Economie samenvatting hoofdstuk 12,13,14,15

Hoofdstuk 12

$ 12.1 Inleiding

Marktvormen

Er zijn 3 situaties waar de producent enige invloed heeft op de prijs;
1. monopolie
2. oligopolie
3. monopolistische concurrentie

Prijszetting -> houdt in dat de aanbieder binnen bepaalde grenzen zelf bepaalt tegen welke prijs zijn product wordt verkocht.

$ 12.2 Monopolie

Monopolie -> is de marktvorm waarbij slechts 1 aanbieder de voorziening van een bepaald goed verzorgt.

Monopolies kunnen op verschillende manieren ontstaan;
1. wettelijke monopolie – de productie kan door particulieren bedrijven zijn verboden.
2. natuurlijke monopolie – als een bedrijf als enige over de technische kennis en infrastructuur beschikt om een bepaald product voort te brengen, of als de afzetmarkt te klein is.
3. collectief monopolie – als de gezamenlijke aanbieders van een bepaald product, optreden alsof er slechts 1 aanbieder is. Dit kan door middel van een kartelafspraak.

Er komt bijna geen monopolie meer voor, er zijn nu altijd wel substituten voor dat product. De monopolisten kunnen hun prijs niet te hoog maken, anders komen er concurrenten die onder de prijs gaan zitten.

De GO-lijn

TO= P x Q
GO=TO/Q
MO= dTO/dQ

MO=0; de totale omzet is maximaal,de prijs die bij deze omzet hoort, les je af bij de GO-lijn.
MO=MK; de maximale winst
TO-TK; de maximale winst

Winststreven

Een bedrijf hoeft niet altijd naar winst te streven, het bedrijf kan ook streven naar een zo groot mogelijke afzet, dus marktaandeel.

Optimumsituatie

Snijpunt M0-MK zoeken en dan het verschil tussen de GO en GTK. Dat is de maximale winst.
Totale winst; TO= P x Q
TK=GTK x Q + TCK
-
(TW=TO-TK) Totale winst:

MK= dTK/ dQ

DTW= 0
Q

En de afzet die je dan krijgt, vul je in de TW in, en dan krijg je de prijs bij TW. Door die prijs en de afzet te vermenigvuldigen krijg je de TW.
De prijs die bij de afzet wordt gevraagd krijg je door de afzet in de vraagvergelijking in te vullen.

Door middel van gescheiden markten kan de producent een hogere winst halen. Hij deelt de bevolking in marktsegmenten,.hij maakt dan winst omdat hij bij een doelgroep met een inelastische vraag een hogere marktprijs kan vragen.

Van prijsdiscriminatie is sprake wanneer een aanbieder voor hetzelfde product aan verschillende vragers een verschillende prijs vraagt.
Prijsdiscriminatie is niet hetzelfde als prijsdifferentiatie. Bij prijsdifferentiatie berust het prijsverschil op kosten.
Een monopolist heeft verschillende doelstellingen;
- maximale totale winst; MO=MK
- maximale omzet; MO=0
- kostendekking; TO=TK

$ 12.3 Oligopolie

Oligopolie -> is de marktvorm met een klein aantal aanbieders.

Als het aanbod op een markt wordt verzorgd door weinig aanbieders, ondervindt iedere aanbieder in zijn eigen verkopen de gevolgen van de handelingen van de concurrent.

Marktgedrag

Oligopolisten willen hun marktaandeel vergroten door middel van productdifferentiatie. Gevolg van productdifferentiatie is dat de goederen heterogeen worden. Vaak vernieuwen de bedrijven de producten om zo hun omzet te verhogen. Door productdifferentiatie komen er verschillen in de prijzen.

EV= dQ x P EK=dq2 x p1
DP Q dq1 q2

Heterogeenduopolie-> producenten

Prijsbeleid

Bij bepaalde producten is de prijs doorslaggevend voor de koopbeslissing. Er zijn ook producten die zeer gewild zijn door hun hoge prijs. Het prijsbeleid van oligopolistische ondernemingen biedt verschillende mogelijkheden als concurrentiemiddel.

Prijsconcurrentie

Prijsconcurrentie betekent dat een onderneming door de prijsverlagingen probeert haar marktaandeel te vergroten. De concurrenten worden zo ook gedwongen hun prijzen te verlagen. Er kan zo een ware prijzenoorlog ontstaan met als doel de concurrent van de markt te verdringen. De prijs van het product wordt hierdoor instabiel. Na de oorlog komt de prijs weer op het oorspronkelijke peil terecht of hoger.

Prijsleiderschap

Men spreekt van prijsleiderschap als kleinere ondernemingen de prijs-politiek volgen van een of enkele grote sterke ondernemingen. Prijsleiderschap geeft de prijs stabiliteit.

Prijsstarheid

Prijsstarheid houdt in dat ondanks kleine veranderingen in de productiekosten de verkoopprijzen niet veranderen. Dit doen ze omdat als de 1 zijn prijs veranderd ze weten dat de andere de prijs ook moeten veranderen. De prijsverschillen blijven zo bestaan, en hun positie verandert niet.

$ 12.4 Monopolistische concurrentie

Veel ondernemingen proberen door productdifferentiatie hun aanbod te laten verschillen van concurrerende bedrijven. De afnemer maakt onderscheid tussen de ene producent en de andere producent. Door deze kleine verschillen wordt een vaste klantenkring opgebouwd. Daarom is een bepaalde producent voor de groep afnemers, in kwestie de enige aanbieder.
Hierdoor zijn ze binnen zekere grenzen monopolist. Al de prijs-kwaliteit negatief wordt, raakt het bedrijf klanten kwijt.
De marktvorm monopolistische concurrentie wordt gekenmerkt door zeer veel aanbieders die heterogene producten aanbieden.
Door succesvolle marktdifferentiate wordt de markt ondoorzichtiger. Hierdoor merk je prijsverschillen minder goed, want er valt moeilijk te vergelijken.

Kosten en opbrengsten

Omdat er zeer veel concurrenten zijn , zal de vraaglijn elastisch zijn, omdat als het prijsverschil te groot wordt, de klanten makkelijk overstappen.

Wanneer door monopolistische concurrentie grote winsten worden geboekt, treden er meer ondernemingen toe, hierdoor zal de winst per bedrijf dalen.

Hoofdstuk 13

$ 13.1

De overheid grijpt om het prijsvormingsproces in, omdat de markten niet altijd zelf tot maatschappelijk aanvaardbare resultaten komen.

Minimumprijzen

Een minimumprijs wordt ingesteld om de betreffende producten een redelijk inkomen te garanderen, zo wordt de producent beschermt. Dit gebeurt vooral in de agrarische sector.
Minimumprijzen leiden tot een overschot, omdat bij een prijs – hoger dan de evenwichtsprijs – de aangeboden hoeveelheid groter is dan de gevraagde hoeveelheid. Het overschot wordt meestal vernietigd, of aan derde wereldlanden gegeven. Het overschot tegen een minimum prijs aanbieden heeft geen zin.
De burger betalen mee aan het Europese landbouwbeleid;
1. de consumenten betalen de minimumprijs
2. de kosten van het kopen en opslaan van de overschotten, worden via belastingen teruggekregen.

Tuinbouwveilingen

De producenten op tuinbouwveilingen hebben een minimumprijs (de doordraaiprijs; ophoudprijs)afgesproken. Als de prijs onder het minimum komt te liggen, dan wordt het overschot opgekocht, en krijgt de tuinder daar de minimumprijs voor. De producten die hij verkoopt worden gefinancieerd met geld uit het productfonds. Hierdoor hebben ze er geen voordeel bij als de producten worden opgekocht.

Maximumprijzen

Deze worden ingesteld om de consument te beschermen. Prijsverhogingen zouden als sociaal aanvaardbaar worden beschouwd, omdat iedereen ongeacht het inkomen van het product gebruik zouden moeten kunnen maken. Maximumprijzen leiden tot tekorten; QV>QA. Er worden nu rantsoeneringen ingesteld, voor het gebruik maken van iets heb je nu een vergunning nodig. Door maximumprijzen ontstaat er vaak een zwarte markt.

Subsidies

De overheid geeft subsidies aan producenten om het gebruik van het product te bevorderen. De overheid betaalt dan een deel van de marktprijs. De positieve externe effecten van het product zijn groot.
P+S= producentenprijs
P= consumentenprijs
QxS=kosten voor de overheid
De subsidies moet je bij de Qa optellen.
Relatief inelastische vraag-> vraaglijn loopt steil. Er is dan een groot subsidie bedrag nodig om de prijs te laten dalen in vergelijking met een elastische vraaglijn.

Kostprijsverhogende

De overheid stelt kostprijsverhogende belastingen in, als ze vinden dat een bepaald goed negatieve externe effecten met zich meebrengt. Zo wordt er minder van het product gekocht. Dit kunnen ze doen door belasting te heffen op het gebruik van een goed, of op de productie van een goed. BTW is vooral bedoeld om zelf geld te krijgen (de overheid), en de accijns zijn vooral bedoeld om het gebruik af te remmen. Door de belasting gaat de aanbodlijn omhoog.

Accijns

Accijns is een belasting die wordt geheven op sommige soorten producten.

Voorbeeld eerst: P=300, met accijns 366.7 (accijns is 100)
De producent moet accijns afdragen, dus hij verdient nog maar 266.7

Overheidsopbrengsten

Overheid verdient: afzet x accijns
Stijging van de marktprijs, van de accijns betaalt de consument: afzet x (verschil tussen nieuwe en oude marktprijs)
Voor de rekening van de producent. (omzet is gedaald): afzet x (verschil oude marktprijs en wat hij er later van kreeg, in dit geval 266.7)
Welk deel de producent van de accijns moet betalen: nieuwe marktprijs – accijns. En dan het verschil tussen de oude marktprijs en wat hij nu verdient. Dat doe je in percentage met het totale accijns.

Afwenteling

Afwenteling -> van afwenteling is sprake, wanneer degene die een bepaalde belasting moet betalen, deze belasting geheel of gedeeltelijk aan een ander weet door te berekenen.

Afwenteling en elasticiteit

Als de vraaglijn inelastisch is, kan een groter deel van de accijns op de consument worden afgewenteld, omdat de gevraagde hoeveelheid relatief weinig veranderd. De overheid verdient meer aan inelastische producten dan aan elastische producten.

13.2 Maatregelen die de concurrenten beschermen.

Oligopolien en monopolieen hebben vaak grote bedrijven, ze moeten immers een groot deel van de bevolking van het product voorzien. Vaak gaat het hier om goederen die op grote schaal goedkoper kan worden geleverd.

Multinationale ondernemingen

Om van de kostenvoordelen goed gebruik te maken, gaan de oligopolien hun bedrijven in het buitenland vestigen (multinationale ondernemingen). Deze bedrijven gaan zich vestigen in landen met een grote afzetmogelijkheden, en waar de productiekosten het voordeligst zijn. Ze maken ook handig gebruik van de wetgeving in verschillende landen zoals; belastingregimes en de milieu en arbeid wetgeving.
Er zijn drie manieren voor het ontstaan van machtsconcentraties;
1. Groei van binnenuit
2. Fusies en overnames
3. Kartels.

Nederlandse Mededingingsautoriteit

Kartels zijn verboden in Nederland. de NMA controleert dit. Kartels werken prijsverhogend doordat er minder aanbieders zijn. Er zijn ook ontheffingen; zo mogen boekhandels een vaste prijs voor hun boeken vragen.

Europees Mededingingsbeleid

De Europese gemeenschap verbiedt alle concurrentiebeperking die de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloedden.

Hoofdstuk 14 De economische orde

$ 14.1 Allocatie en economische orde

Allocatie

Allocatie -> is de verdeling van de productiefactoren over de productie mogelijkheden.

Voorbeelden van vragen die je kunt stellen; - welke productiefactoren worden er ingezet?
- wie produceert er?

Economische orde

Een economische orde of economisch stelsel-> is het geheel van instellingen en regels voor de coördinatie van alle economische beslissingen in een volkshuishouding.

Er moeten voortdurend beslissingen worden genomen ten aanzien van ‘wat, waar’ in de particuliere en in de collectieve sector.
Met welk soort economische orde we te maken hebben wordt bepaald door;

Beslissingen

Beslissingen kunnen gedecentraliseerd worden; dat betekent dat gezinnen zelf mogen weten hoe de productiefactoren worden aangewend en hoe het inkomen wordt besteed.
Er kan ook gecentraliseerd worden; dit komt voor in de overheidssector. Veel beslissingen worden in Den Haag of door de provincie of gemeenten genomen.

Informatieoverdracht

Door het marktmechanisme komen de beslissingen die door de particuliere sector zijn genomen tot uiting. Dit kan je zien aan de hand van de prijzen van de goederen of het inkomen.
Beslissingen die door de overheid worden genomen, worden aan andere opgelegd via opdrachten. (informatieoverdracht)Bij niet-nakomen worden er sancties opgelegd.
Vormen van economische ordening

Vroeger speelde de traditie een grote rol bij het allocatieprobleem. Nu niet meer,nu hangt het van de economische orde af.

BESLISSINGEN INFO.OVERDRACHT
Gecentraliseerd Gedecentraliseerd Marktmechanisme Opdrachten
Vrijemarkt * *
Centraal geleide * *
Gemengde * * * *

Marktsector en de collectieve sector

Marktsector -> omvat alle bedrijfshuishoudingen die hun producten tegen een ten minste kostendekkende prijs proberen te verkopen.

In deze sector worden individuele goederen verkocht. Je kan ze als individu kopen en gebruiken.

Collectieve goederen

De collectieve sector -> is de economische sector waarvan de uitgaven worden gefinancieerd uit middelen die door alle mensen samen zijn opgebracht.

Collectieve goederen;
- waarvan niemand van het gebruik kan worden uitgesloten;
- waarbij het gebruik van de een niet ten koste gaat van het gebruik door de ander;
- die niet in individuele leverbare eenheden kunnen worden gesplitst (dijken).

Quasi collectie goederen zijn individuele goederen die door de overheid worden aangeboden. Ze vinden het gebruik zo belangrijk dat hij voor een lagere prijs wordt aangeboden (openbaar vervoer).

Redenen;
- kostenaspecten; als de tolwegen worden ingevoerd, tijden de administratiekosten de pan uit.
- Merit goods; de overheid vindt het gebruik van de goederen zo belangrijk dat ze een deel van de kosten betalen.
- Monopolietendensen; de overheid heeft goederen en diensten in de 18e en 19e eeuw zelf geproduceerd omdat ze dachten dat de particuliere sector misbruik zou gaan maken van de monopolistische macht die ze zouden krijgen.
- Externe effecten; in bepaalde gevallen kan een dergelijke handeling de welvaart van andere zowel positief als negatief beïnvloeden.

Verder zorgt de overheid voor sociale zekerheid.

$14.2 Marktmechanisme

Prijsmechanisme

Het prijsmechanisme -> is een informatiesysteem dat vrager en aanbieder informeert over de consequenties van hun handelen.

Gezinnen
Behoeften -> vraag ß |
MARKT --> Prijs
Productie -> aanbod ß |
Bedrijven

Het prijsmechanisme werkt niet optimaal door;

Economische machtsposities

Vooral in bedrijfstakken waar grootbedrijf overheerst, kan de prijs door de bedrijven zelf worden bepaald. Al reactie op deze macht hebben de vragers zich ook verenigd (consumentenbond).
De prijsvorming wordt nog meer vertroebeld door de overheidsingrijpen op de markt. Zo geven de prijsveranderingen geen duidelijk beeld van gewijzigde schaarsteverhoudingen.

Collectieve goederen

Het marktmechanisme werkt alleen met betrekking tot individuele goederen. Omdat er geen prijs kan worden vastgesteld, en iedereen baat heeft bij goede collectieve voorzieningen betaald en verzorgd de gemeenschap het. De beslissingen hierover worden genomen via democratische procedures door de overheid.

Externe effecten

Veel productie processen gaan gepaard met vervuiling van de omgeving. De koper betaalt niet voor de negatieve externe effecten van zijn handelingen. De overheid dwingt de consument meer te betalen voor het product voor de veroorzaakte externe effecten.
Hierdoor stijgen de productiekosten en de producten. Om de kosten te verminderen wordt er gezocht naar schonere productie processen, en wordt het vuil opgeruimd.

Aanvaardbare inkomensverdeling

Inkomensverschillen kunnen komen door, beloningen (werkervaring) en ook door macht en beloningsverschillen (geslacht). De overheid heeft een groot sociaal stelsel opgebouwd met als doel de ontstane inkomensverschillen te verkleinen.

Werkloosheid

In veel westerse landen is een deel van de beroepsbevolking niet in het arbeidsproces ingeschakeld. Overheidsingrijpen (belastingverlagingen, overheidsbestedingen) blijken niet te helpen.

Het budgetmechanisme

Democratische besluitvorming

Van de democratische besluitvorming -> spreken we wanneer beslissingen worden genomen door te stemmen.

Volk

Volksvertegenwoordiging regering

Voorstellen -> overleg/stemmen -> uitvoering

Consensus: iedereen is het met behaalde resultaat eens.
De meerderheid kan ook beslissen wat er gebeurt.

Ook democratische besluitvorming werkt niet optimaal;
1. vaak gebrekkige afweging van de baten en de lasten van een nieuwe overheidstaak. De volksvertegenwoordiging beslist, de andere betalen belasting en de andere maken gebruik van de voorziening. Bij individuele goederen heb je dit niet, hier betaal je alleen waar je zelf ook echt gebruik van maakt.
2. Pressiegroepen hangen 1 beleid van een partij aan. Als aan de pressiegroep gehoor wordt gegeven kan dit enorme stemmingswinst geven.

Bureaucratische besluitvorming

Van bureaucratische besluitvorming spreken we wanneer een centrale instelling alle economische beslissingen neemt. Ieder bedrijf neemt zo zijn beslissingen. Maatschappelijk alleen nog landen als China. De centraal geleide economie is er een voorbeeld van. Alles wat in vrije markt zelf gebeurt, wordt gepland in de centraal geleide economie.

Hoofdstuk 15 ‘Nederland als gemengde economie’

$ 15.1

Een gemengde economie of een georiënteerde economie ->is een economisch stelsel waarbij het marktmechanisme zorgt voor de coördinatie van de door de individuele huishoudingen genomen beslissingen en waarbij de overheid deze beslissingen beïnvloedt met het oog op bepaalde economisch-politieke doeleinden.

De Nederlandse economie is een gemengde economie. De basis van de Nederlandse economie wordt gevormd door de beslissingen van de individuele gezins- en bedrijfshuishoudingen.

Organisatie van de overheid

Collectieve sector

Rijk Overige publiekrechtelijke lichamen Sociale
Verzekerings-
instellingen

Provincies Gemeenten Waterschappen

De uitvoering van de overheidstaken gebeurt door verschillende ministeries. Als de ministeries geld nodig hebben (intensiveren, nieuwe taken) wordt of de belasting verhoogd, of er wordt bezuinigd op andere ministeries.
Troonrede- welk beleid de regering in het komende jaar wil gaan voeren, met de hoofdlijnen van een aantal belangrijke maatregelen.
Miljoenennota –
1. informatie over de financiele en economische situatie in ons land.
2. fincanciele consequenties van het beleid in de troonrede genoemd.
3. samenvatting van begrotingsontvangsten en de begrote uitgaven.

Het beleid dat de overheid gaat voeren moet wel onderbouwd zijn. Zo krijgt de overheid bij het voorbereiden informatie van de SER. (45 leden; 15 vereniging van de vakbond, 15 kroonleden, 15 vereniging van de werkgevers.) Ook krijgen ze informatie van het CPB en het CBS.

$ 15.2 ‘Functies van de rijksoverheid in de Nederlandse economie’

Allocatiefunctie
De overheid grijpt in op het marktproces;

- de bijzondere verbruiksbelasting
- subsidie aan het openbaar vervoer
- bouwvoorschriften
- verbod om drugs te produceren

De overheid beïnvloedt zo de goederen voorziening.

Stabilisatiefunctie

De stabilisatiefunctie van de overheid beoogt de totale vraag zo te beïnvloeden dat de productiecapaciteit volledig wordt benut. Als de effectieve vraag niet genoeg is om de productiecapaciteit volledig te benutten, kan de overheid de belastingen verlagen of hun bestedingen vergroten.
Herverdelingsfuncties

Als de overheid niet ingrijpt is het inkomen van de burgers afhankelijk van de geleverde productieve prestaties. Door de heffing van inkomstenbelasting, sociale premies en door verstrekking van sociale uitkering zijn de besteedbare inkomens(secundair) minder ongelijk dan de verdiende (primaire) inkomens.

15.3 ‘Doelstellingen van de economische politiek.’

Economische politiek -> omvat alle gedragingen van de om het economisch proces in de door haar gewenste richting te beïnvloeden.

Doelstellingen van de economische politiek;
- evenwichtige economische groei
- volledige werkgelegenheid
- stabiel prijspeil
- evenwichtige betalingsbalans
- aanvaardbare inkomensverdeling

In de loop van de tijd heeft de overheid steeds anderen doelstellingen gevolgd, het ligt aan de situatie welke ze volgen.

EMUdoelstellingen

Landen die de euro invoeren hebben afgesproken dat het financieringstekort niet hoger dan 3% mag zijn van het BBP. Ook mag de staatsschuld niet meer dan 60% van het BBP bedragen.

Conflicterende doelstellingen

Soms staat de ene doelstelling de andere in de weg;
- de inflatie bestrijden kan alleen door de ev te beperken. De werkloosheid kan hierdoor dalen.
- Door het stimuleren van de productiegroei kunnen de negatieve externe effecten toenemen.

De doelstellingen;

Evenwichtige economische groei

Door evenwichtige economische groei neemt de welwaar toe. Als maatstaf wordt de reële BBP gebruikt (totale waarde van de productie in 1 land, in 1 jaar) de overheid wil economische groei bevorderen, maar ze letten nu meer op negatieve externe effecten.

Milieu

Bij het streven naar evenwichtige economische groei wordt steeds meer rekening gehouden met de invloed van de productie en de consumptie op het milieu. Belangrijke oorzaak is dat consumenten niet alle kosten betalen die gemaakt zijn om het product te maken. Als er heffingen op zouden zitten, zou het product veel duurder zijn.
Waarom economische groei?

Als de arbeidsproductiviteit sneller groeit dan de reële productie, de werkgelegenheid afneemt. Er is dan groei nodig om het te compenseren.

Volledige werkgelegenheid

Waarom?
- het werk is een inkomstenbron, maar ook goed voor de sociale contacten. Men voelt zich dan echt actief in de samenleving.
- Economisch gezien is werkloosheid een verspilling.

Stabiel prijspeil

Bij een stabiel prijspeil -> de kosten van het levensonderhoud veranderd niet.

Stijging van het prijspeil wordt veroorzaakt door;
- loonkosten; lonen stijgen als loon per werknemer sterker stijgt dan de arbeidsproductiviteit.
- Invoerprijzen; worden ontwikkeld door de prijzen op de wereldmarkt
- Overheidsmaatregelen; kunnen op verschillende manieren verhogende invloed hebben op de prijs.

Als er inflatie is dan wordt de geldeenheid minder waard. Consumenten gaan hun geld sneller uitgeven, waardoor de prijs stijgt. Het vertrouwen in de economie neemt af.
Als er een deflatie is; dan denken de consumenten van ‘het wordt nog goedkoper dus ik koop het morgen wel’. Hierdoor loopt de vraag terug.

Evenwichtige betalingbalans

De betalingsbalans is een overzicht van alle betalingen aan en ontvangsten uit het buitenland gedurende een periode.(internationale handel,internationaal kapitaalverkeer)
Overschot op de betalingsbalans->er wordt per saldo meer geld uit het buitenland ontvangen dan aan het buitenland betaald. Overschot kan leiden tot inflatie.
Tekort -> dit kan leiden tot een lage wisselkoers. Importgoederen worden duurder.
Voorbeeld;
Eerst $1 = 0.95 euro. Een vat aardolie is 20 euro.
20 x 0.95 = 19
met een lage wisselkoers: $1= 1.20 euro
vat= 20 x 1.20=24

Oorzaak van tekorten
-Een toename van de binnenlandse vraag; de importen zijn groter dan de exporten.
Oplossing; binnenlandse vraag afremmen door:1. kredietverlening. 2. belastingverhoging. Vermindering overheidsuitgaven.
- Afname van de wereldhandel ->exporten verminderen.
Oplossing: prijsverlaging. ( bedrijfsleven wel efficiënter werken)

Aanvaardbare inkomensverdeling

De mening van wat een aanvaardbare inkomensverdeling is, verschilt per land. Maar ook binnen een land verschillen de meningen. In Nederland is de ongelijkheid kleiner dan in de VS en in 3e wereldlanden.

$ 15.4 ‘Instrumenten van economische politiek’

Conjunctuurbeleid

Conjunctuurbeleid is de schommelende beweging van de feitelijke groei rond de groei trend. (oorzaak: verschillende ev’s) Om deze beweging te dempen kan de overheid het anticyclisch begrotingsbeleid invoeren. (overheid doet haar uitgaven omhoog of juist omlaag, hoogte van de belasting aanpassen)

Structuurbeleid

Gericht op de aanbodzijde van de economie. Ze willen de productiegroei bevorderen.
Door middel van;
- innovatiebeleid; ze stimuleren bedrijven nieuwe vinden in het productieproces te onderzoeken.
- Uitbreiden infrastructuur
- Kennisinfrastructuur (vrouwenparticipatie)

Marktbeleid

De overheid heeft veel maatregelen moeten nemen om allerlei groepen in de samenleving te beschermen, de marktwerking werd toen verstoord.
Tegenmaatregelen;
- privatisering (bedrijven afstoten naar particuliere sector)
- deregulering ( minder regels)
- tegengaan van machtsvorming (kartels)

15.5 ‘De Europese unie’

Veel landen in Europa streven naar een economische en monetaire unie. Monetaire is het al: de euro.
Het economische gedeelte wordt gekenmerkt door;
- vrij verkeer van productiefactoren; je mag in elk lidstaat je beroep uitoefenen
- gemeenschappelijk buitentarief; tegenover andere landen wordt er als 1 geheel opgetreden.
- Gemeenschappelijk economische politiek; beinvloeding van het economische proces (subsidies, heffingen, verboden) in alle lidstaten op dezelfde wijze en met hetzelfde doel moeten ze gebeuren.
- Vrij verkeer van goederen; de in en uitvoer tussen de lidstaten mag op geen enkele manier belemmert worden.

Korte geschiedenis

1951: Europese gemeenschap voor kolen en staal (ekgs) wordt opgericht door: Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Luxemburg.
1957: oprichting Europese economische gemeenschap (EEG)+ Europese gemeenschap voor atoomenergie (EURATOM) door de zes landen.
1958: EEG+EUROATOM met de EGKS -> Europese gemeenschap
1967: Europese gemeenschap-> Europese unie
1973: uitbreiding van Denemarken, Ierland, Verenigd Koninkrijk
1981:Griekenland
1986: Portugal + Spanje
1995: Finland, Oostenrijk, Zweden
1992: Verdrag Europese Unie.

Instellingen van de Europese unie

De Europese raad

Wordt gevormd door regeringsleiders en de ministers van buitenlandse zaken. Ze nemen beslissingen over belangrijke vraagstukken.

Raad van Ministers (regering)

Hoogste orgaan van de Unie. Iedere regering wordt door 1minister vertegenwoordigd. Naar aanleiding van voorstellen van de Europese commissie worden er besluiten genomen.

Europese commissie (secretarissen)

De Europese commissie is het dagelijks bestuur van de unie. De leden worden dor de lidstaten onderling in overleg benoemd. Alleen de commissie kan met een motie van afkeuring een commissie lid dwingen af te treden.
De taken;
- de zorg voor nakoming van de verdragen
- het recht van initiatief

Europees parlement

Het parlement wordt rechtstreeks gekozen door de inwoners van de lidstaten. De commissie is verantwoording verschuldigd aan het parlement. Het parlement overlegt over de voorstellen van de commissie. Ze brengen advies aan de ministers.

Hof van justitie

- de regeringen bij het hof in beroep kunnen gaan tegen beslissingen van andere regeringen
- natuurlijke of rechtspersoon bij het hof in beroep kunnen gaan tegen unieverordeningen.

Het beleid van de Europese unie

Het doel van de landbouwbeleid is het opvoeren van de productiviteit en het garanderen van een redelijk inkomen. Deze garantieprijzen zijn gebaseerd op de productiekosten bij de gebruikelijke landbouwtechnieken en worden zo hoog vastgesteld dat de producenten een bepaald inkomen halen.
Als de producenten hun producten niet kwijtraken, worden ze door de unie opgekocht voor een garantieprijs. Door invoerrechten worden de producten beschermd. Dit beleid leidde tot overschotten.

Mededingingsbeleid

Het beleid heeft als doel het stimuleren van de innovatie en het bevorderen van het tot stand komen van marktprijzen door vrije concurrentie. (geen kartels, gelijk trekken van normen en waarden en voorschriften.)

Economische en monetaire unie

Voordelen: lage kosten van het betalingsverkeer, prijzen stabiel
Nadelen: bij uiteenlopende ontwikkelingen van onder meer inflatie en overheidsschuld kan de ene lidstaat zich verrijken ten koste van de andere staat.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.