Hoofdstuk 1; Leven en gezondheid



§ 1

Toen het onderzoek op gang kwam naar leven en dood bleek:

- Dat er nog een hele wereld van ‘wezentjes’ die wij met het blote oog niet kunnen waarnemen te bestaan -> Micro-organismen.

- Dat dieren allerlei geluiden, geuren en kleuren produceren.



Leven is in ieder geval niet enkel een ingewikkelde machine zoals men in de tijd van het rationalisme dacht; een aantal geformuleerde regels. Hierop reageerden een aantal personen.

- Descartes (vader van de moderne wijsbegeerte): “De natuurwetenschap moet opgebouwd worden net als wiskunde; een aantal goed geformuleerde regels.





Ons denkkader verandert door het nadenken.



Kenmerk: een eigenschap die elk voorwerp of individu dat tot een bepaalde groep behoort bezit.

Variatie : Een verschil dat tussen groepsgenoten optreedt.



Omschrijving van leven:

1. In staat constant inwendig milieu te handhaven mbv. Speciale regelsystemen.

2. Uitwisseling van stoffen met omgeving.

3. Voortplanting met genetische “blauwdruk”.

4. Prikkels waarnemen en reactie daarop geven.

5. Gaan na verloop van korte of lange tijd dood.

Ook deze kenmerken geven bepaalde problemen, bijv.: dat bij planten uitwisseling van stoffen slecht waarneembaar is -> Later heeft Van Leeuwenhoek een manier gevonden om de groei en stofwisseling van planten aan te tonen.

Constant inwendig milieu -> constante meting van waarden door organisme, vb. temperatuur.





Verschillende micro-organismen zijn verantwoordelijk voor een aantal ziektes -> ontdekking van infectieziekten. Een andere onderzoeker bewees dat het sap van een besmette plant – ondanks filtratie – toch nog besmet was -> virussen onzichtbaar kleine wezentjes die verantwoordelijk gehouden werden. Pas toen de elektro-microscoop werd uitgevonden werden virussen zichtbaar. Virus: geen stofwisseling.



Virussen bestaan uit DNA of RNA met daaromheen een eiwitmantel. Buiten een cel -> geen activiteit. In een cel -> dwingen cel om virus te kopiëren.



Cel heeft stoffen nodig om in leven te blijven:

- Bouwstoffen

- Energieleverende stoffen.

Er komen nieuwe stoffen, afgestorven stoffen verdwijnen -> stofwisseling.

!! Koolstof (C) is een belangrijk element voor het leven.



Autotroof -> planten en bacteriën die zelf voor hun organische moleculen zorgen, ener.bron: zonlicht.

Heterotroof -> Planten en dieren die hun organische stoffen moeten halen uit andere dieren en planten.

Heeft overigens wel mineralen nodig.

Fotosynthese -> Omzetting CO2 en water tot O2 en C6H12O6.



Koolstof kan makkelijk hechten en zo dus makkelijk grotere moleculen vormen die nodig zijn. Het kan o.a. reageren met N, S, P en Fe.



Heterotrofen ‘eten’ planten met alle eiwitten, alleen zijn die eiwitten niet allemaal hetzelfde -> bestaan uit lange ketens bouwstenen -> aminozuren.



Celdeling:

- Vervanging afgestorven cellen

- Groei van eencellig tot meercellig stadium

- Voortplanting of reproductie.



In cellen zitten chromosomen met erfelijke eigenschappen. Chromosomen bestaan uit DNA met daaromheen eiwitten. Eiwit bestaat uit een keten van 20 aminozuren. Een DNA-molecuul bestaat uit 4 verschillende nucleotiden (stikstofbasen die voor de verschillen zorgen); A,C, G en T -> afkortingen voor de stikstofbasen.



DNA: 2 draden. Wanneer in draad een A staat, is dat in de andere draad een T. Verhoudingen:

A – T en G – C.



Eiwitten werken als enzymen -> reactieversnellers. Ontdekking foutjes in aminozuur betreffende reactie kan vertragen of stoppen -> koppeling tussen DNA en enzymen.

Probleem: DNA kan niet uit kern om enzymproductie in plasma te stimuleren.

In DNA zit een korter nucleïnezuur; RNA -> bestaat uit één streng en heeft iets andere samenstelling van stikstofbasen. I.p.v. T een U. RNA zorgt voor enzymproductie en komt i.p.v. DNA de cel uit.



In RNA bleek na onderzoek een boodschap te bevatten. RNA heet ook wel RNA-messenger.



Code van DNA bestaat uit Tripletten -> combinatie van 3 nucleotiden die een boodschap/eigenschap vormen. (er is een start- en en een stoptriplet die aangeven wanneer de opdracht mag beginnen).



Voortplanting kan op 2 manieren:

- Ongeslachtelijk -> groep kopieert zichzelf (conservatief: blijft zoals het is) (bacteriën).

- Geslachtelijk/seksuele voortplanting -> 2 geslachtcellen smelten samen (mensen)

differentiatie omdat er eigenschappen van beide cellen worden overgenomen -> kopie van bepaalde eigenschappen.



Bij kopie: chromosomen vermenigvuldigen met 2. Door reductiedeling wordt het aantal chromosomen gedeeld zodat het hetzelfde blijft.



Bij een gezonde cel: 46 chromosomen, 23 chromosoomparen.



Voor metingen zijn zintuigcellen (verschillende functies) nodig. Deze vangen prikkels op.

De zintuigen zijn via zenuwen verbonden met de hersenen die na een waarneming de juiste stappen ondernemen.



De dood is nog steeds een geheim voor ons. Ieder organisme sterft. In de natuur sterven veel organismen heel snel -> als prooi of aan hongersnood.

De dood is niet volkomen willekeurig -> Een roofdier gaat minder snel dood dan een prooidier.

Over het algemeen: kleine organisme kortere maximale levensduur dan grote organismen.



Ziektes worden veroorzaakt door zogenaamde parasieten; organismen die leven ten koste van hun gastheer. Lichaam probeert hen buiten te houden door hoornlaag, maar die heeft onderbrekingen zoals mond, neus, anus, schede.

Ook binnenin het lichaam zijn een aantal afweermechanismen als zuren, maar ondanks dat komen sommigen toch nog binnen -> bedreiging van het organisme. Deze worden belaag door witte bloedcellen die het afweermechanisme vormen van het lichaam.

Fagocyten -> Indringer omhullen en verteren.

Lymfocyten -> Vallen indringer aan.

Bij bijvoorbeeld het mazelenvirus wordt een antimazelenlymfocyt aangemaakt die een groepje geheugencellen achterlaat zodat het mazelenvirus niet voor een 2e keer effectief kan worden.

Dat heet immuun.

Allergie -> overgevoeligheid voor een bepaalde stof.

Iemand die geen onderscheid maakt tussen eigen en vreemd materiaal en lymfocyten tegen je eigen gewrichtscellen maakt spreek je van auto-immuunreactie. Reuma is daar een voorbeeld van.

Er bestaan nog steeds parasieten die het lichaam de baas zijn. HIV en malaria zijn voorbeelden daarvan.



§ 2

Operaties werden als sinds de vroege historie uitgevoerd. Egyptenaren leefden veel verder in de wereld van de medicijnen dan de Babyloniërs. Zij kenden al een aantal ziektes en diens medicijnen.

Er werd veel teruggekoppeld op goden en de duivel. Er werd gebruik gemaakt van priesters en amuletten.

Veel ziekten werden als straf gezien van goden.



Er zijn verschillende oorzaken voor gezondheidsproblemen. Honger was in ons land in de laatste winter van WO 2 een probleem, maar dreigt nu weer een probleem te worden doordat steeds meer mensen oud worden.

In de ontwikkeling van de gezondheid zien we een voortdurende verschuiving door een verschuivende interesse van de mensen en de overheid.

De voornaamste doodsoorzaak zijn hartziekten.



Het lichaam heeft verschillende afweermanieren, maar ook daar zit een maximum aan. Om onduidelijke redenen kan iemand zijn problemen niet meer goed de baas worden en wordt depressief.

