DEEL 1: H5, 6, 8, 10.
DEEL 2: H5, 6, 7, 8, 9.

HOOFDSTUK 5:
§5,1 Groei:
Groei berust op een toename v/h aantal cellen. Deze toename komt bij alle organismen door celdeling tot stand.
De celtypen in je lichaam verschillen in vorm en hebben een eigen functie/ taak.
We noemen de cellen gedifferentieerd( verschillend geworden) als de ontwikkeling van een cel een bepaalde richting is ingeslagen. Maar dan is er ook geen weg meer terug.
Stamcellen: cellen die zich altijd blijven delen en zich niet differentiëren→ Zij kunnen door de celdeling steeds nieuwe cellen vormen om groei mogelijk te maken en om gestorven cellen te vervangen.
Net als bij de mens stopt de lengtegroei op een bepaald moment, ook op een bepaald moment bij dieren. Sommige vissen, amfibieën, reptielen, en veel ongewervelde blijven hun hele leven groeien.
Maar ook als de groei gestopt is gaat het celdelen door. Dit is nodig om gestorven cellen te vervangen. Er zijn ook cellen die niet vervangen kunnen worden, zoals zenuwcellen, zintuigcellen, en spiercellen. Deze cellen gaan op den duur dan ook minder goed werken/ functioneren, en dat is dan weer een van de oorzaken van veroudering.

In de toppen van wortels en stengels liggen niet-gespecialiseerde cellen, dot delingsweefsel zorgt voor lengtegroei. Er worden voortdurend cellen gevormd die zich bovendien gaan strekken. Aan het eind van deze celstrekking word er een stevig laagje celluose tegen de celwand afgezet. Hierdoor word de cel stevig en krijgt het zijn definitieve vorm. De cel kan zich nu niet meer delen.
Diktegroei ontstaat vanuit een koken van delingsweefsel in de omtrek van wortels en stengels.

§ 5,2 Celdeling: Mitose:
Voordat een cel zich kan delen moet eerst al het celmateriaal (mitochondriën, celplasma, bladgroenkorrels, etc.) worden verdubbeld. Er ontstaan bijvoorbeeld ook 2 kernen. Dit laatste gebeurd door kerndeling.

In elke kern van een lichaamscel van de mens zitten 46 chromosomen. Deze zijn 2 aan 2 nagenoeg gelijk. We noemen die chromosomen, homoloog. Een mens heeft dus 23 paar chromosomen.

A: INTERFASE B: PROFASE C: METAFASE D: ANAFASE E: TELOFASE

A: Interfase: Gewone cel
B: Profase: Chromosomen worden verdubbeld, maar de “dochterchromosomen” zitten op 1 punt aan elkaar vast. Dit punt noemt men het centromeer. Zolang ze aan elkaar vastzitten noemt men ze chromatiden. Het kernmembraan valt nu uiteen en er ontstaat een spoelvormige figuur van fijne plasma draden in het cytoplasma.
C: Metafase: De chromatiden bewegen zich dan naar het midden van de cel, het equatoriale vlak.
D: Anafase: Nu worden de chromatiden uit elkaar getrokken, dit gebeurd door de spoelvormige figuur dat zich aan de chromatiden heeft gehecht. Van elk paar chromatiden gaat er 1 naar het ene en 1 naar het andere uiteinde van de cel, “de polen”.
E: Telofase: De chromatiden zijn nu zelfstandige chromosomen geworden. Rondom de nieuwe chromosomen word een nieuwe kernmembraan gevormd. De spoelfiguur verdwijnt en de chromosomen despiraliseren zich. Ondertussen hebben ook de celorganellen zich verdubbeld en verdelen zich over beide cellen.

En zo zijn er 2 nieuwe cellen ontstaan die precies gelijk zijn aan elkaar, maar half zo groot als de oorspronkelijke cel.
Het cytoplasma gaat nu groeien totdat de oorspronkelijke grootte is bereikt. Bij plantencellen ontstaat dan een celwand.

Het proces van kerndeling gevold door celdeling noemt men mitose. Bij menselijke cellen duurt dit hele proces tot ongeveer 24 uur.

§ 5,4 Invloed van DNA:
Alle processen in een cel zijn afhankelijk van de aanwezigheid van bepaalde enzymen. Zonder de benodigde enzymen zouden reacties in een cel veel te laag verlopen.
Enzymen: Eiwitten, due bestaan uit ketens van aminozuren en worden gemaakt door ribosomen.
De aan of afwezigheid van een bepaald enzym in een cel bepaald dus ook welke stoffen er in de cel gemaakt kunnen worden en welke stoffen er afgebroken kunnen worden.

Als enzymen de eigenschappen van de cel bepalen, dan moet er dus een verband zijn tussen DNA en enzymen:
In de jaren ’60 werden de moleculen gevonden die de ribosomen laten weten welke eiwitten ze moeten maken.. deze moleculen werden mRNA genoemd. ( messenger RNA) De keten van DNA dient bij het maken van mRNA als bouwtekening. De aanmaak van mRNA gebeurt op dezelfde wijze als bij DNA: de basenvolgorde van het DNA word overgeschreven in een basenvolgorde van mRNA.
Dit mRNA wordt dan vanuit de kern naar de ribosomen in het cytoplasma gebracht. Deze lezen het mRNA nauwkeurig af. De basenvolgorde (de code) van het RNA vertelt hen in welke volgorde de aminozuren aan elkaar gekoppeld moeten worden. De aminozuren worden naar de ribosomen gebracht door het tRNA (transfer RNA). Bij elk tRNA hoort 1 aminozuur. Voor de herkenning van de code op het mRNA heeft elk tRNA een anticode. Bij dat tRNA hoort 1 bepaald aminozuur.
Zo bepaald dus de basenvolgorde van het DNA de basenvolgorde van het mRNA en dus ook de volgorde van de aminozuren in elk eiwit. Daarmee liggen de eigenschappen/functies van het eiwit vast.

Een stukje DNA dat de code bevat voor 1 eiwit noemt men een gen. Een menselijke cel bevat zo’n 50.000 genen, en daar word alleen het deel van gebruikt dat nodig is voor de functie van die cel.
Mutatie: bij verdubbeling van het DNA in de nieuwe keten de verkeerd ingebouwde base.

Dan ontstaat er ook een verkeerde mRNA en dus ook vaak een fout/afwijkend eiwit. Een mutatie heeft daardoor invloed op het functioneren van een cel, soms gaat de cel dan ook dood.
Mutaties treden spontaan op maar de frequentie word verhoogd door bijvoorbeeld, UV-stralen, röntgenstralen, of bepaalde chemische stoffen. Cellen kunnen een deel van de mutaties “repareren”.

§ 5,4 Reductiedeling: Meiose:

Bij geslachtelijke voortplanting versmelten een mannelijke en een vrouwelijke geslachtscel. De beide kernen voegen hun erfelijke informatie samen tot een geheel. Een mendelijke geslachtscel bevat 23 chromosomen, en wanneer ze bij de bevruchting samensmelten bevat de eerste cel van het nieuwe organisme dus 46 chromosomen. Dit is het normale aantal voor een menselijke cel.

De geslachtscellen worden door gevormd door een speciale deling, de meiose”

A:INTERFASE B:PROFASE I C:METAFASE I D:ANAFASE I E:PROFASE II F:METAFASE II

A: De cel is in de interface
B: Profase I, voor de meiose verdubbelen de chromosomen zich. Bij het begin van de meiose rollen ze zich op. De chromatiden zitten in het centromeer aan elkaar vast.
C: Metafase I, een spoelvormige figuur ontstaat en de chromatiden bewegen zich naar het middel van de cel, ze rangschikken zich zodanig dat de overeenkomende chromatiden naast elkaar liggen.
D: Anafase I, van elk chromosomen paar wordt 1 chromosoom(bestaande uit 3 chromatiden) naar de ene pool getrokken, en het 2de chromosoom gaat naar de andere pool.
E: Profase II: De dochtercellen hebben nu elk 2, ipv 4, chromosomen,. Elk chromosoom bestaat nog uit 2 chromatiden. Nu volgt er direct nog een mototische deling waarbij de chromatiden uit elkaar worden getrokken.
F: Via de Metafase II en de Anafase II ontstaan 4 cellen met elk 2 chromosomen.

§ 5.5 Toepassen van kennis in de plantenteelt:
Weefselkweek: ongedifferentieerd weefsel, op een geschikte, steriele voedingsbodem leggen in kleine stukjes. De cellen uit deze stukjes gaan zich delen en er komt zo een nieuwe plant.

Protoplastenfusie: kleine gezonde stukjes van 2 planten, de cellen ervan bij elkaar voegen, ze laten voortplanten → waardoor 1 hele gezonde plant ontstaat.

§ 5,6 Kankeronderzoek:
De snelheid waarmee cellen zich delen moet nauwkeurig worden aangepast aan de behoefte van het organisme aan nieuwe cellen.
De celdeling staat onder controle van genen die de groei regelen. Deze groeiregelgenen worden alleen ingeschakeld als de cel daarvoor van buitenaf de opdracht krijgt

Wanneer er meerdere groeiregelgenen beschadigd zijn, kan de cel zich onbeperkt gaan delen, terwijl er geen behoefte is voor nieuwe cellen.
Soms worden deze afwijkende cellen door het afweersysteem van het lichaam herkent en opgeruimd. Als dat niet gebeurt treed er nogmaals een mutatie plaats, er ontstaan nu cellen met afwijkende genen en vormen, zo ontstaat er een ophoping van cellen, een tumor.
Het oorspronkelijke weefsel word verdrongen en kan z’n functie niet/nauwelijks meer uitvoeren. Als ze in bloed of lymfevaten terecht komen, worden ze gemakkelijk door het hele lichaam meegevoerd. Daar kunnen ze hetzelfde type gezwel vormen, men spreekt dan van metastasen: moeilijk te bestrijden en men noemt zo’n gezwel dan kwaadaardig.

Of een cel een kankercel wordt is afhankelijk van zijn DNA, maar vooral van de mate waarin het DNA onder druk staat van de omgeving: roken, vet eten, UV-straling, etc.
In veel gevallen bij therapie worden deze 3 gebruikt:
1. chirurgie: het wegsnijden van de tumor.
2. radiotherapie: röntgenstralen of gammastralen, die zoveel schade in de tumor aanrichten, dat de tumorcellen doodgaan. Ook worden hierbij gezonde cellen beschadigd.
3. chemotherapeutica: middelen die de celdeling onmogelijk maken. Ook gezonde cellen hebben hoer last van zoals bijvoorbeeld, beenmergcellen, en haarcellen.

HOOFDSTUK 6: VOORTPLANTING:

§ 6.1 Genetica:
Overerven: een eigenschap van de ene generatie op de andere overgaan.
Erfelijkheidsleer: de wetenschap die deze processen van de overerving bestudeert.
Genetica: de wetenschappelijke naam daarvoor.
Gregor Mendel (1822-1884) : de grondlegger van de erfelijkheidsleer. Hij kweekte erwten in de kloostertuin van Brno.
Hij publiceerde zijn uitkomsten, maar pas rond 1900 werden zijn publicaties herondekt door de Hugo de Vries (1858-1935) en kreeg het de aandacht die het verdiende.
Het erfelijkheidsonderzoek is dus pas rond 1900 begonnen.

§ 6.2 Chromosomen, genen en allelen:
Een chromosoom bestaat uit genen.
Gen(genen) = worden alle eigenschappen door bepaald. Een gen is een bepaald deel van een chromosoom dat een rol speelt bij het tot stand komen van een erfelijke eigenschap. Een Gen voor een bepaalde eigenschap ligt altijd op een vaste plaats, een locus(loci), in een chromosom. Op het andere chromosoom van een chromosomenpaar is op dezelfde locus een gen voor dezelfde eigenschap te vinden.
Allel = de genen op een overeenkomstige loci. Als er twee verschillende allelen zijn bv een rode en een witte, dan word de kleur bepaald door de overheersende allel. Als de twee allelen hetzelfde zijn bv wit en wit dan word de kleur wit.

§ 6.3 Genotype, fenotype:
Het uiterlijk van een individu is niet alleen afhankelijk van de verzameling genen in de cellen, maar ook het milieu heeft invloed op de ontwikkeling van de planten.
Genotype = de verzameling genen van een organisme.
Fenotype = het uiterlijk van een organisme.
Kloon = een groep individuen met precies hetzelfde genotype.
Ongeslachtelijke voortplanting = hierdoor ontstaan klonen bv in de land- en tuinbouw.
Bol = bestaat uit een verkorte stengel met bladeren. De binnenste bladeren, bevatten veel reservevoedsel, omsluiten de knop voor het volgend jaar. Na de bloei worden nieuwe reservevoorraden en nieuwe knoppen aangelegd.
Knol = kan ontstaan aan ondergrondse stengels of wortels. De knolvorming begint vlak achter het uiteinde van de stengel of wortel. Er vinden veel celdelingen plaats en de vellen zwellen op. In de cellen wordt zetmeel opgeslagen. Uit de knol kan het volgende jaar een nieuwe plant groeien.
Stek = men kan planten stekken als planten die geen organen hebben voor ongeslachtelijke voortplanting en die men toch ongeslachtelijk wil vermeerderen. Dit is mogelijk doordat plantencellen die al gedifferentieerd zijn tot bv blad- of stengelcel, zich toch opnieuw kunnen delen.

§ 6.4 Voorbeeld van een kruising :
Kruising = een geslachtelijke voortplanting tussen twee verschillende individuen. Om na te gaan hoe erfelijke eigenschappen orden overgedragen, kun je een kruising uitvoeren.
Dominant = de allel die overheersend is.
Recessief = de allel die niet overheersend is.

§ 6.5 Uitwerking van een kruising:
P-generatie = de oudergeneratie, de individuen die met elkaar gekruist worden
F1-generatie = de nakomelingen van de P-generatie.
F2-generatie = de generatie die uit de F1-generatie ontstaan.
Het is eenvoudiger om de allelen weer te geven met een letter, dan ze telkens uit te tekenen. Het is daarbij de gewoonte om de dominante allel weer te geven met een hoofdletter en het recessieve allel door dezelfde kleine letter.

§ 6.6 Homozygoot, heterozygoot:
Monohybride = de meest eenvoudige kruising waarbij je de overerving van slechts 1 eigenschap bestudeert(monos=1).
Homozygoot = een individu waarbij beide allelen voor een bepaalde eigenschap precies hetzelfde zijn (homo=gelijk). De zygote kreeg van beide voortplantingscellen hetzelfde allel.
Zygote = de eerste cel van het individu.
Heterozygoot = een individu die voor een bepaalde eigenschap twee verschillende allelen heeft (hetero=ongelijk). De eerste cel van het individu, kreeg van de twee voortplantingscellen een verschillend allel.
Wanneer je wilt weten hoe een bepaalde eigenschap overerft, ga je een kruising uitvoeren met twee homozygote, qua uiterlijk verschillende ouders voor die eigenschap. Het genotype en het fenotype van beide ouders voor deze eigenschap is dus verschillend.

§ 6.7 Intermediair fenotype:
Intermediair fenotype = Als beide allelen tot uiting komt, zoals bij de leeuwebek, een kruising van een plant met rode bloemen met een plant met witte bloemen levert uitsluitend nakomelingen op met roze bloemen.

§ 6.8 Geslachtschromosomen:
Geslachtschromosomen = 1 paar chromosomen dat betrokken is bij de geslachtsbepaling van een individu.
♀ heeft twee zgn. X-chromosomen en ♂ heeft een X-chromosoom en een in vorm en grootte afwijkend Y-chromosoom. Twee X-chromosomen word een meisje en een X-chromosoom en een Y-chromosoom word een jongetje.
Geslachtschromosomen zijn niet alleen betrokken bij de bepaling van het geslacht. Elk X-chromosoom bevat ook genen voor andere erfelijke eigenschappen. In een Y-chromosoom komen deze genen niet voor.
Geslachtsgekoppeld = houdt in dat bv elk X-chromosoom een gen voor de oogkleur bevat. Het vrouwtje heeft dus twee allelen voor de oogkleur, het mannetje slechts één. Dit is het geval bij het bananenvliegje.
Bij de mens word kleurenblindheid en bloederziekte veroorzaakt door een recessief allel dat in het X-chromosoom ligt.

§ 6.9 Stambomen:
Met behulp van stambomen kun je de overerving van bepaalde eigenschappen bestuderen. Daarbij wordt een mannelijk individu eergegeven met een vierkantje en een vrouwelijk individu met een cirkeltje. De verschillende allelen voor een eigenschap orden door kleuren of arceringen aangegeven, maar het is ook mogelijk de gegevens volledig uit te schrijven.
Stambomen kunnen ook uitsluitsel geven of een eigenschap op het X-chromosoom kan liggen. Een eigenschap als kleurenblindheid wordt door een man doorgegeven aan zijn dochters, niet aan zijn zonen, omdat deze geen X-chromosoom van de vader erven. Een vrouw geeft één van haar X-chromosomen door aan zoel dochters als zonen. Een man kan een bepaalde op het X-chromosoom gelegen eigenschap alleen erven van zijn moeder en alleen doorgeven aan zijn dochters.

§ 6.10 Dihybride kruising:
Dihybride = een kruising tussen twee individuen die in twee eigenschappen van elkaar verschillen.

§ 6.11 Mutaties:
Mutatie = een verandering in de erfelijke informatie.
Mutant = een individu waarvan het fenotype deze verandering vertoont.
Voorbeelden van mutaties zijn albino’s, kortpotige schapen, navelsinaasappelen en aardappellanten met meer loof.
Natuurlijke mutaties = mutaties die spontaan optreden. Men vermoed dat de kans op een mutatie niet groter is dan eenmaal gedurende 100.000 of meer generaties
Kunstmatige mutaties = door bestraling van individuen met kortgolvige stralen, zoals bijvoorbeeld röntgenstralen of ultraviolet licht, kunnen mutaties opgewekt worden.
Verliesmutatie = een ontstaande mutatie die een ongunstige invloed hebben op de ontwikkeling van dat individu. Deze komt meestal voor.
Winstmutatie = een ontstaande mutatie die een bruikbare nieuwe eigenschap op treed. Deze treedt zeer zeldzaam op.
Chemische stoffen waaronder bestrijdingsmiddelen als insecticiden en herbiciden kunnen de kans op mutaties vergroten.
De herfsttijloos bevat een giftige stof, colchicine, die een mutatie kunstmatig kan opwekken.

§ 6.12 Verdelen en fokken:
veredeling = de individuen die het meeste aan de wensen voldoet met elkaar kruisen, zodat je steeds beter rassen kunt kweken. (bij dieren spreken we van fokken)
Genetische variatie = de variatie van bepaalde soorten. Is erg klein geworden door veredeling.
Genenbanken = banken waar men zaden van cultuurplanten en hun wilde verwanten worden bewaard, zodat ze behouden worden.
Kruisen en selecteren is tijdrovend. Het kweken van een nieuw appelras kost 10 tot 20 jaar. Tegenwoordig kan men dit proces versnellen door bv protoplastenfusie of genetische manipulatie.

§ 6.13 Erfelijkheid bij de mens:
Karyogram = chromosomenportret. Word gebruikt om bepaalde erfelijke afwijkingen vast te stellen bv ontbreken of dubbele voorkomen van een chromosoom.
De overerving van de bloedgroepen berusten op drie allelen. Het allel voor bloedgroep A en B zijn beide dominant over het allel voor bloedgroep O. A en B zijn intermediair ten opzichte van elkaar.
Genoom = alle erfelijke eigenschappen
Human Genome Project = een wereldwijd project dat als doel heeft de structuur van het hele menselijke genoom te ontrafelen om een beter inzicht te krijgen in erfelijke afwijkingen. Men probeert de volledige basenvolgorde te bepalen en de ligging van de genen op de verschillende chromosomen.

§ 6.14 Erfelijkheidsvoorlichting:
Erfelijke ziekten = zijn ziekten die van ouder op kind worden overgedragen. Er zijn ongeveer 10.000 erfelijke ziekten, maar gelukkig zijn de meeste recessief.
Syndroom van Down = bij kinderen die dit hebben komt chromosoom nr. 21 niet in tweevoud maar in drievoud voor. Men noemt dit trisomie. Dit is meestal het gevolg van een delingsfout bij de vorming van de eicel. Kinderen die dit hebben ontwikkelen zich trager.
Ieder mens is drager van een aantal genmutaties.
Prenataal onderzoek = onderzoek voor de geboorte, of hun kind met een afwijking geboren zal worden als er een verhoogd risico bestaat. Hiervoor orden verschillende methoden gebruikt:
o Vruchtwateronderzoek = word via de buikwand wat vruchtwater opgezogen. Dit kan pas vanaf de 16de week gebeuren, omdat er dan pas voldoende water is. Dit vruchtwater bevat onder andere bindweefsel-cellen van het kind. Deze cellen orden geïsoleerd en verder gekweekt. Wanneer er voldoende cellen verkregen zijn, kan men de chromosomen onderzoeken. Nadeel: dat de uitslag van onderzoek pas rond de 20ste eek bekend is.
o Vlokkentest = een methode waarbij via de schede en baarmoedermond wat vlokken van het buitenste vruchtenvlies worden opgezogen. Dit kan al in de 9de week gebeuren en er kunnen direct voldoende cellen voor het chromosoomonderzoek worden opgezogen. De uitslag is al rond de 10de week bekend.
o Echografie = word gebruik gemaakt van hoogfrequente trillingen, die door de eronder liggende structuren sterker of minder sterk worden teruggekaatst. Hiermee kunnen vooral stoornissen in de ontwikkeling van de foetus orden opgespoord.

HOOFDSTUK 8: LEVENSCYCLUS VAN DE MENS 2:

Groei en ontwikkeling volgens een vast patroon verlopen, nauwkeurig geregeld.
Daarvoor zijn twee systemen: het zenuwstelsel en het hormoonstelsel
Zenuwstelsel: vaste banen, snel, alleen effect op cellen die direct in contact staan met de zeunuwcellen.
Hormonen: gemaakt door hormoonklierenn afgegeven aan het bloed, bereiken alle cellen, minder effect dan zenuwstelsel, maar veel langer merkbaar.

Groeihormoon: belangrijkste groeistimulerende factor. Dit eiwit wordt gemaakt door de hypofyse. Gaat in pieken, voornamelijk na het eten en tijdens slaap. Hoeveelheid is het grootst bij een baby en tijdens de puberteit. Neemt af met leeftijd.
Het stimuleert de groei van weefsels, vooral botweefsels. Bevordert opname aminozuren, aanmaak eiwitten, afbraak vetten en simuleert mitose.

Thyroxine: wordt gemaakt door de schildklier. Verhoogt de stofwisseling en ondersteunt daarmee de werking van groeihormoon, maar stimuleert zelf de groei niet.

Geslachtshormoon: (testosteron en oestrogeen) De afgifte neemt vanaf een jaar of tien sterk toe. Stimuleert afgifte groeihormoon (groeispurt puberteit), stopt groei einde puberteit door sluiting van de Epifysairschijf.
Testosteron (mannelijk): gemaakt door testis en bijnierschors, bevordert eiwitopbouw.
Oestrogenen vrouwelijk): gemaakt in eierstokken en bijnierschors.
Allebei zorgen ze voor de secundaire geslachtskenmerken.
Door veel testosteron krijgen jongens een sterkere groeispurt dan meisjes.

Gedurende de groei ontstaat in uiteinden van pijpbeenderen kraakbeenweefsel, epifysairschijf. Daar vindt celdeling plaats dat zorgt voor nieuwe botcellen, dus lengtegroei. Epifysairschijven uiteindelijk door bot vervangen, groei beëindigd.
Door vergelijking van de epifysairschijven kun je lengtevoorspelling doen.

Factoren voor groeistoornissen:
- Te weinig groeihormoon, dwerggroei.
- Tekort schildklierhormoon, achterblijven lichamelijke/geestelijke ontwikkeling
- Te lang, kan behandeld worden door geslachtshormonen. Epifysairschijven sluiten. Resultaat niet gegarandeerd en grote bijwerkingen.
- Onvoldoende voedingsstoffen/ vaak ziek, achterblijven in groei
- Tekort vitamine D, belemmert vorming botcellen
- Emotionele spanning, groei vertragen

Groeisnelheid afhankelijk van hormoonconcentratie in het bloed. Regeling door testosteron. De hypofyse beïnvloed productie testosteron, het LH. Productie LH geregeld door hypothalamus, is gedeelte in hersenen. Door bloedvaten en zenuwen verbonden met hypofyse. Bij voldoende testosteron remt dit de hypothalamus en de hypofyse. Het is negatieve terugkoppeling. Ook de hoeveelheden schildklier- en groeihormoon worden zo geregeld.
Anabolen zijn groeibevorderende stoffen. Gebruik in de sport. Een soort testosteron, heeft invoelt op spieropbouw, toename rode bloedcellen.

Geslachtshormonen ook invoelt op ontwikkeling geslachtsorgaan.
- Testikels (teelballen): zitten in de balzak. Wordt testosteron gemaakt. Temp balzak lager dan buikholte, voorwaarde voor aanmaak zaadcellen. Zaadcellen lengte 1/20mm, kop is kern met erfelijk materiaal, tussenstuk wordt bewegingsenergie vrijgemaakt, staart.
- Bijballen: liggen schuin boven teelballen. Bestaat uit buisjes waar de zaadcellen in rijpen. Worden opgeslagen. Oude zaadcellen afgebroken. Zure omgevind door gebrek zuurstof, onbeweeglijk. Bij zaadlozing zaadcellen door spierweefsel uit bijbal gedreven.
- Zaadleiders: verbinden bijballen met urinebuis. Zaadcellen gemengd met basische vloeistof uit zaadblaasjes en prostaat, sperma.
- Penis: zitten urinebuis en drie zwellichamen(veel bloedvaten). Bij opwinding afvoer bloed beperkt. Penis wordt langer, dikker en harder, erectie. Eikel wordt zichtbaar. Die heeft tast en gevoelszintuigen. Bij prikkeling door contact volgt orgasme. Hartslag en ademhaling versneld, hogere bloeddruk. Sperma door urinebuis met krachtige spierbewegingen naar buiten geperst.

Geslachtsorganen vrouw:
- Eierstokken: twee functies, maken van geslachtshormonen, vormen van rijpe eicellen. Er liggen eicellen opgeslagen. Die zijn omgeven door follikelcellen. Geslachtsrijpe fase 400 cellen tot rijping, iedere cyclus een. Rijpe eicel komt in follikel dat gevuld is met follikelvloeistof. Door vloeistofdruk springt de follikel open en eicel komt in de eileider, eispong(ovulatie). Follikel blijft achter en vormt nog 2 weken hormonen. In geval bevruchting nog 4 maanden. Een eicel is groot, bevalt veel cytoplasma, reservevoedsel.
- Eileider: buisjes die diersof en baarmoeder verbinden. Door trilhaarstroom eicel naar baarmoeder holte gebracht.
- Baarmoeder: ligt tussen blaas en dikke darm. Sterk gespierde wand, laagje bloedrijk slijmvlies. Onderkant vorm van een buis (baarmoederhals).
- Vagina(schede): elastische wand. Bij jonge meisjes gedeelte afgesloten door maagdenvlies. Wordt doorbroken bij geslachtsgemeenschap, sport of tampon.
- Klein/grote schaamlippen: zijn huisplooien die de kittelaar (clitoris) en de uitgang van de urinebuis omgeven. Clitoris ontstaan uit zelfde weefsel als penis. Bij opwinding met bloed gevuld en gevoelig voor prikkeling.

Bevruchting binnen 24uur naar de ovulatie in de eileider. Zaadcel dingt tot de kop binnen. Er ontstaat een bevruchtingsmembraan tegen het binnendringen van andere zaadcellen. Kernen smelten samen tot diploïde cel (zygote). Celdeling begint.
Als de eicel niet bevrucht wordt kan hij nog 24 uur blijven bestaan, daarna sterft hij af en wordt opgenomen in omringende weefsel. De zaadcellen kunnen 48 uur leven, daarna sterven die ook af en worden in omringende weefsel opgenomen. Dus een vrouw heeft een periode van 3 dagen dat kan leiden tot bevruchting. 48uur voor en 24uur na de ovulatie.

In de baarmoeder ontstaan cellagen. Amnionholte, wordt later vruchtwater gevormd en de dooierzak. Waar die elkaar raken ligt de embryonale schijf. Van de 4de tot de 8ste week ontstaan verschillende weefsels. De cellen hebben zich ingenesteld in het baarmoeder- slijmvlies. Tien dagen naar bevruchting bolletje cellen geheel omgeven door slijmvlies.
Na innesteling ontstaat holten waar bloed van de moeder doorheen stroomt. In buitenste vruchtvlies zitten uitsteeksels die tussen holten in het baarmoederslijmvlies doorlopen, hechtvlokken. Daarin zitten ook bloedvaten die via hechtsteel contact maken met bloedvaten embryo. Hechtvlokken en bloedholten belangrijkste gedeelte van placenta.
In deze schijfvorming stromen het bloed van moeder en embryo naast elkaar. Via dunne wanden van de hechtvlokken is uitwisseling van stoffen mogelijk. Hechtsteel ontwikkelde tot navelstreng.
Binnenste vruchtvlies vormt waterig vocht, vruchtwater dat de wand van de amnionholte tot deze tegen de binnenzijde van het buitenste vruchtvlies komt te liggen. Ze vergroeien met elkaar. Vruchtwater tegen schokken. Vanaf 5 maand drink het kind het vruchtwater.
Placenta vormt ook nog een aantal hormonen voor nieuwe rijpe eicel, baarmoedergroei en ontwikkeling melkklieren in borsten. Zwangerschapshormonen ook in urine aanwezig.

Twee-eiige tweeling: in eierstok twee eicellen vrijgekomen, beide bevrucht. Ze lijken niet meer op elkaar dan gewone broers en zussen. Hoeven niet van hetzelfde geslacht te zijn.
Eeneiige tweeling: tijdens eerste deling van de zygote, raken de cellen los van elkaar en worden twee zelfstandige embryo’s. Ze lijken precies op elkaar. Verschil ontstaat door omgeving. Ze zijn altijd van hetzelfde geslacht.

Zoogdieren hebben periodieke verandering in gedrag en lichamelijk. In dieren wereld bronstijd. Gaat van een keer per jaar tot een keer per week. Als er geen bevruchting optreed wordt slijmvlies afgebroken en opgenomen. Bij mensen is er geen bronstijd. Baarmoederslijmvlies wordt afgestoten.

In puberteit begin de hormooncyclus van de vrouw. Oestrogenen ontwikkelen secundaire geslachtskenmerken, geestelijke ontwikkeling en baarmoederslijmvlies.
Gele lichaam vormt progesteron voor ontwikkeling baarmoeder- slijmvlies en spieren.
Productie beïnvloed door twee hormonen uit hypofyse. FSH (follikelstimulerend hormoon) en LH, beïnvloed verdere rijping follikels, veroorzaakt ovulatie, houd gele lichaam enige tijd in stand.
Vrouw heeft vier hormonen die de menstruatiecyclus regelen.
FSH: bevordert eierstok groei van de follikel. Rijpende follikel vormt oestrogeen die vorming FSH remt en LH bevordert.
LH: zorgt dat follikel sterk groeit en ten slotte ovulatie optreedt. Overgebleven cellen veranderen in gele lichaam dat progesteron en oestrogeen vormt.
Progesteron: zorgt dat baarmoederslijmvlies groeit, waardoor eicel zich kan nestelen. Remt vorming FSH, geen follikels rijpen.
Na twaalf dagen sterft gele lichaam, progesteron neemt af. Baarmoederslijmvlies wordt afgestoten. Daarna kan er weer follikelrijping beginnen. De rem op FSH is er niet meer.

Als eicel wel bevrucht is, blijft gele lichaam bestaan. Progesteron houd baarmoeder in takt, er vind geen menstruatie plaats. FSH blijft geremd, geen nieuwe follikel. Later progesteron overgenomen door placenta, gele lichaam verdwijnt.
Eerste twee maanden ontwikkelen zich bij het embryo alle weefsels. Als de zaadcel een Y-chromosoom bevat wordt het een jongetje. Er ontwikkelen zich dan mannelijke geslachtsorganen. Uitwendig: penis en balzak. Inwendig: zaadblaasjes, bijballen, zaadleiders, prostaat.
Als de zaadcel een X-chromosoom bevat wordt het een meisje. Er ontwikkelen zich dan vrouwelijke geslachtsorganen. Uitwendig: vagina, clitoris, schaamlippen. Inwendig: baarmoeder en eileiders. Vanaf drie maanden kun je erkennen of het een jongen of een meisje is. Daarna begint de foetale periode. De groei is dan het belangrijkste. Foetus kan in de laatste maanden niet meer vrij bewegen.

280 dagen naar het begin van de laatste menstruatie beginnen de weeën, door de hypofysehormoon. Bevalling is begonnen. Drie fases:
Ontsluiting: gemiddeld 8 tot 16 uur. Opening baarmoederhals wijder. Vruchtvliezen breken, vruchtwater loopt weg.
Uitdrijving: door krachtige spierbeweging van baarmoeder kind naar buiten geperst. Door hormoon banden die bekkenbeenderen verbinden soepeler. Navelstreng wordt afgeknipt, kind wordt gedwongen te ademen.
Nageboorte: kwartier na de geboorte komt de placenta.
Door hormoon prolacine wordt melk aanmaak gestimuleerd. Ook bevordert dit hormoon de samentrekkingen van de baarmoeder, naweeën.

Geslachtsidentiteit: het gevoel man of vrouw te zijn, inclusief seksuele gevoelens. Geslachtsidentiteit niet overeen met geslachtsorganen, transseksueel.
Seksualiteit is meer dan voortplanting. Er zijn verschillende opvattingen en regels over, godsdienst, cultuur en opvoeding.

Soa (seksueel overdraagbare aandoening): overgedragen als bloed, sperma of vaginaal vocht van besmet persoon in aanraking komt met slijmvlies, beschadiging van een ander.
Besmetting voorkomen door altijd veilig te vrijen, dus nooit:
- vaginale of anale gemeenschap zonder condoom
- de vagina zoenen tijdens de menstruatie of vlak daarna
- sperma in de mond laten komen
soms is een soa te genezen:
- gonorrhoe (druiper, veroorzaakt door bacterie)
- chlamydia ( veroorzaakt door bacterie)
- trichomonas (een schimmel)
- schaamluis
Anderen zijn moeilijk te behandelen of helemaal niet, zoals AIDS.
Daarbij is het afweersysteem verstoord zodat infecties die normaal niets ergs doen, dodelijk kunnen zijn.
Soa te herkennen aan: pijn bij plassen, gelige afscheiding, zweertjes.
Als je het denk te hebben meteen naar dokter, want gaat nooit vanzelf over en je kunt er onvruchtbaar van worden.

Seksuele intimidatie: ongewenste aanspreek vormen, dubbelzinnige oopmerkingen, ongewenste aanrakingen. Gebeurt vaak bij machtsverschillen, werknemer, werkgever.
Seksueel geweld: mensen worden tegen hun wil met seksuele bedoelingen aangeraakt (aanranding) of gedwongen tot seksuele handelingen of gemeenschap (verkrachting). Binnen familie ie het incest.
Slachtoffer van seksuele intimidatie of geweld kunnen terecht bij vertrouwenspersonen.

Om zwangerschap te voorkomen kun je verschillende dingen doen:
- sterilisatie: zaadleider of eileider onderbroken. Soms herstel mogelijk, soms gebeurt dit van nature.
- Hormonale middelen: pil of injectie. Hebben invloed op hormooncyclus, ovulatie- remmers. Morning-after pil binnen 36 uur gebruiken, is noodmaatregel.
- Mechanische middelen: condoom, spiraaltje (in de baarmoeder gebracht tegen innesteling), pessarium (kapje over de baarmoederhals, tegen binnen komen van zaadcellen). Soms gebruikt met zaaddodend middel.
- Periodiek onthouding: geen geslachtsgemeenschap rond de ovulatie. Niet betrouwbaar want vaak op verschillende tijden. Terugtrekken niet betrouwbaar.

Oorzaken dat gewenste zwangerschap uitblijft:
- man onvoldoende zaadcellen: zaad donor. KID (kunstmatige inseminatie met donorzaad) Ook kan je een eicel inspuiten met een zaadcel en daarna terug plaatsen.
- Reageerbuisbevruchting: IVF (in vitro fertilisatie) door hormoon preparaten rijping eicellen gestimuleerd. Eicel van de eierstok gehaald en buiten het lichaam gemengd met sperma. Meerdere bevruchte eicellen daarna teruggeplaatst. Kan ook in draagmoeder.

HOOFDSTUK 10: TRANSPORT IN PLANTEN:

§ 10.2 Diffusie:
Diffusie: de verplaatsing van moleculen in gassen of stoffen, van een hoge concentratie naar en lagere concentratie.
De snelheid van diffusie is afhankelijk van een aantal factoren:
• De aard van de stof (gas, vloeistof, vaste stof)
• De grootte van het diffusie oppervlak.
• Het concentratie verschil.
• De temperatuur.

Diffusie is vooral van belang bij de opname en afgifte van gassen.

§ 10.3 Actief transport:
Niet alle stoffen kunnen ongehinderd de cel in en uit diffunderen. Het celmembraan is voor veel stoffen ondoorlaatbaar. Hierdoor kan de cel zich onder andere beschermen tegen ongewenste stoffen.
Alleen water en een aantal gassen kunnen het celmembraan door middel van diffusie passeren. Voor het transport van andere stoffen zitten in het celmembraan speciale eiwitten die werken als een pomp. Voor elke groep van deze stoffen, is een apart eiwit in het membraan te vinden. Dit transport via pompen kost energie, en word ook wel actief transport genoemd.
Nadeel actief transport:
• Het kost energie.
Voordeel actief transport:
• De cel kan bepalen welke stoffen hij wil op of afnemen.

Selectief permeabel: niet alle stoffen doorlatend, maar kiezend welke wel of niet.
Passief transport: transport d.m.v. diffusie.

§ 10.4 Osmose:
Bij de meeste organismen is nog een andere transportwijze nodig, omdat het anders te lang zou duren als het allemaal van diffusie zou afhangen. Die transportwijze heet stroming.
Voor stroming zijn drukverschillen nodig. Dieren hebben daarvoor een pompsysteem. Bij planten is dat osmose: verplaatsing van water, van een plek met een hoge concentratie opgeloste stoffen, naar een plek met een lagere concentratie opgeloste stoffen.
Waterconcentratie: het aantal watermoleculen dat er per liter vloeistof aanwezig is.

Osmotische waarde: het aantal opgeloste deeltjes in de oplossing aan weerzijden van het membraan.

§ 10.5 Betekenis van osmose voor cellen:
Turgor: maakt de cellen stevig door middel van osmose waarbij het water van buiten de cel in de cel komt.
Plasmolyse: maakt dat de cel slap word, door het water dat de cel “uitloopt”.

§10.6 Transport in planten:
Transport via houtvaten:
Celwanden van de wortelharen hebben contact met het grondwater. Bodemwater kan doordringen tot de schors d.m.v. een netwerk. En als de osmotische waarde goed is kan de cel water opnemen. (passief transport)
Sommige stoffen worden via een pompsysteem opgenomen: actief transport.

Als wortelcellen weinig zuurstof kunnen opnemen of als de temperatuur te laag is ligt het actief transport stil.

Transport via bastvaten:
Er is een voortdurende afvoer van assimilatieproducten→Sacharose→bastvaten→hoge concentratie sacharose in bastvaten→en in de bladeren laag→stof gaat van bastvaten naar bladcellen(knoppen/ bladeren, etc.)

DEEL 2: H 5, 6, 7, 8, 9

Hoofdstuk 5: Transport:

§ 5.2: Transportstelsels:
Voor het transport van stoffen van en naar de cellen hebben de meeste meercellige organismen een transportstelsel. In ons lichaam zijn er 2:
• Het bloedvatenstelsel.
• Het lymfevatenstelsel.
Deze zorgen er samen voor dat het transport van stoffen van of naar onze cellen goed geregeld wordt. Om dat transportstelsel goed te laten werken heb je aan- afvoerbuizen en een pomp nodig.
Ons lichaam maakt gebruik van 2 soorten pompen:
• Het hart: Dit orgaan bestaat uit een holle spier met daarin een aantal kleppen die de stroomrichting van de transportvloeistof bepalen.
• Bloedvaten, en lymfevaten die voorzien zijn van kleppen: Ze liggen vaak tussen spieren. Tijdens het samentrekken van de spieren word er druk op de wand van de vaten uitgeoefend. De vloeistof in de vaten stroomt dankzij de kleppen in een bepaalde richting.

Het bloedvatenstelsel bestaat uit:
• Het hart.
• De slagaders: vervoeren bloed van het hart naar de verschillende organen, in elk orgaan vertakken de slagaders zich tot een netwerk van kleine vaten, de haarvaten.
• De haarvaten: bestaat uit dekweefsel, dat goed doorlaatbaar is. De haarvaten verenigen zich weer tot grotere vaten, de aders.
• De aders: brengen het bloed weer terug naar het hart.

Bij de zoogdieren is de bloedsomloop nog weer te verdelen:
• Grote bloedsomloop: Hart- Lichaam- Hart.
• Kleine bloedomloop: Hart – Longen – Hart.

Het lymfevatenstelsel bestaat uit:
Een vertakt net van op aders lijkende vaten, met op een aantal plaatsen lymfeknopen.

Functie lymfevatenstelsel: Per dag word circa 2 liter vocht meer buiten de bloedvaten gebracht dan er teruggenomen wordt. Dat vocht word verzameld en vervoerd door de lymfevaten.

§ 5.3 Regeling van de doorbloeding:
Het is duidelijk dat hard werkende organen meer voedsel en zuurstof nodig hebben. De bloedaanvoer naar doe organen zal tijdelijk groter moeten zijn. Bijvoorbeeld:
• Direct na een maaltijd, neemt de hoeveelheid aangevoerd bloed in het darmgebied toe.
• Bij zware lichamelijke inspanning, neemt de hoeveelheid aangevoerd bloed in de werkende spieren toe.
• De hoeveelheidbloed, die door de huid stroomt, is sterk afhankelijk van de lichaamtemperatuur.
Dus wanneer bepaalde delen van het lichaam meer bloed vragen voor het goed uitoefenen van hun functies, zullen andere delen het tijdelijk met minder bloed moeten stellen.
De orgaandoorbloeding word geregeld door de verandering van de vaatwijdte. Het gladde spierweefsel in de wanden van de kleinste slagaders zal verslappen, waardoor die bloedvaatjes wijder worden. En zo kan er dan meer bloed doorstromen.
Wanneer belangrijke organen zoals de hartspier, en de hersenen plotseling minder doorbloed worden, spreekt men van een shock.

§ 5.4 Het hart:
Biodata blz. 137

§ 5.5 Vinger aan de pols:
Harttonen:
Met behulp van de stethoscoop kan een arts twee harttonen horen:
• Een doffe, vrij lage toon, die ontstaat bij het begin van de samentrekking van de kamers. Hij wordt veroorzaakt door trillingen, die ontstaan bij het sluiten van de kleppen tussen boezems e kamers, door het samentrekken van de kamerwand en door de wervelingen van het bloed.
• Een korte, hogere toon bij het begin van het ontspannen van de kamers. Deze toon wordt voornamelijk veroorzaakt door het sluiten van de kleppen tussen de kamers en de slagaders.
Wanneer de tonen afwijken van het normale patroon kan dit een aanwijzing zizjn voor bepaalde gebreken aan het hart.

Er is nog een andere maner om informatie over de harttonen te krijgen. Door middel van een Electro- CardioGram (ECG)krijgt een arts veel informatie over de manier waarop de samentrekking van het hart verloopt.

Polsslag:
Het uitrekken en samentrekken van de slagaderwand herhaalt zich telkens, ook in het aangrenzend gedeelte, zodat er een golfbeweging over de wand loopt.
Zonder deze passieve werking van de slagaderwand zou het bloed schoksgewijs en niet continu stromen.
De meeste slagaders liggen vrij diep tussen de spieren en andere organen. Maar bij de pols is dit betrekkelijk dicht aan de oppervlakte, zodat we daar de golfbeweging kunnen voelen. (polsslag.)

Bloeddruk:
Om de bloeddruk te meten, wordt om de bovenarm een gummi manchet aangelegd. De manchet wordt volgepompt met lucht, waarvan de druk door een manometer geregistreerd wordt.
Bovendruk: direct na de samentrekking van het hart wordt de bloeddruk in het begin van de aorta hoger en vervolgens in de slagaders. Direct daarna stijgt ook de bloeddruk in de slagaders.
Onderdruk: Door het weer samentrekken van de aortawand vlak voor een nieuwe hartsamentrekking word de bloeddruk weer lager.

§ 5.6 Werking van het hart:
In de wand van de rechterboezem zit een zenuwknoop van waaruit de samentrekking van het hart begint. Hierdoor word het bloed uit de boezems in de kamers geperst. De kracht die de boezems moeten uitoefenen, behoeft niet groot te zijn.
Gedurende de samentrekking van de boezems worden de uitmondingen van de aders in de boezems dichtgedrukt. Vanuit de zenuwknoop in de rechterboezem gaat het zenuwsignaal verder naar de punt van de twee kamers.
Terwijl de boezems zich ontspannen, trekken beide kamers zich af onder af samen, waarbij het bloed onder druk komt. De hartkleppen sluiten de toegang tot de boezems af. Dan persen de kamers het bloed in de slagaders. De kleppen in deze slagaders worden geopend door de druk van het bloed, zodra de druk in de kamers groter is dan in de slagaders.

Tijdens de samentrekking van de kamers gaat de basis van de hartkleppen omlaag, zodat de ontspannen boezems groter worden en een zuigende werking uitoefenen op het bloed in de aders.
Daarna ontspannen de kamers zich en er volgt een pauze voor het hele hart, waarbij de boezems volstromen met bloed uit de holle aders. En hierna herhaalt het proces zich weer.

Slagvolume: de hoeveelheid bloed die er per slag van het hart “weggepompt” word.
Hartminuutvolume: de hoeveelheid bloed die het hart in een minuut “wegpompt”.
Frequentie: aantal slagen van het hart per bepaalde tijdseenheid. (bijv. 60/80 x per min.)

Kransslagaders: die vlak bij het hart uit de aorta ontspringen, voeren ongeveer 5 % van de gehele bloedvoorraad naar de hartspier.
Kransaders: via de kransaders stroomt het bloed terug naar de rechterboezem
Als een zijtakje van een kransslagader door een of andere oorzaak niet meer functioneert, kan het door dat slagadertje verzorgde spiergedeelte afsterven , we hebben het dan over een hartinfarct. De zenuwgeleiding in het hart is hierdoor verstoord.

§ 5.7 Bloed:
Bloed is een transportvloeistof, en heeft een aantal functies:
• Transport van:
o Voedingsstoffen van het spijsverteringsstelsel naar de cellen.
o Afvoer van stofwisselingsproducten, zoals melkzuur.
o Stoffen die cellen gemaakt hebben, bijvoorbeeld hormonen.
o Gassen.
o Uitscheidingsproducten, zoals ureum.
o Cellen die een functie hebben bij de afweer.
o Warmte

• Overdracht van kracht:
o Beweging van gehele organismen, zoals de regenworm.
o Beweging van lichaamsdelen, bijvoorbeeld de penis.
• Stollen om zo wondjes te dichten en het lichaam tegen ziekteverwekkers te beschermen.
• Handhaven van inwendig milieu van het organisme.
• Geven van kleur aan bepaalde lichaamsdelen.
• Signalen afgeven, denk aan blozen en lijkbleek worden

Samenstelling van bloed:
De vele functies die het bloed heeft zijn mogelijk dankzij de samenstelling van het bloed.
Bloed bestaat uit vloeistof, het bloedplasma met daarin een groot aantal bloedcellen.
Het bloedplasma bestaat uit water, waarin zouten zijn opgelost. Ook bevinden zich verschillende soorten bloedeiwitten in het bloedplasma.
De lever en de nieren spelen een belangrijke rol bij het constant houden van de samenstelling van het bloed.
De productie van bloedcellen vind plaats in het beenmerg. Hier bevinden zich de stamcellen, die zich kunnen vermenigvuldigen en uitgroeien tot de verschillende celtypen die in het bloed voorkomen. De vorming van bloedcellen word geregeld door groeifactoren en hormonen.

Bloedcellen:
Rode bloedcellen: bevatten hemoglobine, en hebben geen kern. Kunnen bij het passeren van nauwe haarvaten gemakkelijk vervormd worden. Worden gemaakt in het rode beenmerg. Zijn enige maanden in het bloed aanwezig en worden daarna in de milt en de lever vernietigd.
Witte bloedcellen: zijn groter dan de rode bloedcellen, en hebben wel een kern. In rust zijn ze bolvormig, en bij activiteit kunnen ze allerlei vormen aannemen.(2-3 dagen in bloed)
Lymfocyten: zijn in het bloed en in de lymfevloeistof te vinden, en spelen de hoofdrol in de afweerreacties van het lichaam onder andere door de productie van antistoffen.
Bloedplaatjes: worden gemaakt in het rode beenmerg, zeer kleine celfragmenten. Ze bevatten een belangrijke stof die nodig is bij de stolling van bloed.(5-9 dagen in bloed)

§ 5.8 Uitwisseling van stoffen:
De in het bloed opgenomen stoffen worden in de haarvaten uitgewisseld met de cellen. Tegelijkertijd worden celproducten en afvalstoffen vanuit de cellen naar het bloed vervoerd. De wand van de haarvaten is doorlaatbaar voor water en kleine moleculen. Grote moleculen zoals eiwitten kunnen er niet door. Door de bloeddruk worden water en kleine moleculen uit de haarvaten geperst in de ruimtes rondom de cellen. Door dit proces van ultrafiltratie ontstaat weefselvloeistof.
Doordat de grote moleculen niet uit de haarvaten kunnen, ontstaat er een verschil in osmotische waarde tussen het bloed en de weefselvloeistof.
Dankzij dat verschil in osmotische waarde stroomt de weefselvloeistof terug in de haarvaten. De bloeddruk en de osmotische druk weken elkaar tegen. Doordat de bloeddruk aan het begin van de haarvaten het grootst is, gaat het vocht vanuit de haarvaten naar de weefsels.
En aan het eind van de haarvaten is de bloeddruk lager dan het verschil in osmotische waarde. Daar wordt vocht uit het weefsel teruggenomen in de vaten en afgevoerd.
Hierdoor word de weefselvloeistof voortdurend ververst.

In bepaalde gevallen komt er te weinig weefselvloeistof terug in de bloedbaan. Er blijft dan extra weefselvloeistof in de weefsels achter. Op die manier ontstaan er vochtophopingen in de weefsels. Een van de oorzaken is een te laag eiwitgehalte in het bloed, doordat er te weinig eiwitten gegeten worden. We spreken dan van hongeroedeem.

§ 5.9 Hart en vaatziekten:
Wanneer in de wanden van slagaders verdikkingen en verhardingen ontstaan spreekt men van aderverkalking, ofwel arteriosclerose.
Er zijn een aantal factoren beken die het ontstaan van plaques kunnen bevorderen:
• Veel cholesterol in het bloed.
• Roken.
• Hoge bloeddruk.
• Zwaarlijvigheid.
• Erfelijke aanleg.

Spataders zijn verwijde aders. De verwijdingen ontstaan als er langdurig hoge druk op een ader staat. Het elastische bindweefsel verslapt, de aderwand rekt uit en de kleppen in de aders sluiten niet meer goed. Spataders komen vooral oppervlakkig in de benen voor.

HOOFDSTUK 6: LEVER EN NIEREN:

§ 6.1 Schoonmaken en opruimen:
De longen, de lever, de nieren, en de huid spelen een belangrijke rol bij de afvoer van afvalstoffen, zij hebben de functie aks uitscheidingsorganen.
Onder uitscheidingsorganen verstaat men het verwijderen van overtollige en schadelijke stoffen uit het lichaam. De longen zorgen voor het verwijderen van CO2. Enkele goed in vet oplosbare stoffen komen ia de longhaarvaten in de wand van de longblaasjes terecht en worden uitgescheiden met behulp van het slijm van de luchtpijp.
In de lever worden schadelijke stoffen omgezet in een zodanige vorm dat ze gemakkelijk uit het lichaam kunnen worden verwijderd. Sommige van die stoffen worden uitgescheiden met de gal, andere worden met het bloed naar de nieren vervoerd en komen daar in de urine terecht.
De nieren regelen de osmotische waarde en het volume van de weefselvloeistof en ze verwijderen afbraakproducten van de eiwitstofwisseling uit het lichaam. Bovendien verwijderen ze de gifstoffen die in de lever in onschadelijke stoffen zijn omgezet.
De huid kan via het zweet allerlei stoffen uit ons lichaam verwijderen. Je kunt aan de huis ruiken dat er bijvoorbeeld veel knoflook in je eten zat.

§ 6.2 Twee levertransplantaties op je zestiende:

§ 6.3: Bouw van lever en galblaas:
Door de lever stroomt het zuurstofarme bloed dat door de poortader (rijk aan voedingsstoffen) word aangevoerd en dat afkomstig is uit het darmgebied, uit de alvleesklier en uit de milt.
Al het bloed verlaat de lever door de leverader, die in de onderste holle ader uitmondt.
De lever bestaat uit een groot aantal zeshoekige leverlobjes. Elk leverlobje heeft een doorsnede van 2-3mm en een dikte van 1mm. In deze lobjes zitten de levercellen. De producten die de levercellen maken komen niet alleen in de leverader terecht. Een gedeelte wordt afgevoerd via de galgang naar de galblaas. Vanuit de galblaas gaat de gal naar de twaalfvingerige darm.

§ 6.4 Functies van de lever:
De lever vervult een groot aantal functies in ons lichaam:
• Handhaven van het suikerconcentratie in het bloed:
• Het bewerken en bewerken van eiwitten:
• De lever heeft een ontgiftende werking:
• De lever vormt gal:
• De lever is de kachel in ons lichaam
• De lever kan dienen als bloedreservoir.

§ 6.5 Het leven van een nierpatiënt:

§ 6.6 Bouw van de nieren:
Zie biodata.

§6.7: Functies nieren:
Onze nieren hebben een aantal belangrijke functies, die allemaal te maken hebben met de samenstelling van ons bloed. Het volgende lijstje geeft een overzicht:
• Handhaven van de concentratie van ionen
• Regelen van de hoeveelheid water in ons lichaam.
• Handhaven van de osmotische waarde van ons bloed.
• Verwijderen van stoffen die door de cellen zijn gemaakt.
• Verwijderen van vreemde stoffen die ons lichaam zijn binnengekomen.

In de niereenheden (nefronen) vindt een schoonmaakproces plaats dat uit twee delen bestaat:
1) Alle in het bloed opgeloste stoffen worden in het nierkapseltje uit het bloed geperst. Je kunt dit proces van ultrafiltratie het beste vergelijken met de manier waarop weefselvloeistof in de haarvaten ontstaat. De bloeddruk is de motor achter dit proces. De vloeistof die op deze manier in het nierkapseltje ontstaat noemen we voorurine. Deze bevat behalve afvalstoffen ook erg veel nuttige stoffen zoals glucose, aminozuren en mineralen in dezelfde concentratie als in het bloed. in totaal word ongeveer 150 liter voorurine per dag gevormd. Hierdoor stroomt 1500 liter bloed door de nieren.
2) In het eerste, gekronkelde, deel van het nierkanaaltje worden onder andere glucose, aminozuren en mineralen actief getransporteerd vanuit het nierkanaaltje terug naar het bloed. Deze terugresorptie kost veel energie. Als gevolg van dit actieve transport volgt een passief transport van water naar het bloed. Tenslotte is 99% van al het water dat in de nierkapseltjes werd geperst terug in het bloed opgenomen en zijn alle afvalstoffen, en door de lever onschadelijk gemaakte stoffen in de urine achtergebleven. Per dag maak je ongeveer 1 liter urine

Via het nierbekken komt de urine in de urineleiders, die door peristaltische bewegingen zorgen voor het transport naar de blaas. Deze dient als tijdelijke opslagplaats. Het weefsel van de blaaswand kan tot zekere hoogte uitrekken zonder dat er spanning optreedt. Als de blaas ca. 0,5 liter urine bevat wordt de spanning van de blaaswand zo groot dat er een signaal naar de hersenen gaat: er ontstaat aandrang op te plassen.
Wanneer de uitwendige sluitspier van de blaas zich ontspant word de urine via de urinebuis uit het lichaam verwijderd.

HOOFDSTUK 7: ZINTUIGEN EN ZENUWSTELSEL:

§ 7.1 Inleiding:
Je houdt, zonder dat je je ervan bewust bent, je lichaam voortdurend in evenwicht, dankzij de samenwerking tussen zintuigen, zenuwen, en spieren. Daarvoor heb je informatie nodig vanuit het lichaam zelf en vanuit de buitenwereld. In het zenuwstelsel wordt alle informatie gecombineerd.

Zintuigen: hetgeen waarmee je informatie opvangt en verwerkt, van binnenuit of van buitenaf.
Prikkels: de ontvangen informatie door de zintuigen. (licht-ogen, geur-neus etc)
Impulsen: de door zintuigcellen omgezette prikkels, in elektrische signalen.

Selectie: niet alle impulsen leiden tot een waarneming, in de hersenen vind dus een selectie plaats. Alleen de voor jou belangrijke impulsen leiden tot een waarneming en eventueel tot een reactie.

§ 7.2 Zintuigen en zintuigcellen:
Zintuigcellen zijn gespecialiseerde cellen, een zintuigcel reageert voornamelijk op één bepaald soort prikkel, de adequate prikkel. Zintuigcellen kunnen verspreid liggen, of in groepen bij elkaar. Zintuigcellen die gegroepeerd liggen in een orgaan noem je een zintuig.

Zintuigcellen hebben een prikkeldrempel. Alleen wanneer de prikkel zo sterk is dat hij boven de prikkeldrempel uit komt, gaan er via zenuwen impulsen naar het centrale zenuwstelsel. Je hersenen kunnen zorgen dat je op de prikkel reageert. Hoe sterker de prikkel, hoe groter het aantal impulsen dat per tijdseenheid doorgestuurd wordt. Het aantal impulsen per seconde word de impulsfrequentie genoemd.

Als een adequate prikkel lang aanhoudt, worden er minder impulsen naar het centrale zenuwstelsel doorgegeven. Dit verschijnsel heet gewenning. Anders zou je voortdurend overspoelt worden met informatie.

§ 7.3 Lichtwaarneming:
De bouw van het menselijke oog:
• Harde oogvlies: het wit van het oog, is de buitenste laag van de oogbol. Is zeer stevig. Oogspieren waarmee je ogen kunnen bewegen zitten eraan vast. Op de plek waar de iris te zien is gaat het harde oogvlies over in het doorzichtige hoornvlies. Dit steekt iets meer naar voren dan het harde oogvlies. Achter het hoornvlies ligt een met vocht gevulde ruimte, de voorste oogkamer. Vlak achter de iris bevindt zich de ooglens.
• Het vaatvlies: zitten veel bloedvaten in. Dient voor de aan en afvoer van stoffen. Aan de voorzijde , achter het hoornvlies, gaat het vaatvlies over in de iris. Midden in de iris zit de pupil. De iris bevat pigment, dat het daarop vallende licht tegenhoudt. Het licht gaat dus uitsluitend door de pupil. Bevat de iris veel pigment, dan is ze bruin, zit er weinig pigment in dan is ze grijs-blauw.
• Het netvlies: ligt aan de binnenzijde tegen het vaatvlies aan en eindigt op de plaats waar het vaatvlies overgaat in de iris. In het netvlies bevinden zich lichtgevoelige zintuigcellen. De zenuwvezels vanuit deze cellen komen samen in de oogzenuw. Deze oogzenuw verlaat het oog aan de achterkant van de oogbol en brengt impulsen van de zintuigcellen naar de hersenen.
• Het glasachtig lichaam: doorzichtige glasheldere massa, die de ruimte tussen de lens en het netvlies vult.
De wenkbrauwen, de oogleden, met de wimpers, en de traankliertjes, beschermem het oog. De traankliertjes produceren traanvocht, dat het hoornvlies vochtig houdt, en het dood bacteriën.

§ 7.4 Reflexen in je oog:
Omdat je voorwerpen van dichtbij tot veraf scherp moet kunnen zien, moeten lichtstralen meer of minder sterk gebroken worden. De lens kan daarom platter of boller worden. Dit verschijnsel waarbij de lens van vorm veranderd noemen we accommoderen.
De lens is door middel van lensbandjes opgehangen in het midden van het straalvormig lichaam. Het straalvormig lichaam zit aan de rand van het vaatvlies vast en is stevig met het harde oogvlies verbonden. In dit straalvormig lichaam bevindt zich een kringspier, de accommodatiespier. De accommodatiespier zit dus als een ring om de ophangbandjes van de ooglens heen.

De kleine verschillen tussen de beelden van beide ogen worden door de hersenen vertaalt in een ruimtelijk beeld. Daardoor kunnen we afstand schatten en diepte waarnemen.

Als er te veel of te weinig licht op het netvlies valt, treed via reflexcentrum in de hersenstam de pupilreflex in werking. Spierweefsel aan de achterzijde van de iris regelt de wijdte van de pupil. Als de intensiteit van het licht dat op het netvlies valt te groot word, dan trekken kringspieren, die de pupil vernauwen, samen. Is er te weinig licht, dan trekken de straalspieren, die de pupil verwijden, samen.

§ 7.5 Netvlies:
Het netvlies bestaat uit verschillende cellagen. Van buiten naar binnen onderscheiden we:
• Pigmentcellen: het ligt dat niet door de zintuigcellen word opgevangen, valt op de pigmentcellen en wordt geabsorbeerd.
• Zintuigcellen: kunnen onderscheiden worden in: staafjes, en kegeltjes. Liggen met lichtgevoelige kant tegen pigmentlaag aan. Staafjes bevatten lichtgevoelige stoffen: staafjesrood: verbleekt als er licht op valt. Daardoor ontstaan impulsen in de zenuwcel die op de zintuigcel is aangesloten. Nacht blindheid: bij tekort aan vitamine A worden staafjes minder gevoelig voor licht, er wordt minder staafjesrood gevormd. Kegeltjes bevatten 3 soorten kleurstoffen, ze absorberen rood, groen, of blauw licht. De kegeltjes hebben een hoge prikkeldrempel, ze werken alleen bij veel licht. Kleurenblindheid: ontstaat doordat 1 of meerdere kegeltjes niet werken. Meestal rood of groen. Gele vlek: bevinden zich hoofdzakelijk kegeltjes. Pigmentlaag is dikker, aantal zintuigcellen per oppervlakte-eenheid is groter, en weefsellaag die tussen licht en zintuigcellen zit is dunner dan bij de rest van het netvlies. Werkt alleen bij sterke belichting.
• Zenuwcellen: de binnenste laag van het netvlies, het dichts bij glasachtig lichaam, bestaat uit een bepaald type zenuwcellen: de schakelcellen: geven impulsen van de licht zintuigcellen door aan zenuwcellen die informatie doorgeven aan centrale zenuwstelsel. Elk kegeltje heeft via een schakelcel een eigen verbinding met de hersenen. Staafjes worden met een aantal bij elkaar doorgeschakeld. Blinde vlek: zenuwcellen van het netvlies verlaten hier het netvlies.

§ 7.6 Gezichtsbedrog:
Gezichtsbedrog kan verschillende oorzaken hebben:
• Verdeelde lijnen lijken altijd langer dan ononderbroken lijnen,
• Schijnbare grootte van een voorwerp word beïnvloed door objecten in de omgeving.

§ 7.7 Oogafwijkingen:
Nabijheidpunt: het punt dat we met maximaal accommoderen nog juist scherp kunnen zien.
Ouderdomsverziendheid: als een nabijheidpunt verder van het oog komt dan 25 cm en het lezen moeilijk word.
Bijziendheid: voorwerpen in de verte worden niet scherp waargenomen, bril met holle glazen.
Verziendheid: beeld valt achter het netvlies, hierbij bril met bolle glazen.
Lui oog: als beide ogen niet goed samenwerken verwerken de hersenen de beelden niet tot 1 ruimtelijk beeld, beeld van slechtste oog word onderdrukt en functieontwikkeling stopt: afplakken.
Grauwe staar: ooglens is troebel, wel licht zichtbaar, geen beelden: operatie.

HOOFDSTUK 8: BOUW EN WERKING VAN HET ZENUWSTELSEL:

§ 8.1 Overzicht:
Ligging zenuwstelsel: centrale en perifere zenuwstelsel:
Centrale: grote en kleine hersenen, hersenstam, en ruggenmerg.
Perifere: alle uitlopers van zenuwcellen in romp en ledematen.

Willekeurig zenuwstelsel: hartslag , spijsvertering.
Onwillekeurig zenuwstelsel:
Autonome zenuwstelsel: onwillekeurig.
Animale: willekeurig.
Autonome te verdelen in sympathische deel : brengt lichaam in toestand van activiteit. En het parasympathische deel: brengt lichaam in toestand van rust.

Animale zenuwstelsel: voornamelijk cellichamen in grote en kleine hersenen en uitlopers door het hele lichaam.
Autonome zenuwstelsel: voornamelijk cellichamen langs ruggenmerg en hersenstam. Ook uitlopers in het lichaam.

§ 8.2 Elementen van het zenuwstelsel:
Zenuwcel: kleinste functionele eenheid van het zenuwstelsel. Kan elektrische signalen, impulsen, transporteren met snelheid tot 120 meter per seconde. Bestaat uit cellichaam met lange, en korte uitlopers.
Motorische zenuwcel: voorgeleiden van impulsen vanuit centrale zenuwstelsel naar spieren, of klieren. Korte uitlopers van cellichaam: vervoer naar cellichaam toe. Lange uitlopers: vertakt en maakt contact met een spier.
Secretorische zenuwcel: zelfde bouw als motorische, maar brengt impulsen naar klieren.
Schakelcel: brengen verbindingen tot stand tussen sensorische en motorische zenuwcellen. Bouw komt overeen met motorische zenuwcel.
Sensorische zenuwcel:geleidt impulsen van de zintuigcellen naar centrale zenuwstelsel, en heeft 2 uitlopers. Een ervan heeft zijn einde bij de zintuigcel.

Zenuwen: bundels uitlopers van zenuwcellen omgeven door een laagje bindweefsel.

Motorische zenuw: zenuw bevat alleen uitlopers van motorische zenuwcellen.
Sensorische zenuw: bundel uitlopers van sensorische zenuwcellen.
Perifere zenuwstelsel: lange uitlopers van motorische, sensorische, en secretorische zenuwcellen.

§ 8.3 Ruggenmerg:
Segmentatie: Is terug te vinden in de wervelkolom: dezelfde stukjes achter elkaar.

Het wervelkanaal: bevind zich in het ruggenmerg, omgeven door 3 beschermende vliezen. Tussen die vliezen in bevinden zich ruimtes gevuld met vocht, hierdoor ontstaat er , bescherming tegen schokken.

Zenuwknoop: tak aan de rugzijde van het ruggenmerg, met een verdikking. Hierin liggen cellichamen van de sensorische zenuwcellen.
De tak aan de buikzijde is de motorische tak: brengt signalen naar spieren en klieren.

Het witte uiterlijk van de buitenste weefsellaag komt door de omhulling van witte mergschede rond elke uitloper: mantel van eiwitten + vetten.

Ruggenmerg: geleidingsorgaan. Bijvoorbeeld: impulsen naar tastzintuigen in de hand naar hersenen, en van hersenen naar armspieren.
Reflex: hierbij gaan impulsen via de tastzintuigen in de hand naar het ruggen merg en weer terug. Er is dus een snelle reactie, waarbij je je hand terugtrekt.

Pijnzintuigen: impulsen naar ruggenmerg via sensorische zenuwcellen, uitlopers geven impulsen aan schakelcellen door, naar hersenen, andere schakelcellen sturen impulsen naar motorische zenuwcellen, brengen impulsen naar spiercellen in de arm, trekt je hand weg.

§8.4 De hersenen:
Onze hersenen zijn beschermt door 3 hersenvliezen, het bot van de schedel en huid met lagen vet en bindweefsel. Direct om de hersenen ligt dun hersenvlies: voorziet hersenoppervlak van bloed. daaromheen het spinnenwebachtig vlies. Tussen deze 2 vliezen zit hersenvloeistof. Buitenste vlies is dik en leerachtig.

Hersenstam: voortzetting van het ruggenmerg, vormt verbinding tussen ruggenmerg en kleine en grote hersenen. Hier kruisen uitlopers van linker en rechter ruggenmerg elkaar. Regelt de noodzakelijke processen: ademhaling, lichaamstemperatuur, slaap- en waakritme, en seksuele gevoelens.

Kleine hersenen: Regeling van samenwerking van spieren en handhaving van evenwicht gebeurt hier. Spierspoeltjes meten de spanningstoestand van de skeletspier.

Grote hersenen: ligt over andere hersenen heen. Bestaat uit 2 helften: linker, en de rechterhersenhelft. Deze zijn verbonden door de hersenbalk:vormt dwarsverbinding waarin zenuwuitlopers van de ene naar de andere hersenhelft lopen.
Dunne buitenste laag van de grote hersenen: hersenschors: donker van kleur: grijze stof: bestaat voor deel uit zenuwcellen.
Witte stof: mergschede.
Hersenholte: centraal in beide hersenhelften, zijn voortzetting van het centrale kanaal in het ruggenmerg: met vocht gevuld.
Hersenschors is door centrale groeve, die dwars staat op scheiding tussen linker en rechterhersenhelft, verdeelt in een sensorisch deel, en een motorisch deel.

§ 8.5: Het animale en het autonome zenuwstelsel:

Sympathisch zenuwstelsel word gecoördineerd vanuit de grensstrengen: verzameling zenuwknopen die aan weerszijden van het ruggenmerg liggen. Vanuit hier lopen zenuwen naar alle organen, die buiten onze wil geregeld worden.
Parasympatisch zenuwstelsel: stuurt signalen naar verschillende organen: onwillekeurig. Dit deel van het zenuwstelsel brengt lichaam in ontspanning.

§ 8.6: Impulsgeleiding en impulsoverdracht:

Zenuwcel word geprikkeld: gaat elektrisch stroompje langs membraan: impuls. Impuls kan niet langs dezelfde zenuwcelmembraan terugkeren vlak nadat deze geprikkeld is.
Aan het eind van een lange uitloper van een zenuwcel zit een verbreed gedeelte, ligt vlakbij de volgende zenuwcel: synaps: soort contactplaat tussen twee zenuwuitlopers. De smalle ruimte tussen 2 synapsen heet de synapsspleet.
Neurotransmitter: als impulsen het uiteinde van een lange uitloper hebben bereikt geven de blaasjes die in de synaps liggen een stof af, komt in de synapsspleet terecht. Door diffusie komt neurotransmitter bij receptoren op het celmembraan van de volgende zenuwcel. Hier doet de stof een nieuw impuls ontstaan. Nadat de neurotransmitter in de synapsspleet is afgegeven word het onwerkzaam gemaakt door een enzym dat het weer afbreekt.

§ 8.7 Geleidingssnelheid:
Mergschede: mantel van eiwitten en vetten om uitloper. Is op sommige plaatsen onderbroken: knopen van Ranvier, impulsen springen van knoop tot knoop.

HOOFDSTUK 9: HORMONEN:

§ 9.1: Regeling van lichaamsprocessen:
Hormoonklier: scheidt hormonen af, geeft product af aan bloed, geen afvoerkanaal. Hormoon beïnvloed alleen doelwitcellen, door de specifieke structuur van elk hormoon dat past op receptoren van doelwitcellen. Receptoren zijn eiwitten in de membraan van de doelwitcellen.

Eigenschappen van hormonen:
• In lage concentratie werkzaam.
• Concentratie van een hormoon in het bloed is bepalend voor mate van reactie doelwitcellen.
• Niet soortspecifiek.
• Te hoge en te lage concentraties kunnen tot ziekteverschijnselen leidden.

§9.2: Afgifte van hormoon:
Wanneer te grote afwijkingen ontstaan van de normwaarde word hormoon afgegeven dat zorgt dat de normwaarde weer hersteld word: samenwerking van autonome zenuwstelsel en hormoonklier: negatieve terugkoppeling.

§9.3: Enkele hormoonklieren:

Stofwisseling wordt geregeld door schildklier, ligt onder strottenhoofd, is een orgaan dat opgebouwd is uit groot aantal blaasjes, zijn omgeven door klierweefsel. Des te actiever de schildklier is, des te dikker het klierweefsel. Om schildklierhormoon te maken (thyroxine) is jodium nodig. Thyroxine versnelt de stofwisseling.(bevorderd de stofwisseling) Als schildklier te weinig hormoon produceert, worden stofwisselingsprocessen vertraagd>> hart klopt minder snel en warmte regeling is verstoord. Bij te veel schildklierhormoon gaat de stofwisseling te snel: vermagering, overmatige transpiratie, en hoge lichaamstemperatuur.
Krop/ struma: bij te weinig jodium word schildklier zichtbaar groter.

Adrenaline: word geproduceerd dus bijnieren en sommige zenuwcellen. Bijnieren bestaan uit bijniermerg en bijnierschors bijniermerg levert dus adrenaline: activering van het hart, verwijding van de bloedvaten, glycogeen>>glucose. Hierdoor snelle reactie bij noodsituaties.
Adrenaline: stresshormoon. Hersenen beslissen of de extra energie is voor vechten of vluchten.

Diabetes: verhoogt glucose gehalte van je bloed. Kan blindheid, vaatziekten, hartziekten, en nierproblemen veroorzaken.
In de alvleesklier zijn groepjes cellen met een eigen functie: Eilandjes van Langerhans: bevatten o.a. 2 soorten cellen die hormonen produceren: alfa- en bètacellen. Alfacellen produceren glucagon, en bètacellen insuline.
Bloedsuikerspiegel: concentratie glucose in het bloed. hormonen uit de alvleesklier handhaven bloedsuikerspiegel doordat:
• Opgenomen voedsel in glycogeen en vet wordt opgeslagen. Insuline bevordert opname glucose in cellen door celmembraan te verhogen.
• Opgeslagen voedsel wordt zonodig weer vrijgemaakt.

Hoeveelheid afgescheiden en glucagon is afhankelijk van het glucosegehalte van het bloed. Verhoging van de bloedsuikerspiegel doet de Eilandjes van Langerhans meer insuline afscheiden.
Alvleesklier vormt te weinig insuline: glucose gehalte stijgt teveel. Veel water nodig anders uitdroging.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.