Monetarisme

Beoordeling 3.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 796 woorden
  • 18 maart 2002
  • 7 keer beoordeeld
  • Cijfer 3.3
  • 7 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!
Begrippen Economie Hoofdstuk 6; De Kern van Economie.


Geld = ongedifferentieerde koopkracht die algemeen, door iedereen wordt aanvaard.

Ongedifferentieerde koopkracht = je kunt er overal mee terecht, voor geld is bijna alles te koop

Nominale waarde = De waarde die op de munt vermeld staat.

Intrinsieke waarde = De stoffelijke waarde van de munt.

Credit cards = Met een kaart en het plaatsen van een handtekening kan worden betaald.


Standaard munt = basis munt

Gouden Standaard = goud is de basis van het geldstelsel.

Goudenmuntenstandaard = gouden munten zijn als betaalmiddel in omloop. (in NL tot
1914)

Goudkernstandaard = Goud is opgeslagen bij circulatiebank, bankbiljetten zonder intrinsieke waarde zijn in omloop. De bankbiljetten zijn bij de circulatiebank in te wisselen tegen een vaste hoeveelheid goud. (in NL tussen 1918 en 1936).

Papieren standaard = vaste verhouding tussen gulden en hoeveelheid goud verbroken. (vanaf 1936)

Deviezen = buitenlandse geldsoorten voor internationale betalingen. Dekking is meestal ruim boven de 100%.

Betton Woods = afspraken over een vaste verhouding met de dollar. De dollar is een vast gewicht aan goud waard tot 1971 daarna is dat opgeheven. Vanaf dat moment word goud minder als betaalmiddel gebruikt, men gebruikt liever dollars of D-marken.


Sleutelvaluta = Dollar, Duitse mark, Yen en misschien word de euro ook een sleutelvaluta.

Giraal geld = direct opvraagbare tegoeden bij de bank.

Dagafschrift = daar staan de veranderingen (mutaties) van het tegoed op vermeld.

Chartale geld = Contant geld, geld in de vorm van munten en biljetten.

Maatschappelijke geldhoeveelheid = Al het geld dat in handen is van het publiek.

Publiek = onder publiek word iedereen behalve de geldscheppende instellingen
verstaan; de consumenten, de ondernemingen en de overheid.

Substitutie = Omzetting van chartaal geld in giraal geld of andersom.

Balans = overzicht van bezittingen (activa) en het vermogen dat een onderneming heeft aangetrokken (passiva).

Activa = 1. Kas
2. Tegoed bij DNB
3. Debiteuren (verleende kredieten)
4. Vreemde valuta’s (buitenlandse betaalmiddelen)
5. Overige betaalmiddelen

Passiva = 1. Rekening-couranttegoeden
2. Termijndeposito’s (tegoeden voor een bepaalde periode, b.v. 6 maanden)
3. Spaartegoeden
4. Overige passiva.

Geldschepping = Vergroting van de maatschappelijke geldhoeveelheid.

Geldvernietiging = Vermindering van de maatschappelijke geldhoeveelheid.

Transformatie = ‘niet-geld’ word omgezet in geld, b.v. als buitenlands geld word omgewisseld in guldens, dit is geldschepping.

Termijndeposito = Als iemand geld voor een bepaalde tijd vast zet en er die periode niet over kan beschikken. Als de client het na de bepaalde tijd op zijn rekeningcourant laat storten is er sprake van transformatie.

Kredietverlening = de belangrijkste vorm van geldschepping. Niet geld word geleend en omgezet in geld.

Wederzijdse schuldaanvaarding = aanduiding voor kredietverlening

Debiteur = kredietnemer, hij is geld schuldig aan de bank.

Liquiditeit = Het vermogen van een bank om aan normale opvragingen van de rekeninghouders te voldoen.

Solvabiliteit = Het vermogen om niet terugbetaalde kredieten uit eigen middelen op te vangen.

Primaire liquiditeitenmassa = Het girale en chartale dat niet in handen is van de geldscheppende instellingen, de maatschappelijke geldhoeveelheid dus, noemen we primaire liquiditeitenmassa ook wel M1 genoemd.

Secundaire liquiditeiten = Kortlopende vorderingen van het publiek op geldscheppende instellingen, ook wel ‘bijna geld’ genoemd. Voorbeeld hiervan zijn kortetermijndeposito’s, tegoeden in vreemde valuta’s en spaargelden met een looptijd korter als 2 jaar. Ook wel M2 genoemd

Binnenlandse liquiditeitenmassa = M1 + M2 = M3

Transactiemotief = Het deel van de geldhoeveelheid dat bestemd is voor de transacties

Actieve kassen = het geld wat tot het transactiemotief behoord word ook wel zo genoemd.

Inactieve kassen = geld dat niet voor transacties bestemd is, het geld is opgepot.

Voorzorgsmotief = geld dat tot de inactieve kassen behoord kan inactief zijn omdat het uit voorzorg is weggezet.

Speculatiemotief = Een tweede reden dat geld in de inactieve kas zit is dat het gunstiger is het pas later te beleggen omdat men verwacht dat de winst dan gunstiger is.

De hoogte van de inactieve kassen is afhankelijk van de rentestand. Als de rente laag is zal de inactieve kas een grote inhoud hebben.

Oppotting = Geld overgeheveld van actieve naar inactieve kas

Ontpotting = Geld overgeheveld van inactieve kas naar actieve kas.

Omloopsnelheid = de gemiddelde snelheid waarin het geld van eigenaar wisselt in een jaar. = V

Geldstroom = De maatschappelijke geldhoeveelheid vermenigvuldigd met de omloopsnelheid

Goederenstroom = gemiddelde prijs van transacties vermenigvuldigd met het aantal transacties.

Monetaire inflatie = Als MV groter wordt. Geldschepping en ontpotting zijn dan groter als geldvernietiging en oppotting.

Monetaire deflatie = MV word kleiner.

Monetair evenwicht = MV blijft stabiel

MV = PT (prijsniveua van transacties keer aantal transacties)

Verkeersvergelijking van Fisher = De gelijkheid MV = PT

Prijsinflatie = De prijzen worden hoger dus P

Deflatie = de geldstroom neemt af door geldvernietiging of oppotting.

Monetaristen = Een kleine groep economen die denken dat de geldcirculatie een zelfstandige invloed heeft op het economisch proces.
Geldgroeiregel = de centrale bank van een land moet zorgen dat de geldhoeveelheid elk jaar met een vaste hoeveelheid stijgt.

Krapgeldpolitiek = Niet teveel geld scheppen om structurele werkloosheid en ontreddering te voorkomen.

Stagflatie = combinatie van inflatie en werkloosheid, veroorzaakt door teveel geldschepping.

Monetaire financiering = Geld word in omloop gebracht dat nog niet eens is verdiend.

Kosteninflatie = prijzen stijgen, b.v. olieprijs waardoor er inflatie instaat

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.