Hstk 1
1.1 het grote geheel

Stofwisseling: totaal van alle reacties in je lichaam
Vele orgaanstelsels werken aan:
Dissimilatie: afbraak van moleculen
Assimilatie: opbouw van moleculen
1.2 transport van stoffen
Membranen: bestaan uit 2 laagjes vetten ( fosfolipiden + eiwitten). Ze zijn permeabel = doorlaatbaar
Niet permeabel: voor zout- of suikermoleculen ( gaat slecht en langzaam)
Wel permeabel: voor zuurstof en gassen
voor ingewikkelde verbindingen( bijv. hormonen) zijn permeasen= transporteiwitten nodig.
Selectief permeabel: niet alle stoffen gaan makkelijk door het membraan heen.
1.2.1 Passief Transport:
Bij passief transport wordt er geen energie gebruikt, maar het verschil van concentratie.
Diffusie: moleculen verplaatsen zich van hoge naar lage concentratie.
Hypertone oplossing:oplossing met lage waterconcentratie
Hypotone oplossing: oplossing met hoge waterconcentratie
isotone oplossing: waterconcentratie van 2 oplossingen die, gescheiden door een selectief permeabel membraan, gelijk is.-> is geen transport nodig.
Osmose: watertransport via selectief permeabele membranen
1.2.2 Actief Transport
Dit geldt voor:
- stoffen die niet zomaar door membranen diffunderen
- stoffen die tegen concentratiegradiënt in vervoerd moeten geworden
- stoffen die tegen een ladingsverschil in vervoerd moeten worden
de energiebron voor transport is ATP. Het meeste van het actieve transport moet via de permeasen.
Bijv. Na+ en K+, hebben speciale Na+ en K+ pompjes. Als de stofwisseling stopt -> concentratie binnen en buiten cel gelijk -> cel dood.
1.2.3 Transport met behulp van grotere membraangedeeltes
Endocytose: (worden naar binnen gehaald) als moleculen zo groot zijn dat ze zelfs niet via permeasen kunnen. Worden ze als cel opgenomen. Ze binden zich met receptoren en er wordt een membraan om gecreëerd
Exocytose: ( naar buiten gebracht) grote moleculen(eiwitten) zitten in de cel, worden naar buiten gebracht en afgesnoerd door membraan. Beide spelen zich in de cel af
1.3 Stofwisseling op niveau
Activeringsenergie: energie voor reacties te laten plaatsvinden
Katalysatoren: processen die de reactiesnelheid beïnvloeden. ( enzymen) zonder enzym zal een reactie niet goed verlopen.
Hstk 2
2.1 inleiding

Gaswisseling: zuurstof naar binnen, co² naar buiten ( ademhaling)
Dissimilatie: processen om energie te maken door o.a. verbranding van glucose met zuurstof
2.2 lucht verversen
Ribademhalingsbeweging: ademhalingsbeweging met ribben
Buikademhaling: gebruik van middenrif
Longventilatie: naar binnen en buiten gaan van lucht
Ribben zijn de verbinding tussen wervels en borstbeen. 12 paar ribben,waarvan de 1e 7 vastzitten met kraakbeen aan het borstbeen. Andere 3 zitten met kraak been aan 7e. laatste 2 zijn zwevende ribben.
Buitenste en binnenste ribspier lopen van bovenachter neer ondervoor schuin.
Buitenste samentrekking: borstkas omhoog, dus wordt groter ( inademen)
Binnenste samentrekking: trekt borstkas terug, wordt weer klein (uitademen)
2.2.2 buikademhaling
Middenrifspieren samentrekking: peesplaat omlaag, dus borstholte groter (inademen) organen drukken tegen buikwand. Buikwand drukt terug, gaan de organen weer omhoog (uitademing)
Inademing is actief, uitademing passief.
2.3 luchtwegen en longen van de mens
Om de luchtpijp heen zitten kraakbeen stukken waar elastisch bindweefsel tussen zit. Binnen in is slijmvlies. Door slijm worden stofdeeltjes vastgehouden. Trilhaartjes brengen vuil richting mond.
Luchtpijp splitst in 2 hoofdbronchiën->bronchiolen->longtrechtertjes->longblaasjes.
De cellaag van de longblaasjes en longbloedvaten zijn 1cellig, zodat de uitwisseling van zuurstof en koolstofdioxide plaatsvindt tussen lucht en bloed
2.4 druk in de longen
Longen volgen de adembeweging van de borstkas, maar ze zitten er niet aan vast en hebben zelf ook geen spierweefsel. Het longvlies(met de long verbonden) en borstvlies (met borstkaswand verbonden)
Interpleurale ruimte: de ruimte tussen longvlies en borstvlies( o.o2 mm) gevuld met vloeistof. Als de long groter word, trekt het borstvlies het longvlies mee en zo wordt de long groter, met uitademing andersom.
2.5 luchtverversing
                             % zuurstof     % koolstof dioxide      % stikstof
ingeademde lucht:
         21                    0.03                         79
uitgeademde lucht:       15.5                  4.5                           79
longlucht:                      14.5                   5.5                           79
De uitwisseling van co² en O² tussen longlucht en bloed vind alleen plaats in de longblaasjes -> dunne celmembranen. In luchtpijn en bronchiën vind geen uitwisseling plaats.
Dode ruimte: ruimte in de luchtwegen die niet met longweefsel zijn bekleed zijn, waar longlucht blijft.
Inademingsreservevolume: de hoeveelheid lucht die je inademt als je zo diep mogelijk ademt.
Uitademingsreservevolume: extra lucht die je afgeeft die normaal in je longen en luchtwegen blijven.
Vitale capaciteit: de hoeveelheid lucht die men maximaal kan uitademen na een diepe inademing.
1secondewaarde: de hoeveelheid lucht die na een maximale inademing tijdens de eerste seconde kan worden uitgeademd.
2.6 regeling van de ademhaling
Je ademhaling word aangepast aan de behoefte van je lichaam.
Adem minuutsvolume: de hoeveelheid lucht die per minuut wordt ingeademd. Het ademscentrum bevindt zich in de hersenstam. De vloeistof daarlangs meet je co² en regelt met zenuwen dan je uitademing. Het is een reflex. We kunnen het ademritme niet onderdrukken.
2.7 zuurstof en co²
2.7.1 met de lift naar beneden
Bij meercellige dieren vinden speciale ademhalingsorganen plaats met een extra groot oppervlak, (huid, longen, kieuwen).
2.7.2 het transport van zuurstof
De hoeveelheid zuurstof die het bloed in de weefsels kan afstaan is afhankelijk van de hoeveelheid co² er daar word geproduceerd. Zuurstof in bloed: hemoglobine en bloedplasma. Hemoglobine (veel in rode bloedcel) kan zich binden aan vier zuurstof moleculen. Dat gebeurd in de longen. Bij bloed armoede is er te weinig hemoglobine en kan je dus tekorten aan zuurstof hebben( moe lusteloos)
Koolstofmonoxide bindt zich sneller meer Hb en verdrijft dus de zuurstof> verstikkingsdood
2.7.3 het transport van koolstofdioxide
Manieren transporteren co² via bloed:
- opgelost in bloedplasma(8%)
- als HCO3 in het bloedplasma(75%)
- gebonden aan hemoglobine
Het wordt het meest als zuurrest opgelost in de bloedvloeistof: door reactie tussen de co² en het water in de bloedvloeistof:
- co² +h²O <-> H²CO3
- H²co3 <-> H+ HCO3
2.8 dissimilatie
Buffers: stoffen die reageren met zuren en basen, waardoor een juist evenwicht tussen deze stoffen blijft, en de pH zo goed mogelijk constant word gehouden.
Bij snelle ademhaling word er veel zuurstof en co² afgegeven. De buffer gaat werken. Door de vele uitgave van co² komt er veel o² terug; de pH stijgt weer.
Bij veel inspanning is het onmogelijk over zuurstof heen te vervoeren -> anaërobe dissimilatie. Daaruit ontstaat melkzuur. Dit wordt wel opgevangen door buffers. Maar als de pH te ver daalt, dwingt het het lichaam te stoppen.
2.9 de ademhaling in de problemen
Astma: aanvallen van hevige benauwdheid. Kringspiertjes in de wand van de longtrechters trekken samen, minder zuurstof en bloed diffunderen.
COPD: chronische bronchitis en long emfyseem- Chronic Pulmonary Obstructive Disease: obstructieve longziekten.
Bronchitis is ontsteking van slijmvlies in luchtwegen. Chronisch komt meestal na je 40ste en na veel roken. Astma en bronchitis gaan vaak samen.
Longemfyseem; is de rek een beetje uit de longen, waardoor er minder uitgeademd word, wandjes tussen longblaasjes breken af, waardoor er minder gediffundeerd kan worden. Je word snel benauwd.
Hyperventilatie: komt meestal door veel spanning. Je ademt dieper en sneller dan nodig is. Je co² gehalte word heel laag, waardoor de pH veranderd en er een vernauwing in je bloedvaten naar de hersenen komt. Daardoor word je duizelig enz. hartkloppingen, of tintelende voeten.
3.2 wat heb je eigenlijk nodig?
Je hebt voedsel nodig om te kunnen overleven. Het is nodig voor:
- Het steeds over voldoende energie kunnen beschikken.
- Nieuwe cellen kunnen opbouwen voor vervanging en groei.
- Het vervullen van speciale functies in je cellen.
Het menselijk lichaam bestaat uit zeven groepen: koolhydraten, eiwitten, vetten, nucleïnezuren ( kernzuren), water, vitamines en mineralen. Dit zijn voedingsstoffen. In de winkel koop je nauwelijks voedingsstoffen maar voedingsmiddelen, zoals brood, groente, melk etc.
Koolhydraten: dienen als energie leveranciers. Een deel wordt opgenomen als glycogeen opgeslagen in lever en spieren. Teveel koolhydraten wordt omgezet in vet.
Eiwitten: dienen als bouwstof. 8 aminozuren moeten we binnen krijgen via het eten, de rest kunnen we uit andere aminozuren maken.
Vetten: zijn ( net als koolhydraten) belangrijk als brandstof. Een teveel wordt als reservestof opgeslagen.
Nucleïne zuren: heb je nodig om je lichaamseigen DNA en RNA te maken. Je krijgt ze binnen als je planten/dieren/schimmels eet. Je lichaam kan nucleïne zuren maken uit aminozuren.
Water,mineralen en vitamines leveren geen energie. Water doet dienst als bouwstof en transportmiddel.
Mineralen: ook wel zouten genoemd, zijn voornamelijk bouwstoffen en ze zijn betrokken bij veel reacties in cellen.
Vitamines: maken vaak deel uit van enzymen. Ze zijn te verdelen in water oplosbare en vet oplosbare vitamines.
3.3.1 Energiebehoefte.
Ook in rust is energie nodig, bijvoorbeeld voor ademhaling, spijsvertering, bloedsomloop en om je lichaam op temperatuur te houden. De laagste waarde van deze stofwisseling noemt men de ruststofwisseling.
3.4 De balans slaat door
Er zijn verschillende methodes om te bepalen hoe het met je gewicht staat. Een veel gebruikte methode is de bepaling van je Body Mass Index ( BMI) of Quetelet- index)
BMI= gewicht in kg
( lengte in m) 2
3.5 problemen met voeding

10 gram zout per dag is schadelijk voor je gezondheid. Verbrand eten word omgezet in nitriet -> kankerverwekkend. E nummers staan op voedsel. Die staan voor goedgekeurde producten.
3.5.1 Voedselintolerantie en voedsel allergie
Lactose-intolerantie: Lactose(melksuiker) kan niet afgebroken worden, je mist het enzym lactase. Opname in de darmwand kan niet.
Tegen sommige middelen kan je een afweerreactie ontwikkelen; daardoor ontstaat allergie . vaak bij melkeiwit, noten, cacao, gluten en bananen. Via bloedonderzoek kan het worden vast gesteld.
3.6 spijsvertering
Manieren van voedsel tot zich nemen:
- microscopisch kleine deeltjes worden opgenomen door eencelligen, sommige weekdieren, maar ook door de blauwe vinvis
- Grotere voedselbrokken worden gegeten door veel insecten, gewervelde dieren en vogels.
- bijen, teken, muggen , lintwormen en pasgeboren baby’s zijn vloeistof eters.
Stoffen worden zo klein gemaakt om het celmembraan te passeren: extracellulaire vertering.
Intracellulaire vertering: in de cel nog kleiner gemaakt.
3.6.1 het spijsverteringstelsel van de mens
Mechanische vertering: het gebit maakt het voedsel kapot en geeft het een groter oppervlak, hierdoor kan het speeksel beter inwerken. Hoeveelheid speeksel is afhankelijk van het watergehalte in het lichaam, wanneer te kort -> droge mond en keel. Afgifte van speeksel via reflexen (eten denken, zien)
De tong brengt het voedsel naar achter en luchtpijp wordt afgesloten. Slokdarm voert het naar de maag. Peristaltische beweging: beweging dat het eten naar beneden drukt.
3 functies van maag:
- voedsel wordt tijdelijk bewaard en in kleine porties via de sluitspier(portier) van de maag door gegeven aan de 12vingerige maag. 4 uur per maaltijd.
- het maagsap, van maagsapkliertjes in de wand van de maag, zorgt voor de vertering
- het zoutzuur in maagsap doodt bacteriën en lost kleine botjes op. het activeert ook enzymen in de maag , slijmcellen beschermen de maagwand. Maagzweren komt door een bacterie.
12vingerige darm: eerste gedeelte van dunne darm.
Portierreflex: portier reageert op uitrekking van de darmwand en verlaging van pH waarde.
Lever geeft hier gal af, om vet te delen, en alvleesklier geeft alvleessap, met enzymen waardoor vertering plaatsvindt. Darmsap samen met enzymen zorgen voor verdere vertering. Hier worden water en mineralen bij de darmvlokken opgenomen. In de dikke darm worden de voedselresten ingedikt. (vitamines K, B12)
Blinde darm: 1e deel van dikke darm, hieronder wormvormig aanhangsel.
Endeldarm: laatste gedeelte van dikke darm. Verwijdert voedselresten via de anus.
3.6.2 Verteringsenzymen
Groepen verteringsenzymen:
Koolhydraatverterende enzymen(carbohydrasen);
- speeksel -> amylase, dat zetmeel omzet in suiker
- alvleessap -> amylase, zetmeel omzet in suiker
- darmsap -> enzymen die disachariden verteren tot monoschariden -> maltose en lactase.
Eiwitverterende enzymen(proteasen);
- bepaalde cellen van maagsapkliertjes maken eiwitsplitsende enzym( I) in een niet actieve vorm (pesinogeen)
- alvleessap
- darmsap bevat een mengsel van eiwitsplitsende enzymen.
Vetverterende enzymen (lipasen);
- galzouten, in darmkanaal 1 vetverterend enzym lipase.
Nucleïnezuurverterende enzymen (nucleasen);
In het sap van de dunne dar komen enzymen voor die DNA en RNA kunnen afbreken.
3.7 opname in het bloed
Resorptie: opnemen van voedingstoffen. Dat oppervlak vergroten door het plooien van de darmwand, waar vlokken op ontstaan. Hierdoor word er meer opgenomen.
Er zijn veel dunne bloedvaten en lymfevaten hele kleine deeltjes kunnen daardoor diffunderen., net zoals water en daarin opgeloste stoffen -> passief.
Grote deeltjes worden actief. Monosachariden, aminozuren, glycerol en losse vetzuren komen in het bloed en worden via de poortader naar de lever vervoerd.
3.7.1 een koekje van eigen deeg
De voedingsstoffen worden door elke cel gevoerd. En voedingstoffen worden weer nieuwe stukjes organisme. Een cel breekt af wanneer er teveel giftige stoffen zijn.
Lysosomen: door membraan omgeven blaasjes in de cel die vol zitten met verteringsenzymen. Zo kunnen celgedeelten snel afgebroken worden.
3.8 Regeling van voedselopname
Opname van voedsel word geregeld via hersenen. Hypothalamus: hersengebied waar het hongercentrum en het verzadigingscentrum zich bevinden. Als zenuwen in het hongercentrum actief worden, krijgen we honger en willen we eten. Als de zenuwen bij het verzadigingscentrum gaan werken, laat hij weten dat je vol zit.
Gastrine: hormoon dat aangemaakt word als je eten ziet, brengt spijsvertering op gang, activeert maagsapkliertjes.
Secretine: word gemaakt in de 12vingerige darm. Dan worden er alvleeskliersappen gemaakt.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.