Botbreuken, bloedvatverstopping en allerlei andere problemen zijn voorbeelden van gebeurtenissen waarbij de geneeskunde te hulp schiet.

Er worden verschillende hulpmanieren gebruikt als operaties etc. Helaas gaan sommige mis en kan een verlamming of verslechte orgaanwerking of in het slechtste geval de dood in werking treden.

Lang is het zo geweest dat stilstand van hart en ademhaling als tekens van dood werden gebruikt.

Inmiddels zijn we in staat om de activiteit van de hersenen te meten. Dat is handig om bij coma te meten of iemand dood is ja of nee.

De dood geeft bij degene die weet dat hij zal gaan sterven als bij de nabestaanden veel verdriet. Als iemand ongeneeslijk ziek is, zie je vaak een aantal fases in verwerking: ontkenning, protest, poging tot onderhandelen, valse hoop, diepe neerslachtigheid en ten slotte berusting.

Hierbij wordt er vanuit gegaan dat de zieke weet wat er gaat gebeuren; in toenemende mate hebben artsen de neiging om die informatie niet achter te houden, maar met de zieke en zijn naasten te bespreken. Dan kan er ook serieus aan stervensvoorbereiding en begeleiding worden gewerkt.



In de oertijd waren er al mensen die studie maakten van geneeskrachtige planten. Tot aan het ontstaan van farmaceutische industrie (medicijnenindustrie, apotheken etc.) bestond het overgrote deel van de medicijnen uit planten of extracten daarvan.

Door de scheikunde leerde men bepaalde extracten uit planten te halen. Tegenwoordig wordt ook nauwkeurig op de dosering gelet.



In de middeleeuwen bestond de medicijnenstudie uit het kopiëren van geschriften in kloosterbibliotheken en breidde de kennis zich maar matig uit. In de tijd van de VOC waren er altijd mensen die studie maakten van plantengeneeskunde.



Isolatie van stoffen kwam goed opgang -> natuur verbeteren. Er werden synthetische producten ontwikkeld.

Sommige stoffen leiden tot verslaving. Opimum, heroine en morfine zijn alledrie verslavend, maar werken wel pijnstillend. Bij onthouding krijgt de gebruiker ontwenningsverschijnselen.

Medicijnen kosten veel. De ontwikkeling van een medicijn nog veel meer -> ontwikkeling en testen.



Bij het ontwikkelen van een medicijn naar een bepaalde vorm van krankzinnigheid dat ontstond als een late fase van syfilis, een geslachtsziekte ontdekte hij het medicijn arsfenamine of Salvarsan dat een nauwe stap op weg was naar de chemotherapie dat nu bij kanker wordt gebruikt.



Koorts is meestal een stap op weg naar verbetering. Door de ontdekking van penicilline werd een belangrijke slag gewonnen. Sinds de brede toepassing van penicilline en andere antibiotica zijn bepaalde ziektes beter te bestrijden.



Bepaalde ziektes worden later herontdekt omdat sommigen het niet willen zien, omdat het buiten een bepaald denkkader valt. Kuhn, een wetenschapsfilosoof, spreekt van paradigma. Wat daarbuiten valt, wordt pas ontdekt na een revolutie binnen de wetenschap.



Ook in de apparatuur is een belangrijke en tevens sterke ontwikkeling opgetreden. Voor inwendig onderzoek ontdekte dhr. Wilhelm Röntgen bij toeval een methode. Hij straalde de röntgenstraling op zijn hand, toendertijd x-straling genoemd, en merkte dat de straling niet door de botten kwam, maar wel door het andere weefsel.

Rontgenstraling is een vorm van energierijke elektromagnetische straling -> negatieve en positieve gevolgen:

- Negatief: een te grote hoeveelheid kan dodelijk zijn, direct of indirect. Er zijn carcinogene (kankerverwekkende) en mutagene (mutatieverwekkende) effecten bekend.

- Positief: Er zijn mogelijkheden voor radiotherapie. De straling kan gebruikt worden bij het vernietigen van kwaadaardige tumoren.

Tientallen jaren bleef de röntgenfoto de enige manier van beeldvorming. Het was een tweedimensionale voorstelling.

Daarnaast werden technieken ontwikkeld om elektrische activiteit te meten in het hart (elektrocardiogram of ECG). In ’72 ontwikkelde Hounsfield een methode om dunne plakjes via röntgenfoto’s af te beelden en vervolgens door een computer te laten omrekenen tot een driedimensionaal beeld. Die beeldvorming heet een CT-scan (computertomografie-scan)



Andere verbeteringen in de geneeskunde zijn de veel betere hygiëne bij operaties, betere mogelijkheden organen te transplanteren en nierdialyse. Helaas is bij een transplantatieoperatie altijd een bijkomend nadeel dat de organen afgestoten kunnen worden. Er is een chronisch te kort aan donoren. Gelukkig is er voor de nierpatiënten wel een kunstnier is ontwikkeld. Dat is een apparaat dat het bloed zuiverd buiten het lichaam.



§ 3

Mensen hebben lange tijd niet geweten hoe ziekten ontstonden. Ondanks dat mensen dachten dat ziekten straffen van god waren, hadden de Romeinen toch al hygiëneregels en riolen om de steden schoon te houden. Ook hadden ze regels voor het begraven van mensen. Die regels berustten op een onbewezen gevoel dat niet schoon samenhing met ziekte.

Ondanks dat gevoel werd bij de operaties niet erg schoon gewerkt. Tot in de vorige eeuw stierven veel patiënten aan infectie via de handen of operatiemes van de chirurg.

Door het werk van 2 onderzoekers werd het belang van desinfectie tijdens operaties duidelijk. Pas toen aangetoond werd dat ziekten veroorzaakt worden door bacteriën of andere micro-organismen die op allerlei manieren worden overgedragen ging men pas op hygiëne letten.



Conserveren: het langer houdbaar maken van voedsel door verhitting, inzouten, drogen etc.



Men begon meer hygiëne te creëren door riolen, zuiveringsinstallaties etc. aan te leggen. Operaties werden uitgevoerd in steriele omstandigheden; bacterievrije apparatuur. Tegenwoordig wordt er minder paniekerig gereageerd als in de middeleeuwen als men de oorzaak van een ziekte niet kent. Een enkeling hielp mensen met een zeer besmettelijke ziekte. Mensen willen altijd iets of iemand de schuld geven van een ziekte.



Sommige ziekten komen veel voor in families. Na de ontdekking van de chromosomen etc. werd duidelijk dat het besmettelijke ziekten waren.



Pas in 1956 werd bekend hoe een chromosoom eruit zag: 46 chromosomen, 23 paren. Bij het syndroom van Down ontbreken er één of meerdere of zijn er dubbele chromosomen.

Op de chromosomen bevinden zich de genen die de erfelijke eigenschap bevatten. Langzamerhand werd duidelijk dat bepaalde ziekten te maken moesten hebben met onzichtbare variaties in zo’n gen.



Toen ontdekt werd dat de genen bestaan uit DNA werd het onderzoek daarop gericht. Variaties in DNA werden ontdekt -> storing in aanmaak van enzymen etc.

Bij een embryo kunnen nu al via een vlokkentest of vruchtwaterpunctie enekele honderden stofwisselingsstoornissen worden opgespoord.



Bij erfelijke ziekte speelt emoties door twijfeling ook een grote rol. Mensen zijn bang om de ziekte te krijgen, maar weten niet zeker of ze het überhaupt wel zullen krijgen.



De leefstijl van iemand kan een negatieve of een positieve uitwerking hebben op de gezondheid. Er is aangetoond dat verschillende handelingen verschillende uitwerkingen kunnen hebben. (roken -> long-emfyseem of –kanker) Vaak wordt gedacht dat vooral allerlei toevoegingen of additieven (conserveermiddelen, kleur-, geur- en smaakstoffen) daarbij een negatieve rol spelen. Ook natuurlijke stoffen kunnen carcinogeen zijn.

Mensen houden zich veel bezig met voeding. Zo kunnen mensen ervoor kiezen vegetariër te worden, dat kan uit verschillende oogpunten (zie blz. 49, SCALA).

Een verdere vorm van vegetariërs zijn veganisten. Zij eten ook geen producten die afkomstig zijn van dieren.



In de westerse wereld willen mensen tegenwoordig graag slank zijn. Vroeger was mollig zijn een teken van ‘genoeg aan vlees hebben’.

Slank willen worden kan leiden tot anorexia nervosa of boulimia, 2 eetstoornissen bij jongeren.

In de westerse wereld ligt de gemiddelde leeftijd van sterven hoog. Toch haalt lang niet iedereen deze leeftijd, of gaat er juist grandioos overheen. Oudere mensen hebben een grotere kans op kanker, omdat de cellen minder goed in staat zijn de fouten op te sporen.



Bij dodelijke ziekten kan een arts kiezen voor 2 manieren euthanasie:

- Passieve euthanasie -> stoppen met de behandeling.

- Actieve euthanasie -> levensbeëindigende stoffen.



Al een lange tijd blijft de keuze daar of een gender-kliniek mensen de bevruchtingskeuze mag aanbieden bij hen die ongewenst geen kinderen kunnen krijgen. Zo wordt er gevraagd of je bij een reageerbuisbevruchting mag sleutelen aan DNA etc.



Voor de artsen en overheid is het altijd moeilijk te kiezen naar welke ziekte de meeste aandacht en geld gaat. Vaak is er een belangengroep die probeert ‘hun ziekte’ hoog op de prioriteitenlijst te krijgen. Uiteindelijk zal de overheid toch knopen moeten doorhakken. Dat kan dramatisch uitpakken. Bijvoorbeeld voor astmapatiënten die niet benauwd genoeg zijn, maar door een allergie toch flink beroerd zijn.



Een moeilijke keuze komt bij veel mensen aan de orde rond transplantatie. Bij een transplantatie gaat het om het overplaatsen van een goed functionerend orgaan in een ander lichaam. De meningen over transplantatie zijn verdeeld, ook gevoelens zijn vaak een probleem bij de keuze tussen wel of geen donor worden.



Eurotransplant is een Europese databank van alle donoren in Europa. Zij matchen donororganen met de persoon waaraan deze het beste past -> minste kans op afstoting.

Men is ook recent bezig met onderzoek naar mogelijke xenontransplantatie -> transplanteren van organen van dieren.



Er zijn veel mensen die denken dat er te veel aandacht wordt besteed aan de kwaal dan aan de patiënt -> slechte persoonlijke zorg. Daarnaast speelt ook de teleurstelling in het resultaat om over te stappen op de alternatieve geneeswijzen.

Vroeger wees de reguliere geneeskunde de alternatieve geneeskunde sterk af.



In het boek heb je nu de tot en met pagina. 61 gepasseerd:D



§ 4

Er zijn vreselijk veel verschillende vormen van leven op aarde. Er zijn meer dan 4 miljoen wezens ontdekt. Men heeft de neiging om de geschiedenis in periodes onder woorden te brengen. Zo lijkt het wel eens of er in een bepaalde periode van de vorige periode geen levenssoort meer is.

We leven volgens de beroemde evolutiebioloog Gould eigenlijk al 3 miljard jaar in de periode van de bacteriën. Die zijn aanwezig in een aantal andere levensvormen ruimschoots overtreft. In ons eigen lichaam bevinden zich enkele kilogrammen bacteriën.



Vanaf de 15e eeuw breidde de horizon van de mens zich enorm uit. Allerlei reisverslagen gaven de enorme bewondering voor nieuwe planten en dieren weer. Deze verwonderingen werden onmiddellijk gevolgd door economisch denken -> heeft de plant waarde bij ons in de medicijnenindustrie?

Taxonomie, de ordening en naamgeving van soorten, wordt dan heel belangrijk. Een goede beschrijving kan voorkomen dat bij het zoeken naar een plant de juiste plant verwisseld wordt met een giftige plant die er erg op lijkt.

Steeds meer werd er verdiept om een goede manier te vinden om de planten te rangschikken. Linné slaagde daarin en het systeem werd vernoemd naar hem: Linnaeus.

De plant werd gesorteerd op klasse, orde en genus of geslacht.



Soorten die zich in de loop der tijd hadden ontwikkeld hadden een evolutie ondergaan. Een ontwikkeling.



Na veel onderzoek bleek dat de aarde veel ouder moest zijn dan dat de mens in eerste instantie dacht. Langzaam maar zeker werd de tijd opgerekt. Lyell vindt het actualisme heel belangrijk. Dat gaat ervanuit dat de structuur van de verschillende gesteentes is ontstaan door dezelfde krachten die ook nu nog werken. Je kunt iets over het verleden te weten komen door te kijken naar het heden.

Lyell kwam op een ouderdom van de aarde van honderden miljoenen jaren.



De evolutietheorie van Darwin was gebaseerd op deze gegevens. Uit een begin waren oneindig vele allerschoonste vormen ontstaan, aldus Darwin. De ouderdom van de aardlagen en vondsten van fossielen daarin speelden een belangrijke rol daarin.



Veel mensen denken bij aanpassingen aan veranderingen die je tot stand brengt als je te maken krijgt met een veranderde omgeving.

Darwin raakte door zijn avontuur op het marineonderzoekschip De Beagle steeds meer overtuig dat soorten kunnen veranderen. Hij zette zich ertoe het mechanisme van de veranderingen te ontdekken -> er moest veel tijd beschikbaar zijn voor een geleidelijke verandering.

Thuis las hij het werk van een bekende schrijver van toen waarin de verhouding tussen de bevolkingsgroei en de toename van de hoeveelheid voedsel geschreven was. Hij besloot deze informatie te koppelen aan zijn eigen waarnemingen.

In zijn vrije tijd fokte Darwin duiven en hij kwam erachter dat net als bij zijn hobby ook in de natuur sprake was van selectie van het beste; natural selection.

Bepaalde erfelijke varianten hebben volgens hem meer kans om te overleven in verschillende omstandigheden -> survival of the fittest.

Deze fittest zijn de best aangepasten, niet altijd de sterksten. Darwin schreef een boek met zijn evolutietheorie.



Veel mensen werden verbijsterd door het idee dat aanpassing aan een veranderend milieu door natuurlijke selectie, in feite een proces zonder voorspelbare richting, aan de evolutie ten grondslag ligt.

Veel religieuze stromingen kwamen tot de integratie van hun geloof en de evolutie. God had de kiemen geschapen.

Drie fases van een evolutietheorie door een fossielenkenner:

1. De chemosfeer, waarin het eerste leven zich ontwikkelt.

2. De biosfeer, waarin het leven uitwaaiert in een enorme verscheidenheid aan soorten met inbegrip van mensen.

3. De noosfeer, waarin de menselijke geest evolueert naar een stadium waarin absoluut begrip en verdraagzaamheid de boventoon voeren: het punt omega.

Daarnaast is er een groep blijven bestaan die alleen de bijbel gelooft en de evolutietheorie als waar blijft beschouwen.



De evolutietheorie is een soort hypothese over hoe het leven zich ontwikkeld kan hebben -> feiten ontdekt – theorie aangepast.

Darwin wist geen raad met de erfelijke basis van zijn variatie op de evolutietheorie. Hij kon niet uitleggen waar de variatie vandaan kwam en ook niet hoe de eigenschappen werden doorgegeven. Pas toen de wetten van Mendel werden herontdekt (1900) en Hugo de Vries na uitgebreid onderzoek in de Amsterdamse Hortus Botanicus aan teunisbloemen in 1901 zijn mutatietheorie lanceerde, waarin hij toevallig veranderingen in het erfelijk materiaal (mutaties) als bron van variatie aangaf, kreeg het darwinisme de wind in de zeilen -> werd sterker door ontdekkingen in de populatiegenetica en in de moleculaire genetica. Combinatie van Darwins ideeën met nieuwe vondsten wordt aangeduid als neodarwinisme.

Dat wil niet zeggen dat er niet meer gewerkt wordt aan de evolutiehteorie -> theorie wordt steeds opnieuw getoetst.



In de industriële revolutie waren er rijke bezitters, arbeiders en vrouwen. Volgens de rijke bezitters was het ook een vorm van het Darwinisme -> survival of the fittest. De fittest in dit geval, waren zij.

Andere mensen dachten daar anders over. Zij vonden Darwins ideeën maar gedeeltelijk waar, want zij zagen ook mensen die hun leven gaven ten gunste van anderen en zij kunnen net zo goed de fittest zijn, maar die dat op een andere manier laten zien.



De Rus Kropotkin vroeg zich af hoe het zogehete altruïsme kon blijven bestaan. Het wezen wordt door zijn altruïstische eigenschappen weggeselecteerd. Een dier dat alleen voor zichzelf opkomt heeft veel meer kans te overleven.

Het zou veel beter zijn om ieder voor zich en richten op de voortplanting, maar achteraf bleek er nog een manier van voortplanting te bestaan:

- Geslachtelijk.

- Opkomen voor broertjes, zusjes, neven en nichten en zo te zorgen dat er voortplanting mogelijk blijft.



Bijna iedereen verafschuwd de massamoorden in de 2e wereldoorlog, maar de Duitsers vonden dit ‘goed’ doordat mensen op te delen waren in Ubermenschen en Untermenschen.

Wat niet iedereen weet is dat er al sinds een lange tijd het gevoel ontwikkeld wordt dat de blanke belangrijker waren dan de zwarten die men ‘vond’ in andere gebieden.

Door de zwakkeren te stereliseren dacht men de natuur een handje te helpen door de ‘mislukking’ tegen te gaan. Men spreekt wel van ‘eugenetica’: verbetering van de menselijke populatie. De stap naar het doden van personen met ongewenste eigenschappen is dan niet meer zo groot: eerst actieve ‘euthanasie’ van bejaarden en gehandicapten en vervolgens massamoord op hele bevolkingsgroepen.

Zelfs na nazi-Duitsland zijn er nog steeds oorlogen die met rassenmoord worden gevoerd.

Vooroordelen over soortgenoten die zich anders gedragen, er wat anders uitzien of anders praten verdwijnen maar heel langzaam.

Nog steeds zijn er mensen die huwelijken tussen verschillenden verbieden. Overigens, de eerste stap van nazi-Duitsland was het verbieden van huwelijken tussen joden en niet-joden.



Veel mensen gaan er vanuit dat wij een vordering zijn van de evolutie uit de mensaap. Waar mensen moeite mee hebben is het begrijpen dat wij niet het eindproduct zijn. Voor ons onmerkbaar zijn we bezig te evolueren.

De evolutie heeft een eigenschap (onderkaak naar achteren en platter gezicht) via selectie ontwikkeld zonder rekening te houden met de bijverschijnselen (verstandskiezen komen klem te zitten en er ontstaat infectie die dodelijk kan zijn.)



Mensen zien overeenkomsten tussen dieren en mensen -> oerang oetang: mens van het bos.



Verschillen tussen mensen en dieren:

- rechtop lopen

- ontwikkeling van cultuur en gebruik maken van werktuigen.

Taalgebruik lijkt vooralsnog het meest bijzonder. Veel dieren kennen een taal, soms zelf hoogontwikkeld. Maar daarbij gaat het in het algemeen om concrete zaken in een gegeven situatie: voedsel, alarm, ruzie etc.

Bij de mens spelen ook andere gesprekken een rol als gezelligheid etc.



Uit proeven met mensapen bleek dat de apen wel woorden konden leren, maar niet de grammaticale toepassingen. Zo bleef het dus dat de apen enige woorden konden uitspreken, maar niet in de juiste volgorde.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

N.

N.

Nice
Nice
Nice
Nice
Nice
Nice

10 jaar geleden