waren.
• De Spanjaarden namen allemaal ziektes mee, zoals de griep, waterpokken en de pest. Die waren er niet in Amerika en waren dus dodelijk. Deze ziektes maakten meer doden dan de militaire ingrepen.

Spanje wou ook de noord-Amerikaanse staten veroveren, maar dit mislukte.
Tien jaar na de verovering van Mexico was Peru aan de beurt, het land van Inca’s.
In 1531 was Peru dus ook onder toezicht van de Spaanse overheid. Hier werd het tweede fort (bastion) van de Spanjaarden gebouwd.

§2.4
De indiaanse hadden ander wereldbeeld dan de Europeanen. Bij de Azteken, de Inca’s en de Maya’s speelde astronomie (sterrenkunde) een grootte rol. Hierdoor hadden ze heel nauwkeurige kalenders. Bij de Azteken stonden ook historische gebeurtenissen in de kalender. Alledrie die volken hadden ook een schrift, in scriptekeningen, waarmee ze mythen en hun geschiedenis hebben vastgelegd. Hierdoor hadden ze een historisch bewustzijn. De indiaanse volken hadden hun eigen goden. De goden waren heel belangrijk voor hun leven. Omdat de indianen een ontwikkeld wereldbeeld hadden zagen de Spanjaarden dit als een bedreiging. De Spanjaarden wilden de hele geschiedenis van de indianen uitwissen. De indianen moesten ook van hun geloof afstappen en in het christendom geloven. Om het voor de indianen wat makkelijker te maken werden zo veel mogelijk heilige beelden, documenten en tempels vernietigd. Opnieuw bouwde ze van de schade die ze hadden aangericht nieuwe gebouwen bovenop de ruines van de tempels. Daar bouwden ze kerken. Later kwamen de missionarissen dat ze dit helemaal niet moesten doen. Omdat zij de documenten van de indianen hadden vernietigd wisten ze niks van het indiaanse geloof af. Hierdoor werd het wegvagen van de indiaanse geloven juist moeilijker.

Deelvraag: Hoe verliep het kolonisatieproces in de Spaanse koloniën?
Dit verliep vrij gemakkelijk. In het begin kon dit zelfs zonder geweld. Hernán Cortés ontmoette precies de indianen op het moment dat er volgens een mythe een belangrijke Azteekse god zou terugkeren. Hierdoor werden de Spanjaarden met veel respect ontvangen. Ook brachten de Spanjaarden veel ziektes mee die er nog niet waren in Amerika en die waren dus dodelijk voor de indianen. Ook hadden de Spanjaarden paarden en vuurwapens. Ook kregen de Spanjaarden steun van volken die werden overheerst door de Azteken. Die wilden graag meehelpen om van de Azteken af te komen.

§3 Koloniaal Mexico
Deelvraag: Welke politiek en sociale gevolgen had de kolonisatie voor de bevolking van Mexico (Nieuw-Spanje)?

§3.1
Nadat Latijns-Amerika bijna helemaal veroverd was door de Spanjaarden kwam er rond 1500 een periode van 300 jaar dat de Spanjaarden de macht hadden in dit continent. Na Columbus en Cortés gingen er nog veel meer Spaanse veroveraars en fortuinzoekers naar de ‘Nieuwe Wereld’. Zij wilden hier een nieuw welvarend bestaan opbouwen. Ze werden door de Spaanse overheid gesteund. De veroveraars kregen elk een eigen stuk grond om zich daar te vestigen. Het land bleef nog wel van de Spaanse overheid. De indianen die al op dat land woonden moesten belasting betalen en werken. Het gebied waar de veroveraars dit recht op hadden heet het encomienda. De veroveraars die dus zo’n stuk grond hadden (encomienda) heten in het Spaans encomendero (grootgrondbezitter). De Spaanse overheid stelde allerlei regels in waar de encomendero zich aan moest houden. Ook de indianen hadden verplichtingen. Die moesten de encomendero helpen met allerlei taken, zoals bruggen en kerken bouw en het land bewerken. De encomendero had de volgende regels:

• De winst delen met de Spaanse kroon
• Het gebied dat ze hadden gekregen moest beschermd worden
• De encomenderos mochten de indianen die op hun land woonden niet keihard uitbuiten om er zelf beter van te worden
• De encomendero moest de indianen leren en begeleiden tot een goede burger.

De Spaanse overheid kon slecht controleren wat de encomenderos deden. Dit systeem werkte dus niet omdat encomenderos deden gewoon waar zin in hadden en buitte de indianen hardhandig uit. Dit encomienda-stelsel werd al snel afgeschaft.

§3.2
Vanaf 1550 kwam er een nieuw bestuursstelsel. Dit nieuwe stelsel was bedoeld om de macht van de encomenderos te beperken en om de economie en de samenleving beter te kunnen regeren. In Spanje werd een nieuwe raad opgericht: de Raad van Indië. Deze raad adviseerde de koning over het koloniale bestuur. De basis van deze raad waren wetten en decreten. In de koloniën zelf kregen 2 onderkoningen. Een in Peru en een in Mexico. Zo werden er twee bestuursgebieden gemaakt. Aan het einde van de 16de eeuw bleek dat dit niet goed werkte, daarom werd de kolonie in gesplitst in vijf delen (onderkoninkrijken) met ieder een eigen koning (tegenwoordig hetend die gouverneurs). De onderkoningen waren aansprakelijk voor alles wat in zo’n onderkoninkrijk gebeurde. De onderkoningen hadden binnen hun eigen grondgebied veel macht.Ze waren de opperbevelhebber van het leger en de vloot en ze mochten kerkelijke ambtenaren aanwijzen. Bij dit alles werden ze geholpen door de Raden van Adviseurs, dit waren een soort ‘topambtenaren’ die ook controleerde wat de onderkoning deed. Ook werkten ze als een hooggerechtshof: hier kwamen zaken terecht die niet door lagere ambtenaren konden worden opgelost.

De koloniën waren dus ingedeeld in 5 delen (onderkoninkrijken) die ieder een onderkoning had. Die onderkoninkrijken waren weer ingedeeld in provincies. Hier hadden regionale ambtenaren die macht. Die kwamen ook uit Spanje. In die provincies stichten de Spanjaarden op belangrijke plaatsen steden. Het bestuur van deze steden werden in handen genomen van een Spaans gemeenteraad. De verantwoordelijkheid van deze dorpen was voor de provinciale ambtenaren, maar ze mochten hun eigen bestuur houden. Aan het hoofd van dit bestuur stonden indiaanse edelen (caciques) De caciques bestuurden de dorpen en hadden de grootste stukken land. De inwoners van de indiaanse dorpen moesten belasting betalen aan Spanje. De cacique was er zelf voor aansprakelijk dat de belasting betaald werd. Het had geen nut om minder belasting te vragen aan de inwoners, want als er te weinig geld binnenkwam moesten hij zelf de rest ui zijn eigen zak betalen. De provinciale ambtenaar moest er voor zorgen dat al het geld bij de Spaanse overheid terecht kwam. Om ervoor te zorgen dat de dorpjes bleven bestaan stond er in de wet dat elk dorp een eigen stuk grond kreeg. Dit land kon niet van de dorpen afgenomen worden. Dit hield nog niet in dat indianen een eigen stuk grond hadden. De Spanjaarden hadden schijt aan deze wet en indianen verloren vaak veel land.
Het bestuur van deze dorpjes ging protesteren. Er kwam dan een rechtszaak en vaak wonnen de indianen.
Buiten de steden en dorpen was er amper sprake van koloniaal bestuur. Daar waren Spaanse boeren met grote boerenbedrijven (haciënda’s). Die boeren beschermden hun boerderijen zelf tegen de indianen en andere boeren.

§3.3
De Spanjaarden vestigden zich vooral in de dichtbevolkte gebieden. In die gebieden ontstond in de loop van de 16de eeuw een nieuwe maatschappij. In die maatschappij moesten de Spanjaarden en de indianen samenleven. De bestuursambtenaren vroegen zich af hoe dit goed kon gaan, omdat de indianen belasting moesten betalen aan de Spaanse overheid. De Spaanse koning zorgde dan wel dat hun welzijn hoog bleef. De Spaanse koning beschouwde de indianen als zijn kinderen en daardoor werden indianen volledig apart gezet van de Spanjaarden. Er ontstond nu een standenmaatschappij. Je had de indiaanse en Spaanse ‘republieken’. Degenen van de indiaanse republiek woonden in de indiaanse dorpen. Zij konden beroep doen op een aantal rechten, zoals het recht op grond en bescherming. Hiervoor moesten zij wel belasting betalen (dat was hun plicht). Je rechten en je plichten was verbonden met je woonplaats en je stand. Als je in een indiaans dorp woont en belasting betaalde was je indiaan. Als je ging verhuizen omdat je in de stad ging werken was het onbekend wat je was, want je woonde niet meer in een indiaans dorp. De indianen en Spanjaarden hadden ieder een eigen rechtbank (een voor indiaanse zaken en een voor Spaanse zaken)
Er waren ook Afrikanen: de hoogste waren de zelfstandige ambachtslieden (dit waren o.a. vrijgelaten slaven) en de laagste stand waren de slaven die op de plantages werkten. Die hadden bijna niets te zeggen over hun eigen leven. Sommigen gingen zich verzetten tegen de plantage-eigenaren en sommige pleegden zelfmoord.

§3.4
In de indiaanse stand zelf waren ook grote verschillen. De indiaanse edelen hadden mooiere kleding en stonden dichter bij de Spanjaarden dan de gewone indianen. De rijkere konden vaak ook Spaans, de gewone niet.
In de Spaanse stand waren ook verschillen, dat kun je zien in de verschillende beroepen. De meeste Spanjaarden waar de middenstanders. Er weinig Spanjaarden die tot de rijkste ‘bovenlaag’ van de Spaanse stand hoorde. Degenen die hier bij hoorden waren bijna allemaal Spanjaarden die in Spanje geboren zijn.
De nakomelingen van de Spanjaarden in de Nieuwe Wereld worden creolen genoemd en die heel weinig kans om bij die rijke bovenlaag te horen.
Ook tussen de Spaanse grondbezitters zaten grote verschillen . Er waren grondbezitter met veel geld en een groot stuk grond, maar er ook boeren met een klein simpel bedrijfje.
Er waren plekken waar de Spanjaarden en de indianen naast elkaar leefden. Hier vonden ook huwelijken tussen indianen en Spanjaarden plaats. De kinderen van deze huwelijken trouwden ook vaak weer met iemand van een andere afkomst en zo begonnen de indianen, Spanjaarden en (ook) Afrikanen zich met elkaar te mengen.
Ze hadden ook alledrie een andere gelovige mening, hierdoor begon het christendom te veranderen. Eerst waren er nog maar twee standen: de indiaanse en de Spaanse. Maar nu de indiaanse, Spaanse en Afrikaanse cultuur samenging (mestizering) klopte dit niet meer. De indeling werd nu verdeeld in een hiërarchie (indeling van hoog naar laag) van vier hoofdstanden:
1. Europese Spanjaarden
2. Amerikaanse Spanjaarden (creolen)
3. indianen
4. castas (nakomelingen van een gemengd huwelijk)

Er werden kledingvoorschriften gemaakt, die voor iedere stand verschilde. Alleen de Spanjaarden mochten wapens dragen en op paarden rijden.
Helaas voor de machthebbers bleek deze hiërarchie moeilijk te handhaven.
Het belangrijkste probleem was dat de afkomst van iemand soms moeilijk te achterhalen was, dat werd nog erger omdat de verschillende standen zich nog meer met elkaar gingen mengen. Je hoorde alleen bij de indiaanse stand als je als indiaan in een indiaans dorp woonde. Ging je in een stad wonen dan werd je was het onduidelijk bij welke stand je hoorde. Daarom werd stand je later niet aan je afstamming gecontroleerd maar aan je sociaal-economische status.

Deelvraag: Welke politieke en sociale gevolgen had de kolonisatie voor de bevolking van Mexico (Nieuw-Spanje)?
Er kwamen nieuwe bestuursstelsels zoals het encomienda systeem. Later kwamen er nog nieuwe systemen. In alle systemen hadden de indianen weinig rechten. Het verbeterde wel iets, maar ze werden nog steeds uitgebuit. De Spanjaarden namen het bestuur over. Op een gegeven moment mochten er wel indiaanse edelen in het bestuur in plaatselijk bestuur van het dorp. Toen de Spanjaarden in de dichtbevolkte gebieden gingen wonen, gingen de indianen, Spanjaarden en Afrikanen zich met elkaar en vonden er huwelijk tussen de verschillende culturen plaats. Hierdoor werden de culturen gemengd (mestizering) en ging het christendom veranderen. De kinderen van Europese Spanjaarden werden creolen genoemd. De kinderen uit een gemengd huwelijk werden castas genoemd. De castas hadden de minste rechten en stonden in de laagste stand.

§4 Indianen en Spanjaarden
Deelvraag: Welke economische en religieuze gevolgen had de kolonisatie van Mexico?

§4.1
Toen de Spanjaarden Latijns-Amerika hadden ontdekt, kwamen ze er snel achter dat sommige indiaanse handwerkslieden heel goed waren in het bewerken van goud, zilver (edelmetalen) en andere grondstoffen met een hoge geld waarde. Rond het midden van de 16de eeuw hadden de Spanjaarden een bron gevonden met ontzettend veel edelmetalen. Er werd een speciaal bedrijf opgezet om ten minste 1/5 deel van het zilver naar de Spaanse overheid ging. Met dit zilver kon Spanje heel lang oorlogje spelen. Er werden ook veel landbouwproducten naar Europa gebracht zoals aardappelen, maïs en cacao. De aardappelen en de maïs konden ook goed in het Europese klimaat groeien. De cacao werd bleef geëxporteerd worden van Amerika naar Europa totdat Afrika ook cacao ging verbouwen. Van Europa naar Latijns-Amerika werd tarwe gebracht. Dat groeide daar ook goed en werd daar naast de ‘oude’ landbouwproducten een belangrijk onderdeel van de Amerikaanse landbouw. Vanuit Afrika kwamen ook producten uit Azië in Amerika terecht. Chinese zijdewormen, rijst, citrusvruchten en rietsuiker konden ook heel goed in Amerika verbouwd worden. Rietsuiker werd vooral in dunbevolkte gebieden verbouwd (Caraïbisch gebied en de tropische kustzones) en de plantages werden gerund door de Afrikaanse slaven. Die plantages waren volledig gericht op de export naar Europa. De plantages in de dichtbevolkte streken was meer gericht op de lokale en regionale markten.
Ook brachten de Spanjaarden vee naar Amerika. Ook kwam het wiel voor het eerst bij indianen op de plantages. Normaal vervoerden de indianen alles zelf, zonder kruiwagen, dieren enz. Doordat er nu lastdieren waren en het wiel er was verbeterden de handelscontacten tussen verschillende streken. Het ploegen van de akkers ging nu ook veel makkelijker.
De Spanjaarden brachten van alles naar Amerika, maar oude indiaanse dorpjes bleven bestaan en de indianen bleven hun eigen land bewerken.
Spanjaarden gingen zich vestigden zich op land dat niet (meer) door indianen werd gebruikt. Omdat er heel veel indianen waren gestorven was er veel leeg land. Zelfs de komst van veel Afrikaanse slaven was er nog veel leeg land. Aan het einde van de 18de eeuw nam de bevolkingsgroei ineens sterk toe. Toen was er een tekort aan land. Er kwamen toen ruzies tussen de indianen en de Spanjaarden, omdat de Spanjaarden grote stukken land voor zichzelf hadden.

§4.2
De eerste missionarissen hadden meegeholpen aan de vernietiging van de cultuur van de indianen. De indianen, en ook de Afrikaanse slaven die gekomen zijn, moesten ze bij het christendom horen. Rond 1650 waren de meesten gedoopt en trouwden ze in de kerk. Alleen bleven de oude rituelen en geloofsovertuigingen bestaan, alleen de met een beetje christendom erbij. De indianen en Afrikanen vonden het niet erg om bij het christendom te horen, als ze het maar mochten mengen met hun eigen oude geloof. In de Latijns-Amerikaanse cultuur zijn het christendom en heiligen heel belangrijk.

De missionarissen kwamen uit verschillende rangordes van de katholieke kerk.
Ze hadden allemaal een andere mening ten opzichte van de indianen. De een hielp de indianen tegen de Spaanse landeigenaren en tegen de ambtenaren omdat de te veel belasting vroegen. De ander was juist voor de kant van de Spaanse landeigenaren (encomenderos) en ambtenaren en vonden dat de indianen geboren slaven waren.

§4.3
Een van de missionarissen die de indianen hielp was Bartolomé de Las Casas (1474-1566). In 1502 vertrok Bartolomé naar Latijns-Amerika. Hij wilde, zoals alle anderen die naar Latijns-Amerika gingen, meer geld hebben. Toen hij er was zag hij hoe de Spanjaarden de indianen behandelden. Hij schreef alles wat hij zag op. Bartolomé wou de rest van zijn leven de indianen helpen. Hij ging persoonlijk naar de Spaanse koning om zijn rapporten door hem te laten lezen. Hij was ook sterk tegen het encomienda-stelsel omdat de encomenderos zich rijk maakten aan de belasting die ze vroegen. Las Casas was op zich niet tegen de kolonisatie van Latijns-Amerika. Hij vond dat de Spaans-katholieke cultuur aan Latijns-Amerika moest worden overgedragen. De aanklachten van Las Casas en de commentaren van andere mensen die de koloniën bezochten maakten grote indruk op het Spaanse hof.
Ook in andere landen, zoals Nederland en Engeland, waren de mensen geschokt over de berichten. Hier werden de verslagen van Bartolomé de Las Casas gebruikt om Spanje aan als een slecht katholiek land te geven. Dit werd later de Zwarte Legende genoemd. Er zijn Spanjaarden die zeggen dat het gedrag van sommige regeringen tegenover Spanje nog steeds invloed heeft door de Zwarte Legende.

Eerst dachten historici heel lang dat de Spaanse veroveraars de indianen alleen maar uitbuitte en onderdrukten. De indianen konden zich niet verdedigen.
Maar dankzij nieuw bronnenonderzoek zijn historici overtuigd dat de indianen toch wel voor zich konden op komen. In 1542 werden de Nieuwe Wetten ingesteld. Hierin stond officieel dat de Spanjaarden de indianen niet mochten mishandelen.
Maar de meeste landeigenaren gingen gewoon door met het mishandelen van de indianen. Nadat het nieuwe stelsel kwam konden de indianen bij een rechter terecht voor hun klachten. Deze rechters wilde wel de indianen beschermen, de meeste provinciale ambtenaren maakte het niks uit. Het beeld dat de Spanjaarden zich alleen maar misdroegen in Latijns-Amerika klopte dus niet helemaal.

Deelvraag: Welke economische en religieuze gevolgen had de kolonisatie van Mexico?
Er kwamen veel nieuwe landbouwproducten in Latijns-Amerika. Die kwamen vanuit Europa en via Afrika vanuit Azië. Rietsuiker kwam uit Azië en de rietsuikerplantages waren volledig gericht op de export naar Europa. Hier zie je dat nog steeds van de driehoekshandel gebruikt werd gemaakt.
De Spanjaarden brachten ook vee naar Latijns-Amerika. Ook brachten ze het wiel er naar toe. Hierdoor versterkte de lokale en regionale handel. Ook was het makkelijker om de akkers te ploegen.
De indianen en Afrikanen mochten eigenlijk niet meer in hun oude geloof geloven en moesten volledig tot christendom behoren. De indianen en Afrikanen werden gedoopt en trouwden in de kerk.
De oude rituelen bleven bestaand alleen met christendomsmaakje eraan.

§5 Het streven naar onafhankelijkheid
Deelvraag: Hoe valt het succes van de Latijns-Amerikaanse onafhankelijkheidsbewegingen te verklaren?

§5.1
Aan het begin van de 19de wilden veel mensen in Latijns-Amerika onafhankelijk worden van Spanje. Argentinië was het eerste land dat van Spanje af wou. In 1810 werd Argentinië onafhankelijk van Spanje. Snel daarna werden Paraguay en Uruguay ook onafhankelijk. Ook Chili en Mexico probeerden dit in hetzelfde jaar, maar bij hun lukte het niet. Er ontstonden veel kleine rebellenlegertjes. Die slaagden er tussen 1810 en 1826 in om heel Midden- en Zuid-Amerika onafhankelijk te krijgen. De leiders van de rebellen waren meestal creolen (nakomelingen van Spanjaarden die in Amerika wonen) probeerden confederaties te stichten in verschillende onafhankelijke landen, maar dat lukte (bijna) nooit.
(confederatieve staat= een statenbond waar onderlinge staten samenwerken op het gebied van financiën, leger en politiek – voorbeeld: De VS en BRD(Duistland)
In 1839 waren de 5 voormalige Spaanse onderkoninkrijken uiteengevallen in grote en kleine republieken.
Hoe het kon dat er opstanden kwamen tegen de Spaanse regering moet je onderzoeken op kort en lange termijn.

§5.2 (onderzoeken op lange termijn)
Vanaf het midden van de 18de eeuw werden inwoners van de koloniën onrustig. Dit kwam door de economie, de politiek en de cultuur. Na 1750 groeide de bevolking in de koloniën sterk. Er moesten dus meer landbouwproducten verbouwd worden. Daar hadden de boeren meer ruimte voor nodig. Die grond was er niet. Toen er heel veel indianen stierven was er veel land over. De haciënda-eigenaren hadden veel land. De rest van de bevolking had hierdoor te weinig land. De boerenbevolking had geen eten meer en waren dus gedwongen om op het land van de haciënda’s (grote boerenbedrijven van Spanjaarden) te gaan werken. Er gingen steeds meer mensen werken op de haciënda’s, omdat de bevolking ook toenam. Hierdoor daalde de lonen en daardoor werden de arbeiders natuurlijk weer ontevreden.
Die onrust en ontevredenheid nam nog meer toe omdat de Spaanse overheid beslissingen nam. De Spaanse overheid wilde aan het einde van de 18de eeuw meer invloed op de gang van zaken in de koloniën. De Europese Spanjaarden kregen nog meer politieke en economische macht. Ook werd het voor de creolen onmogelijk om bij de hoge bestuurlijke posten te komen. Hier waren de Amerikaanse Spanjaarden het niet mee eens. De creolen voelde zich ook niet meer bij Europese cultuur horen maar meer bij de Amerikaanse. Ze voelden zich steeds minder kolonist. Ze vonden de Europese Spanjaarden arrogant. Dit waren de creolen die de rebellenlegertjes gingen stichten.

§5.3 (onderzoeken op korte termijn)
Na 1800 was er een economische teruggang. Dit kwam doordat er een lange droge periode was geweest waardoor de oogsten mislukten, daardoor ontstonden er weer voedseltekorten. Op dat moment was Spanje oorlog aan het voeren met Napoleon. Hier had de Spaanse regering veel geld voor nodig. Daarom vroegen ze nog meer belasting aan de inwoners van de koloniën. De economische crisis en de hogere belasting trof de creolen harder dan de Europese Spanjaarden in Latijns-Amerika.

In 1808 werd de Spaanse koning door Napoleon afgezet. Hiervoor kwam de broer van Napoleon in de plaats. De meeste creolen accepteerden deze koning niet, omdat die koning helemaal niks met Spanje te maken had en dus ook niet met de koloniën. De creolen wilden nu onafhankelijk worden. De Amerikaanse Spanjaarden maakten rebellenlegers en gingen zich verzetten tegen de Europese Spanjaarden en gingen vechten voor hun onafhankelijkheid. In die legers vochten ook indianen en castas mee. Die wilde het land terug hebben zoals die was en wilde een betere sociale positie.
De creoolse pastoor Miguel Hidalgo riep een opstand op in 1810. Samen met andere mensen die zich wilden verzetten wilde Hidalgo zich verzetten tegen de Spaans regering. Alleen dit idee werd verraden. Hidalgo ontsnapte en ging door met zijn plan. Hij riep de Mexicaanse gelovigen op dat ze zich moesten verzetten tegen de broer van Napoleon en de Europese Spanjaarden.
Veel indianen reageerden op deze oproep en namen samen met Hidalgo de dichtstbijzijnde grote stad in. Daar doodden zijn veel Spanjaarden maar ook creolen. Die creolen schrokken daar erg van en gingen toch maar weer samenwerken met de Spaanse regering. De opstand werd neergeslagen en Hidalgo werd gedood.
De rust was er nog steeds niet Mexico. In 1821 werd Mexico toch nog onafhankelijk.

§5.4
Voor de meeste arme boeren en haciënda-arbeiders veranderde er na de revoluties niet veel. Ze hadden gestreden voor de hervormingen van stukken land, maar daar kwam niks van terecht. De Europese Spanjaarden die in de bovenste laag van hun stand zaten werden vervangen door Amerikaanse Spanjaarden. De revoluties in Latijns-Amerika hadden meer gevolgen op de politiek dan op sociaal gebied.
Het herverdelen van de grond over de inwoners was alleen om de volgelingen van de rebellenleiders te motiveren om mee te strijden.
De indianen moesten eerst met zijn allen in een dorpje wonen. Dit werd afgeschaft. Hierdoor zouden de indianen beter in de economie kunnen zitten. Iedereen kreeg de kans om een eigen stukje grond te kopen. Alleen dit ging ook niet goed: de grootgrondbezitters konden de meeste grond kopen en hadden de indianen weer geen eigen grond. De grote landbouwbedrijven groeiden, de dorpen verloren hun land en veel indianen moesten opnieuw op de haciënda’s gaan werken.
In 1910 had slechts 5% van de Mexicaanse boeren een eigen stukje land. De rest werkten op de haciënda’s.
Na de onafhankelijkheid waren de sociale verschillen juist toegenomen in plaats van afgenomen wat eigenlijk de bedoeling was.

Deelvraag: Hoe valt het succes van de Latijns-Amerikaanse onafhankelijkheidsbewegingen te verklaren?
Vooral de mensen in de lagere standen wilde wel meestrijden voor de onafhankelijkheid omdat ze er beter van hoopten te worden. Als ze onafhankelijk waren zouden ze waarschijnlijk ook meer land krijgen. Iedereen was het zat van de Spaanse regering, zeker nu er een koning kwam die helemaal niet in Spanje geboren was. Grote aantallen gingen zich verzetten tegen de Spaanse regering en ze kregen hun onafhankelijkheid van Spanje. De lagere standen hoopten er beter van te worden. Maar uiteindelijk was dit niet zo. Het werd precies hetzelfde. Iedereen had recht op een stukje land. Maar de encomenderos hadden het meeste geld en konden het grootste stuk land te kopen. Opnieuw hadden de indianen geen eigen stukje land. Ze moesten alweer op de haciënda’s van de encomenderos werken.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

R.

R.

kan t nog langer mann

5 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

R.

R.

is cortes rijk geworden doordat hij cacao mee nam naar de EU

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast