Samenvatting Levensloop H1 - Kiezen

 

Economie gaat over het maken van keuzes (alternatieven tegen elkaar afwegen).

Economie gaat over de spanning tussen behoeften en middelen.

Consumeren: Het kopen van goederen en diensten door de eindgebruiker.

Investeren: Het kopen van goederen en diensten om er verder mee te produceren en winst mee te maken.

Schaarste: De spanning tussen oneindige behoeften en beperkte middelen. schaars

- Relatief: als er een offer of inspanning moet worden gegeven om het te verkrijgen. Kost geld. (economie)

- Absoluut: goed schaars als er gebrek aan is. Vrije goederen. (dagelijks)

Opofferingskosten: De gederfde opbrengsten van het beste, niet gekozen, alternatief.

Budgetvergelijking: (vb: 10=0,25b+0,08s)

De formule die de mogelijke combinaties laat zien die je met een budget hebt.

Budgetlijn: Geeft alle verschillende combinaties van twee bestedingsmogelijkheden aan bij een bepaald budget.

- Verandering budget > evenwijdige verschuiving

- Verandering 1 van de prijzen > verandering van de helling

Reëel inkomen: koopkracht (De hoeveelheid goederen en

diensten die je voor dat geld kunt kopen) Nominaal inkomen : Prijzen X 100

Nominaal: Budget uitgedrukt in euro’s

 

Speltheorie:

Spelers:

- Nemen beslissingen.

- Handelen rationeel, streven naar hoog mogelijke uitbetaling.

Informatie:

- Symmetrisch: Spelers weten evenveel van elkaar. (Elkaar afstemmen)

- Coöperatief: Spelers werken samen

- Niet-coöperatief: Spelers beconcurreren elkaar (niet vertrouwen).

Strategie:

- Voor elke denkbare situatie keuze voorbereid > strategie ontwikkeld.

- Op gericht om hoog mogelijke uitbetaling te krijgen.

Resultatenmatrix/opbrengstmatrix

Een tabel waarin de opbrengst van elke strategie is weergegeven. Bedragen zijn netto (achteraf).

 

Bij oplossen van speltheoretische situatie zoeken we naar evenwicht > voorspelling van uitkomst van het spel.

Dominante strategieën: De strategie die het meeste oplevert, ongeacht de strategie van een ander.

Gedomineerde strategie

De strategie die in alle gevallen het minst oplevert.

Coöperatieve strategie = tit-for-tat: Waarin de een precies hetzelfde doet als de ander.

Begint met samenwerken, maar als tegenspeler van strategie verandert

en niet meer samenwerkt, dan werk jij ook niet meer samen.

Bindende afspraak: Beiden houden zich aan de afspraak, omdat ze er beide belang bij hebben zich aan de afspraak te houden. Er ontstaat samenwerking. Kan ook een contract zijn.Free-ridergedrag / meeliftersgedrag: Het profiteren van anderen.

Meer dan 2 personen bij betrokken > veelpersoonsdilemma.Sanctie: Een straf (voor bijvoorbeeld free-riden)

Samenvatting Levensloop H2- Jeugd

Overheidsbijdrage kinderopvang = inkomensafhankelijk: verdienen de ouders een hoog inkomen, dan is de bijdrage van de overheid laag. En andersom.

Overheidsbijdrage kinderen = kinderbijslag: leeftijdsafhankelijk.

Vanaf je 16e en ga je naar hbo of universiteit > geen kinderbijslag meer. Zij kunnen een studiefinanciering aanvragen. Kinderen op mbo tot 18e kinderbijslag.

Stroomgrootheid: Grootheid die over een bepaalde periode wordt gemeten:

- Maandloon

- Aflossing hypotheekschuld - Winst

Voorraadgrootheid: Grootheid die op een bepaald moment wordt gemeten:

- Vermogen

- Schuld aan de bank

- Aantal werklozenOver inkomen moet inkomensheffing worden betaald, bestaat uit: inkomstenbelasting en premies voor de volksverzekeringen. Het is een jaarbedrag. Wordt na een jaar vastgesteld door belastingdienst. Elke maand betaal je al een voorheffing, dit betaalt de werkgever aan de belastingdienst.

Als je maar een paar maanden werkt, kun je de teveel betaalde voorheffing terugvragen door het invullen van een teruggavenbiljet (T-biljet).

 

Algemene heffingskorting: Een bedrag dat in mindering wordt gebracht op de te betalen loonheffing.

Nettoloon = btoloon – loonheffing.

Lorenzkromme / lorenzcurve: Hoe de inkomens verdeeld zijn over personen.

De gecumuleerde moeten in de curve worden ingevuld vanuit tabel. We spreken van GELIJK of ONGELIJK als het gaat om de curve.

Gini-coëfficiënt: een getal die de verdeling van de inkomens over de bevolking geeft. Altijd een waarde tussen 0 en 1. Hoe dichter bij 1, hoe schever de verdeling.

Gini-coëfficiënt

A = oppervlakte tussen diagonale lijn en lorenzcurve.

B = oppervlakte onder de lorenzcurve.

Besteedbaar inkomen: Inkomen na aftrek van belastingen en premies, inclusief overdrachtsinkomens (bijv. kinderbijslag)

Nivellering: Het kleiner worden van de relatieve inkomensverschillen.

Denivellering: Het groter worden van de relatieve inkomensverschillen.

Degressief stelsel: Waarbij de belastingheffing procentueel daalt, als het inkomen stijgt. Proportioneel stelsel: Waarbij er in verhouding door iedereen evenveel belasting wordt betaald.

Progressief belastingstelsel: Waarbij hogere inkomens relatief meer belasting betalen dan de lagere inkomens.

Consumeren: Ruilen over de tijd, nu uitgeven of sparen.

Sparen is consumptie uitstellen. Lenen is consumptie vervroegen.

Keuze tussen sparen of lenen spelen opofferingskosten een rol, deze hangen samen met de tijd. Je moet bijvoorbeeld rente betalen over een lening, en sparen levert geld op door rente. Een ander voorbeeld zijn prijsstijgingen en verwachte prijsstijgingen.

Als je doorleert, heb je over de hele levensloop een hoger inkomen. Tijdens de studieperiode investeert de laatverdiener in zijn menselijk kapitaal (kennis + vaardigheden). Hierdoor wordt de verdiencapaciteit later hoog.

 

Samenvatting Levensloop H3 – Risico en informatie

Transactiekosten

Alle kosten die worden gemaakt om de transactie tot stand te brengen en af te wikkelen. (tijd, geld en moeite)

Risico’s transactie groter zijn -> transactiekosten nemen toe.

Volledig contract: Alle onvoorziene gebeurtenissen zijn opgenomen in het contract.

Risicoaversie Risicomijdend.

Een hekel hebben aan risico, als gevolg van onverwachte nadelige gevolgen -> Het verlangen om risico’s uit te schakelen. -> verzekeren

Asymmetrische informatie

In de relatie tussen koper en verkoper is er sprake van asymmetrische informatie: de ene partij weet dan meer dan de andere partij.

Wapenen tegen asymmetrische informatie -> extra transactiekosten.

Als een markt niet goed meer functioneert, is er sprake van marktfalen.

Verzekering: Overeenkomst tussen een verzekeraar en een verzekerde waarbij de verzekerde tegen betaling van een premie de garantie krijgt dat een schade aan de verzekerde door de verzekeraar wordt vergoed.

- De vraag naar verzekeringen is afhankelijk van de hoogte van de risico-aversie bij de consument, de hoogte van de premie en het inkomen van de consument.

- De hoogte van de (verzekerings-) premie is afhankelijk van de kans dat de fiets gestolen wordt en de prijs van de fiets. (Als er een kans is van 1 op 20 in één jaar dat je fiets gestolen wordt en de gemiddelde dagwaarde van een fiets is € 600 dan bedraagt de premie 1/20 × € 600 = € 30. Dit nog afgezien van de andere kosten van de verzekeringsmaatschappij zoals administratiekosten en overheadkosten en afgezien van de winstopslag voor de verzekeringsmaatschappij.

Moral hazard (moreel risico, moreel wangedrag) Het gevaar dat mensen of instellingen zich roekeloos en onverantwoord gaan gedragen, als ze zelf niet opdragen voor de kosten.

- (Stel dat als gevolg van moreel wangedrag het risico dat een fiets gestolen wordt stijgt van 1 op 20 fietsen naar 1 op 10 fietsen. Dat betekent dan een verdubbeling van de premie van € 30 naar € 60.)

Voor de fietser die wel over een degelijk fietsslot beschikt en zijn fiets altijd afsluit kan de verhoging van de premie een reden zijn om zich niet meer te verzekeren. = Averechtse selectie… Averechtse selectie

De goede (de lage) risico’s draaien op voor de slechte (hoge) risico’s. Als de goede risico’s massaal besluiten de verzekering op te zeggen, blijven alleen de slechte risico’s over en zal de premie drastisch stijgen. Er is hier sprake van averechtse selectie: de verzekeraar wil graag de goede risico’s als klant, maar hij bereikt het tegendeel: zijn klanten zijn de slechte risico’s. De goede (lage) risico’s verzekeren zich niet meer en alleen de slechte (hoge) risico’s blijven over. Verzekeren is dan niet meer zinvol omdat de premie de grens nadert waarop het niet meer zinvol is de fiets te verzekeren.

Averechtse selectie voorkomen:

- Verplichte verzekering. (=Collectieve dwang) De goede risico’s moeten zich dan verzekeren, waardoor de gemiddelde premie laag blijft.

- Premiedifferentiatie. Hoge risico’s betalen dan meer premie dan lage risico’s. (Nadeel: hoge transactiekosten)

- Eigen risico. Een eigen risico houdt in dat het eerste deel van het schadebedrag voor rekening komt van de verzekerde en niet voor de verzekeraar. Door een hoger eigen risico kan de premie lager zijn.

- Bonus-malusregeling: Korting op te betalen premie naarmate je meer jaren rijdt zonder een schade bij de verzekering te claimen.

Sociale zekerheid

- Voorzieningen (de bijstand) worden betaald uit belastingen.

- Verzekeringen worden betaald uit premies. (De premie bij sociale verzekeringen is inkomensafhankelijk)

Sociale verzekeringen:

- Werknemersverzekeringen (voor mensen in loondienst)

- Volksverzekeringen (gelden voor iedereen)

Sociale verzekeringen dekken het verlies van inkomen bij:

- ziekte (ZW)

- werkloosheid (WW)

- arbeidsongeschiktheid (WIA)

- ouderdom (AOW) andere sociale verzekeringen dekken de kosten van geneeskundige zorg (AWBZ) of kinderen (AKW).

Sociale verzekeringen zijn gebaseerd op solidariteit: de rijke komt op voor de arme, de gezonde voor de zieke, de werkende voor de werkloze. Niemand kan uitgesloten worden van een sociale verzekering, iedereen wordt geaccepteerd.

Werknemersverzekeringen

De premies voor deze verzekeringen worden betaald door de werkgever.

WW: Werkloosheidwet, ZW; ziektewet, WIA: Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (arbeidsongeschiktheid). Volksverzekeringen

Volksverzekeringen zijn verplicht voor alle Nederlanders. De uitkering is meestal een vast bedrag. Er zijn vier volksverzekeringen:

AOW: Algemene Ouderdomswet, AWBZ: Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, Anw: Algemene Nabestaandenwet, AKW: Algemene Kinderbijslagwet.

De i/a-ratio

Verhouding tussen inactieven (mensen met een uitkering) en actieven (werkenden) in een land. Een lage I/A is beter.

Zorgverzekeringswet (De Zvw)

Voor iedereen (Uniform), verplicht basispakket: huisarts, medicijnen, specialisten.

Je betaalt een nominale premie aan de verzekeraar en een inkomensafhankelijke premie aan de belastingdienst.

- Een deel van de zorgkosten is voor eigen risico.

- Verzekeringsmaatschappijen hebben een acceptatieplicht.

Zij mogen niemand uitsluiten (geen risicoselectie).

- Mensen met een laag inkomen krijgen van de overheid een zorgtoeslag als bijdrage in de premie.

- Naast de basisverzekering kunnen mensen een aanvullende verzekering afsluiten (tandarts). De aanvullende verzekeringen zijn particuliere verzekeringen en ze zijn vrijwillig.

 

Principaal en agent

De principaal is de opdrachtgever en de agent voert de opdracht uit. De belangen van de principaal en de agent kunnen verschillen. De principaal – bijvoorbeeld de werkgever – wil de agent – bijvoorbeeld de werknemer – zo weinig mogelijk loon betalen en de agent/werknemer wil juist een zo hoog mogelijk loon.

Solidariteit: Saamhorigheid. Met elkaar, voor elkaar. Belang van de groep boven je eigen belang. Mensen die werken betalen voor de inactieven.

 

Samenvatting Levensloop H4 – Inkomen en belasting

De arbeidsmarkt is een abstracte markt (= het geheel van vraag en aanbod van een product. Een abstracte markt kun je niet lijfelijk bezoeken) waar werkgevers personeel vragen (vraag) en werknemers en werkzoekenden zich aanbieden (aanbod = werknemers die een baan hebben, de zelfstandigen en de werklozen). -Concrete markt:

Een markt waar je heen kunt om te handelen, bijvoorbeeld vismarkt.

Vakbonden (werknemersbonden) en werkgevers(-bonden) onderhandelen over de arbeidsvoorwaarden van de werknemers en leggen dit vast in een collectieve arbeidsovereenkomst (cao). In een cao worden in de eerste plaats het loon en de normale arbeidstijd geregeld en daarnaast vakantieregelingen, pensioen, overuren en reiskostenvergoedingen.

 

Inflatie, koopkracht(reële loon) en reële rente

Door inflatie (=prijsstijging) daalt de koopkracht van het loon.

 

indexcijfer nominale loon

Indexcijfer koopkracht =

———————————– × 100

prijsindexcijfer

Door inflatie is de reële rente lager dan de nominale rente

 

indexcijfer nominale rente

Indexcijfer reële rente = ————————– × 100

prijsindexcijfer

Om te kunnen produceren zijn productiefactoren of productiemiddelen nodig. We maken onderscheid tussen de volgende

Productiefactoren: Beloningen:

- Kaptiaal à Rente

- Arbeid à Loon

- Natuur à Pacht

- Ondernemerschap à Winst

Loonheffing

Als werknemer verdien je een bepaald (bruto) loon. Op dat loon wordt de loonheffing (een soort voorschot op de inkomensheffing) ingehouden. De loonheffing bestaat uit loonbelasting en premies volksverzekeringen.

De belastingen die de overheid int gaan in de staatskas. Bij het afdragen van belasting weet de belastingbetaler niet waaraan de overheid de belastingen uitgeeft. --- De premie volksverzekeringen betaal je voor de AOW, de Anw en de AWBZ. In tegenstelling tot de belasting hebben deze premies wel een duidelijke bestemming.

Berekening inkomensheffing

bruto jaarinkomen

– aftrekposten (zoals hypotheekrente en pensioenpremies)

= belastbaar inkomen – heffingsbedrag

= netto inkomen

Het heffingsbedrag wordt berekend over de verschillende schijven die op het inkomen van toepassing zijn. De algemene heffingskorting en de arbeidskorting verlagen het bedrag dat uiteindelijk betaald moet worden.

Gemiddeld en marginaal tarief

Bij de belastingheffing past de overheid het draagkrachtbeginsel toe. Hogere inkomens betalen gemiddeld een hoger percentage belasting dan de lagere inkomens. Het belastingsysteem is daarom progressief en leidt tot nivellering van inkomens.

Het gemiddeld belastingtarief/percentage = loonheffing/brutoloon × 100%.

De marginale belastingdruk of het marginaal tarief is gelijk aan het hoogste belastingtarief dat iemand betaalt. ‘Het percentage belasting als je er 1 euro bij gooit.

Een heffingskorting heeft een nivellerende invloed op de inkomensverdeling Het verlengen van de eerste belastingschijf heeft een denivellerende invloed op de inkomensverdeling.

 

Vermogensrendementsheffing

Net als over het inkomen uit arbeid (Box 1) wordt over het inkomen uit vermogen (Box 3) belasting geheven. Deze belasting heet vermogensrendementsheffing. Het heffingstarief bedraagt 30%. De belastingdienst hanteert echter niet het werkelijk verdiende inkomen uit vermogen, maar gaat uit van een fictief rendement van 4%. Over die 4% fictief rendement dient een heffing van 30% te worden betaald. De eigen woning valt daarbuiten en een deel van het vermogen is vrijgesteld van heffing.

Berekening:

Belastbaar vermogen = vermogen op 1 januari – vrijstelling.

Fictief rendement = 0,04 x belastbaar vermogen.

Vermogensrendementsheffing = 0,30 x fictief rendement.

 

Samenvatting Levensloop H5 – Gezin

Koophuis of huurhuis?

Een hypothecaire lening of hypotheek(lening) is een geldlening met een lange looptijd met een onroerend goed. Huis is onderpand bij hypothecaire lening. Als de lener niet de afgesproken rente en aflossing betaalt, valt het onderpand toe aan de bank. In tegenstelling tot de VS waar met het overhandigen van de sleutel van het huis aan de bank de gehele schuld vereffend is, moet in Nederland de lener eventuele restschuld alsnog terug betalen.

Koop

  • Voordelen:

- Hypotheekrenteaftrek

- Huis wordt (meestal) meer waard

- Met een eigen huis doe je wat je wil, jij bent de baas.

- Meer keuze, geen wachtlijsten voor een goede woning.

  • Nadelen:

- Het kopen van een huis kost veel geld, zoals

overdrachtsbelasting.

- Mogelijkheid van waardedaling. Als de markt tegenzit, kan

het verkopen van een huis lang duren.

- Het onderhoud is voor jou.

- Woonlasten kunnen variëren door wijziging rente en

onzekerheid over hypotheekrenteaftrek.

 

Huur

  • Voordelen:

- Niet lenen (geen risico), maar gewoon vaste maandelijkse

lasten.

- Vrijheid, je zit niet aan het huis vast

- Reparaties zijn voor verhuurder

- Mogelijkheid van huursubsidie.

- Huurstijging van de huur is beperkt.

  • Nadelen:

- Moderniseren van de woning loont niet. Vaak moet de

woning bij vertrek weer in de oorspronkelijke staat opgeleverd

worden.

- Weinig keuze en mogelijk lange wachttijden.

- Huur wordt in de toekomst misschien inkomensafhankelijk

Opofferingskosten bij meerpersoonshuishoudens

De opofferingskosten van korter werken zijn afhankelijk van het loon van diegene die korter gaat werken. Als Poorter € 25 per uur verdient en Seegers € 20 per uur, dan zijn de opofferingskosten van korter werken voor Mustafa hoger dan die voor Seegers.

Absolute en comparatieve voordelen

Gordon en Joling zijn een gelukkig stel. Ze werken beiden drie dagen per week en gezamenlijk doen ze de huishoudelijke taken die we voor het gemak indelen in koken, de tuin onderhouden en de kinderen verzorgen. Voor deze werkzaamheden hebben Joling en Gordon de volgende tijd – uitgedrukt in uren per week – nodig.

Koken Onderhoud tuin Verzorgen kinderen

Joling 6 4 8

Gordon 9 8 10

Joling heeft bij alle huishoudelijke taken een absoluut voordeel. Hij doet alle huishoudelijke taken in minder tijd dan Gordon. Als Joling en Gordon besluiten de huishoudelijke taken onder elkaar te verdelen heeft Gordon een comparatief voordeel bij het verzorgen van kinderen. Voor het verzorgen van kinderen heeft Gordon 25% meer tijd nodig dan Joling. Bij koken heeft Gordon 50% meer tijd nodig en bij het tuinonderhoud heeft Gordon zelfs 100% meer tijd nodig dan Joling.

Absoluut voordeel: De ene persoon kan een taak sneller of goedkoper uitvoeren dan een andere persoon.

Comparatief voordeel: Iemand heeft een comparatief voordeel bij de taak waar hij in vergelijking met een ander het minst slecht inis.

Omslagstelsel en kapitaaldekkingsstelsel

De meeste particuliere en sociale verzekeringen werken volgens het omslagstelsel: de premies die ze nu ontvangen worden gebruikt om nu uitkeringen te doen.

Pensioenen, levensverzekeringen en uitvaartverzekeringen werken volgens het kapitaaldekkingsstelsel. Gedurende een groot deel van het leven betalen mensen premies die door de verzekeraar belegd worden om later de uitkering te kunnen betalen. Er is hierbij weer sprake van ruilen over de tijd (men spaart voor later).

 

Samenvatting Levensloop H6 – De oude dag

AOW

Alle mensen van 65 jaar en ouder ontvangen een AOW-uitkering op bestaansminimum. Dat betekent 70% van het minimumloon. Voor gehuwden of samenwonenden is de AOW-uitkering 100% van het minimumloon.

Omslagstelsel en kapitaaldekkingsstelsel

- AOW à Omslagstelsel

De premies die nodig zijn om de uitkeringen in een bepaald jaar te betalen worden omgeslagen over de personen die in dat jaar een inkomen verdienen

- Bedrijfspensioen à Kapitaaldekkingsstelsel

Iedereen die een inkomen heeft, is gedwongen een premie te betalen om op zijn oude dag verzekerd te zijn van een inkomen.

Het bedrijfspensioen is een aanvulling op de AOW-uitkering. Zodoende krijgt een 65-plusser een uitkering die gelijk is aan 80% van het gemiddeld verdiende loon.

 

Waardevast en welvaartsvast

Je kan ervoor kiezen om je AOW-uitkering te

  • Bevriezen: Uitkering blijft gelijk
  • Waardevast te maken: Aanpassen aan de inflatie (gemiddeld prijsniveau) à koopkracht blijft gelijk
  • Welvaartsvast te maken: Aanpassen aan de loonstijging

Dekkingsgraad

De pensioenfondsen ontvangen premiegelden à die worden belegd in onder andere aandelen, obligaties en onroerend goed.

Zo proberen zij dus meer geld ‘te maken’ om uit te keren.

vermogen

De dekkingsgraad= --------------------------------------------- x 100%.

contant gemaakte uitkeringen

Bij een dekkingsgraad van 100% is het vermogen net genoeg om alle uitkeringen te kunnen betalen. De overheid verlangt een dekkingsgraad van 105%.

Samenvatting Levensloop H7 – Ruilen tussen de generaties

Verzorgingsstaat

Een samenleving waarin de overheid zorgt voor sociale zekerheid noemt men een verzorgingsstaat. In een verzorgingsstaat is de solidariteit tussen ziek en gezond, tussen jong en oud en tussen rijk en arm in de wet vastgelegd.

Overdrachten tussen generaties
In onderstaande figuur wordt ervan uitgegaan dat de consumptie tijdens de gehele levensloop op het zelfde niveau ligt. De werkende generatie betaalt de gehele consumptie. Er is sprake van een afdracht van de werkende generatie naar de niet werkende generaties. Dit proces verloopt via de overheid (belastingen en premies). Wat we tijdens de levensloop samen van de overheid ontvangen, weegt gemiddeld op tegen wat we tijdens de levensloop samen aan de overheid betalen.
http://www.lweo.nl/uploads/RTEmagicC_Generatieruil1.png.png
Hierbij zijn jongeren en ouderen netto ontvangers en is de werkende generatie netto betaler van overdrachten.

Overdrachten tussen generaties
In onderstaande figuur wordt ervan uitgegaan dat de consumptie tijdens de gehele levensloop op het zelfde niveau ligt. De werkende generatie betaalt de gehele consumptie. Er is sprake van een afdracht van de werkende generatie naar de niet werkende generaties. Dit proces verloopt via de overheid (belastingen en premies). Wat we tijdens de levensloop samen van de overheid ontvangen, weegt gemiddeld op tegen wat we tijdens de levensloop samen aan de overheid betalen.
http://www.lweo.nl/uploads/RTEmagicC_Generatieruil1.png.png
Hierbij zijn jongeren en ouderen netto ontvangers en is de werkende generatie netto betaler van overdrachten.

 

Vermogen tijdens levensloop
http://www.lweo.nl/uploads/RTEmagicC_Generatieruil2.png.png

Profijt van de overheid (× € 1.000) naar leeftijd in 2006.

De gemiddelde ontvangsten en betalingen gedurende de levensloop.


http://www.lweo.nl/uploads/RTEmagicC_Generatieruil3.png.png

De overdrachten tussen de generaties bestaan niet alleen uit inkomen en vermogen, maar ook uit kennis die in het verleden is vergaard. Toekomstige generaties kunnen een hoger peil van welvaart bereiken dankzij de overdracht van kennis.

Maar niet alles wat nagelaten wordt aan de toekomstige generaties is positief. Milieuproblemen als ontbossing, erosie, het uitsterven van plantensoorten en diersoorten en de klimaatverandering zijn erfenissen van vorige generaties en kunnen de welvaart negatief beïnvloeden. Alleen door duurzame productie worden de welvaartskansen van toekomstige generaties niet geschaad.

Demografische veranderingen

Sterke schommelingen in het geboortecijfer, het sterftecijfer of de levensverwachting kunnen grote veranderingen teweeg brengen in de overdrachten tussen generaties. Omdat jongeren en ouderen voor een belangrijk deel onderhouden worden door de werkende generatie kunnen er problemen ontstaan als de verhouding tussen het aantal werkenden en het aantal niet werkenden scheef groeit.

Groene en grijze druk

De mate van vergrijzing kan worden aangegeven met het begrip grijze druk. Dit is het aantal 65-plussers als percentage van het aantal 20-65-jarigen. (65+ : 20-65 x 100%)

De mate van vergroening geven we aan met het begrip groene druk: het aantal jongeren tot 20 jaar als percentage van de bevolking van 20-65 jaar. (0-20 : 20-65 x 100%)

De grijze en groende druk opgeteld wordt wel de demografische druk genoemd. De demografische druk geeft aan hoeveel jongeren en ouderen afhankelijk zijn van 100 personen in de leeftijd 20-65 jaar. De groep 20-65-jarigen bestaat uit werkenden of actieven (zij die een primair inkomen verdienen) en niet-werkenden zoals werklozen en arbeidsongeschikten.

Kosten van vergrijzing

De vergrijzing brengt hogere kosten met zich mee voor zorg en AOW-uitkeringen. Om de stijgende kosten van de vergrijzing op te vangen worden diverse oplossingen aangedragen zoals:

• De verhoging van de AOW gerechtigde leeftijd.

• Het stimuleren van deelname aan het arbeidsproces.

• Het stimuleren van immigratie.

• Het verhogen van de AOW-premie.

• Het inkomens- en vermogensafhankelijk maken van de AOW-uitkering.

 

 

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.