Hoofdstuk 1, 2 en 3

Beoordeling 6
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas vwo | 3760 woorden
  • 16 december 2002
  • 180 keer beoordeeld
  • Cijfer 6
  • 180 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
Hoofdstuk 1
Overeenkomst tussen organen en organenstelsel:
Ze werken aan een bepaalde taak.
Hoe maken cellen energie vrij:
Door verbranding van energierijke voedingsstoffen, met name glucose.
Glucose + zuurstof energie + koolstofdioxide + water
Samenwerkende organenstelsels zodat cellen energie kunnen blijven maken:
Bloedvatenstelsel
: aanvoeren van zuurstof en glucose naar je cellen en afvoeren van koolstofdioxide en water.
Ademhalingsstelsel: zuurstof uit de lucht opnemen en afgeven aan bloed en koolstofdioxide uit het bloed opnemen en afgeven aan de lucht.

Verteringsstelsel: energierijke stoffen toto glucose afbreken en glucose aan het bloed afgeven.
Uitscheidingsstelsel: water opnemen uit het bloed en afvoeren als urine.

Zetmeel-enzym in speeksel
Moutsuiker-enzym in dunne darmsap
Glucose (druivensuiker)

Eiwit-enzym in maagsap
Enzym in alvleessap
Enzym in dunne darmsap
Aminozuren

Verteren is:
Het zo klein maken van voedingsstoffen dat het bloed ze kan opnemen.
Hoe heten de stoffen in een verteringssap die het werk doen: Enzymen.
Waarom is het gebit belangrijk voor de vertering:
Daarmee verklein je het voedsel en wordt er speeksel doorheen gemengd, zodat het een papje wordt.
De delen van het verteringsstelsel in de juist volgorden met de verteringssappen die erin vrijkomen: 1. mondholte (speeksel) 2. slokdarm 3. maag (maagsap)

4. twaalfvingerige darm (alvleessap) 5. dunne darm (darmsap) 6. dikke darm
7. endeldarm
Wat is het voordeel van het groot oppervalk van de dunne darm:
Dan kunnen er veel voedingsstoffen tegelijkertijd worden opgenomen.
Wat gebeurt er met de onverteerde stoffen uit voedsel:
Die worden opgeslagen in de endeldarm en als die vol is uitgepoept.

Op welke 2 manieren haal je adem:
Borstademhaling: spieren trekken je ribben en borstbeen omhoog en naar voren. De borstholte met de longen wordt grote, lucht wordt naar binnen gezogen: je ademt in
Buikademhaling: spieren aan de rand van het middenrif trekken het middenrif strak en plat. De borstholte met de longen wordt groter, lucht wordt naar binnen gezogen: je ademt in
De weg van ingeademde lucht:
1. neusholte 2. luchtpijp 3. bronchie 4. luchtpijptakje 5. longtrechtertje 6. longblaasje
Hoe wordt de ingeademde lucht in de neusholte gezuiverd: Grove deeltjes worden door haren in de neusgaten tegengehouden. Kleinere stofdeeltjes blijven plakken in het slijm van het neusslijmvlies.
Hoe wordt de ingeademde lucht in de luchtpijp gezuiverd: Kleine stofdeeltjes blijven plakken in het slijm. De trilhaarcellen verplaatsen dit vuile slijm naar de keelholte. Daar wordt het ingeslikt.
Wat is gas wisseling en waar in de longen vind het plaats:
Zuurstof uit de ingeademde lucht komt in het bloed. Koolstofdioxide in het bloed gaat naar buiten. Dat gebeurt in de longblaasjes.
Wat is het voordeel van het grote oppervlak van de longen:
In korte tijd kan veel gaswisseling plaatsvinden

Bloed transporteert voedingsstoffen: Door bloedplasma
Bloed transporteert zuurstof: Door rode bloedcellen
Wat zijn de verschillen tussen:
Slagaders: dikke, gespierde wand, kloppen, kleppen bij het hart
Haarvaten: zeer dunnen wand met kleine openingen
Aders: dunne slappe wand, met kleppen over de hele lengte
Waar worden stoffen afgegeven en opgenomen in het bloed: In de haarvaten van alle organen
Route kleine bloedsomloop: hart-longslagader-longen-longader-hart
Route grote bloedsomloop: hart-aorta-slagader-orgaan-ader-holle ader-hart
Hoe verloopt 1 hartslag:
1. De boezems trekken samen (het bloed stroomt naar de kamers) Boezemsystole
2. De kamers trekken samen  (het bloed stroomt in de longslagaders en aorta) kamersystole
3. De hartspier is ontspannen tijdens de hartpauze. Diastole (hartklep open, slagader klep dicht)

Weefselvloeistof komt vandaan en waar vind je het in je lichaam: Het komt uit de haarvaten, het zit in de ruimte tussen de cellen.
Het belang van weefselvloeistof voor de cellen: Cellen die niet in de buurt van een haarvat liggen kunnen toch stoffen opnemen uit en afstaan aan het weefselvloeistof.
Hoe komt het weefselvloeistof terug in het bloed: Dat gaat direct naar het bloed in de haarvaten of gaat via lymfevaten naar het bloed.
2 taken lymfeknopen:  1. Vervoeren van lymfe;lymfeknopen vormen knooppunt tussen verschillende lymfevaten.
         2. Opruimen van ziekte verwekkers en ongewenste stoffen.
Waar komt lymfe in het bloed: In de ondersleutelbeenaders.









Gaswisseling tussen lucht en bloed:
In de longblaasjes gaat zuurstof vanuit ingeademde lucht naar het bloed. Hierbij dringt zuurstof door dunne darm van het longblaasje en het haarvat heen. De koolstofdioxide gaat juist vanuit het bloed, door wanden van het haarvat en longblaasjes, naar de longblaasjes. Bij uitademen gaat de koolstofdioxide met de uitgeademde lucht mee naar buiten.

Bloedvaten bij kleine bloedsomloop:
Rechter hartkamer - longslagader - haarvaten van de longen - longader - linker boezem
(rechter harthelft - longen - linker harthelft)

Bloedvaten bij grote bloedsomloop:

Linker hartkamer - aorta - slangaders naar organen - haarvaten in de organen - aders van de organen - bovenste en onderste holle ader - rechter boezem
(linker harthelft - rest lichaam - rechter harthelft)

Rechter hartkamer = zuurstof arm
Linker hartkamer = zuurstof rijk
Recht boezem = zuurstof arm
Linker boezem = zuurstof rijk

Uitscheidingsstelsel

Verteringsstelsel       Bloedvatenstelsel  Ademhalingsstelsel
    
Spierstelsel

Lymfe

Lymfevatenstelsel

Bloedvaten stelsel: Hart - Bloedvaten
Ademhalings stelsel: Luchtpijp - Long
Verterings stelsel: Mondholte - Slokdarm - Lever - Maag - Dunnen darm - Dikke darm - Anus

Van groot naar klein:

Darmplooi - Darmvlok - Haarvat - Darmcel - Microvlok


Inademen:
Ribben zijn omhoog en naar voren gekanteld
Middenrif is naar beneden getrokken
Uitademen:
Ribben zijn weer teruggezakt
Middenrif is weer teruggeveerd

Slagaders lopen vanaf het hart (links) (zuurstof rijk) (bloed stroomt snel)
Aders lopen naar het hart (rechts) (zuurstof arm) (bloed stroomt heel langzaam)
Haarvaten vervoeren bloed in organen (bloed stroomt langzaam) (afgifte van stoffen aan cellen, opnamen
       afvalstoffen van cellen)

Boezems krijgen bloed van aders, en pompen dit in de kamers, hartkamers pompen bloed in slagaders

Poortader - darmader

Eerst trekken de boezems samen en dan de kamers

Slagader kleppen zorgen ervoor dat het bloed niet terug naar de kamers stroomt.
Hartkleppen (boezem-kamer kleppen) zorgen er voor dat het bloed niet terug in de boezems.

Bovenste / onderste holle ader - rechter boezem
Longslagader - linker boezem
Rechter kamer - longslagader - longen
Linker kamer - aorta - hele lichaam (behalve longen)

In aders en lymfevaten komen kleppen voor.

Hoofdstuk 2
Huid bestaat uit 3 delen: de opperhuid, de lederhuid en het onderhuids bindweefsel
Opperhuid bestaat uit : hoorlaag en kiemlaag Functie huid: beschermen, constant houden lichaamstemperatuur
Huidlaag Kenmerken/functies
1.opperhuid HL: slijt steeds af, bevat veel dode opperhuidcellen. KL: vult de hoorlaag van binnenuit aan, bevat veel delende cellen en pigmentvormende cellen
2.lederhuid Zitten in: haarzakjes met haren, talgklieren, zweetklieren, bloedvaten en zintuigen. Talg uit talgklieren houdt huid en haren soepel. Zweetklieren en bloedvaten zijn belangrijk bij het regelen van de lichaamstemperatuur
3.onderhuidsbind
   weefsel
Hierin zit vet in cellen opgeslagen
Een wondje dicht zo snel mogelijk: de bloedstolling. Daar zorgen de bloedplaatjes en allerlei stollingseiwitten in het bloedplasma voor. Op de ruwe rand van een wondjes knappen de bloedplaatjes open. Er komt een stof vrij die een aantal reacties op gang brengt:
1 het beschadigde bloedvaatje vernauwt. Het bloedverlies neem daardoor af.
2 in de opening van de want van het bloedvaatje blijven bloedplaatjes kleven. Het bloedvaatje
   gaat voorlopig dicht.
3 de stollingseiwit fibrinogeen wordt omgezet in een netwerk van kleverige fibrinedraden. In dat netwerk blijven rode bloedcellen hangen. Nu kan er geen bloed meer uit het wondjes. Op de huid droog het netwerk met bloedcellen op: je hebt een korstje. Onder het korstje herstelt je huid en het korstje valt eraf.

KoudWarm:
-samengetrokken haarspiertjes-ontspannen haarspiertjes
-lage zweetproductie-hoge zweetproductie
-bleke huid-rode huid
-warmte vasthouden-warmte afgeven
-bloedvaatjes nauwer-bloedvaatjes wijder
Vet in je onderhuids bindweefsel houdt ook warmte in je lichaam vast.

Eelt: Op sommige plaatsen slijt je huid hel snel, bijv. de onderkant van je voeten. De cellen van de kiemlaag verhoornen sneller. Zo wordt de hoornlaag daar dikker.
Likdoorn (eksteroog): Het eelt vorm dan een soort punt die op de kiemlaag en lederhuid drukt
Blaar: Je belast een plek op je huid waar geen eelt zit. De hoornlaag en de kiemlaag laten daardoor van elkaar los. Tussen de twee lagen hop zich vocht op.
Wrat: Een wrat ontstaat door een ziekteverwekker: het wratten virus. Het virus maakt stoffen, waardoor de cellen zich daar in de kiemlaag gaan delen. Daardoor ontstaat onschuldig gezwel.
Moedervlek: Bij een moedervlek groeien veel cellen met pigment uit tot een onschuldig gezwel.
Sproeten: Bij sproeten gaat een groepje gewone huidcellen opeens extra pigment maken.

De verdedigers van je lichaam zij witte bloedcellen. Ze ontstaan in je beenmerg. Ze rijpen in de lymfeknopen en andere organen van je afweersysteem. Je hebt verschillende typen:
Bacteriën eten: 1type witte bloedcel komt in actie als je een wondje hebt, waar vuil met bacteriën naar binnenkomt. Deze witte bloedcellen kunnen van vorm veranderen. Witte bloedcellen nemen bacteriën op en verteren ze. Daarna gaan de witte bloedcellen dood.
Etter en pus komen uit een ontstoken wondje het zijn verteerde bacteriën, dode witte bloedcellen en resten van kapotte huid.
Antistoffen maken: Andere witte bloedcellen maken afweerstoffen of antistoffen.  Zo'n antistof werkt maar tegen 1 soort ziekteverwekker. Witte bloedcellen herkennen ziekteverwekkers aan stoffen (eiwitten) die aan de buitenkant van hun cel zitten. Deze stoffen op de cel heten antigenen. Elke witte bloedcel is gespecialiseerd in het herkennen van 1 type antigeen.
Geheugencellen herkennen ziekteverwekker ze worden opgeslagen in je lymfeknopen.
Je kunt op 2 manieren worden ingeënt:
-de dokter spuit verzwakte antistoffen in je lichaam zodat je afweersysteem alvast afweerstoffen maakt.
-de dokter geeft je een injectie met extra antistoffen. Kunstmatig gemaakt of uit dieren.

Een ontvanger kan niet zomaar bloed krijgen van elke donor, dat komt doordat je afweersysteem vreemde bloedcellen probeert op te ruimen met antistoffen. Op de rode bloedcellen zitten antigenen. De belangrijkste zijn het A- B-antigeen. Rode bloedcellen bezitten of allebei de antigen, 1 van beide of geen. Daardoor zijn er ijver bloedgroepen. Je afweersysteem heeft antistoffen gemaakt tegen de antigenen die niet op je rode bloedcellen zitten.
Antigeen B heb je antistof A. Antistof A komt in actie als je van een donor antigeen A krijgt. De antistof gaat vastzitten aan de bloedcellen met antigeen-A. Daardoor ontstaat bloedklontering.

Je bent gezond als je lichaam op de juiste manier op  veranderingen reageert.

Bij het constant houden van de samenstelling van je bloed speelt de lever een belangrijke rol. De lever is sterk doorbloed. Via de leverslagader en via de poortader wordt bloed aangevoerd.
De lever zorgt voor: opslag, afbraak, opbouw en omzetten van stoffen.
Opslag Als er na de maaltijd veel glucose in het bloed zit, neemt de lever het teveel aan glucose op. De lever werkt overschotten weg en vult tekorten aan.
Afbraak In de lever worden giftige stoffen zoals alcohol en medicijnen afgebroken en omgezet. Een overschot aan aminozuren (bouwstenen en eiwitten) wordt ook afgebroken. Daarbij ontstaat ureum. Dat wordt later door de nieren uitgescheiden.  Ook dode rode bloedcellen worden in de lever afgebroken.
Omzetten en opbouw Van aminozuren worden weer nieuwe eiwitten gemaakt. Glucose kan worden omgezet in vet en andersom.

De nieren voltooien het werk van de lever. De nieren verwijderen afvalstoffen uit je bloed. Die afvalstoffen bestaat uit:
-afbraakproducten uit de lever, zoals ureum, medicijnen of alcohol
-een overschot aan stoffen in het bloed, zoals zouten en vitamines
-overbodige stoffen in je bloed, zoals kleurstoffen in cola of bietjes
De nieren filteren de afvalstoffen uit het bloed. De afvalstoffen vormen samen met het water de urine. De nieren helpen mee op de samenstellen van je bloed constant te houden, door afval uit te scheiden. Longen, lever en huid spelen daarbij ook een rol. Uitscheiding betekent het verwijderen van giftige, overtollige en overbodige stoffen uit je bloed.


Dat het constant houden van de samenstelling van je bloed een ingewikkeld proces is, zie je aan de regeling van de hoeveelheid glucose. Dat wordt geregeld door hormonen. Hierboven zie je hoe dat gaat.
Vlak na een maaltijd stijgt de hoeveelheid glucose in je bloed. Je alvleesklier geeft dan meer van het hormoon insuline af. Insuline regelt de opname van glucose vanuit je bloed in je cellen. Insuline regelt ook de opslag van glucose. Glucose wordt dan omgezet in glycogeen en dat wordt opgeslagen in je lever en spieren. Glycogeen is dierlijk zetmeel. Je alvleesklier maakt ook het hormoon glucagon. Deze regelt de glycogeen weer wordt omgezet in glucose als er een glucosedaling in je bloed is, bijvoorbeeld als je stevig sport. Zo krijgen je cellen steeds voldoende brandstof.
Bij mensen met suikerziekte maakt de alvleesklier niet genoeg insuline. Suikerpatiënten plassen het overschot aan glucose uit.
Regelstoffen als glucagon en insuline heten hormonen
Glucagon-als er te weinig glucose is-zorgt dat glucose uit lever/spieren komt
Insuline-als er teveel glucose is-cellen nemen glucose op dmv insuline
Alvleesklier: meet glucose in het bloed vergelijkt dit met normale glucosegehalte. Teveel/te weinig glucose gaat de alvleesklier de hormonen insuline en glucagon afgeven. Insuline zorgt voor daling van glucose/glucagon zorgt voor stijging glucose.

Dialyse apparaat: de bloedsomloop wordt erop aangesloten. Het bloed stroomt door honderden dunne buisjes. De wanden van de buisjes bestaan uit een dun vlies dat sommige stoffen doorlaat en andere niet. De dialyse vloeistof neemt de afvalstoffen op.

CARA=Chronische Aspecifieke respiratoire Aandoeningen. Dat is een verzamelnaam voor drie ziekte aan de luchtwegen.
1.Astma: luchtwegen vernauwd veroorzaakt door het samentrekken van spiertjes in de wanden
  van de luchtpijp en de bronchiën. Daardoor moeilijke ademhaling.
  Ontstaan door: overgevoeligheid.
2.Chronische bronchitis:luchtwegen ontstoken veroorzaakt door ontsteking van de luchtpijp en
  bronchiën. Daardoor maakt het slijmvlies extra veel slijm. Omdat slijm kwijt te raken moet een
  bronchitis patiënt veel hoesten. Ook kan hij last krijgen van benauwdheid.
  Ontstaan door: ziekteverwekkers of door overgevoeligheid
3.Longemfyseem:longblaasjes verliezen elasticiteit. Longblaasje in de longen hebben rek
  vermogen verloren en het aantal longblaasjes is minder geworden. Daardoor kan lucht minder
  makkelijk de longen in- en uitstromen. Gevolg dat er minder zuurstof in het bloed komt: de
opnamecapaciteit van de longen neemt dus af. Snel moe. Oorzaak: roken.

Chronische ziekten: ziektes waar je je hele leven lang las van hebt.
Dialyse apparaat: machine die de functie van de nier overneemt.
Donornier: niet van een overledene, bestemd voor nierpatiënt.
Kanker: cellen die doorgaan met delen
Gezwel of tumor: groep cellen die niet meer ophouden met delen. Dit kan een orgaan ernstig verstoren en het orgaan uiteindelijk kapotmaken.

Gezondheid heeft ook te maken met hoe je je geestelijk voelt.

Vette voeding, te veel alcohol en roken zijn de meest bekend ongezonde gewoontes. Die hebben vooral gevolgen voor je bloedvaten en je longen.
-Bloedvaten Door te veel vet eten worden je bloedvaten nauwer. Aan de binnenkant van een bloedvat ontstaat een ophoping van vetachtige stoffen, met name cholesterol. Bloed stroomt minder goed door nauwe bloedvaten.  Je hart pompt dan harder om het bloed toch door de bloedvaten te laten stromen. Dat merk je als hoge bloeddruk en je hart slijt sneller. Ophoping van cholesterol in slagaders van je hart geeft ernstige problemen. Door roken krijg je ook een hogere bloeddruk. De nicotine uit sigaretten laat de spiertjes in de wanden van de bloedvaten samentrekken.Alcohol jaagt de bloeddruk ook omhoog.
-Longen Vooral roken is ongezond voor je longen. Teer beschadigt de trilhaarcellen van je luchtwegen en de longblaasjes. Roken verhoogt bovendien de kans op het krijgen van longkanker. Ook andere organen hebben te lijden door ongezonde gewoontes.


Vet eten: nauwer worden bloedvaten, hoge bloeddruk, hartinfarct.
Roken: hoge bloeddruk, beschadiging van trilhaartjes van de luchtwegen, longemfyseem kans op longkanker.
Drinken: overbelasting van de lever hoge bloeddruk beïnvloedt werking hersenen.

Drugs gebruiken:
1 Stimulerende middelen: zenuwstelsel werkt sneller, wordt activer
2 Verdovende middelen: zenuwstelsel werkt langzamer, nergens druk om.
3 Bewustzijn veranderde middelen: zenuwstelsel werkt anders
Softdrugs: korte termijn geheugen neemt af, nauwelijks geestelijke en lichamelijke afhankelijkheid. Weinig effect op gezondheid. (marihuana en hasj)
Harddrugs: geestelijke en lichamelijke afhankelijkheid. Slecht voor je gezondheid (heroïne)

Hoofdstuk 3

1.
Stilstaande lucht geleidt warmte slecht dus het isoleert goed.
3 manieren om extra warmte af te staan:
- meer warmte uitstralen ( Huid straalt warmte uit, vanuit het bloed, hoe wijder de bloedvaatjes,m hoe meer bloed erin stroomt en des te meer warmte de huid uitstraalt)
- warmte afstaan door meer contact met lucht, grond of water ( In de wind te gaan staan, hijgen, het water in gaan, op een koude ondergrond gaan liggen)
- warmte afstaan door verdamping ( Zweten, zweet verdampen haalt het de warmte van de huid)
Tijdens de winterslaap is de lichaamstemperatuur lager, hartslagfrequentie daalt en de ademhalingsfrequentie daalt.
Rui= als vogels in het voorjaar een dunner verenkleed krijgen.

2.
Warmbloedig= constante lichaamstemperatuur
Koudbloedig= lichaamtemperatuur aangepast aan de omgeving
Hoe kleiner een dier des te groter zijn lichaamsoppervlak in verhouding tot zijn volume, en andersom. Dus koelt het sneller af.
Planten in de woestijn overleven doorzuinig watergebruik. Ze hebben weinig of geen bladeren, weinig huidmondjes, behaard of dunne uitsteeksels. Daartussen staat de lucht stil. Hoe minder luchtstroming, des te minder verdamping uit de huidmondjes. Sommige plantensoorten zijn overdag de huidmondjes dicht: ze verdampen geen water en kunnen geen koolstofdioxide opnemen. 's Nachts staan de huidmondjes wel open.

3.
Plantaardig voedsel is moeilijk te verteren. Dat komt door de celwanden van cellulose om de plantencellen. Die stof is moeilijk verteerbaar. Het verteren daarvan lukt wel goed als het voedsel lang genoeg in het verteringsstelsel blijft.
Dierlijke voedsel is gemakkelijker te verteren. Dierlijke cellen hebben geen celwand.
Vleeseters hebben in verhouding minder in hun buikholte dan planteneters dus hebben planteneters een dikkere buik.
Planteneters-plooikiezen (zeefsnavel). Vleeseters-knipkiezen en hoektanden (haakvormige snavel). Alleseters-knobbelkiezen en snijtanden (spitse snavel). Vogels hebben geen tanden en  kiezen. Zij gebruiken hun snavel voor het klein maken van het voedsel.  
In een gebied met veel muizen, zie je meestal ook veel torenvalken. De torenvalken kunnen in zo'n gebied veel jongen grootbrengen. Daardoor neemt het aantal torenvalken toe. Al die torenvalken eten muizen, waardoor het aantal muizen afneemt. Op een gegeven moment zijn er te weinig muizen in het gebied voor die torenvalken. De torenvalken trekken weg of sterven door voedselgebrek. Daardoor kan het aantal muizen in  het gebied weer toenemen.
Voedsel specialisten eten slechts één prooisoort.



4.
Vissen halen zuurstof uit het water met kieuwen. Een vis heeft aan beide kanten meestal vier kieuwen in de kieuwholte, afgedekt met een kieuwdeksel. Elke kieuw bestaat uit een kieuwboog waaraan kieuwplaatjes vastzitten. Door de kieuwboog lopen bloedvaten van waaruit bloedvaten aftakken naar de kieuwplaatjes. In de kieuwplaatjes gaat het bloed rond haarvaten in de lamellen. Een vis ademt door het water in de kieuwholte te verversen. Dat gaat zo:
1. Vis opent bek. Bodem mond gaat omlaag. Vis neemt een hap water. Kieuwdeksels zijn gesloten.
2. Vis sluit bek. Bodem mond gaat omhoog. Kieuwdeksels gaan open. Water wordt langs de kieuwplaatjes naar buiten geperst. Zuurstof gaat vanuit het water naar het bloed in de lamellen en koolstofdioxide vanuit het bloed naar het water.

Ademen van een wesp: Achterlijf gaat op en neer. In het achterlijf zitten sterk vertakte buizen gevuld met lucht: tracheeën. Aan de zijkant van het achterlijf zitten kleine gaatjes: de stigmata. Door de stigmata komt er lucht in de tracheeën. De tracheeën zijn fijn vertakt. Zo kan er zuurstof uit de lucht bij alle cellen komen en gaat koolstofdioxide via de tracheeën en stigmata naar buiten. Door met spieren het achterlijf langer en korte te maken, ververst een insect luch in de tracheeën. Tracheekieuwen zijn dunne huiduitstulpingen over de stigma waardoor de gaswisseling met water mogelijk is.
Diffusie= de verplaatsing van een stof van een plaats met hoge concentratie (water/lucht) naar een plaats met lage concentratie (bloed) van die stof.

5.
Dieren voorkomen dat ze worden opgegeten door: camouflage (kleur/vorm), mimicry of samenwerken.
Bij mimicry lijkt een onschuldig dier opeen ander, gevaarlijk dier, waardoor roofdieren afschrikken. Een zweefvlieg bijvoorbeeld lijkt heel veel op een wesp maar kan niet steken.
Een soort sterft uit als er meer dieren sterven dan er geboren worden.


1. Waardoor houdt een vacht van haren, een verenkleed of een vetlaag een dier warm?
De stilstaande luchtlaag en de vetlaag isoleren.
2. Wat is de oorzaak dat dieren in winterslaap of in winterrust gaan?
Dan is er weinig voedsel, terwijl er door de kou juist extra verbranding nodig is.
3. Wat zijn de overeenkomsten en wat zijn de verschillen tussen winterslaap en winterrust?
Overeenkomsten: lichaamstemperatuur, hartslagfrequentie en ademhalingsfrequentie dalen. Verschillen: winterrust heeft onderbrekingen, winterslaap niet.
4. Noem drie kenmerken waarop dieren extra warmte kunnen afstaan.
- Meer warmte uitstralen
- Warmte afstaan door meer contact met lucht, grond of water.
-  Warmte afstaan door verdam ping.
5. Noem 2 manieren waarop dieren warmte kunnen vermijden.

- Wegkruipen voor de zon
- Verplaatsen naar schaduwplekken.
6. Wat is de functie van verharen en ruien?
Een dikke vacht of dik verenkleed vervangen door een dunnere vacht of dunner verenkleed die beide minder goed isoleren

1. Wat is het verband tussen het volume van een dier en zijn lichaamsoppervlak
Hoe kleiner een dier des te groter zijn lichaamsoppervlak in verhou ding tot zijn volume
2. Vergelijk gelijksoortige dieren in een koud en een warm klimaat en noem vier aanpassingen in
    lichaamsbouw.
Aanpassing: afmeting   vacht   oorschelpen   poten
poolvos      : groter       dikker   kleiner           korter
woestijnvos: kleiner      dunner  groter            langer
3. Waarop zijn woestijnplanten aangepast? Noem 4 voorbeelden van aanpassingen in de bouw van
    deze planten.
Ze zijn aangepast op zuinig watergebruik.
1. kleine of geen bladeren 2. weinig huidmondjes 3. behaard 4. dunne uitsteeksels

1. Waardoor is plataardig voedsel moeilijker verteerbaar dan dierlijk voedsel?

De cellulose in de celwanden is moeilijk te verteren.
2. Noem van planteneters, vleeseters en alleseters de kenmerken van hun verteringsstelsel.
planteneters: lang verteringsstelsel - plooikiezen
vleeseters: kort verteringsstelsel - scherpe hoektanden en knipkiezen
alleseters: middellang verteringsstelsel -snijtanden en knobbelkiezen
3. Noem 3 voorbeelden van snavelvormen. Beschrijf voor welk voedsel elke snaveltype geschikt is.
zeefsnavel: drijvende water planten en ander voedsel uit water zeven
haaksnavel: prooi verscheuren 3  spitse snavel: plantaardig en
dierlijk voedsel eten (bessen, wormen, insecten)
4. Beschrijf het verband tussen aantal prooidieren en het aantal roofdieren in een bepaald gebied in de loop van de tijd.
Veel prooidieren: de roofdieren brengen veel jongen groot.
Aantal roofdieren neemt daardoor toe: er worden meer prooidieren gevangen.
Aantal prooidieren neemt daardoor af: er ontstaat voedselgebrek voor roofdieren.
Aantal roofdieren neemt daardoor af: minder prooidieren gevangen; hun aantal neemt weer toe.
5. Wat betekent de term voedselspecialist?
Dat het roofdier maar één prooisoort eet.




1. Beschrijf hoe vissen water langs hun kieuwen laten stromen.
Vis neemt hap water, kieuwdeksel gesloten ---> vis sluit bek, kieuwdeksels open -> water stroomt langs kieuwen naar buiten.
2. In welke onderdeel van de kieuwen is sprake van tegenstroomprincipe? Wat is het voordeel van het tegenstroomprincipe?
Bij de lamellen op de kieuwplaatjes. Daardoor verloopt de gaswisseling beter.
3. Met welke organen halen insecten adem?
Tracheeën
4. Hoe verversen landinsecten lucht in hun ademhalingsorganen?
Door met spieren het achterlijf langer en korter te maken.  
5. Noem 2 manieren waarop insecten die onder water leven ademhalen.
1 Tracheekieuwen 2 Adembuis

1. Noem 3 gevaren voor dieren in de vrije natuur.

1.Opgegeten worden 2. Ziek worden 3. Ingrijpen mens in de natuur

2. Op welke 4 manieren kunnen dier voorkomen dat ze worden opgegeten?

1. Camouflage door kleur 2. Camouflage door vorm 3. Mimicry 4. Samenwerken

3. Waaraan sterven huis- en dierentuindieren veel vaker dan dieren in het wild? Waardoor komt dat?

Aan ouderdom. Ze krijgen goede verzorging en voldoende voedsel.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

N.

N.

volgens mij is het van de 2de klas

18 jaar geleden

M.

M.

thnx nu hoef k t zelf niet te doen!!!
dikke kus marjanne

17 jaar geleden

A.

A.

Dank je, je bent een sgatttjee
ik hoef er minder voor te doen

10 jaar geleden

T.

T.

Bedankt voor de persoon dat die samenvatting heeft gemaakt. Het sibzo handig om te studeren.?

7 jaar geleden