WIN EEN STUDIEBEURS T.W.V. €1.500 MET JE PWS!

Stuur voor 1 februari je profielwerkstuk in naar de Junior Fellowship wedstrijd van het Rijksmuseum. 

 


Meer info


Regelmatig:

2 Se tromper = zich vergissen.

3 Rendre = teruggeven.

4 Mettre = zetten, leggen, aandoen.

5 Attendre = wachten.

6 Jouer = spelen.



Onregelmatig:

7 Être = zijn.

8 Avoir = hebben.

9 Pouvoir = kunnen, mogen.

10 Ecrire = schrijven.

11 Dire = zeggen.

12 Boire = drinken.

13 Aller = gaan.

14 Voir = zien.

15 Faire = maken.



16 prendre = nemen.

17 Connaître = kennen.

18 Venir = komen.

19 Lire = lezen.



1

Se tromper
= zich vergissen. (regelmatig; wederkerend.)



Présent:

Je me trompe = ik vergis me

Tu te trompes = jij vergist je

Il se trompe = hij vergist zich

Nous nous trompons = wij vergissen ons

Vous vous trompez = jullie vergissen jullie

Ils se trompent = zij vergissen zich



Passé composé :

Je me suis trompé(e) = ik heb me vergist

Tu t’es trompé(e) = jij hebt je vergist

Il s’est trompé = hij heeft zich vergist

Nous nous sommes trompé(e)s = wij hebben ons vergist

Vous vous êtes trompé(e)s = jullie hebben je vergist

Ils se sont trompés = zij hebben zich vergist



Imparfait:

Je me trompais = ik vergiste mij

Tu te trompais = jij vergiste je

Il se trompait = hij vergiste zich

Nous nous trompions = wij vergisten ons

Vous vous trompez = jullie vergisten jullie

Ils se trompaient = zij vergisten zich



Impératif:

Ne te trompe pas! = Vergis je niet!

Ne nous trompons pas! = Laten wij ons niet vergissen!

Ne vous trompez pas! = vergis je niet! (mv)



Futur:

Je me tromperai = ik zal me vergissen

Tu te tromperas = jij zal je vergissen

Il se trompera = hij zal zich vergissen

Nous nous tromperons = wij zullen ons vergissen

Vous vous tromperez = jullie zullen je vergissen

Ils se tromperont = zij zullen zich vergissen



Conditionnel:

Je me tromperais = ik zou me vergissen

Tu te tromperais = jij zou je vergissen

Il se tromperait = hij zou zich vergissen

Nous nous tromperions = wij zouden ons vergissen

Vous vous tromperiez = jullie zouden je vergissen

Ils se tromperaient = zij zouden zich vergissen



2

Rendre
= teruggeven. (regelmatig)



Présent:

Je rends = ik geef terug

Tu rends = jij geeft terug

Il rend = hij geeft terug

Nous rendons = wij geven terug

Vous rendez = jullie geven terug

Ils rendent = zij geven terug



Passé composé:

J’ai rendu = ik heb teruggegeven

Tu as rendu = jij hebt teruggegeven

Il a rendu = hij heeft teruggegeven

Nous avons rendu = wij hebben teruggegeven

Vous avez rendu = jullie hebben teruggegeven

Ils ont rendu = zij hebben teruggegeven



Imparfait:

Je rendais = Ik gaf terug

Tu rendais = jij gaf terug

Il rendait = hij gaf terug

Nous rendions = wij gaven terug

Vous rendiez = jullie gaven terug

Ils rendaient = zij gaven terug



Impératif:

Rends! = Geef terug!

Rendons! = Laten wij teruggeven!

Rendez ! = Geef terug! (meervoud)



Futur:

Je rendrai = Ik zal teruggeven

Tu rendras = Jij zal teruggeven

Il rendra = Hij zal teruggeven

Nous rendrons = Wij zullen teruggeven

Vous rendrez = jullie zullen teruggeven

Ils rendront = Zij zullen teruggeven



Conditionnel:

Je rendrais = Ik zou teruggeven

Tu rendrais = Jij zou teruggeven

Il rendrait = Hij zou teruggeven

Nous rendrions = Wij zouden teruggeven

Vous rendriez = Jullie zouden teruggeven

Ils rendraient = Zij zouden teruggeven



3

Mettre
= zetten, leggen, aandoen. (regelmatig)



Présent:

Je mets = ik zet, leg, doe aan.

Tu mets = jij zet, legt, doet aan.

Il met = hij zet, legt, doet aan.

Nous mettons = wij zetten, leggen, doen aan.

Vous mettez = jullie zetten, leggen, doen aan.

Ils mettent = zij zetten, leggen, doe aan.



Passé composé:

J’ai mis = ik heb gezet, gelegd, aangedaan.

Tu as mis = jij hebt gezet, gelegd, aangedaan.

Il a mis = hij heeft gezet, gelegd, aangedaan.

Nous avons mis = wij hebben gezet, gelegd, aangedaan.

Vous avez mis = jullie hebben gezet, gelegd, aangedaan.

Ils ont mis = zij hebben gezet, gelegd, aangedaan.



Imparfait:

Je mettais = ik zette, legde, deed aan.

Tu mettais = jij zette, legde, deed aan.

Il mettait = hij zette, legde, deed aan.

Nous mettions = wij zetten, legden, deden aan.

Vous mettiez = jullie zetten, legden, deden aan.

Ils mettaient = zij zetten, legden, deden aan.



Impératif:

Mets! = Zet! Leg! Doe aan!

Mettons! = Laten wij zetten/leggen/aandoen!

Mettez! = Zet! leg! Doe aan! (tegen mv.)



Futur:

Je mettrai = Ik zal zetten, leggen, aandoen.

Tu mettras = jij zal zetten, leggen, aandoen.

Il mettra = hij zal zetten, leggen, aandoen.

Nous mettrons = wij zullen zetten, leggen, aandoen.

Vous mettrez = jullie zullen zetten, leggen, aandoen.

Ils mettront = zij zullen zetten, leggen, aandoen.



Conditionnel:

Je mettrais = ik zou zetten, leggen, aandoen.

Tu mettrais = jij zou zetten, leggen, aandoen.

Il mettrait = hij zou zetten, leggen, aandoen.

Nous mettrions = wij zouden zetten, leggen, aandoen.

Vous mettriez = jullie zouden zetten, leggen, aandoen.

Ils mettraient = zij zouden zetten, leggen, aandoen.



4

Attendre
= wachten. (regelmatig)



Présent:

J’attends = Ik wacht

Tu attends = jij wacht

Il attend = hij wacht

Nous attendons = wij wachten

Vous attendez = jullie wachten

Ils attendent = zij wachten



Passé composé:

J’ai attendu = ik heb gewacht

Tu as attendu = jij hebt gewacht

Il a attendu = hij heeft gewacht

Nous avons attendu = wij hebben gewacht

Vous avez attendu = jullie hebben gewacht

Ils ont attendu = zij hebben gewacht



Imparfait:

J’attendais = ik wachtte

Tu attendais = jij wachtte

Il attendait = hij wachtte

Nous attendions = wij wachtten

Vous attendiez = jullie wachtten

Ils attendaient = zij wachtten



Impératif:

Attends! = Wacht !

Attendons! = laten wij wachten !

Attendez! = Wacht ! (meervoud)



Futur:

J’attendrai = ik zal wachten

Tu attendras = jij zal wachten

Il attendra = hij zal wachten

Nous attendrons = wij zullen wachten

Vous attendrez = jullie zullen wachten

Ils attendront = zij zullen wachten



Conditionnel:

J’attendrais = ik zou wachten

Tu attendrais = jij zou wachten

Il attendrait = hij zou wachten

Nous attendrions = wij zouden wachten

Vous attendriez = jullie zouden wachten

Ils attendraient = zij zouden wachten



5

Jouer
= spelen. (regelmatig)



Présent:

Je joue = ik speel

Tu joues = jij speelt

Il joue = hij speelt

Nous jouons = wij spelen

Vous jouez = jullie spelen

Ils jouent = zij spelen



Passé composé:

J’ai joué = ik heb gespeeld

Tu as joué = jij hebt gespeeld

Il a joué = hij heeft gespeeld

Nous avons joué = wij hebben gespeeld

Vous avez joué = jullie hebben gespeeld

Ils ont joué = zij hebben gespeeld



Imparfait:

Je jouais = ik speelde

Tu jouais = jij speelde

Il jouait = hij speelde

Nous jouions = wij speelden

Vous jouiez = jullie speelden

Ils jouaient = zij speelden



Impératif:

Joue! = Speel !

Jouons! = Laten wij spelen !

Jouez ! = Speel ! (meervoud)



Futur:

Je jouerai = ik zal spelen

Tu joueras = jij zult spelen

Il jouera = hij zal spelen

Nous jouerons = wij zullen spelen

Vous jouerez = jullie zullen spelen

Ils joueront = zij zullen spelen



Conditionnel:

Je jouerais = ik zou spelen

Tu jouerais = jij zou spelen

Il jouerait = hij zou spelen

Nous jouerions = wij zouden spelen

Vous joueriez = jullie zouden spelen

Ils joueraient = zij zouden spelen



6

Être
= zijn. (onregelmatig)



Présent:

je suis = ik ben

tu es = jij bent

il est = hij is

nous sommes = wij zijn

vous êtes = jullie zijn

ils sont = zij zijn



Passé composé:

J’ai été = ik ben geweest

tu es été = jij bent geweest

il a été = hij is geweest

nous avons été = wij zijn geweest

vous avez été = jullie zijn geweest

ils ont été = zij zijn geweest



Imparfait:

J’étais = ik was

Tu étais = jij was

Il était = hij was

Nous étions = wij waren

Vous étiez = jullie waren

Ils étaient = zij waren



Impératif:

Sois! = Wees!

Soyons! = laten wij zijn!

Soyez! = Wees! (tegen mv.)



Futur:

Je serai = ik zal zijn

Tu seras = jij zult zijn

Il sera = hij zal zijn

Nous serons = wij zullen zijn

Vous serez = jullie zullen zijn

Ils seront = zij zullen zijn



Conditionnel:

Je serais = ik zou zijn

Tu serais = jij zou zijn

Il serait = hij zou zijn

Nous serions = wij zouden zijn

Vous seriez = jullie zouden zijn

Ils seraient = zij zouden zijn



7

Avoir
= hebben. (onregelmatig)



Présent:

J’ai = ik heb

Tu as = jij hebt

Il a = hij heeft

Nous avons = wij hebben

Vous avez = jullie hebben

Ils ont = zij hebben



Passé composé:

J’ai eu = ik heb gehad

Tu as eu = jij hebt gehad

Il a eu = hij heeft gehad

Nous avons eu = wij hebben gehad

Vous avez eu = jullie hebben gehad

Ils ont eu = zij hebben gehad



Imparfait:

J’avais = ik had

Tu avais = jij had

Il avait = hij had

Nous avions = wij hadden

Vous aviez = jullie hadden

Ils avaient = zij hadden



Impératif:

Aie! = Heb!

Ayons! = Laten wij hebben!

Ayez! = Heb! (tegen mv.)



Futur:

J’aurai = ik zal hebben

Tu auras = jij zult hebben

Il aura = hij zal hebben

Nous aurons = wij zullen hebben

Vous aurez = jullie zullen hebben

Ils auront = zij zullen hebben



Conditionnel:

J’aurais = ik zou hebben

Tu aurais = jij zou hebben

Il aurait = hij zou hebben

Nous aurions = wij zouden hebben

Vous auriez = jullie zouden hebben

Ils auraient = zij zouden hebben



8

Pouvoir
= kunnen, mogen.



Présent:

Je peux = ik kan, mag

Tu peux = jij kunt, mag

Il peut = hij kan, mag

Nous pouvons = wij kunnen, mogen

Vous pouvez = jullie kunnen, mogen

Ils peuvent = zij kunnen, mogen



Passé composé:

J’ai pu = ik heb gekund, gemogen

Tu as pu = jij hebt gekund, gemogen

Il a pu = hij heeft gekund, gemogen

Nous avons pu = wij hebben gekund, gemogen

Vous avez pu = jullie hebben gekund, gemogen

Ils ont pu = zij hebben gekund, gemogen



Imparfait:

Je pouvais = ik kon, mocht

Tu pouvais = jij kon, mocht

Il pouvait = hij kon, mocht

Nous pouvions = wij konden, mochten

Vous pouviez = jullie konden, mochten

Ils pouvaient = zij konden, mochten



Impératif:

Peux ! = Kan/mag !

Pouvons ! = Laten wij kunnen/mogen !

Pouvez ! = Kan/Mag ! (tegen mv.)



Futur:

Je pourrai = ik zal mogen, kunnen.

Tu pourras = jij zal mogen, kunnen.

Il pourra = hij zal mogen, kunnen.

Nous pourrons = wij zullen mogen, kunnen

Vous pourrez = jullie zullen mogen, kunnen

Ils pourrent = zij zullen mogen, kunnen.



Conditionnel:

Je pourrais = ik zou mogen, kunnen.

Tu pourrais = jij zou mogen, kunnen.

Il pourrait = hij zou mogen, kunnen.

Nous pourrions = wij zouden mogen, kunnen.

Vous pourriez = jullie zouden mogen, kunnen.

Ils pourraient = zij zouden mogen, kunnen.



9

Ecrire
= schrijven. (onregelmatig)



Présent:

J’écris = ik schrijf

Tu écris = jij schrijft

Il écrit = hij schrijft

Nous écrivons = wij schrijven

Vous écrivez = jullie schrijven

Ils écrivent = zij schrijven



Passé composé:

J’ai écrit = ik heb geschreven

Tu as écrit = jij hebt geschreven

Il a écrit = hij heeft geschreven

Nous avons écrit = wij hebben geschreven

Vous avez écrit = jullie hebben geschreven

Ils ont écrit = zij hebben geschreven



Imparfait:

J’écrivais = ik schreef

Tu écrivais = jij schreef

Il écrivait = hij schreef

Nous écrivions = wij schreven

Vous écriviez = jullie schreven

Ils écrivaient = zij schreven



Impératif:

Écris! = Schrijf!

Écrivons! = Laten wij schrijven!

Écrivez! = Schrijf! (tegen mv.)



Futur:

J’écrirai = ik zal schrijven

Tu écriras = jij zult schrijven

Il écrira = hij zal schrijven

Nous écrirons = wij zullen schrijven

Vous écrirez = jullie zullen schrijven

Ils écriront = zij zullen schrijven



Conditionnel:

J’écrirais = ik zou schrijven

Tu écrirais = jij zou schrijven

Il écrirait = hij zou schrijven

Nous écririons = wij zouden schrijven

Vous écririez = jullie zouden schrijven

Ils écriraient = zij zouden schrijven



10

Dire
= zeggen. (onregelmatig)



Présent:

Je dis = ik zeg

Tu dis = jij zegt

Il dit = hij zegt

Nous disons = wij zeggen

Vous dites = jullie zeggen

Ils disent = zij zeggen



Passé composé:

J’ai dit = ik heb gezegd

Tu as dit = jij hebt gezegd

Il a dit = hij heeft gezegd

Nous avons dit = wij hebben gezegd

Vous avez dit = jullie hebben gezegd

Ils ont dit = zij hebben gezegd



Imparfait:

Je disais = ik zei

Tu disais = jij zei

Il disait = hij zei

Nous disions = wij zeiden

Vous disiez = jullie zeiden

Ils disaient = zij zeiden



Impératif:

Dis! = Zeg!

Disons! = Laten wij zeggen!

Dites! = zeg! (tegen mv.)



Futur:

Je dirai = ik zal zeggen

Tu diras = jij zult zeggen

Il dira = hij zal zeggen

Nous dirons = wij zullen zeggen

Vous direz = jullie zullen zeggen

Ils diront = zij zullen zeggen



Conditionnel:

Je dirais = ik zou zeggen

Tu dirais = jij zou zeggen

Il dirait = hij zou zeggen

Nous dirions = wij zouden zeggen

Vous diriez = jullie zouden zeggen

Ils diraient = zij zouden zeggen



11

Boire
= drinken. (onregelmatig)



Présent:

Je bois = ik drink

Tu bois = jij drinkt

Il boit = hij drinkt

Nous buvons = wij drinken

Vous buvez = jullie drinken

Ils boivent = zij drinken



Passé composé:

J’ai bu = ik heb gedronken

Tu as bu = jij hebt gedronken

Il a bu = hij heeft gedronken

Nous avons bu = wij hebben gedronken

Vous avez bu = jullie hebben gedronken

Ils ont bu = zij hebben gedronken



Imparfait:

Je buvais = ik dronk

Tu buvais = jij dronk

Il buvait = hij dronk

Nous buvions = wij dronken

Vous buviez = jullie dronken

Ils buvaient = zij dronken



Impératif:

Bois! = Drink!

Buvons! = Laten wij drinken!

Buvez! = Drink! (tegen mv.)



Futur:

Je boirai = ik zal drinken

Tu boiras = jij zal drinken

Il boira = hij zal drinken

Nous boirons = wij zullen drinken

Vous boirez = jullie zullen drinken

Ils boiront = zij zullen drinken



Conditionnel:

Je boirais = ik zou drinken

Tu boirais = jij zou drinken

Il boirait = hij zou drinken

Nous boirions = wij zouden drinken

Vous boiriez = jullie zouden drinken

Ils boiraient = zij zouden drinken



12

Aller
= gaan. (onregelmatig)



Présent:

Je vais = ik ga

Tu vas = jij gaat

Il va = hij gaat

Nous allons = wij gaan

Vous allez = jullie gaan

Ils vont = zij gaan



Passé composé:

Je suis allé(e) = ik ben gegaan

Tu es allé(e) = jij bent gegaan

Il est allé = hij is gegaan

Nous sommes allé(e)s = wij zijn gegaan

Vous êtes allé(e)s = jullie zijn gegaan

Ils sont allés = zij zijn gegaan



Imparfait:

J’allais = ik ging

Tu allais = jij ging

Il allait = hij ging

Nous allions = wij gingen

Vous alliez = jullie gingen

Ils allaient = zij gingen



Impératif:

Va! = Ga!

Allons! = Laten wij gaan!

Allez! = Ga! (tegen mv.)



Futur:

J’irai = ik zal gaan

Tu iras = jij zal gaan

Il ira = hij zal gaan

Nous irons = wij zullen gaan

Vous irez = jullie zullen gaan

Ils iront = zij zullen gaan



Conditionnel:

J’irais = ik zou gaan

Tu irais = jij zou gaan

Il irait = hij zou gaan

Nous irions = wij zouden gaan

Vous iriez = jullie zouden gaan

Ils iraient = zij zouden gaan



13

Voir
= zien.



Présent:

Je vois = ik zie

Tu vois = jij ziet

Il voit = hij ziet

Nous voyons = wij zien

Vous voyez = jullie zien

Ils voient = zij zien



Passé composé:

J’ai vu = ik heb gezien

Tu as vu = jij hebt gezien

Il a vu = hij heeft gezien

Nous avons vu = wij hebben gezien

Vous avez vu = jullie hebben gezien

Ils ont vu = zij hebben gezien



Imparfait:

Je voyais = ik zag

Tu voyais = jij zag

Il voyait = hij zag

Nous voyions = wij zagen

Vous voyiez = jullie zagen

Ils voyaient = zij zagen



Impératif:

Vois ! = Zie !

Voyons ! = Laten wij zien !

Voyez ! = Zie ! (tegen mv.)



Futur:

Je verrai = ik zal zien

Tu verras = jij zult zien

Il verra = hij zal zien

Nous verrons = wij zullen zien

Vous verrez = jullie zullen zien

Ils verrent = zij zullen zien



14

Faire
= maken. (onregelmatig)



Présent:

Je fais = ik maak

Tu fais = jij maakt

Il fait = hij maakt

Nous faisons = wij maken

Vous faites = jullie maken

Ils font = zij maken



Passé composé:

J’ai fait = ik heb gemaakt

Tu as fait = jij hebt gemaakt

Il a fait = hij heeft gemaakt

Nous avons fait = wij hebben gemaakt

Vous avez fait = jullie hebben gemaakt

Ils ont fait = zij hebben gemaakt



Imparfait:

Je faisais = ik maakte

Tu faisais = jij maakte

Il faisait = hij maakte

Nous faisions = wij maakten

Vous faisiez = jullie maakten

Ils faisaient = zij maakten



Impératif:

Fais! = maak!

Faisons! = Laten wij maken!

Faites! = maak! (tegen mv.)



Futur:

Je ferai = ik zal maken

Tu feras = jij zult maken

Il fera = hij zal maken

Nous ferons = wij zullen maken

Vous ferez = jullie zullen maken

Ils feront = zij zullen maken



Conditionnel:

Je ferais = ik zou maken

Tu ferais = jij zou maken

Il ferait = hij zou maken

Nous faisions = wij zouden maken

Vous faisiez = jullie zouden maken

Ils feraient = zij zouden maken



15

Prendre
= nemen.



Présent:

Je prends = ik neem

Tu prends = jij neemt

Il prend = hij neemt

Nous prenons = wij nemen

Vous prenez = jullie nemen

Ils prennent = zij nemen



Passé composé:

J’ai pris = ik heb genomen

Tu as pris = jij hebt genomen

Il a pris = hij heeft genomen

Nous avons pris = wij hebben genomen

Vous avez pris = jullie hebben genomen

Ils ont pris = zij hebben genomen



Imparfait:

Je prenais = ik nam

Tu prenais = jij nam

Il prenait = hij nam

Nous prenions = wij namen

Vous preniez = jullie namen

Ils prenaient = zij namen



Impératif:

Prends ! = neem !

Prenons ! = Laten wij nemen !

Prenez ! = neem ! (tegen mv.)



Futur:

Je prendrai = ik zal nemen

Tu prendras = jij zult nemen

Il prendra = hij zal nemen

Nous prendrons = wij zullen nemen

Vous prendrez = jullie zullen nemen

Ils prendrent = zij zullen nemen



Conditionnel:

Je prendrais = ik zou nemen

Tu prendrais = jij zou nemen

Il prendrait = hij zou nemen

Nous prendrions = wij zouden nemen

Vous prendriez = jullie zouden nemen

Ils prendaient = zij zouden nemen



16

Connaître
= kennen. (onregelmatig)



Présent:

Je connais = ik ken

Tu connais = jij kent

Il connaît = hij kent

Nous connaissons = wij kennen

Vous connaissez = jullie kennen

Ils connaissent = zij kennen



Passé composé:

J’ai connu = ik heb gekend

Tu as connu = jij hebt gekend

Il a connu = hij heeft gekend

Nous avons connu = wij hebben gekend

Vous avez connu = jullie hebben gekend

Ils ont connu = zij hebben gekend



Imparfait:

Je connaissais = ik kende

Tu connaissais = jij kende

Il connaissait = hij kende

Nous connaissions = wij kenden

Vous connaissiez = jullie kenden

Ils connaissaient = zij kenden



Impératif:

Connais! = Ken!

Connaissons! = Laten wij kennen!

Connaissez! = Ken! (tegen mv.)



Futur:

Je connaîtrai = ik zal kennen

Tu connaîtras = jij zult kennen

Il connaîtra = hij zal kennen

Nous connaîtrons = wij zullen kennen

Vous connaîtrez = jullie zullen kennen

Ils connaîtront = zij zullen kennen



Conditionnel:

Je connaîtrais = ik zou kennen

Tu connaîtrais = jij zou kennen

Il connaîtrait = hij zou kennen

Nous connaîtrions = wij zouden kennen

Vous connaîtriez = jullie zouden kennen

Ils connaîtraient = zij zouden kennen



17

Venir
= komen.



Présent:

Je viens = ik kom

Tu viens = jij komt

Il vient = hij komt

Nous venons = wij komen

Vous venez = jullie komen

Ils vennent = zij komen



Passé composé:

Je suis venu(e) = ik ben gekomen

Tu es venu(e) = jij bent gekomen

Il est venu = hij is gekomen

Nous sommes venu(e)s = wij zijn gekomen

Vous êtes venu(e)(s) = jullie zijn gekomen

Ils sont venus = zij zijn gekomen



Imparfait:

Je venais = ik kwam

Tu venais = jij kwam

Il venait = hij kwam

Nous venions = wij kwamen

Vous veniez = jullie kwamen

Ils venaient = zij kwamen



Impératif:

Viens! = kom!

Venons! = laten wij komen!

Venez! = kom! (tegen mv.)



Futur:

Je viendrai = ik zal komen

Tu viendras = jij zult komen

Il viendra = hij zal komen

Nous viendrons = wij zullen komen

Vous viendrez = jullie zullen komen

Ils viendrent = zij zullen komen



Conditionnel:

Je viendrais = ik zou komen

Tu viendrais = jij zou komen

Il viendrait = hij zou komen

Nous viendrions = wij zouden komen

Vous viendriez = jullie zouden komen

Ils viendraient = zij zouden komen



18

Lire
= lezen. (onregelmatig)



Présent:

Je lis = ik lees

Tu lis = jij leest

Il lit = hij leest

Nous lisons = wij lezen

Vous lisez = jullie lezen

Ils lisent = zij lezen



Passé composé:

J’ai lu = ik heb gelezen

Tu as lu = jij hebt gelezen

Il a lu = hij heeft gelezen

Nous avons lu = wij hebben gelezen

Vous avez lu = jullie hebben gelezen

Ils ont lu = zij hebben gelezen



Imparfait:

Je lisais = ik las

Tu lisais = jij las

Il lisait = hij las

Nous lisions = wij lazen

Vous lisiez = jullie lazen

Ils lisaient = zij lazen



Impératif:

Lis! = Lees!

Lisons! = Laten wij lezen!

Lisez! = Lees! (tegen mv.)



Futur:

Je lirai = ik zal lezen

Tu liras = jij zult lezen

Il lira = hij zal lezen

Nous lirons = wij zullen lezen

Vous lirez = jullie zullen lezen

Ils liront = zij zullen lezen



Conditionnel:

Je lirais = ik zou lezen

Tu lirais = jij zou lezen

Il lirait = hij zou lezen

Nous lirions = wij zouden lezen

Vous liriez = jullie zouden lezen

Ils liraient = zij zouden lezen

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

E.

E.

Betreft : Franse Werkwoorden
17
Venir = komen.
Présent:
Ils vennent = zij komen
MOET zijn : ils viennent
Met vriendelijke groeten
Eddy Engels

11 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

T.

T.

Super handig! Ik ben je echt heel erg dankbaar !

10 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

Faire = Doen / Maken

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast