Filosofische begrippen

Beoordeling 6.2
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 6e klas vwo | 1579 woorden
  • 6 november 2001
  • 67 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.2
  • 67 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak

Waarheid [filosofie], datgene dat niet in strijd is met de concrete werkelijkheid.
Wetenschap stelt direct vragen over de werkelijkheid, de mens en de natuur enz.
Kennis is een verzameling ware feitelijke beweringen.
Helderheid is belangrijker dan de waarheid, want zonder helderheid is er geen waarheid. Eenduidigheid van de betekenis.
Objectniveau is de manier om ons (als mensen) direct tot de werkelijkheid te verhouden. Het niveau van de concrete werkelijkheid. Het doel wat objectniveau probeert te bereiken is de waarheid.
Metan niveau is het niveau van begrippen, dus in de indirecte verhouding tot de werkelijkheid. Bij metanniveau onderzoek je rekening met de ordening van het spreken. Uitspraken horen helder te zijn.

Pragmatisch is het redeneren van het praktisch nut.
Feitelijke uitspraken zijn uitspraken die direct controleerbaar zijn door waarneming. Resultaat à kennis. Doelà waarheid.
Begripsuitspraken à doel: helderheid, rangordening. Resultaat = inzicht, uitspraken over begrippen.
Wetenschap stelt direct vragen over de werkelijkheid. (de mens, natuur enz)
Begrip is manier van ordenen van de werkelijkheid doordat je verschijnselen indeelt in groepen.
Filosofische houding, je hebt een verklaring, je kunt uitleggen (theoretische houding) Je moet kunnen vragen blijven stellen, zoniet dan is het wetenschap.
Begripsvragen, er is nooit een laatste antwoord op te geven. Alleen helderheid na te streven.
Vita contemplativa is theoretisch. De filosofen willen een theoretische verklaring en willen hun beweringen goed theoretisch onderbouwen.= praktische houding.
Vita activa is de alledaagse houding. Zolang mensen je begrijpen en je krijgt wat je hebben wilt, is het best.


Filosofie is denken. Het gaat er niet precies om wat je vindt of denkt, maar wat je precies vindt of denkt en waarom. Het analyseren + vergelijken van verschillende uitspraken is de methode. Je neemt niet zomaar wat aan maar wil de achterliggende gedachten weten.
Begrijpen is het maken van onderscheid door indelen in groepen (begrip en tegenbegrip.
Kennis is verzameling van ware feitelijke uitspraken.
Wijsheid is inzicht, je bent in staat verbanden te leggen.
Woord zijn de kleinste zelfstandige betekeniseenheden van onze taal. De betekenis van een woord bestaat uit 3 aspecten. 1. Denotatie dat deel van de betekenis van een woord of woordgroep dat verwijst naar verschijnselen in de werkelijkheid of in een mogelijke wereld. 2. Begripsinhoud algemene kenmerken van alle dingen waarnaar je met een woord verwijst. 3. Emotionele lading, spreken daarover als er aan een woord een positieve of negatieve waardering aankleeft.
Hoe groter de begripsinhoud van een woord, des te kleiner is de denotatie. Want hoe uitgebreider je omschrijft om wat voor ding het precies gaat, hoe kleiner de verzameling dingen is, die aan deze beschrijving voldoet.
Bewering is een uitspraak met informatie.
Als je een woord op een correcte manier kunt gebruiken dan noemen we dat een operationeel begrip; je kunt met het begrip werken.Voor de filosofie is operationeel begrip onvoldoende. Daar gat het erom dat je expliciet kunt maken wat je met een begrip bedoelt.
Begrip en tegenbegrip, elk begrip vraagt om een tegenbegrip omdat iets begrijpen betekend het indelen in groepen en dus het maken van onderscheid.
Definities is het vastleggen van de betekenis wan een woord door het begripsinhoud weer te geven. Hoe wordt een definitie gevormd? Schrijf het meest nabije algemene begrip op. Noem de specifieke verschillen, waardoor dit element uit groep 1 zich onderscheidt van andere elementen uit groep 1.
Gebruiksdefinitie gebruikelijke betekenis van een woord in een bepaalde cultuur. Stipulatieve definitie geeft iemand een specifieke omschrijving van de begripsinhoud van een woord of uitdrukking en neemt deze omschrijving voor eigen rekening.je kunt dos nooit zeggen dat ie fout is, of onwaar. Stipulatieve herdefinitie als iemand de uitspraak van een woord aanscherpt of nuanceert,maar niet volkomen in strijd met de gebruiksdefinitie handelt. Willekeurige stipulatieve definities je kunt niet zeggen of ze goed zijn of niet. Ze zijn leuk als je een codetaal wilt ontwerpen die niemand begrijpt.
Echt is het voorstel om de begripsinhoud van een woord te vergroten, zodat het woord op minder dingen van toepassing is. Echt wordt toegevoegd als de betekenis van een woord gaat vervagen.
Mythe is een verhaal dat door sommige serieus wordt genomen maar dat door anderen als pure bedenkels, als niet historisch gebeurd, wordt beschouwd. Voor de mythische mens – bovennatuurlijke verklaring van de werkelijkheid, - valt samen met de werkelijkheid.
Rituelen is het uitvoeren van steeds dezelfde handelingen op precies dezelfde wijze met als het doel het beweren v/d kwade krachten en het oproepen van goede krachten.
Beeldend bewustzijn Het gericht zijn op het uiterlijk,het waarneembare. Verhalend bewustzijn het gericht zijn op de samenhang van gebeurtenissen en het uitgaan van een dramatisch geheel. (= gevoel oproepen dmv begrip-plot-eind) Begrippelijk bewustzijn het bewustzijn in de filosofische houding. Het bewustzijn dat alles op een begrippelijke manier wil begrijpen. = zoeken naar natuurlijke oorzaak of abstracte begrippen met elkaar verbinden)
Idealiserende verhaal - het structuur wordt gevormd door een strijd tussen het goede en het kwade. Heroïsche verhaal – de held creëert door zijn houding een vijandige omgeving. Naturalistisch verhaal – dit verhaal gaat over gewone mensen die op hun manier proberen gelukkig te worden. De clou is dat de hoofdpersonen er door schade en schande achter moeten komen dat ze het leven niet zo krijgen als ze zouden willen. Tragische verhaal – in dit verhaal hebben we te maken met mensen die niet perse goed of slecht zijn. Ze doen alleen dingen die wij in het dagelijks leven onderdrukken omdat er een taboe op rust.
Het kenmerk van een bewerende uitspraak is dat er iets wordt gesteld over de werkelijkheid. Een bewering bevat dus altijd iets waar je wijzer van kunt worden over de werkelijkheid.
Objectieve bewering - je kan zeggen of het zo is, of dat het niet zo is. (Feiten zijn dingen die zo zijn of niet) Subjectieve bewering – Je kan niet zeggen dat het zo is, maar je moet eigenlijk zeggen dat je dat vindt. (Meningen zijn dingen die iemand vindt.)
Evaluerende beweringen – In deze bewering zegt de spreker iets over zijn waardering voor iets. – Waarderende beweringen, de spreker drukt zijn gevoelens uit met betrekking tot een object. (Dat schilderij is erg mooi) – Wilsbeweringen, de spreker drukt uit wat hij in de werkelijkheid (on)veranderd zou willen hebben.
Zakelijke beweringen – In een zakelijke bewering zegt de spreker iets over een object, los van iedere waardering. –Feitelijke beweringen, de spreker doet melding van een stand van zaken. ( Dat schilderij kost een half miljoen) – Interpreterende beweringen, De spreker formuleert een standpunt waardoor losse feiten als een samenhangend geheel kunnen worden gezien. En daardoor een nieuwe betekenis krijgen.
Objectief is een feit. Je kunt zeggen of het zo is, of niet. Subjectief is een mening. Je kunt niet zeggen dat het zo is, je moet zeggen dat je dat vindt.
Feit; als we iets tegenkomen, in overeenstemming met een willekeurige afspraak.
De kwaliteit van een goede interpretatie.
Het ‘kannibaal’ karakter van een interpretatie. Daarmee wordt bedoeld dat een goede interpretatie concurrerende interpretaties opneemt in het verklarende kader. Het differentiërende karakter van een interpretatie. Hiermee wordt bedoeld dat een goede interpretatie juist verschillen en overeenkomsten zichtbaar maakt die je zonder die interpretatie niet zou verwachten Het fundamentele karakter van een interpretatie. Hiermee wordt bedoeld dat een goede interpretatie gefundeerd is op de meest fundamentele uitgangspunten of vooronderstellingen die je maar kunt bedenken.
Meningsverschil; een tegenstrijdige bewering over hetzelfde object.
Autonomie - zichzelf de wet stellen. De hoogste vorm van vrijheid, namelijk rijheid van je innerlijke driften.
3 uitspraken Socrates; Ken Uzelf!, Kennis is Deugd, Kennis komt van binnen uit.
Geldige redenering: een redenering waarbij de conclusie logisch noodzakelijk uit de argumenten volgt. Om te bepalen of een redenering geldig is, wordt alleen gelet op de woorden met een logische betekenis; alle, een, geen, sommige, alleen, niet, of, als enz.
Drogredenen: redeneerfout die per ongeluk of opzettelijk worden gemaakt, in de hoop het gehoor van een bepaalde conclusie te overtuigen.
5 soorten kennisuitspraken: empirische uitspraken – empeiria (Gr) ‘ervaring op basis van zintuiglijke gegevens.’ In een empiristische uitspraak zeggen we dat iets door middel van de zintuiglijke waarneming is te controleren op waarheid. Analystische uitspraken – om te kijken of de uitspraken kloppen is waarneming niet nodig. Uitspraken gebaseerd op onze innerlijke waarneming of ons gevoel. Ze zijn vaak niet controleerbaar.

Inductieve uitspraken. Dit zijn uitspraken die men op grond van zintuiglijke waarnemingen doet, maar die wel verder gaan. Metafysische uitspraken - Dit zijn uitspraken waarbij het moeilijk vast te stellen is of ze waar zijn of niet. Meestal drukken ze iets wezenlijks uit en gelden ze voor de werkelijkheid als geheel.
Argumentum ad hominem – op de man spelen. Als je karaktereigenschappen van de tegenpartij in discussie brengt. Post hoc ergo propter hoc – Misplaatst oorzakelijk verband‘sinds’ ß grote kans dat je met deze drogreden te maken hebt.
Argumentum ad populum – je beroepen op een makkelijk vooroordeel. Populair doen, wij/zij onderscheid maken. ‘iedereen’
Secundum quid – overhaaste generalisering.
Petitio principii- cirkelredenering. Gebruik je uitgangspunt als argumenten. ‘echt’
Argumentum ad consequentiam – wijzen op vervelende gevolgen. ‘Dat zou gevolg hebben’ ‘dan zouden’. Onaangenaam, niet wezenlijk consequenties van het standpunt.
Opstapeling van argumenten – argumenten die allemaal zijdelings met het onderwerp te maken hebben.

Er zijn twee opvattingen over de bron van kennis.
- Rationalisme; bron van zekere kennis is het verstand.
- Empirisme; bron van zekere kennis zijn zintuigen (geen vervorming van ideeën).

De drie zieledelen van de mens volgens Plato.
De maatschappij is opgebouwd uit drie standen: werkende stand (ambachtslieden, boeren, handelaars), 'wachters' (politie en soldaten) en regenten. Deze standen komen overeen met de drie grondkrachten van de ziel: het epithumètikon (driftleven), het thumoeides (doorzettingsvermogen) en het logistikon (redenerend en kennend verstand.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.