Geschiedenis module 2

Paragraaf 1: Het gezin in de preïndustriële samenleving

Voor midden 18e eeuw leefden de Britten van landbouw. Er werd gebruik gemaakt van het openveld systeem: grond gemeenschappelijk eigendom. Mensen werkten als landarbeider bij rijkere boer.
Vanaf 16e eeuw enclosure-movement = het onderling verdelen van gemeenschappelijke gronden.
Arme boeren kregen te weinig grond en trokken naar de stad. De overgebleven grootgrondbezitters vormden grote en welvarende bedrijven die door goede organisatie weinig knechten nodig hadden. Daardoor grote concurrentie voor kleine boeren.
Ook veel mensen werkten in de textielnijverheid. Kooplieden kochten ruwe wol in en brachten het naar gezinnen die aan huisnijverheid deden. Er waren fabrieken ontstaan voor productie van aardewerk en zijde, die werkten met dieren en waterkracht.
18e eeuw = standenmaatschappij. Plaats in samenleving door geboorte.
Bejaarden en gehandicapten wonen in armenhuis. Mensen die nog wel kunnen werken belanden in een werkhuis.

Mensen aten te weinig en dronken te veel. Ook was er geen verlichting. Er waren veel ziektes, o.a. de kraamvrouwenkoorts -> onhygiënische bevallingsomstandigheden.
Bij ziekte ging met naar de chirurgijn, armen gingen naar de wijze vrouw. Rijken konden naar het ziekenhuis. Daar was zeer veel infectiegevaar door onhygiënisch handelen.

Ouders beslisten over huwelijk. Belangrijk was dat het iemand was uit de eigen stand. Het meisje kreeg een bruidsschat mee. Ook was er een grote erfenis voor gehuwden. Liefde kwam op de laatste plaats.
Men (ouders/dorpsgenoten) voelden zich verantwoordelijk voor elkaar en sprongen bij als dat nodig was.
Vrijgezellen leerden elkaar voornamelijk kennen tijdens de oogsttijd; samen op het land werken en de vele dorpsfeesten.

Een huishouden opzetten kost veel geld. Er mocht pas seks plaatsvinden na het huwelijk, al gebeurde dat in de meeste gevallen toch al voor die tijd. Wanneer de vrouw zwanger raakte was trouwen verplicht.
Bij het huwelijk moest een belofte worden afgelegd met getuigen erbij.
1837: Vrouw mag testament opstellen.
Man mag lijfstraffen geven aan zijn vrouw en kinderen. Overspel verboden maar vind toch geregeld plaats.

De vrouw is de opvoeder in het gezin. Om kinderen niet in de weg te laten lopen krijgen ze tuigjes om of worden in doeken gewonden.
De staat zorgde niet voor het onderwijs. Er waren wel kerkscholen, maar die waren erg streng. En waarom leren als je toch boer wordt? Meisjes hoefden sowieso niet naar school; zij leerden het huishouden van hun moeder.
10% tot 15% van de totale bevolking kon in die tijd lezen en schrijven.

Paragraaf 2: Naar de grote stad

De industriële revolutie kwam als eerste op bij de staal, mijnbouw en textielindustrie (rond 1730).
De machines werden groter en werden geplaatst in fabrieken. Het gezin was geen productie-eenheid meer maar een consumptie-eenheid, het loon kwam nu van buitenhuiselijke verdiensten.
-> verschuiving gezinseconomie naar gezinslooneconomie.

Mensen gingen dicht bij de werkplek wonen -> urbanisatie. Het leven veranderde in een grote eentonigheid.
De huizen waren klein, goedkoop, dicht op elkaar gebouwd, vochtig en kregen weinig licht binnen. Er was geen waterleiding en goede afvoer.

1776: grondslag klassieke economie/ economisch liberalisme door Adam Smith. -> zo min mogelijk ingrijpen van de regering in economie. Lage belastingen en geen sociale wetgeving. Lage lonen, kinderarbeid en ongezonde huizen.

Er was hoge bevolkingsdichtheid rond de fabrieken, dus grote kans op epidemieën.
water ->ontlasting zieken ->beerput ->drinkwater ->ziektes ->treft iedereen.

1867: Florence Nightingale | Arts Lister gaat operatiekamers ontsmetten.
1853: Verplichte inenting van pasgeborenen in Engeland.

Modernisering landbouw ->betere oogst ->goedkoper voedsel. Door de spoorwegen is er betere distributie.

Door urbanisatie is er minder sociale controle. Mensen kunnen hun eigen partner kiezen en er ontstaat romantische liefde.

Victoriaanse Tijd, ze regeerde van 1837-1901, tijd van goede zeden.

Er was weinig scholing nodig voor de fabrieken. Na de kinderarbeid belande je vanzelf in de reguliere arbeid. Er was een jonge trouwleeftijd. De vrouw was nog altijd minderwaardig aan de man. Voor hetzelfde werk veel minder loon.
Mannen zochten vertier in de kroeg -> nog minder geld om van te leven. Ook waren ze vaak dronken -> ruzie.
Na 1857 mag er zonder toestemming van de kerk gescheiden worden maar het is duur. Soms liep de man weg. Vrouw kon dit niet omdat ze afhankelijk was en kinderen had.

Het leven werd harder. Kinderen moesten jong aan het werk. Vroeger op platte land konden ouders nog toezicht houden, en kinderen rusten wanneer het nodig was.

Later werden de eisen voor werk hoger. Lezen en schrijven werd vereiste.
1833: overheid gaf zeer lage subsidie aan particuliere scholen. Op die scholen werd lezen, schrijven en godsdienst gegeven.

Door beter voedsel waren er minder zieken. Bevolking steeg, maar niet meer kinderen. Mensen bereikten hogere leeftijden.
Huwelijksvruchtbaarheidscijfer: aantal wettig levend geborenen per jaar per 1000 gehuwde vrouwen in vruchtbare leeftijden.

Thomas Malthus (1800), pleitte voor seksuele onthouding en het verhogen van de huwelijksleeftijd. Anders zou er oorlog gaan ontstaan, epidemieen uitbreken, hongersnood ontstaan enz.
Er werd weinig gebruik gemaakt van voorbehoedsmiddelen.

Veel jonge mensen trekken naar de stad: makkelijk om partner te vinden + weinig te verliezen. Op jonge leeftijd kinderen, en veel kinderen.
1 op de 3 kinderen overlijdt.

Paragraaf 3: Op weg naar de ‘welfare state’

Na 1850 komt er een nog grotere bloei in de engelse economie. Grote bedrijven bloeien op door betere machines. Door het Britse imperium komen ontwikkelt de industriële revolutie zich verder. De koloniën leverden grondstoffen en vormden een afzetgebied.
19e eeuw is een tijd van vrijhandel en het ontbreken van invoerrechten.
goedkope productie ->lage exportprijzen ->hogere lonen ->koopkracht steeg.
Werkdagen worden korter, veiliger en minder vermoeiend.
Al enkele verzekeringen tegen ziektekosten waren opgekomen. Toch probeerden ze elkaar zo veel mogelijk te helpen.
Tussen 1850 en 1920 begon de Britse verzorgingsstaat, de ‘welfare state’.
De overheid neemt daarin verantwoordelijkheid voor het welzijn van inwoners.
1908: de wet ouderdomspensioenen werd van kracht. De rijken betaalden extra voor armen.
1911: Wet voor ziekenfonds en wet voor werkeloosheidsverzekering van kracht.

Rijkeren betaalden extra om besmettelijke ziektes tegen te gaan, het kon hen ook treffen. Na 1870 leefbaarheid in steden stukken verbeterd.
Zeep werd goedkoper en water schoner. Armen gingen niet naar dokter, maar nog steeds naar wijze vrouw en kochten goedkope huismedicijnen.
Huizen waren nog steeds klein, gehorig, vuil en vochtig. Gas en elektriciteit werd aangelegd: in 1921 had 1 op de 8 huishoudens elektrisch licht.

Gezinsleven kreeg meer aandacht. Aantal kinderen daalden -> traditionele arbeidersgezin.
Man en vrouw praatten meer, maakten uitstapjes (trein was goedkoop).
Materialisme kwam tot uiting: aparte zondagse mooie kamers. In de rest van het huis stond massaproductie.
Vrouwen werkten bijna niet meer in fabrieken, en kreeg meer invloed op beslissingen.

De vrouwenbeweging werd sterker.
1869: kiesrecht voor gemeenteraadverkiezingen voor vrouwen, na WO1 ook voor parlement.
Vrouwen drongen door in mannenberoepen.
Seks gebeurde omdat de man het wilde. Vooral in lagere klassen.

Het onderwijs werd ook beter; vanaf 1870 Education Act, wat ieder kind recht gaf op onderwijs. Scholen werden opgericht. In 1880 ging 80% van de kinderen ( 5 tot 10 jaar) naar school.
vanaf 1890 was er gratis onderwijs. Er werd nog veel verzuimd in oogsttijd. Doorleren naar wettige leeftijd gebeurde niet veel bij arbeiders. Vooral de meisjes leerden niet door.

Door betere gezondheidszorg en voeding nam het aantal sterfgevallen af.
De Malthusiaanse bond opgericht: zij waarschuwden voor overbevolking, nadelen grote gezinnen en waren voor geboortebeperking.
vanaf 1870 waren er anticonceptiemiddelen te koop: dierlijke condooms
vanaf 1880 werden de rubberen condooms op de markt gebracht.
Na 1875 nam het aantal geboortes sterk af even als het aantal sterfgevallen. De levensverwachting steeg, waardoor de bevolking eveneens steeg.
Verklaring daling van het geboortecijfer:
- mensen streefden naar grotere welvaart
- aantal geboorten daalden door introductie van anticonceptiemiddelen

Welvaart steeg door:
- hoger inkomen
- beter voedsel
- betere hygiëne
- betere behuizing
- aanwezigheid riolering en goede drinkwatervoorzieningen

De daling van geboortecijfers en sterftecijfers heet een demografische transitie. Een kenmerk van een industrialiserende samenleving.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.