Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Regeling (zenuwstelsel en hormonen)

Beoordeling 7
Foto van Tess
  • Samenvatting door Tess
  • 4e klas vmbo | 706 woorden
  • 5 november 2015
  • 9 keer beoordeeld
  • Cijfer 7
  • 9 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

6.1



Zintuig = orgaan dat reageert op prikkels uit de omgeving



Prikkel = invloed uit de omgeving van een organisme



In een zintuig zitten zintuigcellen > maken impulsen (= elektrisch signaaltje) > impuls wordt doorgegeven aan zenuw > ruggenmerg en/of hersenen



Zenuwstelsel = centrale zenuwstelsel + zenuwen



Centrale zenuwstelsel:



 Grote hersenen



 Kleine hersenen 



 Hersenstam



 Ruggenmerg



Functie zenuwstelsel = vervoeren en verwerken van impulsen



Zintuig > impuls via zenuw > ruggenmerg en/of hersenen > impuls via zenuw > spier of klier reageert





6.2 



Zenuwcel bestaat uit: 



 cellichaam met celkern



 uitlopers > geleiden impulsen



3 soorten zenuwcellen:



 Gevoelszenuwcellen



 Bewegingszenuwcellen



 Schakelcellen



o Geleiden van zintuig naar centrale zenuwstelsel  (CZ)



o Bevat 1 lange uitloper naar het cellichaam toe



o Cellichaam ligt vlakbij CZ



o Geleiden impulsen van CZ naar spier of klier



o Cellichamen liggen in het CZ



o Bevat 1 lange uitloper van het cellichaam af



o Geleiden impulsen binnen het CZ



Uitlopers van zenuwcellen liggen gegroepeerd in zenuwen. 



Elke uitloper bevat een stevig beschermend isolatielaagje van bindweefsel



3 soorten zenuwen



 Gevoelszenuw



 Bewegingszenuw



 Gemengde zenuw



o Alleen uitlopers van gevoelszenuwcellen



o Alleen uitlopers van bewegingszenuwcellen



o Zowel uitlopers van gevoelszenuwcellen als bewegingszenuwcellen



o Meeste zenuwen in je lijf



Ruggenmergszenuwen zijn zenuwen van de romp en ledematen naar het ruggenmerg



Hersenzenuwen zijn zenuwen van hoofd of hals die aankomen in de hersenstam





6.3



Ruggenmerg ligt in wervelkanaal



 In het merg (vlindervormige gedeelte) ligt grijze stof (= cellichamen van schakelcellen en bewegingszenuwcellen)



 In de schors ligt witte stof (= uitlopers van schakelcellen)



In zenuwknopen liggen de cellichamen van gevoelszenuwcellen





6.4 



Hersenen bestaan uit:



 Grote hersenen



 Buitenste deel is hersenschors; bevat diverse hersencentra (bijv. 



gezichtscentrum) à bewustwording van impulsen uit zintuigen in 



gevoelscentra of het aanmaken van impulsen naar 



spieren/klieren in bewegingscentra



 Gevoelscentra liggen achter de centrale groeve



 Bewegingscentra liggen voor de centrale groeve



 Kleine hersenen



 Hersenstam



 Bevat geheugen



 Belangrijke rol bij coördinatie en evenwicht van spierbewegingen



 Verbinding tussen ruggenmerg – grote/kleine hersenen



 Regelt lichaamstemperatuur, pupilreflex en ademhaling



De schors van de grote en kleine hersenen bevat grijze stof met de cellichamen van schakelcellen



In de merg van de hersenen ligt de witte stof die de uitlopers van schakelcellen bevatten



Medicijnen, alcohol en drugs beïnvloeden werking van het zenuwstelsel





6.5



Twee soorten reacties:



Bewuste reacties 



 Impuls gaat via de grote hersenen en worden verwerkt in gevoelscentra. 



Daarna beslis je in je bewegingscentra of je reageert



Reflexen



 Vaste, snelle onbewuste reactie op een prikkel



 Pupilreflex, ooglidreflex, kniepeesreflex



 Route: zintuig – gevoelszenuwcel –schakelcel in ruggenmerg – 



bewegingszenuwcel – spier



 Reflexboog = weg die impulsen afleggen bij een reflex





6.6 



Klier = orgaan die bepaalde stoffen produceert



2 soorten klieren:



 Stoffen afvoeren via afvoerbuizen (speeksel, zweet en traanklier)



 Stoffen afvoeren via bloed (hormoonklier)



Hormoon 



 Stof die werking van een bepaald orgaan regelt



 Vervoert via bloed



 Alleen werkzaam in weefsel/orgaan dat er gevoelig voor is



 Regelen langzame, langdurige processen



Belangrijke hormoonklieren: hypofyse, schildklier, eilandjes van Langerhans, 



bijnieren, eierstok en teelbal





6.7



Hypofyse



 Orgaantje aan onderzijde van hersenen



 Produceert o.a. groeihormoon: stimuleert groei van botten



 Produceert hormonen die werking van andere hormoonklieren beïnvloeden



o O.a. productie van geslachtshormonen in eierstok of teelbal 



Schildklier



 Licht voor het strottenhoofd 



 Onder invloed van hypofyse produceert schildklier schildklierhormonen



 Hormonen beïnvloeden de stofwisseling en de groei en ontwikkeling



o Te weinig hormoon: minder verbranding in cellen > vermoeid



o Te veel hormoon: veel verbranding in cellen > vermagering



 Door tekort aan jood in voedsel kan struma ontstaan, een kropgezwel van de 



schildklier





6.8



Alvleesklier bevat groepjes met cellen, de eilandjes van Langerhans > produceren:



 Insuline:              zet glucose om in glycogeen (opslag in lever en spieren)



 Glucagon:           zet glycogeen om in glucose



Regelen samen je bloedsuikerspiegel, zodat deze constant blijft



Diabetes = suikerziekte 



 eilandjes maken te weinig insuline > suikergehalte in bloed stijgt teveel > 



“suiker in urine”



 oplossing > insuline spuiten



Bijnieren



 Liggen als kapjes bovenop de nieren



 Produceren hormoon adrenaline 



o Stimuleert omzetting van glycogeen in glucose in spieren en lever



o Versnelt hartslag en ademhaling


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Tess