ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
Hoofdstuk 1

1.1 Wat is productie?

Produceren is het toevoegen van waarde.

Productiefactoren zijn middelen die nodig zijn bij de productie.
Er zijn 4 soorten productiefactoren: * arbeid
* natuur
* kapitaal
* ondernemersactiviteit.
Arbeid : Alle menselijke handelingen om een inkomen te krijgen.
Natuur : Alles wat de natuur ons levert.
Kapitaal : Goederen die worden gemaakt om andere goederen te produceren.
Ondernemersactiviteit : Het combineren van die drie met het doel winst te maken.

Produceren is het combineren van productiefactoren met als doel winst te maken.

Nationaal product : Som van de TW van alle bedrijven in een land in een jaar.
Nationaal inkomen : Som van de beloningen van productiefactoren in een land in een jaar.

1.2 Productie en welvaart.

Welvaart : Mate waarin bewoners van een land in hun behoeften kunnen voorzien.

Externe effecten : als het streven naar welvaart van de een onbedoeld invloed uitoefent op de ander. ( daarin onderscheiden we positieve en negatieve effecten.)

1.3 De Productiefactoren.

Beroepsgeschikte bevolking : Alle mensen van 15 – 64 jaar.
Beroepsbevolking : Personen van 15 – 64 jaar die beschikbaar zijn om betaald werk te doen.
beroepsbevolking
Participatiepatiegraad : beroepsgeschikte bevolking keer 100%

Kapitaalgoederen zijn goederen die bestemd zijn om andere goederen te produceren. ( dan heb je vaste en vlottende.)

Investeren is het aanschaffen van kapitaalgoederen.
Diepte-investering : Kapitaalintensiteit neemt toe
Breedte-investering : neemt af
Kapitaalintensiteit : Kapitaalgoederen per eenheid arbeid.
Arbeidsproductiviteit : waarde van de geproduceerde goederen per arbeidsuur.

Bij de productie factor natuur gaat het om:
Geografische ligging.
Natuurlijke hulpbronnen
Klimaat
Milieufactoren.

Innovatie is de ontwikkeling en succesvolle introductie van nieuwe of verbeterde goederen, diensten, productie- of distributieprocessen.

Hoofdstuk 2 Ondernemen in Nederland.


2.1 De economische activiteit van bedrijven.

Op grond van producten die bedrijven voortbrengen onderscheiden we 4 sectoren :
Primaire sector. ( Eenmansbedrijven, erg arbeidsintensief )
Secundaire sector. ( Industrie , kapitaalintensief )
Tertiaire sector. ( Commerciele dienstverlening, arbeidsintensief )
Quartiaire sector. ( Niet-commercieel )

2.2 Hoe kunnen bedrijven worden ingedeeld?

Bedrijven kunnen worden ingedeeld naar rechtsvorm en economische activiteit.
Rechtsvorm : Juridische vorm waaronder een onderneming aan het economisch verkeer deelneemt.
Enkele belangrijke ondernemingsvormen zijn :
Eenmanszaak
VOF
NV en BV
De keuze voor een ondernemingsvorm wordt vaak bepaald door economische, juridische fiscale overwegingen.

Eenmanszaak : bedrijf met 1 eigenaar die met zijn prive vermogen aansprakelijk is als zijn bedrijf failliet gaat. Enkele voordelen zijn dat de winst ten goede komt van de eigenaar, en hij als enige de leiding in handen heeft.
Enkele nadelen zijn dat de continuiteit afhankelijk is van de eigenaar, uitbreiding gaat moeilijk omdat er weinig geld is.

Vennootschap onder firma : Ondernemingsvorm met 2 of meer eigenaars die ook aansprakelijk zijn met hun prive-vermogen.
Arbeidsverdeling : Verdeling van arbeid binnen 1 bedrijf.

Rechtpersoon : Organisatie die zelfstandig rechten en plichten kan hebben.

Naamloze vennootschap : Het vermogen wordt bijeen gebracht door aandeelhouders, als het bedrijf failliet gaat zijn ze niet aansprakelijk met hun prive-vermogen, ze zijn alleen de waarde van hun aandelen kwijt.

Besloten vennootschap : Er is ook scheiding tussen het prive-vermogen en zakelijk-vermogen.
De eigenaars zijn meestal goede vrienden of familie.

2.3 De productiestructuur.

Bedrijfskolom : Schematisch overzicht van de belangrijkste productiefasen die een product doorloopt
Bedrijfstak : Bedrijven die eenzelfde product voortbrengen.

Er zijn 2 soorten bewegingen : Verticaal ( integratie en differentiatie.)
Horizontaal ( specialisatie en parallellisatie.)
Integratie : Samenvoegen van 2 of meer opeenvolgende fasen in een bedrijfskolom
Differentiatie : Het afstoten van een bepaalde activiteit naar vorige/volgende fase in de bedrijfskolom.
Parallellisatie : Als een bedrijf producten uit andere bedrijfskolommen uit hetzelfde stadium bij zich opneemt.
Specialisatie : Als een bedrijf zich gaat toeleggen op de productie van 1 of enkele producten in een bedrijfstak.

2.4 Schaalvergroting.

Concentratie : Het verschijnsel dat beslissingen over de productie van goederen en diensten door minder bedrijven worden genomen.

Motieven voor schaalvergroting : - kostenvoordelen
- risicospreiding kan optreden.
- Toelevering grondstoffen beter worden gegarandeerd.
- Toegang tot de vermogensmarkt.
- Ze kunnen geld vrijmaken voor research.
Motieven om multinational te worden : profiteren van lage lonen, lage belastingdruk, lage transportkosten en het omzeilen van prototectionistische maatregelen.

Kartel : Afspraak tussen onafhankelijke ondernemingen om de onderlinge concurrentie te beperken. Er zijn 4 soorten kartel.
Prijskartel, ondernemers spreken een verkoopprijs af voor dezelfde producten.
Productiekartel, deelnemers spreken af dat ze maar een bepaalde hoeveelheid mogen produceren.
Rayonkartel, verdeelt de markt geografisch.
Conditiekartel, ze spreken af hoeveel korting een klant krijgt bij contante betaling.

2.5 Externe verslaggeving.

Balans : overzicht van bezittingen, schulden en eigen vermogen van een bedrijf op een bepaald tijdstip. De linkerkant is de activa, hier vinden we de waarde van bezittingen, de rechterkant is de passiva, schulden en eigen vermogen op dat tijdstip.
Vaste activa kunnen langer dan 1 jaar worden gebruikt, vlottende niet.
Eigen vermogen : Bestaat uit het geplaatste aandelenvermogen, als je dan verlies lijdt kun je dat daarmee opvangen.
Langlopende schulden : Schulden die niet binnen een jaar hoeven worden afgelost, kortlopende schulden moeten binnen 1 jaar worden betaald.
Solvabiliteit : Eigen vermogen : totale vermogen keer 100%.
Liquiditeit : verhouding tussen vlottende activa en kortlopende schulden.

Resultatenrekening : Overzicht van opbrengsten en kosten en de daaruit voortvloeiende winst in een bepaalde periode.
Rechts zijn alle bedragen die het eigen vermogen doen toenemen en links die wat het eigen vermogen doen afnemen.

Hoofdstuk 3.


Kosten: de geldwaarde van de opgeofferde productiefactoren.

Constante kosten: Kosten die op korte termijn vastliggen en onafhankelijk zijn van de productieomvang.
Productiecapaciteit: hoeveelheid goederen die onder normale omstandigheden kunnen worden geproduceerd.
GCK= TCK : q
Variabele kosten: Kosten die veranderen met de grootte van de productie.
Proportioneel: Kosten die recht evenredig toenemen met de productie.
GVK= TVK : q
TK= TVK + TCK
GTK= TK : q

De gemiddelde totale kosten nemen af als er meer geproduceerd wordt. Dat komt doordat de GCK steeds dalen

3.3 Opbrengsten.

Omzet : de waarde van de verkochte producten.
Afzet : Hoeveelheid verkochte goederen.
TO= p * q

3.4 Verschillende doelstellingen.

Maximale winst.
TW= TO – TK
Hoe hoger de productie, hoe hoger de winst. De oorzaak daarvan ligt bij de constante kosten, want hoe hoger de productie, hoe lager zijn de constante kosten per stuk.

Kostendekking.
Kostendekking : Als de opbrengsten en kosten precies met elkaar gelijk zijn, als hij dus geen winst wil maken. Dan geldt : TO = TK of TW = TO – TK = 0
Break-evenpunt : punt waarop kostendekking plaatsvindt.
Break-evenafzet : afzet waarbij kostendekking plaatsvindt.

Hoofdstuk 4. Goederenvoorziening door de overheid.


Onder de collectieve sector wordt de overheid en de sociale verzekeringsfondsen bedoeld.
Rijksmiddelen worden betaald uit de schatkist die door drie bronnen wordt gevoed:
- Belastingontvangsten en sociale premies.
- Niet-belastingontvangsten. ( Omroepbijdrage)
- Leningen
Collectieve lastendruk: het totaal aan ontvangsten van de collectieve sector.
Collectieve lastendruk: bel. + soc. Premies + niet-bal. : nationaal inkomen keer 100%.
Collectieve uitgavenquote: totale uitgaven col. Sec. : nat. Ink. Keer 100%.

De waarde van de overheidsproductie bestaat uit de ambtenarensalarissen.

Belastingen zijn gedwongen betalingen waar geen tegenprestatie tegenover staat.
De directe belasting heet zo omdat de betalingsplicht en belastingdruk op dezelfde persoon rusten. Indirecte belasting drukt op de consument, maar het is de aanbieder die de belasting daadwerkelijk betaalt. ( Winkelier).
Directe belasting.
Iedereen met inkomsten moet belasting betalen, loon- en inkomsten belasting.
Een belasting is progressief als je in verhouding meer belasting moet betalen als je meer verdient.
Over het eerste deel van het inkomen hoeft geen belasting te worden betaald, belastingvrije som. Dan is er het schijventarief. Het belastbaar inkomen is het inkomen zonder de aftrekkosten, daar wordt dan de belasting vrije som over betaald. Daarop wordt het schijventarief toegepast. De percentages waarvoor iedere inkomensschijf wordt belast noemen we de marginale tarieven.
Indirecte belasting.
Omzetbelasting: Voor elk artikel dat wordt gekocht worst de prijs verhoogd met BTW.
Het verschil tussen ontvangsten en de betaalde BTW moeten bedrijven aan de staat afdragen.
Accijnzen : Accijnzen worden geheven om het gebruik van bepaalde goederen te verminderen Bijv. tabak, alcohol en benzine.
Invoerrechten : Deze bestaat uit een heffing die je aan de grens moet betalen voordat je bepaalde goederen mag invoeren.
Houderschapsbelasting : Wordt betaald door personen die met hun voertuig gebruik maken van de weg.
Niet- belastingontvangsten.
Dat zijn alle ontvangsten van de overheid die niet onder de belastingen vallen.
Retributies zijn betalingen aan de overheid waar wel een tegenprestatie tegenover staat.

Begrotingstekort : Het verschil tussen de totale overheidsinkomsten en uitgaven.
Financieringsbehoefte : Het bedrag dat de overheid elk jaar moet lenen.
Financieringstekort : Het begrotingstekort vermindert met de aflossing op de staatsschuld. De staatsschuldquote is de staatsschuld als percentage van het nationaal inkomen. Een stijgende staatsschuld kan verschillende gevolgen hebben: 1.De rente wordt te hoog en daardoor kan de overheid verder niks meer uitgeven. 2. Als de overheid geld leent stijgt d rente en kunnen gezinnen en bedrijven minder uitgeven. 3.Een stijgende rente lijdt tot inflatie.

De wig is het verschil tussen de loonkosten voor de ondernemer en het nettoloon.
Als de belastingtarieven te hoog worden kunnen er verschijnselen voorkomen zoals :
Ontwijking : Bedrijven vestigen zich in landen met een lage belastingdruk.
Ontduiking : Als je activiteiten laat plaatsvinden zonder de fiscus in te lichten.
Afwenteling : Als werknemers hoger brutolonen gaan eisen.
Demotivatie : Hoge belastingen stimuleren het niet om te gaan werken.
Daarop hebben ze de volgende maatregelen genomen: Bezuinigen op de collectieve uitgaven.
Deregulering : Minder strenge regels.
Privatisering : Het terugbrengen van het belang van de overheid bij de productie.

De Nederlandse overheid heeft een flink aantal beslissingen laten overdragen aan de Europese Unie. De Eu heeft de volgende inkomsten:
1. Elk land moet een bepaald percentage van de BTW afdragen aan de EU.
2. Er worden invoerrechten geheven voor producten uit derde landen.
3. Een lidstaat moet een bepaald percentage van het BNP afdragen.

Hoofdstuk 5: Internationale handel.


Redenen om de internationale handel apart te bestuderen zijn:
1. De meeste landen hebben een eigen wisselkoers.
2. De meeste landen voeren een eigen economische politiek.
3. De productiefactor arbeid is over de grenzen heen tamelijk immobiel.
Internationale handel verdwijnt als je de politiek gaat integreren.
Internationale handel= invoer en uitvoer van goederen.

5.4
Concurrentie : De mate waarin een land in staat is om met succes goederen te exporteren. De volgende factoren zijn van belang bij het bepalen voor de internationale concurrentie positie:
1. De schaarste aan productiefactoren.
2. Beschikbaarheid van technisch hoogwaardige kapitaalgoederen.
3. Mate van scholing van de beroepsbevolking.
4. Arbeidsrust.
5. Een goede infrastructuur.
1. In ontwikkelingslanden is de factor arbeid in overvloed aanwezigen dus goedkoop. De westerse landen is dat de factor kapitaal.
2. We onderscheiden hierin twee begrippen: - mechanisering, machines nemen
werk van mensen over
- automatisering, machines sturen
het productieproces.
Daardoor kunnen er steeds meer goederen worden gemaakt.
3.In westerse landen is veel human capital opgebouwd, dat goed is voor kennisintensieve goederen.
4.Een land waarin veel stakingen plaatsvinden zal geen goede naam krijgen als leverancier.
5.Goede niet al te drukke wegen zijn van veel belang voor de aanvoer van grondstoffen.
Arbeidsproductiviteit : waarde van geproduceerde goederen : benodigde arbeidsuren.

5.5
Van vrijhandel is sprake wanneer er geen belemmeringen zijn van de internationale handel.
Protectie is de bescherming van de eigen bedrijvigheid tegen de concurrentie uit het buitenland. Voor protectie worden verschillende redenen aangevoerd zoals :
Werkgelegenheid. Als de import afkomstig is uit landen met een zeer laag loonpeil, zoals veel ontwikkelingslanden, wordt dat als oneerlijke concurrentie
gezien. Vaak wordt dan het behoud van de eigen werkgelegenheid als motief gebruikt om de import van deze producten tegen te gaan.
Opkomende eigen industrieën. Jonge industrieën hebben het vaak moeilijk om tegen grote bedrijven te concurreren, daardoor worden ze beschermd. Bijv. invoerbeperkingen van producten. Dat is het opvoedingsargument.
Bewaren van eigen economische onafhankelijkheid. Voor strategische producten willen sommige landen onafhankelijk zijn van andere landen, voedsel, militair materieel.
Antidumpingsargument. Soms kan een bedrijf proberen in het buitenland een afzetmarkt te veroveren door zijn producten tegen verliesgevende prijzen aan te bieden, dat is dumping.
Retorsie. Van retorsie spreken we als een land de importen beperkt doordat andere landen dat ook doen, zo kan een ware handelsoorlog ontstaan.

Onderhandelspolitiek verstaan we het ingrijpen door een of meer overheden in het internationale goederen- en dienstenverkeer. Die zijn te verdelen in twee soorten: Tarifaire en non-tarifaire maatregelen.
Tarifair slaat op heffing, zo moet je als je een product wilt invoeren een heffing betalen. Als die heffingen zo hoog worden dat de importen onmogelijk worden gemaakt, zijn de invoerrechten prohibitief.
Non-tarifaire belemmeringen zijn alle handelspolitieke instrumenten behalve de invoer- en uitvoerrechten. Tot de non-tarifaire belemmeringen horen de :
Contingenteringen. Dat is de maximale hoeveelheid die van een bepaald goed mag worden ingevoerd, het zijn kwantitatieve beperkingen.
Subsidies. In Europa zijn de prijzen van landbouwproductenhoger dan op de wereldmarkt. Daardoor exporteren de boeren hun producten tegen de geldende wereldprijzen, het bedrag dat zij te weinig ontvangen wordt door de overheid bij betaald.
Handelsverdragen. Verdragspartners spreken met elkaar af om geen handelsbelemmeringen te voeren tegen elkaar. Men zal zich dan richten tegen de producten uit andere landen.
Aankoopbeperkingen van vreemd geld. Armlastige landen beperken importeurs in hun mogelijkheden om buitenlands geld te kopen, zodat uiteraard ook de importen beperkt worden.
Overige non-tarifaire belemmeringen. Dat zij bijvoorbeeld verschil in fiscale behandeling.

5.6
Als een land zelf in staat is om al zijn producten te maken spreken we van autarkie. In de praktijk is geen enkel land dat.
De invoerquote is de waarde van de goederen- en diensteninvoer in procenten van het nationaal product. De uitvoerquote is de waarde van de goederen en dienstenuitvoer in procenten van het nationaal product.
We spreken van een open economie als een land relatief hoge invoer- en uitvoerquote heeft. We spreken van een gesloten economie als er een geringe invoer- en uitvoerquote is. Landen met een overschot in het internationale goederen en dienstenverkeer worden overschotlanden genoemd. Landen met tekorten zijn dus tekortlanden.
In de economische theorie worden verschillende vormen van economische samenwerking onderscheiden:
Vrijhandelszone. Die bestaat uit een aantal landen die hebben afgesproken onderling geen handelsbelemmeringen te voeren en eigen tarieven te handhaven
Douane- unie. Bij een douane- unie is er ook nog een gemeen schappelijk buitentarief: elk land hanteer dezelfde invoerrechten.
Gemeenschappelijke markt. Weer een stapje verder gaat de gemeenschappelijke markt. Daar geldt: 1. Vrij verkeer van goederen. 2. Vrij verkeer van productiefactoren. 3. Een gemeenschappelijk buitentarief.
Economische- unie. 1. Vrij verkeer goederen. 2. Vrij verkeer productiefactoren. 3. Gemeenschappelijk buitentarief. 4. Gemeenschappelijk economische politiek.
Economische en monetaire unie. Daar komt een gemeenschappelijke munt bij.
Voordelen daarvan zijn: geen koersrisico en geen omwisselingskosten.

Convergeren betekent dat landen naar elkaar toegroeien. Deze criteria betreffen:
1. De inflatie.
2. De rente.
3. Het financieringstekort.
4. De staatsschuld.
5. De wisselkoers.

5.8
Internationale organisaties zijn de WTO ( bevordering van de vrije wereldhandeldoor afschaffing van protectionistische maatregelen.)
Het IMF ( bevordering van een ordelijk internationaal betalingsverkeer met stabiele wisselkoersen.) De Wereldbank ( ontwikkelingslanden aan goedkope leningen helpen.) De UNCTAD ( Hoe kunnen ontwikkelingslanden meer betrokken worden bij het internationale goederenverkeer?)

Hoofdstuk 6.


Als we de productie door 1 onderneming bekijken spreken we van micro-economie, bij de macro-economie houden we ons steeds bezig met nationale productie, nationale inkomen, werkgelegenheid enz. De macro-economie werkt met geaggregeerde grootheden, dat wil zeggen grootheden die tot stand zijn gekomen door micro-economische grootheden op te tellen.
Een economische kringloop omvat alle geldstromen en goederenstromen tussen de belangrijkste economische sectoren. Onder consumptie verstaan we het bedrag dat gezinnen uitgeven aan goederen.
Nationaal product: bestaat uit de som van de toegevoegde waarden van alle bedrijven in een land in een jaar.
Het nationaal inkomen is de som van de beloningen van de productiefactoren in een land in een jaar. Het nationaal inkomen is gelijk aan de beloningen van de productiefactoren, en de productie is daar ook gelijk aan, Daaruit blijkt dat W = Y.
Een deel van de toegevoegde waarde wordt niet uitgekeerd aan de bezitters van productiefactoren maar aan afschrijvingen van kapitaalgoederen.
BTW: NTW + afschrijvingen. NTW: Aantal goederen waarover een samenleving kan beschikken.
De toegevoegde waarde bestaat uit de verkoopwaarde van eindproducten min de waarde van ingekochte grond- en hulpstoffen min de waarde van diensten van derden.
Het BNP bestaat uit de som van de toegevoegde waarden van alle bedrijven in een land in een jaar, inclusief de afschrijvingen. Het NNP bestaat uit de som van de beloningen van de productiefactoren in een land in een jaar, exclusief de afschrijvingen.
Het nationaal inkomen en nationaal product kun je op twee manieren berekenen: via de objectieve methode: optellen van toegevoegde waarden, en via de subjectieve methode: optellen van de beloningen van de productiefactoren.

Besparingen zijn het niet geconsumeerde deel van het nationaal inkomen. Bruto-investeringen bestaan uit vervangingsinvesteringen ( Voorraad vaste kapitaalgoederen in stand houden) en de netto-investeringen ( in voorraaden investeren of in vats kapitaal).
Het nationaal inkomen wordt gebruikt voor aanschaf van consumptiegoederen (C), de rest wordt bespaard (S). Y = C+S. Het nationaal product is W. In een kringloop met alleen gezinnen en bedrijven worden uitsluitend consumptie en kapitaalgoederen voortgebracht: W = C+I. Daaruit is op te maken dat S = I. Deze macro-economische vergelijking geldt alleen in een gesloten economie.

Het nationaal inkomen is opgebouwd uit het inkomen dat bij bedrijven is verdient en wat bij de overheid is verdient.
Y = C+S+B.
Goederen die de collectieve sector van de bedrijven koopt heet de materiele overheidsconsumptie. De ambtenarensalarissen plus de materiele overheidsconsumptie worden samen de consumptieve overheidsbestedingen genoemd. Gezinnen dragen belastingen af aan de collectieve sector, maar ze krijgen wel uitkeringen terug.
W = C+I+O.
Nationaal inkomen: Nationaal product:
Y = C+S+B. W = C+I+O.
Aangezien W hetzelfde als Y is geldt : C+I+O = C+S+B.
Hieruit volgt: I-S+O-B = 0.
Vermenigvuldigen we dit met –1, dan krijg je:
S-I-O+B = 0.
Hieruit volgt:
(S-I) + (B-O) = 0.
Dit is de macro-economische balansvergelijking van een gesloten economie met een collectieve sector, deze balansvergelijking komt in de plaats van I=S. Die alleen geldt voor een gesloten economie zonder collectieve sector.

Een betalingsbalans is een overzicht van alle betalingen aan en ontvangsten uit het buitenland gedurende een jaar. De betalingsbalans bestaat uit drie onderdelen:
1. De lopende rekening.
2. De vermogensoverdrachtenrekening.
3. De financiële rekening.
Lopende rekening.
Alle transacties hierin hebben te maken met de inkomensbesteding. De lopende rekening bestaat uit: 1. De goederenrekening.( Hier worden alle ontvangsten en uitgaven geregistreerd)
2. De dienstenrekening.( De ontvangsten en uitgaven die te maken hebben met verleende en ontvangen diensten.)
3. De inkomensrekening.( Beloningen van de productiefactoren die aan het buitenland zijn betaald en ontvangen.)
4. De inkomensoverdrachten.( Schenkingen voor consumptieve doeleinden.)
Vermogensoverdrachten.
Vermogensoverdrachten zijn bijvoorbeeld schenkingen aan investeringsgoederen.
Financiële rekening. Hierop staan de leningen aan buitenlandse bedrijven. Van een investering in het buitenland is sprake als een Nederlands bedrijf een buitenlands bedrijf koopt.
Onder export hoort alle ontvangsten uit het buitenland die voortvloeien uit de verkoop van goederen en diensten uit het buitenland.
Onder import worden de betalingen aan het buitenland die voortvloeien uit de aanschaf van goederen en diensten in het buitenland bedoeld.
Het inkomen van gezinnen kunnen we als volgt berekenen: Y = C+S+B.
De totale productie bestaat uit consumptiegoederen, kapitaalgoederen, overheidsbestedingen plus het verschil tussen import en export.
W = C+I+O+E-M.
C+I+O worden de binnenlandse bestedingen genoemd. Omdat het nationaal inkomen gelijk is aan het nationaal product, geldt ook hier Y = W.
Uit deze drie vergelijkingen volgt: C+B+S = C+I+O+E-M of: B+S = I+O+E-M.
Deze vergelijking kunnen we per economische sector rangschikken:
S-I = O-B+E-M. Dit levert de macro-economische vergelijking op van:
(S-I) + (B-O) + (M-E) = 0.

Het nationaal inkomen zou iets moeten zeggen over de welvaart in een land. Wat zegt het nationaal inkomen daarover:
- Internationale vergelijkingen.
- De informele economie.
- Productiegroei en welvaart.
- Externe effecten.
- De inkomensverdeling.
Internationale vergelijkingen.
Toename van het reële nationaal inkomen betekent ook toename van de totale productie van een land. De menselijke armoede kun je ook bekijken door: De sterftekans op jonge leeftijd, analfabetisme bij volwassenen en de levensstandaard zoals zuiver drinkwater of voldoende voedsel.
De formele en informele economie.
We spreken over formele economie wanneer economische transacties zijn geregistreerd door het CBS. Informeel is dus als de transactie niet wordt geregistreerd. Legaal en illegaal.
Het illegale gedeelte gebeurt vaak om zo de belasting te ontduiken.
Productiegroei en welvaart.
Economische groei kan op twee manieren worden onderscheiden: enge zin, toename van de productie en in ruime zin, toename van de welvaart.
Welvaart is de mate waarin bewoners van een land in hun behoeften kunnen voorzien.
Behoeften.
Welvaart ontstaat als er door de mensen meer behoeften komen. De productie van auto`s zorgt voor een flink hoger nationaal product en dus voor een hoger inkomen.
Externe effecten.
Als je meer gaat produceren heeft dat ook negatieve gevolgen, bijvoorbeeld milieuvervuiling. Die zouden in feite van het nationaal inkomen moeten worden afgetrokken. Er zijn ook goederen die geen prijs hebben, maar toch waardevol kunnen zijn, dat is ongeprijsde schaarste.
De inkomensverdeling.
Het is goed als een land een productiegroei meemaakt maar dat de winst dan ook in dat land terechtkomt. Het moet dus gelijkmatig worden verdeelt, anders krijg je veel meer ongelijkheid.

Hoofdstuk 7: Groei en conjunctuur.


De factoren die de ontwikkeling van het nationaal inkomen in de loop van de tijd bepalen zijn: - trendmatige ontwikkelingen
- conjunctuurbewegingen
- seizoenbewegingen
- toevallige bewegingen.
Trendmatige ontwikkelingen.
De trend of trendmatige groei is de gemiddelde groei over langere tijd.
Door rampen als overstromingen en oorlogen kan de groei tijdelijk worden onderbroken, we spreken dan van een trendbreuk.
Conjunctuurbewegingen.
Er zijn perioden dat de groei van de productie sneller gaat dan de trendmatige groei, of uiteraard minder toeneemt.
De schommelingen van de verandering in het nationaal product, veroorzaakt door veranderingen in de vraag, heet een conjunctuurbeweging.
Als die schommelingen een regelmaat gaan vertonen spreken we van een conjunctuurcyclus of een conjunctuurgolf.
Seizoenbewegingen.
Ook de jaargetijden veroorzaken schommelingen in de bedrijvigheid. Bijvoorbeeld in de landbouw of een schildersbedrijf enz.
Toevallige bewegingen.
Ook toevallige factoren kunnen de economie beïnvloeden, denk maar aan een natuurramp, of een land dat zich in een burgeroorlog bevind.

Micro-economisch is de productiecapaciteit de hoeveelheid producten dat een bedrijf jaarlijks kan voortbrengen. Macro-economisch wordt de productiecapaciteit van een land bepaald door de totale productie van de bedrijven.
Wat is de productiecapaciteit nou echt: De maximale hoeveelheid goederen en diensten die een land op korte termijn kan voortbrengen .

Inflatie is de aanhoudende stijging van het algemeen prijspeil.
Het nominaal nationaal inkomen is het nationaal inkomen in guldens van een bepaald jaar. Dat nominale inkomen kan veranderen door prijsveranderingen en veranderingen in de productie.
Het reële nationaal inkomen is het voor inflatie gecorrigeerde nationaal inkomen. Een toename hiervan betekent een toename van de productie.
Het reële nationaal inkomen per hoofd van de bevolking is het reëel nationaal inkomen gedeeld door de bevolkingsomvang.
Onder de economische groei verstaan we de toename van het reëel nationaal inkomen per hoofd van de bevolking over langere tijd.
Op korte termijn, binnen de periode van een jaar, wordt de productie beperkt door de productiecapaciteit, op lange termijn kan die toenemen.
Arbeid.
De productiefactor arbeid kan veranderen door twee oorzaken:
Toename of afname van de bevolking of van de participatiegraad.
De arbeidsproductiviteit neemt toe door arbeidsverdeling, scholing of door kapitaalvorming.
Natuur.
Door inpolderingen is de hoeveelheid Nederlandse landbouwgrond toegenomen, ook zijn er steeds meer natuurlijke hulpbronnen gevonden.
Kapitaal.
De hoeveelheid kapitaalgoederen neemt toe door investeringen, het investeringsklimaat is hierbij dus van belang. De kwaliteit van de factor kapitaal wordt bepaald door de technische ontwikkelingen die in het kapitaalgoed ligt opgesloten, door mechanisering en automatisering is de factor kapitaal sterk verbeterd.
Ondernemersactiviteit.
De ondernemer kan veel doen om de efficiëntie van het productieproces te verbeteren., een fusie met een ander bedrijf kan de productie vergroten daarmee de kosten verlagen.

Structuurbeleid.
Het structuurbeleid betreft: 1. Investeringssubsidies voor een betere infrastructuur.
2. Scholing beroepsbevolking.
3. Bevordering onderzoekprogramma voor nieuwe technische ontwikkelingen.
4. Opsporing en exploitatie van grondstoffen.
5. Omvang kapitaalgoederenvoorraad.
Een innovatie is de toepassing van een nieuwe vinding.

De effectieve vraag is: De totale vraag naar goederen en diensten.
Die bestaat uit de volgende 4 punten:
Gezinsconsumptie.
De hoogte van de uitgaven van gezinnen hangt voornamelijk af van het inkomen. Daarnaast speelt ook de rentestand een grote rol, gezinnen die geld willen lenen kunnen daartoe een persoonlijke lening afsluiten. De verwachtingen spelen ook een rol, als consumenten de toekomst zonnig tegemoet zien sluiten ze sneller een lening af.
Bedrijfsinvesteringen.
De investeringen van een bedrijf hangen af van de volgende factoren:
1. Het verwachte rendement.( Een ondernemer rekent uit wat een investering hem oplevert door een schatting.)
2. De rentestand.( Als een bedrijf geld wil lenen, stuwt een hoge rentestand de kosten omhoog.)
3. De verwachte economische groei.( Als er wordt verwacht dat het nationaal inkomen zal groeien zijn er meer kapitaalgoederen nodig om de productie tot stand te brengen.)
4. De bezettingsgraad van de kapitaalgoederenvoorraad.( Ondernemers wachten vaak met investeren tot de productie boven de capaciteit uitkomt.
Overheidsbestedingen.
De overheidsbestedingen worden jaarlijks vastgesteld, de zwaarstwegende factor is de begroting van het vorig jaar.
Het buitenland.
De exporten en import is afhankelijk van: - het inkomen.
- prijs van de goederen.
- voorkeur voor bepaalde producten.
- Hoogte van de wisselkoers.

We spreken van een hoogconjunctuur of hausse als het nationaal product sterker groeit dan gemiddeld. In zulke fase is er kans op overbesteding, enkele kenmerken daarvan zijn stijgende rente, lange levertijden en prijsstijgingen.
Van een recessie spreken we als het stijgingstempo van het nationaal product afneemt, als de productie zover vermindert dat de groeicijfers negatief worden is het een depressie, in dat geval treedt er vaak onderbesteding op, enkele kenmerken daarvan zijn conjuncturele werkloosheid, weinig investeringslust, dalende rente en deflatie.
De overheid streeft naar een bestedingsevenwicht
Investeringseffecten.
De bezettingsgraad van de productiecapaciteit is een belangrijke maatstaf voor onder of overbesteding.
Investeringen die deel uitmaken van de effectieve vraag, hebben invloed op de omvang van het nationaal inkomen. Deze investeringen hebben een bestedingseffecten kunnen de situatie van onderbesteding verminderen.
Capaciteitseffect: als investeringen invloed uitoefenen op de omvang van de kapitaalgoederenvoorraad daarmee op de productiecapaciteit.
Verklaring conjunctuurbeweging.
De verklaring van de conjunctuurbeweging ligt in de veranderingen van de effectieve vraag. Multiplier.
We spreken van een multipliereffect als de overheid hun werk door particuliere bedrijven laat doen, die moeten dan weer spullen kopen bij andere bedrijven en zo krijgen ook die bedrijven meer werk.
Het conjunctuurbeleid heeft een tweedelig effect gehad, in de eerste plaats stimulering van de effectieve vraag, in de tweede plaats het versterken van de concurrentiekracht van het bedrijfsleven.
Het beleid waarbij de overheid de effectieve vraag probeert te beheersen door tegen de conjunctuurgolf in te gaan, wordt het anticyclische begrotingspolitiek genoemd.
Die wordt beïnvloedt door:
1. Openheid van de Nederlandse economie, een groot deel van de Nederlandse productie wordt geëxporteerd, daar heeft de overheid niets over te zeggen.
2. Timing van de maatregelen, het kost vaak maanden om veranderingen door te laten voeren, dan is de conjunctuurgolf meestal weer veranderd.
3. Opwaartse druk, Als het goed gaat in de economie kun je moeilijk aan een ambtenaar gaan vragen of ze salaris in willen leveren.

Hoofdstuk 8 Het prijsmechanisme.


Consumenten zijn mensen die goederen vragen om in hun behoeften te voorzien, bij het doen van hun aankopen krijgen consumenten te maken met de volgende keuzeproblemen:
1. Je kunt meerdere merken van een product kopen.
2. Het inkomen is beperkt, je kunt niet kopen wat je wilt.
Schaarste is de spanning tussen behoeften en middelen. Middelen worden gevormd door het inkomen, de middelen kunnen wel toenemen maar dat wil niet zeggen dat de schaarste minder wordt want productie brengt externe effecten met zich mee en de behoeften stijgen met de productie mee.
Veel goederen zijn alternatief aanwendbaar. Dat wil zeggen dat ze op verschillende manieren kunnen worden gebruikt.

Een gezin is iedere persoon die in de eigen behoeften voorziet.
Een markt is het geheel van vraag naar en aanbod van een bepaald product. Een markt is concreet als we een plaats bedoelen waar vragers en aanbieders van een bepaald product samenkomen met het doel te kopen en te verkopen. Maar de meeste markten zijn abstract, dat betekent dat ze niet op een bepaalde plaats te vinden zijn.
Enkele concrete markten:
Winkels, die zijn er in filiaalbedrijven ( met meer dan 1 verkooppunt) een vrijwillig filiaalbedrijf ( een aantal zelfstandige detaillisten sluiten zich aan bij een grote organisatie) en warenhuizen ( grootwinkelbedrijven waarin veel verschillende producten worden aangeboden).
Weekmarkten, dat zijn wekelijkse kramen markten waar consumptiegoederen worden aangeboden, een belangrijk deel van dat aanbod is groente, fruit en vis.
Veilingen, Veilen is een manier van verkopen, daarin onderscheiden we veilen bij afslag en bij opbod. Bij veilen op afslag begint de veilingmeester met een hoge prijs en die gaat zakken, als je dan als eerste op de knop drukt heb je het product gekocht. Bij veilen bij opbod gaat het vaak om unieke voorwerpen, de vragers in de zaal bieden tegen elkaar op, wie het hoogst biedt wordt de eigenaar van het object.

Het prijsmechanisme is een informatiesysteem dat vrager en aanbieder informeert over de consequenties van hun handelen. Als de vraag naar een product toeneemt zal de prijs ervan gaan stijgen, ondernemers gaan daardoor meer produceren omdat ze meer winst krijgen van dat product. Ook voor gezinnen is de beloning van productiefactoren van groot belang, die vormt immers hun inkomen.

Abstracte markten:
Vraag en aanbod zijn bepalend voor de prijs van een product. Hoe de prijs tot stand komt, is afhankelijk van de marktvorm, wanneer we de verschillende marktvormen bekijken , houden we rekening met de invloed die vragers en aanbieders op de prijsvormen hebben.
Een marktvorm is het geheel van prijsbepalende factoren. De aard van een marktvorm wordt bepaald door: - aantal vragers en aanbieders.
- aard van het goed.
- doorzichtigheid van de markt.
- hoogte van de toetredingsbarrieres.
Aantal vragers en aanbieders.
Het komt voor dat er op een markt zeer weinig vragers zijn. Hoe minder vragers er zijn hoe meer invloed ze op de prijs kunnen uitoefenen. Als er 1 aanbieder is noemen we het monopolie, dat betekent dat hij de prijs van een product zo hoog kan maken als hij zelf wil. Als er zo weinig aanbieders zijn dat ze bij hun handelingen rekening houden met de reacties van andere aanbieders, spreken we van oligopolie, ze kunnen elkaar dan in de gaten houden.
Van veel aanbieders is sprake wanneer de individuele aanbieder geen invloed kan uitoefenen op de marktprijs.
Aard van het goed.
Met een product wordt in een bepaalde behoefte voorzien. Sommige producten zijn zo aan elkaar gelijk, dat ze op volkomen gelijke wijze in een bepaalde behoefte voorzien.
Homogene goederen zijn goederen die op volkomen gelijke wijze voorzien in een bepaalde behoeften.
Heterogene goederen zijn goederen die, hoewel ze in dezelfde behoefte voorzien, in de ogen van de consument toch van elkaar verschillen.
Doorzichtigheid van de markt.
Een markt is doorzichtig als alle vragers en aanbieders op de hoogte zijn van alles wat er op de markt gebeurt, bijvoorbeeld de markt van vreemde valuta.
Hoogte van toetredingsbarrieres.
Als iedereen die dat wil een bepaald product op een markt kan aanbieden, zijn er geen toetredingsbarrieres. In de praktijk zijn die er altijd. Enkele voorbeelden daarvan zijn de wettelijke eisen en de aard van de productie.
Hoeveelheidaanpassing en prijszetting.
De bovenstaande marktvormen kunnen in 2 groepen worden verdeeld, marktvormen waarbij de individuele producent geen invloed heeft op de marktprijs en waar dat wel kan.
De individuele producenten zullen onder deze marktvorm proberen hun productiegrootte aan te passen aan de marktprijs. We spreken dan van hoeveelheidaanpassing. Als producenten de prijzen van hun product kunnen beïnvloeden spreken we van prijszetting.
Perfecte en minder perfect werkende markten.
Alleen bij volledige mededinging werkt de markt perfect, geen enkele marktpartij heeft dan invloed op de prijs. Vrijwel geen enkele markt werkt perfect, hoe kunnen die storingen ontstaan? - Er is 1 aanbieder (monopolie)
- Er zijn enkele aanbieders (oligopolie)
- Als er kartelafspraken zijn
- Als consumenten samenwerken
De overheid grijpt in

Hoofdstuk 10. Het marktmechanisme.

De collectieve aanbodvergelijking is de verhouding tussen de prijs van een goed en de aangeboden hoeveelheid.
De evenwichtsprijs is de prijs waarbij de gevraagde hoeveelheid gelijk is aan de aangeboden hoeveelheid.

Het monopolie is de marktvorm waarbij slechts een aanbieder de voorziening van een product verzorgt. Monopolies kunnen op verschillende manieren ontstaan:
Wettelijk monopolie: als de productie door particuliere bedrijven is verboden.
Natuurlijk monopolie: als er maar 1 bedrijf is die een product kan voortbrengen door een gebrek aan techniek.
Collectief monopolie: als de aanbieders van een product kartelafspraken hebben gemaakt.

Voor een monopolist kunnen we drie doelstellingen onderscheiden:
- Streven naar maximale winst.
- Streven naar maximale omzet
- Streven naar kostendekking.

Onder het marktaandeel verstaan we het deel van de totale omzet op een markt dat door een bedrijf wordt verzorgd.
Marktaandeel: omzet bedrijf keer 100%.
marktomzet

Onder marketing verstaan we de activiteiten die gericht zijn op het bevredigen van de behoeften van de klant. De marketinginstrumenten zijn: promotiebeleid, productbeleid, prijsbeleid en plaatsbeleid.
Productbeleid.
Mogelijkheden voor de aanbieder van een product om zijn product te onderscheiden zijn:
Merk, kwaliteit, service en verpakking.

Promotiebeleid.
Hier gaat het om directe verkoopbevorderende activiteiten.
Bij promotiebeleid gaat het om persoonlijke communicatie ( het persoonlijk benaderen van de klant) en massacommunicatie ( verloopt via de media).

Prijsbeleid.
Een bedrijf kan allerlei overwegingen hebben bij het vaststellen van de verkoopprijs.
Prijsdifferentiatie: kostenoverwegingen die voor een andere prijs zorgen.
Prijsdiscriminatie: aan verschillende groepen afnemers andere prijzen geven.

Plaatsbeleid.
Hierbij gaat het om de vraag hoe de producten bij de klant komen. Dat kan op vele manieren:
Bij directe distributie gaat het artikel van de fabrikant naar de consument.
Bij indirecte distributie zijn er verschillende tussenstations.
Intensieve distributie: klant komt het product op vele plaatsen tegen.
Selectieve distributie: fabrikant zoekt een klein aantal detaillisten uit.
Exclusieve distributie: in een groot gebied maar 1 aanbieder van het product.
Winkelformules: In welk type winkels wil de fabrikant zijn product aanbieden.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

K.

K.

thnx dude! door jou misschien een voldoende laterzz Kees

15 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

S.

S.

Hey, je heb echt een super goede samenvatting van economie, alleen zit niet alles erbij.

Groeten Stefan

16 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast