Geschiedenis hoofdstuk 2

Interbellum: (de periode van 1918-1939) het tijdvak tussen 2 oorlogen.
De verenigde staten: 1920-1941
1920: de Republikein Harding kwam aan de macht (1920-1923), de VS kreeg een politiek van isolationisme en conservatisme. Conservatisme -> weinig staatsingrepen. Wel werden de invoerrechten flink verhoogd+belastingverlaging+immigratiewet verlaagd. Toen kwam er een periode van welvaart en hoogconjunctuur (1923-1929). Maar ook veel armen; de zwarten, verhuisden veel van zuid naar noord -> stadsbewoners, 2x zoveel werkelozen als onder de blanken. Ook arme boeren; na 1919 vielen de voedseltekorten in Europa weg, hier hadden veel boeren van geprofiteerd. Veel boeren hadden leningen afgesloten voor de mechanisatie, om leningen af te betalen moesten ze nu hun boerderij verkopen voor een te lage prijs. In 1920 werd de VS drooggelegd (tot 1933) -> meer criminaliteit, illegale drankcafés en meer politie.
De “roaring twenties”: alles leek welvarend door de films en illustraties, maar dit was eigenlijk alleen voor de rijken zo. 1914: Henry Ford lanceerde het idee dat elke werknemer moest kunnen consumeren wat hij zelf produceerde, ook als daarvoor de lonen moesten stijgen. Zo bleef de productie in stand en nam de economische groei toe. Er werden veel luxe spullen gekocht, vaak op afbetaling. Steeds meer kranten/tijdschriften en films.
Crisis: 24 oktober 1929(Black Thursday) 13 miljoen aandelen verkocht, op 29 okt 16 miljoen- -> koersen daalden: de crash was begonnen. De echte rede is niet bekend, maar waarschijnlijk kom het doordat veel mensen kochten zonder te denken, ze lieten zich verleiden door de mooie praatjes, en ze kochten met geleend geld. Doordat de economie ook niet gezond was ontstond er een crisis.
Oorzaken v/d crisis:
- overproductie aan goederen, men kocht aandelen ipv goederen
- grote ondernemers wilden geen nieuwe buitenlandse markten openen, dus vooral productie voor eigen land (door protectionistische politiek).
- koopkracht was uitgehold door koop op afbetaling, veel schulden, banken lieten dit toe.
- koopkracht was ongelijk verdeeld, grote groepen profiteerden niet van welvaart
- de landbouwcrisis v/d jaren 20 was nooit overwonnen dus agrarische sector bleef arm.
- banken die hadden geleend aan de boeren voor mechanisatie kregen hun geld niet terug.
Gevolgen: veel bedrijven gingen failliet en banken moesten sluiten, steeds meer werkelozen, de koopkracht daalde, minder belastinginkomen -> ontslaan van ambtenaren en zo ging het maar door.
New Deal: Hoover (1928-1932) deed weinig om crisis te bestrijden, dus werd met de verkiezingen in 1932 een nieuwe president gekozen: Roosevelt (1932-12 april 1945). De New deal was niet een uitgewerkt plan, meer een grote improvisatie. Roosevelt was bovendien geen econoom, maar hij was een geboren leider en had een fijne neus voor het uitkiezen van z’n adviseurs en experts (de Brain Trust). Roosevelt wilde een gemengde economie: een mengsel van kapitalisme en socialisme. Er moest veel gepland worden en zijn belangrijkste inzet was: herstel van de koopkracht. Eerst werd er een instelling voor daklozen opgezet, daarna werd er een project opgezet voor de boeren; vaste landbouwprijzen, subsidies en verplichte beperking v/d productie. 1934 -> inkomen steeg, zo konden ze hun schulden aflossen. Bij banken kwam staatscontrole en slechte banken verdwenen. Ook de industrie werd aangepakt(1933) met de NRA; hogere lonen bij handhaving van het prijspeil. Er werden overal afspraken gemaakt over lonen, werktijden en prijzen en ook de sociale wetgeving werd aangepakt. In 1935 moesten veel plannen worden aangepast omdat deze in strijd met de grondwet zouden zijn. In 5 jaar werd 16% van de beroepsbevolking aan werk geholpen. Vooral door projecten als de Tennessee Valley Authority. Alleen was er 1 probleem: waar moest het geld vandaan worden gehaald? De belastingen konden natuurlijk niet te hoog worden gemaakt, maar de schuld bleef maar stijgen, in 1937 ging Roosevelt de schuld verminderen, maar toen steeg ook gelijk het aantal werkelozen. Over de vraag of de New Deal echt goed heeft geholpen, zijn verschillende meningen. Het aantal werkelozen was hoger dan in 1929, maar lager dan in 1931+1932, bovendien is voor crisisherstel een veel langere tijd nodig. En het was niet alleen de bedoeling om het land te herstellen maar ook om het te moderniseren. Pas in 1938 was er een vaste lijn, maar veel historici melden dat pas de Amerikaanse oorlogsindustrie in 1941 een echt einde aan de crisis maakte (de Vs vocht toen tegen Japan en Duitsland). Ook vrouwen konden/moesten toen werken in de fabrieken.

Nederland tijdens het Interbellum
Verzuiling: In 1918 kwamen de confessionele partijen aan de macht; de RK Staatspartij (RKSP), de Antirevolutionaire Partij (ARP) en de Christelijke Historische Unie (CHU), dit kwam vooral door het algemeen kiesrecht, de sterke positie v/d liberalen was verdwenen. De confessionelen wilden zich verzetten tegen de liberalen en de socialisten, hun 3 symbolen waren: God. Nederland & Oranje. In 1917 eiste zij gelijkstelling van het christelijk met het openbaar onderwijs (de schoolstrijd), hierna trokken de protestanten en katholieken zich terug in alles wat van “hun” was, zoveel mogelijk afgesloten van de andere bevolking (verzuiling). De mensen waren trots op hun zuil en wisten bijna niks van de ander, door de verschillende radio-omroepen werd dit nog versterkt. Het landschap was vlak en saai maar ook met heldere normen en waarden -> overzichtelijk. Maar er was toch ook nog nationalisme, Koninginnedag (31 augustus) werd door alle groepen gevierd, met uitzondering van de arbeiders, zij vierden de Dag van de Arbeid (1 mei). Het koningshuis vormde dus de bindende nationale factor. De politieke partijen werkten alleen samen aan de top van hun zuil, hadden namelijk een te kleine politieke meerderheid om in hun eentje te regeren, er moesten dus tussen de verschillende partijen compromissen worden gesloten. De confessionelen hadden als centrale gedachte: de man als gezinshoofd en kostwinner en de vrouw als huishoudster en opvoedster van de kids. Veel dingen zoals drank, abortus en bioscoopbezoeken werden afgekeurd. Ook de SDAP (Sociaal-democratische Arbeiders Partij) werd steeds groter, zij wilden graag hervorming en meer industrialisatie. Na 1935 veranderde hun koers, niet meer tegen de burgerlijke, kapitalistische samenleving maar: antikoningsgezind, antimilitaristisch en anticonfessioneel. (Vara = hun omroep) De liberalen kregen dan wel steeds minder zetels maar waren toch altijd aanwezig. Op sociaal en economisch terrein dachten de confessionelen bijna hetzelfde en konden dus ook samen regeren. Beide propageerden de vrijemarkteconomie, waren tegen socialisme+communisme+fascisme en ze kozen beide voor de monarchie. Bovendien waren veel mensen met een belangrijke functie liberaal.
Sociale & Economische veranderingen:
- bevolkingsgroei (door betere gezondheidszorg, hoog geboortecijfer onder katholieken)
- een verdere urbanisatie(oftewel verstedelijking 51% in 1940 in steden)
- industrialisatie (NL meer zelfvoorzienend, steeds meer elektriciteitsgebruik)
- groei efficiency door rationalisatie en mechanisatie (opbrengsten werden groter, landbouwbedrijven werden groter, steeds meer verkeer+elektrische apparaten)
- meer arbeiders
- na 1945 ook in NL sociale wetten(maar de inrichting van het “sociale gebouw” werd overgelaten aan de werkgevers en vakbonden. Vakbonden waren zwak, en confessionelen wilden liever vrede in hun zuil dan een arbeidsconflict. Maar de vakbonden hadden wel hun eigen regeling gemaakt; de werkeloosheidsuitkering, de overheid deed hier ook aan mee).
De crisis van de jaren dertig: In 1930 werd ook NL bereikt met de gevolgen van de beurskrach. Veel landen voerden hoge invoerrechten in (protectionisme), de handel, scheepvaart en landbouw werden zwaar getroffen. De prijzen daalden, maar de kosten v/d boeren bleven gelijk. Daarom maakte veel landen hun munt goedkoper(devaluatie), waardoor de import van buitenlandse goederen duurder werd. Maar NL deed dit niet, maar doordat uitsluitend produceren voor eigen land niet werkte, doordat de koopkracht daalde, door loonsverlagingen en ontslagen liep ook de werkeloosheid snel op (meer dan de helft was meer dan een jaar werkloos) pas na 1936 daalde de cijfers weer. Eerst dachten ze dat de crisis wel zou over waaien maar natuurlijk gebeurde dit niet, met de landbouwcrisiswet (1933) werd wel ingegrepen. De kabinetten-Colijn wilde de staatsschuld zo laag mogelijk houden dus werden de uitkeringen en ambtenarensalarissen telkens verlaagd en klassen steeds groter gemaakt. Pas in 1936 maakte Colijn de gulden 23% goedkoper en werden maatregelen genomen om het prijsniveau te stabiliseren. De definitieve overwinning van de crisis kwam in mei 1940 door de opkomende oorlogsindustrie.
Nieuwe ideeën: Toen de crisis uitbrak voelde de SDAP dat er wat moest gebeuren, keerpunt in hun denken was de machtsovername van Hitler in Duitsland (bij de SDP), omdat zij de crisis niet goed hadden bestreden. De SDAP moest eerst met een plan komen en dan proberen in de regering te komen. In 1935 was het plan er: Plan van de Arbeid, niet de klassenstrijd stond centraal maar er was industriële uitbreiding nodig. Volgens het plan moesten er ambitieuze openbare werken worden gemaakt met normale lonen, vergroting van de koopkracht door loonsverhoging en devaluatie van de gulden. Daarvoor was 200 miljoen extra per jaar nodig. Het plan betrok ook de middenstand en de boeren bij de uitvoering. De SDAP werd meer een democratische volkspartij dan een socialistische arbeiderspartij. Andere partijen gaven uitsluitend kritiek, niet de boodschap maar de boodschapper was fout. De vijandschap tussen de zuilen verdween natuurlijk niet zomaar. In 1937 accepteerde de SDAP de nationale gedachte, het koningschap en verruilde het pacifisme voor de nationale defensie. In 1939 traden 2 ministers toe tot de regering, mede door de oorlog, maar door de oorlog werd het plan uiteindelijk niet uitgevoerd, pas na 1945 werden de sociale hervormingen doorgevoerd. Maar er waren ook nog andere “nieuwe ideeën”, in 1931 richtte Anton Mussert de NSB (Nationaal-Socialistische Beweging) op, dit was een nette, fatsoenlijke partij, geen antisemitisme -> acceptabel voor veel mensen. Een sterke leider, nationale saamhorigheid en eenheid, nadruk op orde en gezag zouden de crisis moeten bestrijden (met Duitsland en Italië als voorbeeld). Bij de eerste verkiezingen werd 8% v/d stemmen behaald, en dus gingen de andere politieke partijen samenwerken. Veel dingen van de NSB werden verboden, maar de Nederlanders zagen zelf ook in dat Mussert steeds meer (openlijk) goed keurde van Hitler en Mussolini, zo werd de partij steeds rechts-radicaler en onvaderlands. De aanhang slonk en de partij raakte geïsoleerd, zo had de verzuiling opnieuw een mogelijke verandering in de samenleving voorkomen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

L.

L.

waarom staat er nergens een subtitel? dit is heel onhandig. voor de rest is alles wel duidelijk. grt lissa

4 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast