ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
H 1
Marktaandeel van de afzet= afzet onderneming/afzet van de totale markt  x 100
Constante kosten zijn kosten die niet afhangen van productie (vb verzekeringskosten)
TO= totale opbrengst = omzet
TK= totale kosten                   GTK= gemiddelde totale kosten
TCK= totale konstante kosten     GCK= gemiddelde constante kosten
TVK= totale variabele kosten      GVK= gemiddelde variabele kosten
TW= totale winst
P= prijs
Q= afzet= verkochte hoeveelheid
Omslagpunt= de totale opbrengst gelijk aan je totale kosten TW= 0 dit noemen we ook wel break even punt
TO= P x Q = Totale opbrengst= prijs x afzet
TK= TVK + TCK  = totale kosten= totale variabele kosten + totale constante kosten
Marginale opbrengst en marginale kosten
Elk product verkocht boven break-event afzet levert extra winst op totdat de productiecapaciteit bereikt is, dan haal je de totale maximale winst.
Als de variabele kosten per product toenemen bij een hogere productie kun je niet meer zeggen dat de winst maximaal is bij gebruik van de volledige productiecapaciteit. De gegeven functie van de totale kosten verandert dan
Marginale analyse:
Bij de vraag tot hoever de productie wordt uitgebreid, kijk je of bij het produceren van een extra voorwerp de extra opbrengst van dat voorwerp hoger is dan de extra kosten ervan.
Anders gezegd je kijkt of de marginale opbrengst groter is dan de marginale kosten.
De marginale opbrengst geeft aan welk bedrag een ondernemer extra krijgt voor een extra verkocht product.
Om te weten bij welke afzet een ondernemer maximale totale winst behaalt, wordt bij de marginale analyse gekeken of de totale winst toeneemt als de productie met een extra eenheid product wordt uitgebreid. De totale winst stijgt zolang de marginale opbrengst van dit product groter is dan de marginale kosten. En als de marginale kosten groter wordt dan de marginale opbrengst daalt de omzet.

H2
WA= wettelijke aansprakelijkheid -> het gaat daarbij om de schade die de verzekerde bij de andere weggebruikers veroorzaakt.
Risico-aversie= mensen zijn afkerig  van risico’s en wapenen zich heirtegen door een verzekering af te sluiten.
Een verzekering is een overeenkomst tussen een verzekeraar en een verzekerde waarbij de verzekerde een bedrag per maand betaalt aan de verzekeraar, die in ruil hiervoor de garantie geeft dat de schade aan een verzekerde wordt vergoed
Premie= kans op schade x de gemiddelde hoogte van de verwachte schade
Voor een verzekeraar is het van belang dat zich voldoende mensen aanmelden voor een verzekering zodat het risico gespreid kan worden
averechtse selectie: Het kan voorkomen dat mensen met een laag risico zich niet meer gaan verzekeren, ze verwachten goedkoper uit te zijn door de schade zelf te betalen. Het gevolg is dus dat alleen de slechte risico nog een verzekering hebben. Hierdoor stijgt het gemiddelde risico en dus de uitkeringen van de verzekeraar -> die zal weer de premie verhogen waardoor er nog meer mensen hun verzekering opzeggen. Dan is er averechtse selectie
Averechtse selectie kan worden bestreden door iedereen te verplichten zich te verzekeren. Er wordt dan collectieve dwang toegepast, de goede risico’s moeten zich dan verzekeren, waardoor de gemiddelde premie lager blijft.
Een andere manier is premiedifferentiatie hierbij moeten de slechte risico’s meer premie betalen dan de goede risico’s dit komt voor bij WA autoverzekeringen.
Moreel wangedrag of moral hazard is het immorele gedrag of slecht gedrag dat een verzekerde gaat vertonen als een verzekering is afgesloten. <- tegengaan : door het instellen van eigen risico. Bij schade moet de verzekerde eerst een bedrag zelf betalen. De schade boven dat bedrag wordt vergoed door de verzekeraar..
Als de ene partij over meer informatie beschikt dan de andere partij spreken we van asymmetrische informatie.


H 4

Er zijn drie belangrijke redenen om te vliegen:
Zakelijk verkeer – toerisme – transport
De vraag van zakelijke vliegrijzen hangt sterk af van de groei van de economie en de economische samen werkingen tussen landen.
Bij toeristische vliegreizen spelen andere factoren een rol zoals:
Prijs – net als bij andere goederen en diensten wordt de vraag naar vliegreizen beïnvloed door de prijs. De daling van vliegprijzen heeft mede geleid tot een sterk groeiende vraag.
Stand van de economie -  als de economie is goed is de vraag naar vliegreizen ook meer
Globalisering – doordat landen steeds meer met elkaar verbonden raken op cultureel , economisch en politiek vlak, komen er steeds meer contacten tussen burgers en bedrijven. Dit beïnvloed de behoefte aan vliegverkeer
Bevolkingsomvang – hoe groter de bevolking , hoe meer reizigers er zijn
Behoefte – door meer vrije tijd is de behoefte aan vakanties groter.
Prijzen van andere vervoermiddelen – als de prijs van auto/trein duurder wordt zal de vraag naar vliegreizen groeien. Reizen met de auto of de trein zijn substitutiegoederen van vliegreizen omdat ze deze kunnen vervangen.
Prijzen van aanvullende goederen – veel vliegreizigers parkeren hun auto voor lange tijd op de luchthaven. Lang parkeren is een complementaire goed van vliegreizen. Complementaire goederen zijn goederen die elkaar aanvullen, ze horen bij elkaar. Als de parkeerprijs omhoog gaat kan de vraag naar vliegreizen dalen.
Het maximale bedrag dat iemand ergens voor wilt betalen noemen we betalingsbereidheid
Als je minder hoeft te betalen dan je verwachtte, je zou kunnen zeggen dat ze voordeel hebben. En dit voordeel noemen we consumentensurplus.
het consumentensurplus is het verschil tussen de betalingsbereidheid van de consument en de prijs die hij moet betalen
het verband tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid kan worden weergeven met een vergelijking, de vraagfunctie. Als de prijs van een bepaalde reis daalt , zal de vraag ernaar stijgen.
Het verband tussen de prijs en vraag is negatief verband. Bij een negatief verband reageert het gevolg( verandering van de vraag) tegengesteld op de oorzaak( verandering van de prijs)
Prijs omhoog – vraag omlaag                    prijs omlaag – vraag omhoog
Verschuiving  over of langs de vraaglijn
Als de prijs van een product verandert, verandert de vraaglijn niet: je krijgt een ander punt op dezelfde vraaglijn. Bij een hogere prijs hoort op dezelfde vraaglijn een lagere gevraagde hoeveelheid en bij een lagere prijs hoort een hogere gevraagde hoeveelheid. Als de prijs verandert vindt er een verschuiving over of langs de vraaglijn plaats. Het negatieve verband tussen prijs en vraag geldt alleen onder de voorwaarde dat alle andere factoren die invloed hebben op de vraag gelijk blijven. We noemen dit ceteris-paribusvoorwaarde andere factoren die van invloed zijn op de prijs zijn bijvoorbeeld de inkomens, de behoeften en de prijzen van andere producten. Als tegelijkertijd met de prijs bijvoorbeeld het inkomen stijgt dan weet je niet wat er met de gevraagde hoeveelheid gebeurt.
Verschuiving van de vraaglijn:
De vraaglijn verschuift naar rechts bij een stijging. De vraaglijn kan ook naar links verschuiven door bv inkomen daalt.  Redenen voor het verschuiven van de vraaglijn:
Het aantal vragers verandert – de prijzen van andere goederen en diensten veranderen
Het inkomen van de consument verandert -  de behoefte en voorkeuren van de consument veranderen
Het verschil tussen de prijs die een aanbieder minimaal wil ontvangen en de marktprijs noemen we het producentensurplus
Er is dus een positief verband tussen de prijs en de aangeboden hoeveelheid
Prijs omhoog – aanbod omhoog           prijs omlaag -  aanbod omlaag
Als de prijs van een product verandert, verandert de aanbodlijn niet, je krijgt alleen een ander punt op de lijn. Lagere prijs lagere hoeveelheid     hogere prijs    hogere hoeveelheid. Dat komt omdat er voor producenten bij en hogere prijs meer kans is op winst dan bij een lagere prijs.
Door de vraagfunctie en de aanbodfunctie van een product in een grafiek te tekenen kan het marktevenwicht grafisch worden afgeleid. Het snijpunt van beide lijnen is het evenwichtspunt. De gevraagde hoeveelheid is dan gelijk aan de aangeboden hoeveelheid. Je kunt op de verticale as de evenwichtsprijs aflezen en op de horizontale as de evenwichtshoeveelheid aflezen. Totale surplus is de som van consumentensurplus en het producentensurplus.
Het marktevenwicht kan ook berekend worden door Qa en Qv aan elkaar gelijk te stellen. Je krijgt dan eerst de evenwichtsprijs. De evenwichtshoeveelheid vind je door de evenwichtsprijs in te vullen in de Qa-vergelijking of in de Qv-vergelijking.
bij het marktevenwicht is het totale surplus maximaal. Het totale surplus wordt vaak gebruikt als maatstaaf voor de welvaart.

H5
Een extern effect is een gevolg van productie en/of consumptie voor de welvaart van anderen dat niet in de prijs van het product is doorberekend. Het is een negatief extern effect als je auto gaat rijden en er komt file je beïnvloed de ander negatief. Er zijn ook positieve externe effecten, dat houdt in dat de beslissing die iemand maakt de welvaart van andere vergroot zonder dat anderen hiervoor hoeven te betalen.
Private kosten en opbrengsten: als je bij het nemen van een beslissing naast de private kosten ook rekening houdt met de negatieve externe kosten dan kijk je naar de maatschappelijke kosten. Evenzo bestaan de maatschappelijke opbrengsten uit de private opbrengsten en de positieve externe effecten. Om de externe effecten te verwerken heft de overheid belastingen
Als het aantal autokilometers procentueel meer afneemt dan de prijs procentueel stijgt, dan is de vraag zeer prijsgevoelig of prijselastisch. De vraag neemt dan in verhouding sterker af dan de prijs stijgt. Als het aantal autokilometers procentueel minder afneemt dan de prijs procentueel stijgt, dan is de vraag minder prijsgevoelig of prijsinelastisch. Een procentuele verandering kin je berekenen met de formule
Procentuele verandering= nieuw-oud/ oud  x 100%
De prijselasticiteit van de vraag (Ev ) kan berekend worden met de formule
Ev(prijselasticiteit) =procentuele verandering van de vraag/               gevolg
procentuele verandering van de prijs                   oorzaak
bij een elasticiteit staat de oorzaak, de actie, altijd in de noemer en het gevolg, de reactie, in de teller. De prijselasticiteit van de vraag levert een negatief getal op. Dit komt omdat een prijsstijging leidt tot een daling van de vraag en een prijsdaling tot een stijging van de vraag. Er is dus een negatief verband tussen de prijs(oorzaak) en de vraag ( gevolg). Een uitzondering vormen de statusgoederen. In de kunsthandel zien we soms dat een prijsstijging juist tot een toename van het aantal vragers.
Een prijselasticiteit van de vraag van -0.5% betekent dat een prijsstijging van 1% een daling van de vraag veroorzaakt van 0.5%. een prijselasticiteit van -3 betekent dat een prijsdaling van 1% een stijging van de vraag van 3% tot gevolg heeft. De prijselasticiteit.  De prijselasticiteit van de vraag(Ev) geeft aan hoe prijsgevoelig de vraag is. Er zijn verschillende mogelijkheden
1.    De Ev, los van het minteken liggen tussen de 0 en 1. De vraag is dan inelastisch. De procentuele verandering van de vraag is dan kleiner dan de procentuele verandering van de prijs. Bijvoorbeeld een prijsstijging van 20% lijdt tot een vraagdaling van 10%
2.    De Ev is nul. De vraag reageert helemaal niet op een prijsverandering. We spreken dan van een ‘volkomen’ inelastische vraag. De vraag naar medicijnen is daarvan een voorbeeld. Medicijnen heb je in elk geval nodig. Een verdubbeling van de prijs zal dan geen effect hebben op de vraag naar medicijnen
3.    De Ev kan, los van het minteken, groter zijn dan 1. De vraag is dan elastisch. De procentuele verandering van de is in dit geval groter dan de procentuele verandering van de prijs
Bestaan er substitutiegoederen(alternatieven) dan is de prijselasticiteit van de vraag hoog. Een verhoging van de prijs leidt in dit geval tot een in verhouding sterkere daling van de vraag omdat consumenten overstappen op het alternatief
De prijselasticiteit hangt ook af van het soort goed. Noodzakelijke goederen zoals brood en water en kleren zijn over het algemeen minder elastisch dan andere goederen. De vraag naar deze goederen zal relatief niet veel veranderen als de prijs verandert: je hebt deze goederen nodig om te kunnen leven. De vraag naar deze goederen is dus prijsinelastisch
Als de vraag inelastisch is kan een prijsstijging leiden tot een hogere omzet. Dit komt omdat de daling van de gevraagde hoeveelheid in verhouding kleiner is dan de prijsstijging. Bij een prijselastische vraag leidt een prijsstijging tot een lagere omzat. Dit komt omdat de hoeveelheiddaling in verhouding groter is dan de prijsstijging.
Er bestaat een positief verband tussen het inkomen en de vraag naar een bepaald goed. Goederen waarvan je meer gaat vragen als het inkomen stijgt, noemen we normale goederen. We kunnen normale goederen verdelen in primaire en luxe goederen. Primaire goederen zijn de eerste levensbehoeften, zoals water , eten en kleding. Luxe goederen zijn goederen die je niet perse nodig hebt, maar die goederen maken het leven wel een stuk aangenamer.
Er zijn ook goederen waarvan de vraag afneemt als het inkomen stijgt dat noemen we inferieure goederen.
Inkomenselasticiteit Ey= procentuele verandering van de vraag/                       gevolg
Procentuele verandering van het inkomen                  oorzaak
Inkomenselasticiteit
Inferieur goed    Ey kleiner dan 0
Primair goed      0-1
Luxe goederen   groter dan 1

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

michiel de jongh

michiel de jongh

hebben jullie geen hfst 6 ofzo?

9 maanden geleden

Antwoorden

gast

gast

R.

R.

H1, H2 H4 goeie..
oh enne averechtse selectie kan niets voorkomen, en vooral niet dat men met laag risico zich niet gaan verzekeren xD
das het tegenover gestelde

~Richard G

2 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

C.

C.

noice

2 jaar geleden

Antwoorden

M.

M.

na

2 jaar geleden

gast

gast

A.

A.

als je gewoon a kwadraat keer b kwadraat doet, dan krijg je c kwadraat, dus al die uitleg hier boven is onnodig.

5 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

R.

R.

thanks man handig om te leren :)

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

L.

L.

hee, superhandige samenvatting!
alleen wat jij H1 noemt is eigenlijk H2 want hoofdstuk 1 is die over soorten vervoer die niks voorstelt

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

I.

I.

goee

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

A.

A.

Bij de verschuiving van een lijn, dus onder andere naar rechts en links, zit er wat fouten in. De betekenissen zitten verkeerd verklaard. De Samenvatting zou ook handig zijn met een paar sommetjes, want theorie heb je wel bij de hand, maar door wat voorbeeld sommetjes toe te voegen, maakt het nog duidelijker

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast