ADVERTENTIE
Is jouw geschiedenisleraar de allerbeste?

Geef hem of haar dan op voor de titel Geschiedenisleraar van het jaar van het Rijksmuseum. De deadline voor aanmeldingen is 31 maart 2020.

Geef je leraar op!

Regelmatig:

2 Se tromper = zich vergissen.

3 Rendre = teruggeven.

4 Mettre = zetten, leggen, aandoen.

5 Attendre = wachten.

6 Jouer = spelen.



Onregelmatig:

7 Être = zijn.

8 Avoir = hebben.

9 Pouvoir = kunnen, mogen.

10 Ecrire = schrijven.

11 Dire = zeggen.

12 Boire = drinken.

13 Aller = gaan.

14 Voir = zien.

15 Faire = maken.



16 prendre = nemen.

17 Connaître = kennen.

18 Venir = komen.

19 Lire = lezen.



1

Se tromper
= zich vergissen. (regelmatig; wederkerend.)



Présent:

Je me trompe = ik vergis me

Tu te trompes = jij vergist je

Il se trompe = hij vergist zich

Nous nous trompons = wij vergissen ons

Vous vous trompez = jullie vergissen jullie

Ils se trompent = zij vergissen zich



Passé composé :

Je me suis trompé(e) = ik heb me vergist

Tu t’es trompé(e) = jij hebt je vergist

Il s’est trompé = hij heeft zich vergist

Nous nous sommes trompé(e)s = wij hebben ons vergist

Vous vous êtes trompé(e)s = jullie hebben je vergist

Ils se sont trompés = zij hebben zich vergist



Imparfait:

Je me trompais = ik vergiste mij

Tu te trompais = jij vergiste je

Il se trompait = hij vergiste zich

Nous nous trompions = wij vergisten ons

Vous vous trompez = jullie vergisten jullie

Ils se trompaient = zij vergisten zich



Impératif:

Ne te trompe pas! = Vergis je niet!

Ne nous trompons pas! = Laten wij ons niet vergissen!

Ne vous trompez pas! = vergis je niet! (mv)



Futur:

Je me tromperai = ik zal me vergissen

Tu te tromperas = jij zal je vergissen

Il se trompera = hij zal zich vergissen

Nous nous tromperons = wij zullen ons vergissen

Vous vous tromperez = jullie zullen je vergissen

Ils se tromperont = zij zullen zich vergissen



Conditionnel:

Je me tromperais = ik zou me vergissen

Tu te tromperais = jij zou je vergissen

Il se tromperait = hij zou zich vergissen

Nous nous tromperions = wij zouden ons vergissen

Vous vous tromperiez = jullie zouden je vergissen

Ils se tromperaient = zij zouden zich vergissen



2

Rendre
= teruggeven. (regelmatig)



Présent:

Je rends = ik geef terug

Tu rends = jij geeft terug

Il rend = hij geeft terug

Nous rendons = wij geven terug

Vous rendez = jullie geven terug

Ils rendent = zij geven terug



Passé composé:

J’ai rendu = ik heb teruggegeven

Tu as rendu = jij hebt teruggegeven

Il a rendu = hij heeft teruggegeven

Nous avons rendu = wij hebben teruggegeven

Vous avez rendu = jullie hebben teruggegeven

Ils ont rendu = zij hebben teruggegeven



Imparfait:

Je rendais = Ik gaf terug

Tu rendais = jij gaf terug

Il rendait = hij gaf terug

Nous rendions = wij gaven terug

Vous rendiez = jullie gaven terug

Ils rendaient = zij gaven terug



Impératif:

Rends! = Geef terug!

Rendons! = Laten wij teruggeven!

Rendez ! = Geef terug! (meervoud)



Futur:

Je rendrai = Ik zal teruggeven

Tu rendras = Jij zal teruggeven

Il rendra = Hij zal teruggeven

Nous rendrons = Wij zullen teruggeven

Vous rendrez = jullie zullen teruggeven

Ils rendront = Zij zullen teruggeven



Conditionnel:

Je rendrais = Ik zou teruggeven

Tu rendrais = Jij zou teruggeven

Il rendrait = Hij zou teruggeven

Nous rendrions = Wij zouden teruggeven

Vous rendriez = Jullie zouden teruggeven

Ils rendraient = Zij zouden teruggeven



3

Mettre
= zetten, leggen, aandoen. (regelmatig)



Présent:

Je mets = ik zet, leg, doe aan.

Tu mets = jij zet, legt, doet aan.

Il met = hij zet, legt, doet aan.

Nous mettons = wij zetten, leggen, doen aan.

Vous mettez = jullie zetten, leggen, doen aan.

Ils mettent = zij zetten, leggen, doe aan.



Passé composé:

J’ai mis = ik heb gezet, gelegd, aangedaan.

Tu as mis = jij hebt gezet, gelegd, aangedaan.

Il a mis = hij heeft gezet, gelegd, aangedaan.

Nous avons mis = wij hebben gezet, gelegd, aangedaan.

Vous avez mis = jullie hebben gezet, gelegd, aangedaan.

Ils ont mis = zij hebben gezet, gelegd, aangedaan.



Imparfait:

Je mettais = ik zette, legde, deed aan.

Tu mettais = jij zette, legde, deed aan.

Il mettait = hij zette, legde, deed aan.

Nous mettions = wij zetten, legden, deden aan.

Vous mettiez = jullie zetten, legden, deden aan.

Ils mettaient = zij zetten, legden, deden aan.



Impératif:

Mets! = Zet! Leg! Doe aan!

Mettons! = Laten wij zetten/leggen/aandoen!

Mettez! = Zet! leg! Doe aan! (tegen mv.)



Futur:

Je mettrai = Ik zal zetten, leggen, aandoen.

Tu mettras = jij zal zetten, leggen, aandoen.

Il mettra = hij zal zetten, leggen, aandoen.

Nous mettrons = wij zullen zetten, leggen, aandoen.

Vous mettrez = jullie zullen zetten, leggen, aandoen.

Ils mettront = zij zullen zetten, leggen, aandoen.



Conditionnel:

Je mettrais = ik zou zetten, leggen, aandoen.

Tu mettrais = jij zou zetten, leggen, aandoen.

Il mettrait = hij zou zetten, leggen, aandoen.

Nous mettrions = wij zouden zetten, leggen, aandoen.

Vous mettriez = jullie zouden zetten, leggen, aandoen.

Ils mettraient = zij zouden zetten, leggen, aandoen.



4

Attendre
= wachten. (regelmatig)



Présent:

J’attends = Ik wacht

Tu attends = jij wacht

Il attend = hij wacht

Nous attendons = wij wachten

Vous attendez = jullie wachten

Ils attendent = zij wachten



Passé composé:

J’ai attendu = ik heb gewacht

Tu as attendu = jij hebt gewacht

Il a attendu = hij heeft gewacht

Nous avons attendu = wij hebben gewacht

Vous avez attendu = jullie hebben gewacht

Ils ont attendu = zij hebben gewacht



Imparfait:

J’attendais = ik wachtte

Tu attendais = jij wachtte

Il attendait = hij wachtte

Nous attendions = wij wachtten

Vous attendiez = jullie wachtten

Ils attendaient = zij wachtten



Impératif:

Attends! = Wacht !

Attendons! = laten wij wachten !

Attendez! = Wacht ! (meervoud)



Futur:

J’attendrai = ik zal wachten

Tu attendras = jij zal wachten

Il attendra = hij zal wachten

Nous attendrons = wij zullen wachten

Vous attendrez = jullie zullen wachten

Ils attendront = zij zullen wachten



Conditionnel:

J’attendrais = ik zou wachten

Tu attendrais = jij zou wachten

Il attendrait = hij zou wachten

Nous attendrions = wij zouden wachten

Vous attendriez = jullie zouden wachten

Ils attendraient = zij zouden wachten



5

Jouer
= spelen. (regelmatig)



Présent:

Je joue = ik speel

Tu joues = jij speelt

Il joue = hij speelt

Nous jouons = wij spelen

Vous jouez = jullie spelen

Ils jouent = zij spelen



Passé composé:

J’ai joué = ik heb gespeeld

Tu as joué = jij hebt gespeeld

Il a joué = hij heeft gespeeld

Nous avons joué = wij hebben gespeeld

Vous avez joué = jullie hebben gespeeld

Ils ont joué = zij hebben gespeeld



Imparfait:

Je jouais = ik speelde

Tu jouais = jij speelde

Il jouait = hij speelde

Nous jouions = wij speelden

Vous jouiez = jullie speelden

Ils jouaient = zij speelden



Impératif:

Joue! = Speel !

Jouons! = Laten wij spelen !

Jouez ! = Speel ! (meervoud)



Futur:

Je jouerai = ik zal spelen

Tu joueras = jij zult spelen

Il jouera = hij zal spelen

Nous jouerons = wij zullen spelen

Vous jouerez = jullie zullen spelen

Ils joueront = zij zullen spelen



Conditionnel:

Je jouerais = ik zou spelen

Tu jouerais = jij zou spelen

Il jouerait = hij zou spelen

Nous jouerions = wij zouden spelen

Vous joueriez = jullie zouden spelen

Ils joueraient = zij zouden spelen



6

Être
= zijn. (onregelmatig)



Présent:

je suis = ik ben

tu es = jij bent

il est = hij is

nous sommes = wij zijn

vous êtes = jullie zijn

ils sont = zij zijn



Passé composé:

J’ai été = ik ben geweest

tu es été = jij bent geweest

il a été = hij is geweest

nous avons été = wij zijn geweest

vous avez été = jullie zijn geweest

ils ont été = zij zijn geweest



Imparfait:

J’étais = ik was

Tu étais = jij was

Il était = hij was

Nous étions = wij waren

Vous étiez = jullie waren

Ils étaient = zij waren



Impératif:

Sois! = Wees!

Soyons! = laten wij zijn!

Soyez! = Wees! (tegen mv.)



Futur:

Je serai = ik zal zijn

Tu seras = jij zult zijn

Il sera = hij zal zijn

Nous serons = wij zullen zijn

Vous serez = jullie zullen zijn

Ils seront = zij zullen zijn



Conditionnel:

Je serais = ik zou zijn

Tu serais = jij zou zijn

Il serait = hij zou zijn

Nous serions = wij zouden zijn

Vous seriez = jullie zouden zijn

Ils seraient = zij zouden zijn



7

Avoir
= hebben. (onregelmatig)



Présent:

J’ai = ik heb

Tu as = jij hebt

Il a = hij heeft

Nous avons = wij hebben

Vous avez = jullie hebben

Ils ont = zij hebben



Passé composé:

J’ai eu = ik heb gehad

Tu as eu = jij hebt gehad

Il a eu = hij heeft gehad

Nous avons eu = wij hebben gehad

Vous avez eu = jullie hebben gehad

Ils ont eu = zij hebben gehad



Imparfait:

J’avais = ik had

Tu avais = jij had

Il avait = hij had

Nous avions = wij hadden

Vous aviez = jullie hadden

Ils avaient = zij hadden



Impératif:

Aie! = Heb!

Ayons! = Laten wij hebben!

Ayez! = Heb! (tegen mv.)



Futur:

J’aurai = ik zal hebben

Tu auras = jij zult hebben

Il aura = hij zal hebben

Nous aurons = wij zullen hebben

Vous aurez = jullie zullen hebben

Ils auront = zij zullen hebben



Conditionnel:

J’aurais = ik zou hebben

Tu aurais = jij zou hebben

Il aurait = hij zou hebben

Nous aurions = wij zouden hebben

Vous auriez = jullie zouden hebben

Ils auraient = zij zouden hebben



8

Pouvoir
= kunnen, mogen.



Présent:

Je peux = ik kan, mag

Tu peux = jij kunt, mag

Il peut = hij kan, mag

Nous pouvons = wij kunnen, mogen

Vous pouvez = jullie kunnen, mogen

Ils peuvent = zij kunnen, mogen



Passé composé:

J’ai pu = ik heb gekund, gemogen

Tu as pu = jij hebt gekund, gemogen

Il a pu = hij heeft gekund, gemogen

Nous avons pu = wij hebben gekund, gemogen

Vous avez pu = jullie hebben gekund, gemogen

Ils ont pu = zij hebben gekund, gemogen



Imparfait:

Je pouvais = ik kon, mocht

Tu pouvais = jij kon, mocht

Il pouvait = hij kon, mocht

Nous pouvions = wij konden, mochten

Vous pouviez = jullie konden, mochten

Ils pouvaient = zij konden, mochten



Impératif:

Peux ! = Kan/mag !

Pouvons ! = Laten wij kunnen/mogen !

Pouvez ! = Kan/Mag ! (tegen mv.)



Futur:

Je pourrai = ik zal mogen, kunnen.

Tu pourras = jij zal mogen, kunnen.

Il pourra = hij zal mogen, kunnen.

Nous pourrons = wij zullen mogen, kunnen

Vous pourrez = jullie zullen mogen, kunnen

Ils pourrent = zij zullen mogen, kunnen.



Conditionnel:

Je pourrais = ik zou mogen, kunnen.

Tu pourrais = jij zou mogen, kunnen.

Il pourrait = hij zou mogen, kunnen.

Nous pourrions = wij zouden mogen, kunnen.

Vous pourriez = jullie zouden mogen, kunnen.

Ils pourraient = zij zouden mogen, kunnen.



9

Ecrire
= schrijven. (onregelmatig)



Présent:

J’écris = ik schrijf

Tu écris = jij schrijft

Il écrit = hij schrijft

Nous écrivons = wij schrijven

Vous écrivez = jullie schrijven

Ils écrivent = zij schrijven



Passé composé:

J’ai écrit = ik heb geschreven

Tu as écrit = jij hebt geschreven

Il a écrit = hij heeft geschreven

Nous avons écrit = wij hebben geschreven

Vous avez écrit = jullie hebben geschreven

Ils ont écrit = zij hebben geschreven



Imparfait:

J’écrivais = ik schreef

Tu écrivais = jij schreef

Il écrivait = hij schreef

Nous écrivions = wij schreven

Vous écriviez = jullie schreven

Ils écrivaient = zij schreven



Impératif:

Écris! = Schrijf!

Écrivons! = Laten wij schrijven!

Écrivez! = Schrijf! (tegen mv.)



Futur:

J’écrirai = ik zal schrijven

Tu écriras = jij zult schrijven

Il écrira = hij zal schrijven

Nous écrirons = wij zullen schrijven

Vous écrirez = jullie zullen schrijven

Ils écriront = zij zullen schrijven



Conditionnel:

J’écrirais = ik zou schrijven

Tu écrirais = jij zou schrijven

Il écrirait = hij zou schrijven

Nous écririons = wij zouden schrijven

Vous écririez = jullie zouden schrijven

Ils écriraient = zij zouden schrijven



10

Dire
= zeggen. (onregelmatig)



Présent:

Je dis = ik zeg

Tu dis = jij zegt

Il dit = hij zegt

Nous disons = wij zeggen

Vous dites = jullie zeggen

Ils disent = zij zeggen



Passé composé:

J’ai dit = ik heb gezegd

Tu as dit = jij hebt gezegd

Il a dit = hij heeft gezegd

Nous avons dit = wij hebben gezegd

Vous avez dit = jullie hebben gezegd

Ils ont dit = zij hebben gezegd



Imparfait:

Je disais = ik zei

Tu disais = jij zei

Il disait = hij zei

Nous disions = wij zeiden

Vous disiez = jullie zeiden

Ils disaient = zij zeiden



Impératif:

Dis! = Zeg!

Disons! = Laten wij zeggen!

Dites! = zeg! (tegen mv.)



Futur:

Je dirai = ik zal zeggen

Tu diras = jij zult zeggen

Il dira = hij zal zeggen

Nous dirons = wij zullen zeggen

Vous direz = jullie zullen zeggen

Ils diront = zij zullen zeggen



Conditionnel:

Je dirais = ik zou zeggen

Tu dirais = jij zou zeggen

Il dirait = hij zou zeggen

Nous dirions = wij zouden zeggen

Vous diriez = jullie zouden zeggen

Ils diraient = zij zouden zeggen



11

Boire
= drinken. (onregelmatig)



Présent:

Je bois = ik drink

Tu bois = jij drinkt

Il boit = hij drinkt

Nous buvons = wij drinken

Vous buvez = jullie drinken

Ils boivent = zij drinken



Passé composé:

J’ai bu = ik heb gedronken

Tu as bu = jij hebt gedronken

Il a bu = hij heeft gedronken

Nous avons bu = wij hebben gedronken

Vous avez bu = jullie hebben gedronken

Ils ont bu = zij hebben gedronken



Imparfait:

Je buvais = ik dronk

Tu buvais = jij dronk

Il buvait = hij dronk

Nous buvions = wij dronken

Vous buviez = jullie dronken

Ils buvaient = zij dronken



Impératif:

Bois! = Drink!

Buvons! = Laten wij drinken!

Buvez! = Drink! (tegen mv.)



Futur:

Je boirai = ik zal drinken

Tu boiras = jij zal drinken

Il boira = hij zal drinken

Nous boirons = wij zullen drinken

Vous boirez = jullie zullen drinken

Ils boiront = zij zullen drinken



Conditionnel:

Je boirais = ik zou drinken

Tu boirais = jij zou drinken

Il boirait = hij zou drinken

Nous boirions = wij zouden drinken

Vous boiriez = jullie zouden drinken

Ils boiraient = zij zouden drinken



12

Aller
= gaan. (onregelmatig)



Présent:

Je vais = ik ga

Tu vas = jij gaat

Il va = hij gaat

Nous allons = wij gaan

Vous allez = jullie gaan

Ils vont = zij gaan



Passé composé:

Je suis allé(e) = ik ben gegaan

Tu es allé(e) = jij bent gegaan

Il est allé = hij is gegaan

Nous sommes allé(e)s = wij zijn gegaan

Vous êtes allé(e)s = jullie zijn gegaan

Ils sont allés = zij zijn gegaan



Imparfait:

J’allais = ik ging

Tu allais = jij ging

Il allait = hij ging

Nous allions = wij gingen

Vous alliez = jullie gingen

Ils allaient = zij gingen



Impératif:

Va! = Ga!

Allons! = Laten wij gaan!

Allez! = Ga! (tegen mv.)



Futur:

J’irai = ik zal gaan

Tu iras = jij zal gaan

Il ira = hij zal gaan

Nous irons = wij zullen gaan

Vous irez = jullie zullen gaan

Ils iront = zij zullen gaan



Conditionnel:

J’irais = ik zou gaan

Tu irais = jij zou gaan

Il irait = hij zou gaan

Nous irions = wij zouden gaan

Vous iriez = jullie zouden gaan

Ils iraient = zij zouden gaan



13

Voir
= zien.



Présent:

Je vois = ik zie

Tu vois = jij ziet

Il voit = hij ziet

Nous voyons = wij zien

Vous voyez = jullie zien

Ils voient = zij zien



Passé composé:

J’ai vu = ik heb gezien

Tu as vu = jij hebt gezien

Il a vu = hij heeft gezien

Nous avons vu = wij hebben gezien

Vous avez vu = jullie hebben gezien

Ils ont vu = zij hebben gezien



Imparfait:

Je voyais = ik zag

Tu voyais = jij zag

Il voyait = hij zag

Nous voyions = wij zagen

Vous voyiez = jullie zagen

Ils voyaient = zij zagen



Impératif:

Vois ! = Zie !

Voyons ! = Laten wij zien !

Voyez ! = Zie ! (tegen mv.)



Futur:

Je verrai = ik zal zien

Tu verras = jij zult zien

Il verra = hij zal zien

Nous verrons = wij zullen zien

Vous verrez = jullie zullen zien

Ils verrent = zij zullen zien



14

Faire
= maken. (onregelmatig)



Présent:

Je fais = ik maak

Tu fais = jij maakt

Il fait = hij maakt

Nous faisons = wij maken

Vous faites = jullie maken

Ils font = zij maken



Passé composé:

J’ai fait = ik heb gemaakt

Tu as fait = jij hebt gemaakt

Il a fait = hij heeft gemaakt

Nous avons fait = wij hebben gemaakt

Vous avez fait = jullie hebben gemaakt

Ils ont fait = zij hebben gemaakt



Imparfait:

Je faisais = ik maakte

Tu faisais = jij maakte

Il faisait = hij maakte

Nous faisions = wij maakten

Vous faisiez = jullie maakten

Ils faisaient = zij maakten



Impératif:

Fais! = maak!

Faisons! = Laten wij maken!

Faites! = maak! (tegen mv.)



Futur:

Je ferai = ik zal maken

Tu feras = jij zult maken

Il fera = hij zal maken

Nous ferons = wij zullen maken

Vous ferez = jullie zullen maken

Ils feront = zij zullen maken



Conditionnel:

Je ferais = ik zou maken

Tu ferais = jij zou maken

Il ferait = hij zou maken

Nous faisions = wij zouden maken

Vous faisiez = jullie zouden maken

Ils feraient = zij zouden maken



15

Prendre
= nemen.



Présent:

Je prends = ik neem

Tu prends = jij neemt

Il prend = hij neemt

Nous prenons = wij nemen

Vous prenez = jullie nemen

Ils prennent = zij nemen



Passé composé:

J’ai pris = ik heb genomen

Tu as pris = jij hebt genomen

Il a pris = hij heeft genomen

Nous avons pris = wij hebben genomen

Vous avez pris = jullie hebben genomen

Ils ont pris = zij hebben genomen



Imparfait:

Je prenais = ik nam

Tu prenais = jij nam

Il prenait = hij nam

Nous prenions = wij namen

Vous preniez = jullie namen

Ils prenaient = zij namen



Impératif:

Prends ! = neem !

Prenons ! = Laten wij nemen !

Prenez ! = neem ! (tegen mv.)



Futur:

Je prendrai = ik zal nemen

Tu prendras = jij zult nemen

Il prendra = hij zal nemen

Nous prendrons = wij zullen nemen

Vous prendrez = jullie zullen nemen

Ils prendrent = zij zullen nemen



Conditionnel:

Je prendrais = ik zou nemen

Tu prendrais = jij zou nemen

Il prendrait = hij zou nemen

Nous prendrions = wij zouden nemen

Vous prendriez = jullie zouden nemen

Ils prendaient = zij zouden nemen



16

Connaître
= kennen. (onregelmatig)



Présent:

Je connais = ik ken

Tu connais = jij kent

Il connaît = hij kent

Nous connaissons = wij kennen

Vous connaissez = jullie kennen

Ils connaissent = zij kennen



Passé composé:

J’ai connu = ik heb gekend

Tu as connu = jij hebt gekend

Il a connu = hij heeft gekend

Nous avons connu = wij hebben gekend

Vous avez connu = jullie hebben gekend

Ils ont connu = zij hebben gekend



Imparfait:

Je connaissais = ik kende

Tu connaissais = jij kende

Il connaissait = hij kende

Nous connaissions = wij kenden

Vous connaissiez = jullie kenden

Ils connaissaient = zij kenden



Impératif:

Connais! = Ken!

Connaissons! = Laten wij kennen!

Connaissez! = Ken! (tegen mv.)



Futur:

Je connaîtrai = ik zal kennen

Tu connaîtras = jij zult kennen

Il connaîtra = hij zal kennen

Nous connaîtrons = wij zullen kennen

Vous connaîtrez = jullie zullen kennen

Ils connaîtront = zij zullen kennen



Conditionnel:

Je connaîtrais = ik zou kennen

Tu connaîtrais = jij zou kennen

Il connaîtrait = hij zou kennen

Nous connaîtrions = wij zouden kennen

Vous connaîtriez = jullie zouden kennen

Ils connaîtraient = zij zouden kennen



17

Venir
= komen.



Présent:

Je viens = ik kom

Tu viens = jij komt

Il vient = hij komt

Nous venons = wij komen

Vous venez = jullie komen

Ils vennent = zij komen



Passé composé:

Je suis venu(e) = ik ben gekomen

Tu es venu(e) = jij bent gekomen

Il est venu = hij is gekomen

Nous sommes venu(e)s = wij zijn gekomen

Vous êtes venu(e)(s) = jullie zijn gekomen

Ils sont venus = zij zijn gekomen



Imparfait:

Je venais = ik kwam

Tu venais = jij kwam

Il venait = hij kwam

Nous venions = wij kwamen

Vous veniez = jullie kwamen

Ils venaient = zij kwamen



Impératif:

Viens! = kom!

Venons! = laten wij komen!

Venez! = kom! (tegen mv.)



Futur:

Je viendrai = ik zal komen

Tu viendras = jij zult komen

Il viendra = hij zal komen

Nous viendrons = wij zullen komen

Vous viendrez = jullie zullen komen

Ils viendrent = zij zullen komen



Conditionnel:

Je viendrais = ik zou komen

Tu viendrais = jij zou komen

Il viendrait = hij zou komen

Nous viendrions = wij zouden komen

Vous viendriez = jullie zouden komen

Ils viendraient = zij zouden komen



18

Lire
= lezen. (onregelmatig)



Présent:

Je lis = ik lees

Tu lis = jij leest

Il lit = hij leest

Nous lisons = wij lezen

Vous lisez = jullie lezen

Ils lisent = zij lezen



Passé composé:

J’ai lu = ik heb gelezen

Tu as lu = jij hebt gelezen

Il a lu = hij heeft gelezen

Nous avons lu = wij hebben gelezen

Vous avez lu = jullie hebben gelezen

Ils ont lu = zij hebben gelezen



Imparfait:

Je lisais = ik las

Tu lisais = jij las

Il lisait = hij las

Nous lisions = wij lazen

Vous lisiez = jullie lazen

Ils lisaient = zij lazen



Impératif:

Lis! = Lees!

Lisons! = Laten wij lezen!

Lisez! = Lees! (tegen mv.)



Futur:

Je lirai = ik zal lezen

Tu liras = jij zult lezen

Il lira = hij zal lezen

Nous lirons = wij zullen lezen

Vous lirez = jullie zullen lezen

Ils liront = zij zullen lezen



Conditionnel:

Je lirais = ik zou lezen

Tu lirais = jij zou lezen

Il lirait = hij zou lezen

Nous lirions = wij zouden lezen

Vous liriez = jullie zouden lezen

Ils liraient = zij zouden lezen

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

E.

E.

Betreft : Franse Werkwoorden
17
Venir = komen.
Présent:
Ils vennent = zij komen
MOET zijn : ils viennent
Met vriendelijke groeten
Eddy Engels

11 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

T.

T.

Super handig! Ik ben je echt heel erg dankbaar !

11 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

Faire = Doen / Maken

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast