Hoofdzaken Filosofen

Beoordeling 7.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 6264 woorden
  • 23 juli 2014
  • 6 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.1
  • 6 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

Heidegger



Heidegger houdt zich bezig met hermeneutiek, de kunst van de interpretatie en de uitleg.



Iets verstaan: Je verhouden tot de mogelijkheden. Uitleg: Het ontwerp van mogelijkheden.



Heidegger zegt dat je iets als ‘iets’ verstaat door de voorstructuur. Dit is de manier waarop je kijkt naar dingen, de ‘zin’ waarin ze worden opgevat. De voorstructuur bestaat volgens Heidegger uit 3 elementen:




  • Voorhebben: Hoe je iets voor je hebt, wat je er mee van plan bent. Bijvoorbeeld een boek lezen op een strand. Je hebt een sigaar in je hand en een biertje erbij, je ligt in de zon, je hebt een boek dan anders voor je dan wanneer je in de bibliotheek zit te studeren

  • Voorzicht: Beoordelen vanuit het voorhebben. Je kent al een aspect, namelijk het boek. Het zicht waarmee je het leest is anders, ontspanning vs. studie halen.

  • Voorbegrip: Gaat samen met voorhebben en voorzicht. De taal die je gebruikt bij om uit te leggen wat je aan het doen bent. Wanneer je het boek dat je op het strand hebt gelezen beschrijft zal je andere woorden gebruiken dan wanneer je het boek beschrijft wat je het bestudeerd voor je opleiding.



Gadamer



Deze voorstructuur brengt ons in een hermeutische cirkel: We hebben altijd een voorstructuur en kunnen dingen dan ook slechts begrijpen via die voorstructuur. Wanneer je een liedje luistert zal je hier altijd naar luisteren vanuit je eigen voorstructuur. Je kan het nooit helemaal begrijpen vanuit de voorstructuur van de zanger. Je weet het nooit beter dan de auteur.



Je moet een open houding creëren om een tekst te begrijpen, maar je moet je tegelijkertijd realiseren dat je die open houding niet hebt. Je zit in je eigen hermeneutische structuur en je ziet dus alleen dingen via wat je al weet of via dingen die je al weet.



Gadamer vindt het vooral belangrijk dat je je bewust bent van het feit dat je een voorstructuur hebt.



Gadamer over de wetenschap en de Verlichting: De Verlichting wilde een opheffing van de vooroordelen, maar werd daarmee een vooroordeel tegen het vooroordeel. De Verlichting wilde alleen nog wetenschap en zag de wetenschap als iets objectiefs. Alles buiten de wetenschap is een vooroordeel. Deze gedachte is zelf een vooroordeel.



Foucault



Foucault vraagt zich af wat de roosters zijn van waaruit we denken. Een centraal begrip hierbij is discours. Dit komt overeen met wat Heidegger ziet als de voorstructuur. Het is de manier waarop we over dingen spreken.



Foucault beïnvloed door:




  • Sigmund Freud: Twee kanten van de voorstructuur: Het bewuste (Uberich, de super zelf) en het onbewuste (es, je driftleven). Deze twee drijfveren gaan de strijd met elkaar aan.

  • Marx: Spreekt over machtsverhoudingen. Deze zijn volgens Foucault ook doorgevoerd in de wetenschap. Deze heeft een legitimerende werking.

  • Heidegger: Zie bovenstaande



Foucault heeft kritiek op de moderniteit. We willen sinds de Verlichting over normatieve vooroordelen nadenken (vader trouwde met een vrouw, dus ik ook), we gaan kritisch nadenken over jezelf vanuit wetenschap.



Foucault is een Verlicht denker. Hij wil dat we zelf gaan nadenken en niet in clichés nadenken en ons realiseren dat we vooroordelen hebben. Vooroordeelloosheid van de Verlichting wordt door Foucault sterker. Dubbele verhouding van Verlichting. Hij is voor het feit dat de burger zelf aan de macht is. Maar hij zegt ook dat de moderniteit de mens heeft bevrijd politiek gezien, maar er is ook iets verloren gegaan. We voelen ons vervreemd. De moderniteit werpt een schaduw over zichzelf heen. In het speciaal met betrekking uitzonderingsposities. De mensen die in de normale taal eigenlijk niet kunnen zeggen wat ze zijn, zonder dat uit die taal al blijkt dat het bijzonder is, voor die mensen neemt hij het op. In de moderniteit zijn dingen standaard gemaakt.



Moderniteit te onderscheiden in materiele en immateriële kant:




  • Materieel: treinsporen, techniek, kanalen etc. gelijkschakeling, we hebben dit over het algemeen allemaal hetzelfde.

  • Immaterieel: Het raster van denken wat schuilgaat achter de materiele kant. Het zet zich neer als kritisch denken, maar er gaan eigenlijk allemaal clichés achter schuil (Jaarrapporten omwisselen van verschillende bedrijven zou niemand merken). Er is een soort uniformering.



Dit illustreert hij aan de hand van het Panopticon: Ronde gevangenis met een bewaker in het midden. Binnen het Panopticon hebben de gevangen voortdurend het besef dat ze bekeken kunnen worden door de bewaker. Ze gaan zich hierdoor gedragen op een manier waarvan zij denken dat de bewaker het goedkeurt. Op deze manier wordt iedereen in de gevangenis gedisciplineerd. De bewaker is dus eigenlijk als persoon niet nodig. Hij is slechts het idee van de macht.



In de huidige samenleving: Mensen gedragen zich ook zo als zij verwachten dat zij zich moeten gedragen. We gaan naar een situatie van het beheersen van uitzonderingen naar het beheersen van iedereen. Vroeger zuiverden we (opsluiten, afzonderen). Nu disciplineren, iedereen moet onderwijs volgen. Er wordt een standaard ingevoerd. Iedereen is hieraan onderworpen en is zich daarvan bewust, dit maakt dat ik mij ga gedragen naar de standaard.



Chomsky



Zegt wat Foucault zegt, maar dan met minder woorden en in een modern perspectief. Hij geeft aan dat de disciplinering nog steeds gaande is en te herkennen in de huidige media.



De media en de wetenschap zetten een norm, die iedereen als gewoon gaat zien. Media en onderwijs instituten hangen samen . Wetenschap is zelf een disciplinair systeem. Het is een manier waarop waarheid wordt geproduceerd en niet een manier waarop waarheid wordt gezocht. De werkelijkheid wordt beschreven zoals die in ons discours verschijnt.



In de media is dit ook te herkennen. Bekende kranten stellen de norm voor wat er gepubliceerd moet worden. Doe je dit niet, dan val je buiten de norm en kan je niet voortbestaan.



Pico della Mirandola



Heeft een mensbeeld, waarin het essentiële onderscheidende aspect van mensen is, dat ze geboren worden en zich kunnen ontwikkelen. Je hebt geen vastgestelde natuur en je weet niet wat je gaat worden. Dit is afhankelijk van je eigen oordeel



Govert Buijs in college:



Verschillende mensbeelden:




  • Hobbes: Individuen met elkaar werkt niet. Mensen zijn als wolven voor elkaar. Hobbes spreekt over Levathian: Een almachtige staat die ons in het gareel moet houden

  • Lo >Rousseau: Individuen op zich zijn een riskante aangelegenheid. Ze moeten een gemeenschappelijke wil vormen en onderdeel worden van een gemeenschap

  • Althusius: Zodra je over mensen spreekt, spreek je over onderlinge afhankelijkheid. Mensen zijn samen werkers. Essentieel voor het individu is, dat er andere individuen zijn.



Jensen en Meckling



Zien de mens al een Resourceful, Evaluative, Maximizer. Dit is een aanpassing op het homo economicus model.




  • Resourceful: Mensen zijn creatief. Er zijn allerlei resources waar mensen om geven

  • Evaluative: Mensen kiezen voortdurend door dingen af te wegen. Alles is inwisselbaar voor alles.

  • Maximizer: De mens wil altijd meer van goederen.





Jensen en Meckling keuren andere modellen af:




  • Economische model: Hierin gaat het alleen om geld. Volgens Jensen en Meckling is dit te kortzichtig en wil de mens niet alleen geld, maar alles.

  • Sociologisch model: In dit model wordt de mens weergegeven als een slachtoffer van de samenleving. Jensen & Meckling zeggen dat dit niet klopt, omdat de mens zelf keuzes kan maken.

  • Psychologische model: Geeft aan dat er een hiërarchie is in behoeftes van mensen. En dat niet alles inwisselbaar is tegen alles. Hier zetten Jensen en Meckling zich tegen af.

  • Politiek model: ‘Government Bureaucrats’ zijn bezig hun eigen doelen te maximaliseren.  Hierbij komt Hobbes kijken



Kritiek op Jensen & Meckling




  • Amartya Sen: Niet alles is uitwisselbaar, mensen hebben sympathie, wat alle preferenties kan doorbreken. Ook hebben ze commitment, sommige dingen zijn niet af te wegen.

  • Economie is ook de wetenschap van het samenwerken van mensen

  • Mensen kunnen hun ziel verliezen en dingen opgeven waarvan zij in eerste instantie zeiden dat ze het nooit zouden opgeven, bijvoorbeeld door martelingen.



Taleb



Taleb spreekt over een fenomeen genaamd de Black Swan. Dit is een fenomeen dat te maken heeft met inductie. Je hebt nooit genoeg data. Er kan altijd iets onverwachts optreden. Dit noemt hij de Black Swan. Kenmerken:




  • Grote impact

  • Onberekenbare waarschijnlijkheid

  • Surprise effect



Voorbeelden: Whatsapp (eerst sms), Muziek op internet (eerst CD markt)



Keynes



Keynes spreekt over lange termijn verwachtingen. Er zijn factoren die min of meer bekend zijn, omdat ze min of meer zeker zijn. Mensen luisteren over 1 jaar waarschijnlijk ook nog wel muziek. Aan dit soort onwaarschijnlijkheden moet je niet teveel aandacht hechten.



Keynes zegt dat men zich laat leiden door de feiten. Echter, bieden resultaten uit het verleden geen garantie voor de toekomst. Extrapoleren is dus onzeker. Hij noemt ook dat het niet altijd gaat om de meest waarschijnlijke verwachting, maar om de verwachting die het meeste vertrouwen heeft van de massa: ‘The state of Confidence’. In een rationele economie zijn er altijd irrationele aspecten (Black Swans)



Volgens Keynes laat de toekomst zich leiden door conventies. Dit zijn een soort afspraken/verwachtingen die gemaakt zijn. Deze conventies nemen echter een aantal zaken niet mee:




  • Het is geen echte kennis

  • Day-to-day investering/sterke invloed van de markt

  • Plotselinge fluctuaties van meningen door factoren die niet gerelateerd zijn aan het verwachte resultaat

  • Professionals: Slimmer zijn dan de massa

  • Mate van vertrouwen in lening verstrekkers



Er speelt hierin ook een bepaalde mate van zelf-referentialiteit mee: Je gaat anticiperen op de anticipatie.



Minsky



Sterk beïnvloed door Keynes. Hij heeft de ‘Financial Stability Hypothesis’ en spreekt hierin over de sluier van het geld (veil of money). Markt wordt volgens hem gemaakt in de bestuurskamers op Wall Street. Geld is een sluier tussen de werkelijke aard en degene die in het bezit is van de rijkdom



Bekritiseerd de schuldfinanciering die kenmerkend wordt voor de economie.



Fukuyama



Einde van de geschiedenis met een grote G. Geschiedenis heeft een richting.




  • Immateriële kant: Denken in termen van erkenning.



Sociaal econoom: Er is een rechtenpakket wat de moderne burger zou moeten hebben.



Klein pakket:




  • Recht op eigendom, recht op eigen lijf.

  • Recht op associatie en geloof

  • Recht op vrijheid van meningsuiting (Het feit dat wij dit als essentieel zien zegt iets over onze voorstructuur)



Groot pakket:




  • Recht op werk

  • Recht op woning

  • Recht op pensioen

  • Recht op gezondheidszorg



Fukuyama ziet de mens als rationeel en irrationeel. De mens heeft thymos (eer) in de borst. Eer is alleen te verkrijgen op economisch gebied.



Gedachte experiment aan de hand van Hegel



Verschillende motieven van de mens moeten in de economie terugkomen



In gedachte experiment bewijzen hoe autoriteit/erkenning werkt/.



Er is een wereld en er is een autonome mens. Mens heeft een behoefte die deel is van hem en die gaat hij bevredigen à Eten. Dat vult de innerlijke leegte, maar de behoefte is er morgen weer. Hoe langer je leeft hoe meer behoeften. Je blijft nieuwe behoeftes creëren. Ook steeds luxere behoeftes, zo ontstaat een economie (appel wordt appeltaart, die moet iemand bakken). Mensen zijn self-centered. Mensen leven in een wereld en willen zichzelf bevestigd zien in die wereld. Je raakt in conflict. Je staat met je behoeftes tegenover iemand die ook behoeftes heeft. We kruisen de degens en gaan vechten. Er vallen doden, totdat je iemand tegenkomt die zegt ‘Ik heb ook behoeftes, maar als jij daar autonomie hebt dan ga ik wel hierheen als ik maar niet dood hoef’. Mensen zijn bereid om niet alleen vanuit hun principe voor vrijheid te vechten (terrorisme). Conflict aangaan op leven en dood. Begin van Geschiedenis als mensen dealtjes gaan sluiten en niet meer vechten voor ideaal. Autonomie kan me gestolen worden en we bedrijven zaakjes en zo overleven we. Fukuyama zegt dat dit is wat er gebeurt in de verhouding van heer en Knecht. Knecht zegt, ik zal doen wat je zegt en ik betaal belasting als je me laat leven. Heer is niet uit op onderdrukking, maar op erkenning. Heer moet iemand anders zoeken om tegen te vechten en om erkend te worden door andere Heren. Heren gaan met elkaar vechten en willen erkenning. Knecht gaat ondertussen aan het werk en heeft geen zin om in gevecht te gaan. Hij werkt en leert een vak en verwekt een wereld voor de Heer. Sommige mensen werken, anderen genieten, hiërarchische verhouding. De Knecht komt of in opstand, of hij raakt geëmancipeerd en stoot de Heer van de troon en de Knechten gaan in een samenleving van Knechten leven.  Gedachte experiment: Onlogisch om in deze dynamiek voort te leven. Het gaat erom dat je je realiseert dat als we allemaal knechten zijn , dan hebben we het gevoel van erkenning niet meer nodig. We gaan economie bedrijven in een prettige, meer knechten wereld. Zo ontstaat de Last Man, die in dit gedachte experiment de Knecht is en echt stoere dingen niet meer doet. De eigenlijke strijd is verdwenen.



Belangrijk hieraan: Heren willen niet iets van elkaar. Ze willen de autonomie. Het begint bij mensen die zich ‘koninkjes’ wanen. Fukuyama wil laten zien dat het opgeblazen egoïstische denken hoort bij de tijd dat men nog in Heer-Knecht verhoudingen leefde en dat een Knechten-bewustzijn redelijk is in de distributie van de thymotische energie. Dit gaat niet over economie, maar over het midden deel. Volgens Keynes gaat economie over het boven en het onderdeel (rationeel/irrationeel). Fukuyama zegt dat het te maken heeft met eer (thymos).



De Laatste Mens, zoals geschetst door Fukuyama, is verveeld, de ‘boeien’ mentaliteit. Er is niets meer om voor te vechten. Einde van de Geschiedenis, maar het maakt niet gelukkig, want de eer kan er niet meer uit.



Perez



Groei in de wereld komt in golven die ieder ongeveer een halve eeuw duren. Deze worden gedreven door een technologische revolutie. Deze technologische innovaties brengen een tijd met zich mee waarin aanpassing en opnieuw aanleren van dingen nodig is. Dit is een crisistijd. Vervolgens komen er 20 tot 30 jaar van stabiliteit.



Na de invoering van een nieuwe technologie volgt er een bubble. Iedereen draaft door in het implementeren van deze technologie, er wordt over geïnvesteerd. Dit is de Installation Period. Deze wordt iedere keer gevolgd door een Major Crash.



Golven in het verleden (Schumpeter):



1771: De Industriele Revolutie (Groot-Britannie): Kanalen mania



1829: Stoommachines en treinen (Groot-Britannie): Treinen mania



1875: Tijd van staal en zware industrie (Britain, USA, Germany): Londen fundeerde een opbouw van een globale marktstructuur



1908: Tijd van olie, auto’s en massaproductie (USA): Er werd in het wilde weg geïnvesteerd in radio, elektriciteit, auto’s en luchtvaart



1971: De ICT Revolutie: Dotcom en Internet Mania, vastgoed en financiële markten



Wanneer alle voordelen van deze technologische ontwikkelingen naar voren waren gekomen en haar potentieel volledig gerealiseerd was, volgde er een tijd van economische bloei.



Na iedere technologische ontwikkeling ontstaat er een nieuwe techno-economisch paradigma. Binnen dit paradigma zijn er talloze mogelijkheden met de nieuwe technologie die vragen om een andere omgang met de omgeving en met elkaar. Nieuw gedrag moet worden aangeleerd en oud gedrag moet worden afgeleerd.



Weber



Fourcade & Healy: Markt en moraal. 4 Theses:




  • Liberal Dream: Vrije markt die zichzelf reguleert. De markt beïnvloed de moraal positief. Iedereen wordt een goed en beschaafd mens. Handel houdt ons bezig en voorkomt dat we oorlog gaan voeren.

  • Commodified Nightmare: Rijk worden ten kost van anderen. Er is een klassenscheiding en behoeftes worden kunstmatig gecreëerd, Moraal wordt negatief beïnvloed door de markt en alles wordt uitgedrukt in geld/koopbaar.



Weber als aanhanger van de 3e These:



Feeble markets: De markt wordt beïnvloed door de cultuur. Weber hield zich bezig met de opkomst van het kapitalisme en vroeg zich af waarom het kapitalisme in het Westen is opgekomen terwijl de essentiële benodigdheden voor het kapitalisme ook elders te vinden waren.




  • Scheiding huishouden en bedrijven

  • Onafhankelijke staten

  • Romeins recht

  • Ontwikkelde natie staten

  • Rationele ‘double-entry’ boekhouding

  • Massa van vrije loonarbeiders



Deze factoren creëerden de structuur. Er was echter ook een cultuur nodig volgens Weber. Dit in tegenstelling met Marx die vond dat cultuur/religie/moraal/ideeën bovenbouw zijn.



Weber verklaart de oorsprong van het kapitalisme door middel van cultuur. De geest van het kapitalisme is: Geld verdienen en niet uitgeven. Dit was volgens hem terug te vinden in het Protestantisme. Het Protestantisme zag een beroep als roeping. Je moet iets maken van het leven. Mensen gingen werken. De vruchten van de arbeid (geld) zijn het bewijs dat je van God houdt en hij van jou. Een gebod in het Protestantisme is investeren in plaats van consumeren. Men ging geld investeren in goede dingen. Dit is het begin van het kapitalisme. Kapitalisme kreeg dus een religieus karakter.



Benjamin Franklin: Hij sprak op dezelfde manier over het ontstaan van het kapitalisme alleen hij negeerde het religieuze aspect. Deze stroming heet het utilitarisme. Er is hier een sterke arbeidsethos, waarbij alles wordt afgewogen of het nuttig is. Dit is de geest van het kapitalisme die overblijft van het Protestantisme.



Max Weber en de 4e These: Moralized Markets:



Kapitalisme wordt een zichzelf in stand houdend systeem. Protestanten kozen ervoor, maar inmiddels is het gewoon zo en moeten wij het. Hier komt Weber met het begrip van de IJzeren Kooi: Mensen verliezen hun vrijheid. We doen dingen omdat ze moeten, we weten niet meer waarom we iets doen. De wereld wordt zinloos, je hebt geen flexibiliteit. Geld wordt een doel op zichzelf, dit noemt hij de onttovering van de wereld. Het leven verliest de vrijheid en de zin.



Spengler



Hield zich bezig met de rol van cultuur op de economische maatschappij. Hij onderscheidt hierbij een klassenstrijd binnen Europa. Enerzijds zijn er de Vikings, dit is de Engelse mentaliteit die gepaard gaat met het belang van veroveren en winnen. Anderzijds is er de Pruisische mentaliteit waarbij het gaat om werken en zorgen voor de wereld om je heen. Dit zet hij neer als de Ridders.  Door middel van dit beeld wil Spengler duidelijk maken dat het ware socialisme wordt gewaarborgd in de Pruisische maatschappij, waarin iedereen een dienaar is van iedereen.



Spengler levert hierbij kritiek op de situatie die Marx heeft geschetst met betrekking tot het proletariaat en de bourgeoisie. Spengler schetst de situatie tussen de Vikingen en de Ridders als een klassenstrijd, terwijl het eigenlijk een strijd is tussen twee verschillende economische denkkaders, waarbij het Engelse Vikingen beeld het beeld is van het kapitalisme (3e stand) en het Pruisische Ridderbeeld het beeld van het socialisme (4e stand). Marx gebruikte dit Pruisische idee van socialisme en gaf het in handen van de 4e stand in Engeland, het proletariaat. Hiermee kunnen ze zich verenigen en zich afzetten tegen de 3e stand (Bourgeoisie). Ze gaan de eigenaren onteigenen. Dat betekent dat de moraal die je bij de socialisten tegenkomt ten diepste een Engelse moraal is. I het Marxisme kom je dus een Engelse moraal tegen en de revolutie wordt dus gepresenteerd als een quasi-religieuze gebeurtenis.  Het onderscheid tussen de Bourgeoisie en het proletariaat wat Marx maakt weerspiegeld de Engelse voorkeur voor handel boven ambachtelijk handwerk. Wat nog steeds zo is in de moderne samenleving, Duitsland is een industrie en de Engelsen denken meer vanuit handel. Marx interpreteert werk op een andere manier. Werk is volgens Marx gericht op winst en op succes.



Tevens is er nog een ander onderscheid wat naar voren komt, namelijk het verschil tussen klasse en stand. Spengler beschrijft een klasse als iets wat bepaald is door economische waarde en iets wat niet veranderbaar is. Je wordt er in geboren. Een stand kan worden verkregen in het Pruisische systeem, door het hard te werken. Iemand die niet rijk is kan daarom toch een hoge stand hebben.



Tot slot spreekt Spengler over eigendom en bezit. Volgens Spengler is het bezit gerelateerd aan iets persoonlijks. Dit is ook wat ‘oud geld’ kenmerkt. Het is niet iets wat je van de ene op de andere dag kan verkrijgen, zoals geld. Het is iets waar je een band mee hebt.



Volgens Spengler is het socialisme het enige systeem dat waarde hecht aan dit bezit. Het kapitalisme is vooral gericht op individueel bezit en snel geld verdienen en dus niet op het echte bezit. Het communisme wilt geen privébezit en wil alles eerlijk verdelen, waarbij het ‘ware bezit ’ ook wegvalt.



Aristoteles



Opkomst van de deugdethiek in het oude Athene. Men leefde hier is stadsstaten, een Polis. Dit was het gebied dat kon worden overzien vanaf het hoogste punt. Stadsstaten gingen uitbreiden. Dit gebeurde ten tijde van de invoering van het geld. Mensen gingen leningen afsluiten, maar konden deze niet aflossen. Er ontstond schuldslavernij, waarbij huizen en land werden ingenomen als onderpand. Men ging zich afvragen of het wel deugde waarmee zij bezig waren? Daarnaast werd de democratie ingevoerd. Dit gaf aan de burgers (niet allemaal, slechts de belangrijkste) de mogelijkheid om te kiezen. Burgers voelden zich machtig en gingen landjes veroveren. Ook hier speelde de vraag of dit wel deugde. In deze tijd kwam ook Plato op. Hij stelde vast dat deze manier van leven de ondergang van Athene zou worden. Hij introduceerde de figuur Socrates, die op het dorpsplein vragen ethische vragen stelde aan de burgers. Vragen waren niet academisch, maar betroffen het lot van Athene. Vraag naar de deugd moet in deze context begrepen worden. Hoe krijgen we een deugdelijke staat, instituties en mensen? Deugd bij de Grieken is excelleren, voortreffelijkheid.



De kwaliteit van instituties bestaat niet alleen uit de kwaliteit van de systemen, maar ook uit de kwaliteit van de mensen die in de institutie zitten. Hun houding is belangrijk. Ze zijn niet ineens goed als ze een eed af leggen of een uniform aantrekken. Hoe krijgen die mensen de juiste houding? Vraag van de deugdethiek.



Elementen Aristoteles volgens Ad Verbrugge




  • Hij laat zijn methode van onderzoek niet alleen dicteren door ervaringskennis. Hij vertrekt wel vanuit de ervaring, maar hij heeft een blik/methode waarmee hij die ervaring ordent. Zijn Voorhebben. Dat doet hij vanuit een grondervaring van wat ‘zijn’ is.

  • Al wat is kent een bepaalde grondstructuur. Hoe kom je bij die grondstructuur? Die vragen horen bij de eerste filosofie.

  • Aristoteles gebruikt die eerste filosofie als volgt: Al wat is kent een wezen. Bijvoorbeeld een koe. Een koe dient zich op een bepaalde manier te gedragen. Hij moet melk geven, zo niet, dan deugd hij niet. Iets hoort op een bepaalde manier te zijn, dit noemt Aristoteles een ‘wezen’.

  • Het ‘wezen’ dient teleologisch begrepen te worden. Een noot wordt een boom. De boom is het telos van de noot, de voleinding van iets (Nussbaum, capaciteiten moeten tot ontplooiing worden gebracht, om ten volle mens te zijn). De noot is nog niet klaar, hij moet nog iets worden. Uitgangspunt Aristoteles. Wezen dat moet worden gerealiseerd, zowel bij de natuur als bij de mens.



De  massa is ontevreden omdat ze hun doel (telos) verkeerd begrijpen. Ze komen nooit tot een moment van vervulling.



Het volgroeid zijn van een koe is de werkelijkheid, de energeia. Hij is hierin ten volle, als een pianospeler tijdens het pianospelen, een voetballer in het voetballen, dat is de werkelijkheid. Het is de werkzaamheid van zijn lichaam en ziel.



Ethica Nicomachea



De vraag naar het hoogste doel. Iets wat nergens voor dient. Het gene waarom het gaat in het leven, op individueel en collectief niveau. Je kunt niet blijven doorverwijzen.  Het laatste motief is geluk. Dat is hetgene wat alles in gang zet. Alles wordt gedaan om dat laatste doel te bevredigen. Geluk is dus het hoogste goed, maar wat is dan geluk?



Iets wat omwille van zichzelf wordt nagestreefd à Geluk. Aristoteles probeert die vraag te beantwoorden. Geluk kan niet genot zijn, genieten doen dieren ook. We moeten geluk teleologisch begrijpen vanuit het wezen van de mens. Wat maakt een mens tot mens. Dat kan dus niet genot zijn. Het kan ook niet aanzien zijn, want het goede is afhankelijk van een ander. Het moet iets van onszelf zijn. Het is geen geld. Geld is geen doel in zichzelf, maar dient altijd iets anders (genot bijvoorbeeld).



Geluk hangt samen met het feit dat wij rede hebben. We zijn rationeel, we spreken redeneren overleggen en kunnen nadenken. Geluk moet gelegen zijn in iets wat met dit nadenken te maken heeft. Daarom ligt geluk in het menselijk ‘handelen’. Alleen een volwassen mens met verstand kan handelen (action, niet handel drijven). De rede komt tot uitdrukking in het handelen, dat is je werkelijkheid. Het oog is ten volle in het zien, de mens is ten volle wanneer hij goed handelt. Handelen is pas werkelijk goed wanneer je beschikt over een volkomen deugd. Wanneer je die tot uiting brengt ligt in het handelen jouw geluk. 2 Soorten deugden:




  • Strevende deel: Verlang naar iets, waarvan je rationeel denkt, dit deugd niet. Strevende deel moet deugen. Ethische deugden: Moed kalmte, vriendelijkheid. Verkregen door gewoonte, je moet jezelf dwingen iets op bepaalde wijze te doen

  • -Denkende deel: Prudentie, de verstandigheid



Waar gaat het om: het strevende deel moet deugen. Houdingen die je je aanwendt.  Samenspel van strevende en denkende deel moet kloppen. Dan krijg je de volkomen deugd: Rechtvaardigheid.



Ethische deugd is altijd een midden tussen ondeugden (overmoed-moed-laf). Heeft te maken met het juiste doen in de situatie ‘juist handelen’.



Deugden veronderstellen wel gedeelde omgangsvormen. We moeten een idee hebben van wat kalmte is of wat moedig is. Deugden spelen van nature een belangrijke rol in de sociale ordening: Bepalen wie een goede of slechte voetballer is.



Kwaad is de afwezigheid van het goede, het niet vervult zijn.



Belangrijk werkelijkheidsbegrip dat te maken heeft met bezig zijn, ten volle zijn, geluk ligt in de activiteit. De uitoefening van een vermogen dat je beheerst. Volgens Aristoteles kunnen dus ook volwassenen pas gelukkig zijn. Daarvoor heb je nog niet de juiste gewoontes ontwikkeld.



MacIntyre



Laat bovenstaande context los. Staat wel in dezelfde traditie. Bekritiseert de Verlichting. Hij is niet tegen het individu, maar  zegt dat als je het daarbij laat je niet het goede van het leven duidelijk maakt.



Aristoteles: mensen halen voldoening uit het feit dat ze op een bepaalde manier kunnen handelen. Dit neemt MacIntyre over, maar hij verwerpt het idee dat alles een ‘wezen’ heeft.



MacIntyre gaat de deugd opnieuw een plaats geven in het moderne leven. Dit doet hij door de introductie van het begrip ‘Practice’. Dit is iets wat wordt gerealiseerd door een coherente complexe vorm van een activiteit die bestaat uit samenwerken, waardoor interne goederen die behoren tot die activiteit worden gerealiseerd wanneer men excellente standaarden probeert te bereiken. Dus, wanneer men excellente standaarden probeert te realiseren, ontstaan er interne goede zaken (Internal goods, deugd), Voor voetbal, bijvoorbeeld een bepaald soort spel/training, die hoort bij het realiseren van het goede voetbal. Die standaarden horen bij en zijn bepalend voor die activiteit.



Ons vermogen om die excellentie te bereiken en wat daarbij komt kijken, wordt verder ontwikkeld (Johan Cruijff gaf nieuwe standaarden voor voetbal en daardoor gingen we anders spelen).



Het gaat er dus om dat je niet alleen goed wilt zijn, maar ook op een goede manier te werk wilt gaan. De kwaliteit van de praktijk ligt mede in de manier waarop.



Het gaat dus om bepaalde gewoonten die gevormd worden die te maken hebben met wat je goed acht.



Onderscheid MacIntyre: External en Internal goods.



External goods: Uitwendige goederen. Bijvoorbeeld prestige, het draait niet zozeer om wat je aan het doen bent maar om wat buiten je ligt. (Nieuw Geld Spengler)



Internal good: Waar je eer in legt, hoe je het doet ‘Oud Geld’ (Spengler)



Waarom is iets een external good: Er zijn steeds alternatieve manieren om die goederen te verkrijgen.



Internal goods hebben een ander karakter. Ze moeten gedefinieerd worden in termen van de activiteit zelf. Je kunt niet anders spreken over ‘de goede linksback’, dan in termen van het spel. Standaarden van excellentie ‘Messi & Ronaldo’. Het is een bepaald soort schoonheid. Je kan deze dingen niet los zien van de activiteit. Wat tot de internal goods behoort kan pas worden vastgesteld door mensen die kennis van zaken hebben, ervaring hebben en deelnemen aan die bepaalde praktijk. Je moet weten wat de praktijk is voordat je erover kan oordelen.



Praktijk heeft dus een bepaalde geschiedenis. Dat betekent niet dat er niets verandert. Voetbal verandert ook, maar om het te veranderen moet je wel weten wat goed is en hoe het beter kan.



Kenmerk van externe goederen: Komen steeds in het bezit van een individu. Hij krijgt geld in bezit, krijgt status, heeft prestige. Ze worden een onderdeel van wedstrijden. Mensen en instituties gaan met elkaar wedijveren, niet zozeer om de kwaliteit, maar om de external goods.



Internal goods: Zijn er ten goede van iedereen. Bereiken ervan opent een nieuw veld van mogelijkheden. Het is een geschenk. Je geeft iets waar anderen iets aan hebben, waar ze mee voort kunnen.



MacIntyre zegt vanuit dit idee van praktijken, interne en externe goederen het volgende over de deugd: Een deugd is een verkregen menselijke kwaliteit, waarvan het bezit en de uitvoering ons in staat stelt interne goederen aan praktijken te verkrijgen. Dus een deugd helpt ons om een praktijk vitaal te houden. Het ontbreken van die deugd hindert ons om dergelijke goede zaken te verkrijgen. Als mensen dus niet meer deugen (waar corruptie ontstaat, waar lafheid de kop op steekt) gaan praktijken verkommeren. Er gaan dan tradities verloren.



Welke deugden nodig: Kardinale deugden:




  • Justice, rechtvaardigheid (Bij Aristoteles de volkomen deugd). Geen vriendjespolitiek, maar echt de kwaliteit van de praktijk voorop hebben staan.  Zonder aanzien des persoons.

  • Courage, moed. Ben je moedig of bang dat iemand boos wordt? Ben je bereid jezelf in gevaar te brengen binnen een instituut bijvoorbeeld. Verbonden met de zorg die je voor iets hebt.

  • Honesty, eerlijkheid. Ben je in staat om de waarheid te vertellen en geen leugens te vertellen. Ben je in staat om een gemeenschappelijk goed na te jagen.



Praktijken floreren niet in instituties, maar in deugden. Het gaat dus om gezonde instituties, er is samenwerking nodig en de erkenning van autoriteit (Voetbal, trainers). De kwaliteit van datgene wat wordt gerealiseerd. Het is van belang dat men zorgt voor een praktijk en dat praktijken beschermd worden tegen corrumperende machten.



Belangrijk: Praktijk is niet hetzelfde als een institutie. Instituties zijn gerelateerd aan externe goederen (wie wordt directeur etc.) Kan onderdeel worden van competitie. Er ontstaat spanning tussen werken voor gemeenschappelijk goed en de ijver om aan de top te komen, om die externe goederen. Daarom zijn deugden cruciaal voor instituties, omdat instituties altijd blootstaan aan externe goederen. Zonder deugden blijven alleen die uitwendige goederen bestaan. Dat is het risico van management en slecht leiderschap. Vervreemding van de praktijk en focus op externe goederen.



Kets de Vries



In organisaties kan een cultuur ontstaan, waarin leiders het zo organiseren dat er alleen maar echo’s van zichzelf ontstaan. Dit zag je ook in Inside Jobs, mensen hadden eigen liften, zodat ze niet geconfronteerd werden met meningen van anderen.



Kets de Vries: Transitie naar leiderschap is heel moeilijk. Je bent medewerker en ineen s wordt je geroepen door leiderschap. Ineens ga je boven een team staan van mensen waarin je eerst functioneerde. Psychologisch ook vreemd (onzekerheid, kan ik het wel). Hiermee omgaan: Ik ga het laten zien, ik ga de verwachtingen waarmaken. Dit lukt en je gaat meer in jezelf geloven (misschien ben ik inderdaad zo goed/bijzonder). Dunne lijn tussen zelfvertrouwen en geen andere perspectieven meer accepteren à Narcisme.



Je gaat je omringen met mensen die geen kritiek geven: ‘living in a hall of mirrors’. Banality of evil: In een organisatorische context ga je dingen doen die daar wel in passen, maar je neemt geen kritische afstand meer tot jezelf (wat ben ik nou eigenlijk aan het doen). Bijvoorbeeld Jodentransport: Je neemt een positie binnen een organisatie in, maar denkt er niet meer over na of het goed is.



Kenmerken van het narcisme volgens David Owen:




  • Neiging om de wereld te zien als een strijd toneel, strijd om macht en eer: Je ziet het zo dat je je afdeling tot de beste moet maken, of je bedrijf en daar ontleen je je eer aan.

  • Neiging om vooral in actie te komen als het eigen imago in het geding is: Eigen imago wordt gezien als belangrijkste instrument om macht en eer mee te behalen.

  • Gebiologeerd door eigen imago en uiterlijke presentatie

  • Op Messiaans gedreven wijze spreken over de eigen activiteiten

  • Een totale identificatie met de eigen zaak (land, organisatie, club, eigen activiteit)

  • De neiging om over zichzelf in de derde persoon te spreken, majesteitsmeervoud: Je maakt jezelf groter dan je bent en blaast jezelf op. Successen van de organisatie zie je als je eigen successen. Weinig credit voor medewerkers

  • Bovenmatig vertrouwen in het eigen oordeelsvermogen en minachting voor advies of kritiek van anderen

  • Een soort almacht besef: Geloof dat jij de wereld kunt maken.

  • Een geloof dat men geen verantwoording hoeft af te leggen langs de gebruikelijke kanalen, maar voor een veel hogere instantie. God of de geschiedenis of het nageslacht: je denkt dat je dit niet nodig hebt.

  • Geloof dat die hogere instantie hem in het gelijk zal stellen.

  • Verlies van contact met de werkelijkheid, vaak samengaand met toenemend isolement

  • Rusteloosheid, roekeloosheid en impulsiviteit: Als er niets gebeurt is het saai, er moet iets gebeuren. ‘We zijn wel weer eens toe aan iets nieuws, want het is een beetje saai geworden’

  • De eigen moreel getoonzette ‘brede visie’ maakt het overbodig om zich bezig te houden met praktische problemen als kosten en feitelijke resultaten

  • ‘Hubristische incompetentie als gevolg van zelfverblinding’



Mensen krijgen een tunnelvisie. Een visie op de werkelijkheid die jou visie is, waarin je andere aspecten niet meer toelaat. Hierbij kun je terugdenken aan Dooyeweerd.



Narcisme: Je creëert een soort eigen wereld waarin je alles zet op een of twee aspecten, maar met de andere aspecten houd je geen rekening. Bedrijf is bijvoorbeeld ook een sociaal verband, maar je kan het economisch aspect absoluut stellen en daardoor mensen gaan zien als instrumenten die dienen voor het bereiken van een economisch doel.



Volgens Kets de Vries moet je multidimensionaal leidinggeven:



Authentizotic companies: Organisaties die faciliteren dat de organisatie kan bloeien omdat mensen kunnen bloeien:




  • Zinvol, betekenisvol werk, pistische aspect van Dooyeweerd. Dat besef van zinvol werk delen binnen de organisatie.

  • Bedrijf als een soort familie. Sociale aspect van Dooyeweerd. Mensen voelen zich als mens opgenomen in de gemeenschap. Richard Brandson van Virgin: Grotere afdelingen splitsen, mensen betrokken laten voelen.

  • Ruimte voor plezier in het werk, creativiteit, ruimte om je te ontplooien. Esthetische aspect Dooyeweerd.



Als je je aan deze dingen houdt, snijdt je narcisme de pas af.



Wie is verantwoordelijk voor een betere wereld?



Civil Society: Alles wat non-profit is en non-governmental



Samenleving ingedeeld in verschillende sferen die op verschillende manieren interacteren:




  • Markt: Je ruilt iets, als je het er niet mee eens bent: Exit.

  • Staat: Sfeer van politiek, juridische, wetgeving waar je je aan moet houden, dwang. Je kunt protesten: voice/vote.

  • Gemeenschappen: Privésfeer, gezinnen, buurten, betrokkenheid, loyaliteit.



Daartussenin: Civil Society. Kan verschillende vormen aannemen:




  • A: Dichtbij overheid, je bent geen overheid, maar je wilt wel invloed op de overheid. Protestorganisaties

  • B: Marktpartijen die de overheid willen beïnvloeden, lobbygroepen.

  • C: Dienstverlenende organisaties, beetje in de familiesfeer. Verzorgingshuis.

  • D: Consumentenorganisaties, vakbonden. Met bedrijven bezig zijn, interactie met marktpartijen.



Herontdekking Civil Society: Val van de muur, niet door bedrijven, maar er ontstonden allerlei bewegingen die je Civil Society kan noemen. Mensen die zich aaneensloten om ideële doelen te realiseren (mensenrechtenbewegingen, kerk). Belangrijke ontwikkeling in de laatste 20/30 jaar. Aantal CS bewegingen is enorm gegroeid.



Paul Dekker



Vele definities van Civil Society. Twee typen definities:




  • Descriptief: Soorten organisaties

  • Normatief: Veel beschrijvingen hebben impliciet/expliciet de gedachte dat het goed is dat de CS er is.



Civil Society kan worden verbonden met Althusius: Mensen zijn in de aard samen werkers. Ze kunnen op zichzelf niet functioneren.



Neergang oude typen CS: Kerken, politieke partijen. Opkomst nieuwe typen: Crowdfunding, protestacties via social media, consumentenorganisaties.



Politieke stromingen over CS:




  • Christelijk Sociaal: Heel belangrijk dat er een veld is dat geen markt- en overheidsinitiatieven zijn. (soevereiniteit in eigen kring). En subsidiariteit, verantwoordelijkheid zo laag mogelijk in de organisatie leggen. Ruimte geven aan initiatieven

  • Socialisme: Van oudsher centralistisch gericht. Centrum van de macht is politiek, daar moeten veranderingen vandaan komen. Later revisionistische stroming: Decentralisatie: Ruimt voor CS onder staatscontrole.

  • Liberalisme: Ambivalent, omdat de CS organisaties non-profit zijn en ze vinden het belangrijk dat de markt dingen doet. Markt is het meest efficiënte en meest duurzame allocatiemechanisme, mensen zijn wel vrij om te doen wat ze willen, dus positief, maar er is de voorkeur voor marktwerking.



Hoe kunnen bedrijven met CS omgaan? Volgens Paul Dekker: De waarden en insteek van veel protestorganisaties komen hoe langer, hoe meer terecht in bedrijven. Bedrijfsleven heeft door dat je een punt hebt, CEO’s hebben in het verleden tot die CS organisaties behoort. Wat eerst extern protest was gaat in het bedrijfsleven een rol spelen. Tunnelvisie wordt verbreed en laat andere aspecten toe. CSR ontstaat en bedrijven willen daar een rol in spelen.



Friedman



Bedrijven niet. Bedrijven (beursgenoteerde bedrijven) zijn van aandeelhouders die hebben geïnvesteerd met de insteek om winst te behalen. De CEO is een agent. Die optreedt in dienst van de aandeelhouders. Als bedrijf is het je doel de aandeelhouderswaarde te maximaliseren. Wanneer bedrijven aan CS doen, wordt er eigenlijk geld van iemand anders uitgegeven. Daarom zegt Friedman: The social responsibility of business is to increase its profits. Tenzij CSR direct bijdraagt aan de winstgevendheid.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.