12.1

  • Een jongen is vruchtbaar als zijn zaadcellen een eicel kunnen bevruchten (bij de 1ste zaadlozing ben je vruchtbaar).
  • Hormonen van de hypofyse zorgen voor twee dingen:
    1. De zaadballen maken zaadcellen, zaadcellen worden in de bijballen opgeslagen.
    2. De zaadcellen beginnen het geslachtshormoon testoron te produceren, dit zorgt voor het ontstaan van de secundaire geslachtskenmerken.
  • Een natte droom is een zaadlozing.
     
  • Eikel is het gevoeligst door tastzintuigjes.
  • Zaadlozing:
    1. Zwellichamen vullen zich met bloed.
    2. Man krijgt een erectie.
    3. De eikel wordt geprikkeld.
    4. Zaadcellen verlaten de bijballen.
    5. Zaadblaasjes voegen vocht toe.
    6. Prostaat voegt vocht toe.
    7. Man krijgt een zaadlozing.
  • Tijden de zaadlozing zwelt de prostaat op en knijpt de urinebuis af. Hierdoor kan urine en sperma niet gelijk er uit.
     
  • Een meisje is vruchtbaar als zij rijpe eicellen heeft die bevrucht kunnen worden.
  • In elke eierstok zitten ongeveer 200.000 onrijpe eicellen.
  • Hormonen uit de hypofyse zorgen dat in de eierstokken eicellen gaan rijpen.
  • Hormonen zorgen er ook voor dat de eierstokken oestrogeen maken, dat zorgt voor het ontstaan van de secundaire geslachtskenmerken.
     
  • Een eicel rijpt in een follikel in een eierstok.
  • Na ongeveer twee weken vindt de eisprong of ovulatie plaats.
  • De eileider vervoert eicellen naar de baarmoeder.
  • Zaadcellen kunnen via de vagina en de baarmoeder in de eileider komen.
  • Een meisje merkt aan haar 1ste menstruatie dat ze vruchtbaar is.
  • Klachten van ongesteldheid zijn: rugpijn, hoofdpijn, misselijkheid, sneller verdrietig of geïrriteerd zijn.

12.2

  • Menstruatiecyclus:
    1. Rijpt een eicel in de eierstokken.
    2. Het baarmoederslijmvlies wordt dikker en er groeien meer bloedvaten in.
    3. Na ongeveer twee weken is de eisprong. Wordt de eicel na 12 -24 uur niet bevrucht, gaat zij dood.
    4. Het verdikte baarmoederslijmvlies laat na nog twee weken los. Stukjes van dit slijmvlies druppelen met wat bloed uit de vagina.
  • De menstruatie wordt geregeld door de hormonen oestrogeen en progesteron.
  • Er groeit onder invloed van een hormoon uit de hypofyse een follikel.
    - De eicel in de follikel rijpt.
    - Tijdens het groeien produceert een follikel oestrogeen.
  • Oestrogeen heeft drie gevolgen:
    1. Geen andere eicellen rijpen.
    2. Baarmoederslijmvlies wordt dikker.
    3. Bij te veel oestrogeen in het bloed, geeft de hypofyse een seintje voor de ovulatie.
  • Na de ovulatie gaat de follikel ook progesteron maken.
  • Progesteron stimuleert de groei en doorbloeding van het baarmoederslijmvlies.
  • Eicel niet bevrucht: productie oestrogeen en progesteron neemt af.
  • Zaadcellen gaan van de vagina, via de baarmoedermond en de baarmoeder naar de eileider. Daar kan bevruchting plaats vinden.
  • Zaadlozing: 3 ml sperma vrij, 20 tot 300 miljoen zaadcellen.
  • Zwemtocht naar eileider: 15 cm.
  • Bevruchting is het samensmelten van de kern van een eicel met de kern van een zaadcel.
  • Na bevruchting begint de bevruchte eicel te delen.
  • Tijdens de groei heeft de eicel veel voedingstoffen opgenomen. De energie uit deze voedingsstoffen gebruikt de eicel om te delen.
  • Het bolletje cellen nestelt zich in het baarmoederslijmvlies, dat uitgroeit tot een baby.
     
  • Voorbehoedmiddelen: middelen waarmee je zwangerschap kunt voorkomen.
  • Voldoet aan drie eisen:
    1. Voorkomt zwangerschap.
    2. Makkelijk in gebruik.
    3. Niet schadelijk voor gezondheid.
  • Vrouwencondoom weinig gebruikt omdat het duur is en lastig in gebruik.
  • Condoom is het bekendst à beschermt tegen soa’s.
  • Pil à bevat meestal de hormonen oestrogeen en progesteron. Die zorgen ervoor dat er geen eicel rijpt in de eierstok. Je moet het 21 dagen innemen, daarna week rust voor de menstruatie.
  • Spiraaltje: van plastic om de steel zit een spiraal van koperdraad. Een arts plaatst het spiraaltje in de baarmoeder. Door het spiraaltje kan de eicel niet innestelen en uitgroeien tot een baby.
  • Pil en spiraaltje beschermt niet tegen soa’s, het is minder geschikt voor mensen met wisselende seks contacten.
     
  • Morning afterpil: binnen 22 uur na seks.
  • Overtijdbehandeling: 16 dagen na seks.
  • Abortus: 20 weken, in ziekenhuis of gespecialiseerde kliniek.
  • Sterilisatie man: doorsnijden en afbinden van de zaadleiders.
  • Sterilisatie vrouw: eileiders doorgeknipt.
  • Sterilisatie is ingrijpender bij vrouwen, daarom gebeurt het vaak bij mannen.
     
  • IVF: In Vitro Fertilisatie. Betekent bevruchting in glas.
  • Onvruchtbare vrouwen: bijvoorbeeld eileiders verstopt.
  • Zo’n baby heet een reageerbuis baby.
  • Behandeling:
    1. Vrouw krijgt extra hormonen: er rijpen meerdere cellen.
    2. Arts haalt aantal rijpe eicellen uit eierstokken.
    3. Eicellen wordt in een schaaltje met voedingsstoffen gedaan en er komen zaadcellen bij.
    4. Bevruchte eicellen gaan delen.
    5. Arts haalt twee bolletje cellen in de baarmoeder, meestal groeit maar één uit tot een baby.

12.3

  • Zwangerschapstest positief: aanwezigheid van zwangerschapshormoon geproduceerd door placenta (embryo) in plas.
  • Door dit zwangerschapshormoon blijft het baarmoederslijmvlies dik en rijpen geen nieuwe cellen in de eierstokken.
  • Uitblijven van menstruatie à zwanger.
  • 4 – 6 weken verschijnselen:
    - Uitblijven menstruatie.
    - Zwangerschapstest positief.
    - Ochtendmisselijkheid, soms overgeven.
    -Gevoelige borsten.
  • 6 – 8 weken:
    - Meer speeksel.
    - Trek in ander eten.
    - Je vermoeid voelen.
    - vaker moeten plassen.
  • 18 – 22 weken:
    - Voelen dat je kindje beweegt.
    - Buik begint dikker te worden.
  • 22 – 26 weken:
    - Harde buiken (weeën oefenen).
  • Na de innesteling groeit het bolletje cellen uit tot een embryo.
  • Na de 12de week wordt het embryo een foetus.
     
  • In de eerste 12 weken ontstaan alle organen.
  • Foetus: vindt alleen groei plaats.
  • Het vruchtwater met de vruchtvliezen beschermen het embryo en foetus tegen stoten.
  • Placenta of moederkoek: plaats waar het embryo is ingenesteld, groeit een placenta.
  • De placenta is verbonden met het embryo via de navelstreng.
     
  • De navelstreng bestaat uit twee navelstrengslagaders en één navelstrengslagader.
  • Van het bloed van de moeder gaan voedingsstoffen en zuurstof via de navelstrengslagader naar het bloed van het embryo.
  • Via het bloed van de embryo gaan koolstofdioxide en andere afvalstoffen via de twee navelstrengslagaders naar het bloed van de moeder.
  • De placenta kan geen nicotine, alcohol, medicijnen en drugs tegenhouden, maar wel schadelijke stoffen en ziekteverwekkers (de meeste).
  • Rodehond virus wordt niet tegengehouden.
  • In de embryonale fase kunnen deze stoffen afwijkingen veroorzaken.
  • 1 op de 10 embryo’s gaat iets fout in de ontwikkeling: het embryo sterft en wordt afgestoten: een miskraam.
  • Zwangerschap: ongeveer 280 dagen.
  • Wee: samentrekken van de spieren in de baarmoederwand, hierdoor komt de baby met zijn hoofdje voor de baarmoederwand te liggen.
  • Bevalling heeft 3 fasen:
    1. Ontsluiting: de weeën komen met regelmatige tussenpozen, hierdoor gaat de baarmoederwand open. Vlak voor of tijdens de ontsluiting breken de vruchtvliezen en loopt het vruchtwater, via de vagina, naar buiten.
  • Uitdrijving: de baby wordt met  persweeën door de vagina naar buiten geduwd.
    3. Nageboorte: door een wee komt de placenta samen met de vruchtvliezen en een stuk navelstreng naar buiten.
  • Dokter maakt mond eerst schoon à om te ademen.
  • Stuitligging: baby ligt met de kont naar de vagina.
  • Dwarsligging: baby ligt dwars; keizersnede.
     
  • Een eeneiige tweeling is ontstaan uit één eicel en één zaadcel. Ze zijn altijd van hetzelfde geslacht.
  • Een twee-eiige tweeling is ontstaan uit twee eicellen en twee zaadcellen. Ze zijn niet altijd van hetzelfde geslacht.
  • Eeneiige tweeling:
    -Splitsing cellen vóór de innesteling: ieder embryo eigen placenta en vruchtvliezen.
    -Splitsing cellen ná de innesteling: delen placenta en vruchtvliezen.
     
  • Echo: aan de grootte van de baby kan de verloskundige zien hoe oud het embryo is. Zo rekent hij de datum voor de geboorte uit. Als het niet duidelijk is wanneer de laatste menstruatie.
  • Tussen 8ste en 12de week voor het eerst naar de verloskundige.
  • Om de 3, 4 weken terug.
  • Verloskundige: luistert naar het hartje en controleert of de baby goed groeit. Geeft advies over voeding en leefwijze.
  • 20ste week meeste vrouwen: echo. Kijken of er geen afwijkingen zijn, of het een jongen/ meisje is.
  • Werking echo: geluiden door de buik van moeder, met het teruggekaatste geluid maakt het apparaat de baby zichtbaar op een scherm.
     
  • Siamese tweeling: als tijdens de ontwikkeling van een eeneiige tweeling de splitsing niet volledig is. Ze blijven aan elkaar plakken.
  • Naam komt van een Siamese tweeling uit Siam (nu Thailand). Ze werden beroemd doordat ze in een circus optraden.

12.4

  • Chromosomen zijn heel dunne draadjes in de kern van iedere cel.
  • De cellen van een mens hebben 46 chromosomen: 23 van moeder/ 23 van vader.
  • Chromosomen bevatten de informatie voor de bouwbeschrijving van een mens.
  • XY = jongen, XX = meisje.
  • Eicel heeft X-chromosoom. Zaadcel heeft of X of Y.
  • Een gen bepaald één eigenschap, varianten op eigenschappen noem je allelen.
     
  • De informatie voor je erfelijke eigenschappen noem je het genotype.
  • Wat je ziet van een eigenschap heet het fenotype.
  • Soms is de aanleg voor een eigenschap erfelijk. Bijv. goed kunnen zingen.
     
  • Veel aangeboren aandoeningen ontstaan door een fout in één chromosoom (b.v. kleurenblindheid).
  • Downsyndroom: 1 chromosoom te veel.
  • Vruchtwaterpunctie: arts zuigt met een naald wat vruchtwater op. In dat vruchtwater zweven cellen van de foetus. De arts onderzoekt vervolgens de chromosomen van die cellen.

12.5

  • Voor iedere eigenschap heb je twee allelen: één van beide ouders.
  • Als allelen gelijk zijn: homozygoot.
  • Als allelen verschillend zijn: heterozygoot.
  • Een allel is dominant als het een andere allel overheerst. Bruin overheerst blauw.
  • Een overheersende allel à dominant.
  • Een onderdrukte allel à recessief.
  • Bandjespatroon: DNA uit het bloedspoor wordt geïsoleerd en dan bewerkt. Er ontstaan kleine stukjes die in een soort gelei een bandjespatroon opleveren. Ditzelfde wordt ook gedaan met het DNA van verdachten. Door de bandjespatronen te vergelijken, kunnen ze de dader opsporen. 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

B.

B.

In paragraaf 12.3 staat: De navelstreng bestaat uit twee navelstrengslagaders en één navelstrengslagader. Dat klopt volgens mij niet er zijn toch twee navelstrengslagaders en een navelstrengader?

2 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast