Heb jij spreekangst? Voor een item van RTL Nieuws doen we onderzoek naar spreekangst. Laat ons weten of jij nerveus wordt van spreken voor een groep. Meedoen duurt maar 2 minuutjes.

 


Naar de vragenlijst


ADVERTENTIE
Open Avond = ontdekken of jij hier past Leren is keuzes maken. Continu blijven zoeken, twijfelen, vallen en opstaan. Dát leren, dat leer je bij Hogeschool Inholland. Tijdens onze Open Avond op woensdag 30 oktober staan onze studenten en docenten klaar om al je vragen te beantwoorden. Kom langs en ontdek of jij hier past.

Meer info!
Doel 1: Je moet kunnen beschrijven wat de evolutietheorie inhoudt.
De evolutietheorie betekent wat Darwin van de geschiedenis van de aarde dacht:
Hij bedacht dat de mens niet in een dag was ontstaan maar in meerdere jaren om precies te zijn (waar we pas 200 jaar geleden achter zijn gekomen) 4600 miljoen jaar.
Hij bedacht ook dat de beesten zich zouden aanpassen aan de natuur.

Doel 2: Je weet hoe nieuwe soorten ontstaan en wat natuurlijke selectie is.
Nieuwe soorten ontstaan als er te weinig voedsel ontstaat dan passen de slimme beesten zich aan bij voorbeeld de giraf (zijn nek werd langer zodat hij ook bij hoog voedsel komt).
De zwakke en trage beesten leven minder lang dan slimme en snelle beesten.
Doel 3: Je moet een geologische tijdschaal kunnen aflezen.
Heb ik achterin een plaatje van.
Doel 4: Je moet kunnen omschrijven wat fossielen zijn.
Fossielen zijn versteende overblijfselen van organen of afdrukken van organismen in gesteenten.
Doel 5: Je weet welke beenderen er zitten in (a) de schedel (b) de romp en (c) de ledematen.

Schedel: voorhoofdsbeen, wandbeen, oogkas, neusbeen, jukboog, jukbeen, bovenkaak, onderkaak, achterhoofdsbeen, slaapbeen, wiggebeen & ooropening.

de romp:

· Halswervel
· Sleutelbeen
· Borstbeen
· Borstwervel
· Schouderblad
· Lendenwervel
· Heupbeen
· Heiligbeen
· Staartbeen

De ledenmaten: Opperarmbeen, Spaakbeen, Ellepijp, Handwortelbeentjes,
Middenhandsbeentjes

Vingerkootjes
Dijbeen
Knieschijf
Kuitbeen
Scheenbeen
Voetwortelbeentjes
Hielbeen
Middenvoetbeentjes
Teenkootjes
Doel 6: Je weet wat de functie is van het skelet en je kan in een afbeelding de beenderen benoemen.

Het skelet zorgt voor bescherming, stevigheid, beweging, en vorm
Tekening is de volgende blz.
Doel 7: Je kan de kenmerken van kraakbeenweefsel en beenweefsel en je kan beschrijven hoe de samenstelling van beenderen verandert tijdens het leven.

Kraakbeenweefsel is stevig door de kalkzout maar je kunt het wel buigen door de lijmstof. Bij volwassene zit kraakbeen op stevige maar soepelere plekken zoals je neus of oor, maar ook in gewrichten. Bij baby’s bestaan botten bijna alleen uit kraakbeen daardoor zijn baby’s heel lenig en dat moet ook want hoe willen ze anders uit de buik van hun moeder komen. Tijdens het groeien verandert het kraakbeen in beenweefsel dat is harder als kraakbeenweefsel. In beenweefsel zit ook kalkzout en lijmstof.
Doel 8: Je kent vier manieren waarop beenderen met elkaar verbonden kunnen zijn en maak hiervan een tekening.

1. Vergroeit bijvoorbeeld bij een heiligbeen.
2. Door een naad bijvoorbeeld bij schedelbeenderen.
3. Door kraakbeen bijvoorbeeld bij een wervel.
4. Door gewrichten bijvoorbeeld in je vingers.
Doel 9: Je kan de delen van een gewricht beschrijven. Maak een tekening van de doorsnede van het gewricht met kapselbanden.
Heb ik een tekening van op de volgende pagina.

1. Kapselband: Houd alles op hun plaats.
2. Kraakbeen: Zorgt er voor dat het soepel kan bewegen, en houd slijtage tegen.
3. Gewrichtskapsel: De kogel en de kom zitten daar aan vast en het geeft gewrichtssmeer af.
4. Gewrichtskogel: Dat is een bolletje die in de kom zit.
5. Gewrichtskom: Is de kom van de kogel.
6. Gewrichtssmeer: Zorgt er voor dat de kogel soepel in de kom kan blijven bewegen.

Doel 10: Je weet welke drie typen gewrichten er zijn en beschrijf (teken) welke beweging ze kunnen maken. Geef van ieder gewricht twee voorbeelden.

1. kogelgewrichten: Een kogelgewricht kan eigenlijk alle kanten op dit zijn er bijvoorbeeld twee je scheenbeen & je ellepijp.
2. scharniergewrichten: Een scharniergewricht kan alleen maar omhoog en omlaag dit zijn er bijvoorbeeld twee in je knie en elleboog
3. Rolgewricht: Dit gewricht kan van links naar rechts en van boven naar beneden voorbeelden hier van zijn je dijbeen en je heupbeen.
Doel 11: Je kan de werking van spieren beschrijven. Je weet wat antagonisten zijn en je maakt hier een duidelijke tekening van. Noem 3 antagonisten.

De werking van spieren zorg ervoor dat het skelet stevig blijft en kan bewegen.
Een antagonist is een spier waarvan het samentrekken een tegenovergesteld effect heeft.
1. rugspier
2. achterste dijspier
3. ?
Doel 12: Je kunt het belang van een goede lichaamshouding aangeven.

Anders krijg je last van je rug, je nek en je gewrichten. Om deze goed te houden kun je voor het sporten een goede warming-up doen en rek en strek oefeningen doen.
Doel 13: Beschrijf van de volgende sportblessures wat er aan de hand is en hoe je deze kan behandelen (a)spierscheuring (b) botbreuk (c) voetbalknie (d) kneuzing (e) verzwikking (f) ontwrichting.

Spierscheuring: Je spieren zijn verrekt. Je kan het voorkomen door je van te voren op te warmen.
Botbreuk: Een onderbreking van een bot. Je kan het voorkomen door niet te veel kracht op een bot te zetten.
Voetbalknie: De voetbalknie ontstaat door als je draait maar je been blijft staan. Goed je been meenemen.
Kneuzing: Een beschadiging van een weefsel. Je kunt het voorkomen door voorzichtig te zijn.
Verzwikking: Er is een pees verrekt. Niet te ver uitrekken en niet te zwaar worden.
Ontwrichting: De kogel is uit de kom. Niet verder rekken dan je kunt.
Doel 14: Hoe kan je sportblessures voorkomen.

Van te voren een goede warming-up en vaak rek en strek oefeningen doen !!!
Doel 15: Je weet wat een fontanel is en wat de functie er van is bij de geboorte.

Fontanellen zijn openingen op babyhoofdjes zodat de schedelbeenderen over elkaar kunnen schuiven. De functie is dat hij anders niet uit de buik van zijn moeder kan komen.

Doel 16: Waaruit bestaat het gebit van een planteneter,vleeseter en een alleseter.

Vleeseter:
Vleeseters hebben aan iedere kant dus boven en onder 3 kleine voortanden om hun vlees met af te bijten.
Ook hebben ze boven en onder aan iedere kant 1 grote hoektand waarmee ze hun prooi vangen.
Ze hebben ook knipkiezen, knipkiezen gebruiken ze om het vlees mee door te snijden zodat het kleinere stukjes worden.
Ze hebben boven 4 knipkiezen en onder 5 knipkiezen.

Planteneter:

Een planteneter heeft 2 voortanden 1 aan elke kant.
Ze hebben aan elke kant 4 kiezen.
Er zit ruimte tussen de tanden van een planteneter.
Celwanden van planten zijn hard en moeilijk te verteren daarom hebben planteneter plooikiezen, plooikiezen zijn kiezen waarmee ze op de planten kouwen.
Alleseters:
Het gebit van een alles eter ziet er hetzelfde uit als een gebit van een mens want wij eten ook alles namelijk vlees en groente!

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.