Hoofdstuk 1
Paragraaf 1
De gedragsruimte is de ruimte waarvan mensen die op een bepaalde plek wonen gebruik maken voor hun dagelijkse activiteiten en hun leefsfeer. Je kan onderscheid maken tussen de functionele en mentale gedragsruimte.
1) Bij de functionele gedragsruimte wordt gelet op:
* woon- en werkverplaatsingen
* verplaatsingen voor het gebruik van commerciële diensten
* verplaatsingen voor het gebruik van niet-commerciële diensten.
In de primaire gedragsruimte vinden de meeste activiteiten plaats.

2) Bij de mentale gedragsruimte staat de binding met het gebied en met de mensen in het
gebied centraal. Mensen voelen zich in een gebied verbonden vanwege:
* Gemeenschappelijke gewoonten en tradities; deze mensen hebben een
identiteit en onderscheiden zich van mensen in andere gebieden bijvoorbeeld
door taal, voedsel of klederdracht.
* Verbondenheid met het woongebied; deze mensen hebben een regionaal
bewustzijn, ze zijn trots op hun eigen landschap en dorpen. Soms willen
groepen vreemden buitensluiten en het gebied uitsluitend voor de eigen
groep reserveren. Dat noem je exclusiviteit.
Ontwikkelingen in het wonen en werken maken duidelijk dat het net van autowegen, treinen en bussen de gedragsruimte van mensen bepaalt.
1) Ontwikkelingen in het wonen; De scheiding van het wonen en werken is vooral begonnen vanaf de opkomst van de suburbanisatie. Met de groei van de steden werd de bevolking over een steeds ruimer gebied verspreid. De afstand tussen woonplaats en werkplaats nam hierdoor toe.

2) Ontwikkelingen in het werken; Door het ruimtelijke uitschuifproces is de woon-werk afstand toegenomen. Bedrijven verhuizen weg uit de stad omdat het daar te druk wordt. De persoonlijke gedragsruimte krijgt er door de informatietechnologie een elektronische dimensie bij. Er ontstaat, vooral door het gebruik van internet, een soort IT-gedragsruimte.
We verdelen de diensten in twee groepen; commerciële en niet-commerciële diensten.
1) Het verzorgingsgebied van een dienstverlener; Het minimum aantal klanten dat nodig is, noem je de drempelwaarde. De omzet kun je uitdrukken in het aantal klanten en dat noem je het draagvlak. Het gebied waar de klanten vandaan komen noem je het verzorgingsgebied.
2) Het spreidingspatroon van centrale plaatsen; In dorpen en steden zijn allerlei diensten aanwezig voor de bevolking van het omringende gebied. Dit zijn dus centrale plaatsen. Het verzorgingsgebied van een stad is groter dan dat van een dorp, omdat daar meer gespecialiseerde diensten zitten.
3) De reikwijdte van commerciële diensten; De afstand die klanten willen afleggen om van een dienst gebruik te maken, noem je de reikwijdte. Hoe vaker diensten worden gebruikt, des te belangrijker zijn ze voor de gedragsruimte van mensen.
Bij niet-commerciële diensten wordt de prijs en het aantal zorgverleners sterk beïnvloed door de overheid. Twee soorten situaties zijn bij de niet-commerciële diensten mogelijk:
• Niet commerciële diensten met een niet vastgesteld verzorgingsgebied; Het minimum aantal leerlingen per school wordt door de overheid vastgelegd. Maar de grootte van het verzorgingsgebied wordt ook bepaald door de reikwijdte (=de afstand die leerlingen (willen) afleggen om van die dienst gebruik te maken)
• Niet commerciële diensten binnen rayons; Een rayon is een door de overheid vastgesteld verzorgingsgebied. Denk bijvoorbeeld aan de politie, brandweer en ambulancediensten. Gemeentelijke herindeling zorgt voor verandering van de gedragsruimte.
Paragraaf 2
Thorbecke formuleerde in 1848 een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Provincies en gemeenten kregen een zekere autonomie en de centrale macht werd daarmee ingeperkt. Ze kregen taken en bevoegdheden in hun eigen gebied. In de gemeente staat het bestuur het dichtst bij de burger  gemeenteraad en het college van burgemeester en wethouders. De bevoegdheden beperken zich tot het eigen grondgebied. De indeling van Thorbecke paste bij die tijd; de dorpen en steden waren nog veel kleiner en lagen verder van elkaar af. De relatieve afstand was groter.
Gemeenten zijn steeds meer gaan samenwerken. De toenemende mobiliteit leidde tot suburbanisatie, waarbij mensen zich niet meer stoorden aan de gemeentegrenzen. Er ontstonden nieuwe samenwerkingsverbanden zoals stadsgewesten. Daardoor kwam er een gemeentelijke herindeling. Daarbij streeft men naar minder, maar wel grotere gemeenten en stedelijke netwerken. Over het algemeen willen grote gemeenten kleine gemeenten inlijven, en die kleine gemeenten willen juist onafhankelijk blijven. Vanaf de jaren ’60 wordt het samengaan van gemeenten van bovenaf sterk gestimuleerd. We leven in de tijd van politiekruimtelijke schaalvergroting.
Motieven om gemeenten te vergroten:
• Hoe meer mensen, hoe meer bestuurskracht.
• Door samenvoeging kan het voorzieningenniveau beter op peil worden gehouden.
• Kostenbesparing is mogelijk.
• Steden krijgen extra en goedkopere ruimte voor uitbreidingsplannen door inlijving.
• Grote steden hebben hoger uitgaven dan de kleine steden en dorpen op het gebied van allerlei sociale wetten.
Problemen van de grote steden:
• Gemeenten hebben te weinig macht en mogelijkheden om problemen aan te pakken.
• Ze concurreren met andere grote steden. Geld- en ruimtegebrek staan slagvaardig handelen in de weg.
• Het geldprobleem kan verkleind worden door behalve de lusten ook de lasten te delen met de gemeenten in de regio. De welvarende bewoners zijn namelijk weggetrokken naar de groene gemeenten in de regio.
De oplossing die moet leiden tot meer economische en bestuurlijke slagkracht wordt gevormd door grootstedelijke herindelingen en ontwikkeling van 6 nationale en 8 regionale stedelijke netwerken. Er ontstaan daarbij geen grotere politieke bestuurlijke eenheden.
Paragraaf 3
Is gemeentelijke herindeling een succes? Allereerst kan je je afvragen:
1) Heeft de nieuwe gemeente meer bestuur- en daadkracht? Een grotere gemeente zal bijvoorbeeld meer invloed kunnen hebben bij de provincie en in Den Haag. Behalve van de grootte hangt de bestuurskracht ook af van de kwaliteit van het gemeentebestuur en de ambtenaren.
2) Is een gemeentelijke herindeling meer succesvol naarmate deze beter samenvalt met de primaire functionele gedragsruimte van de inwoners? Het verzet van kleine gemeenten tegen opname in een groter is makkelijk te verklaren. Zij verliezen autonomie en bovendien gaat het de bewoners extra geld kosten, omdat ze moeten bijdragen aan de instandhouding van de voorzieningen waar ze voorheen gratis van profiteerden.
3) Leidt de herindeling tot een kwaliteitsverbetering van de diensten?
4) Valt de gemeentegrens samen met de mentale gedragsruimte van mensen? Herindeling is succesvoller naarmate deze beter samenvalt met de mentale gedragsruimte van de inwoners.
Het is dus mogelijk dat mensen uit een dorp er in hun functionele gedragsruimte op vooruit gaan, maar in hun emotionele gedragsruimte worden aangetast.
Hoofdstuk 2
Paragraaf 1
De relatieve afstand in de wereld neemt af. De wereld is één systeem geworden. Landen en groepen landen vormen onderdelen van dit geheeld. Binnen Europa is er sprake van eenwording. Deze eenwording ontstaat door het proces van integratie; gebieden of landen krijgen steeds meer relaties met elkaar en komen daardoor met elkaar samen te hangen. Door deze vervlechting kunnen ze een hechte eenheid vormen. Er is sprake van economische vervlechting op het gebied van landbouw, industrie en diensten. Een economische blok is ontstaan: De Europese Unie.
De Europese Unie vormde het begin van een economisch en politiek integratieproces in Europa. Twee ontwikkelingen zijn kenmerkend voor het integratieproces:
1) De uitbreiding van het samenwerkingsverband; andere landen willen ook graag lid
worden. De EU belooft steun voor economische en financiële hervormingen in
associatieverdragen.
2) De intensivering van de integratie; dit betekent dat de relaties intensiever worden en
de economische vervlechting daardoor sterker wordt. Dat gebeurt vooral door
versterking van handelsrelaties en investeringen;
a) De handelsrelaties; tussen de Europese landen zijn deze erg sterk
b) Investeringsrelaties; Europese landen investeren in andere Europese landen.
Wat betreft handel en investeringen zijn er in Europa twee economische blokken ontstaan. Het ene blok bestaat uit de zes landen die oorspronkelijk de EEG hebben opgericht aangevuld met het Verenigd Koninkrijk. Het andere blok bestaat uit de Scandinavische landen. De overige landen zijn minder hecht verbonden. Afstanden spelen in het integratieproces kennelijk een rol.
Landen benutten hun comparatief voordeel. Comparatief wil zeggen verhoudingsgewijs. Hier betekent het dat een land die goederen moet produceren die het in vergelijking met andere producten het goedkoopst kan maken. Er is dan sprake van regionale specialisatie. Het land benut zijn beste mogelijkheden.
Het marktaandeel van Nederland schommelt omdat andere EU-landen sterk concurreren. Daarnaast kunnen ook producten van buiten de EU op de Europese markt komen. Het gaat hierbij om landen die erin slagen redelijke tot goed kwaliteit tegen een lagere prijs te produceren. Voor de toetreding van Spanje tot de EU werden er overgangsregelingen gesloten. Dit uit vrees voor de Spaanse concurrentie. Maar Nederland is binnen de tuinbouw het enige land dat zijn concurrentiekracht ontleent aan allerlei innovaties.
Paragraaf 2
De landbouwsamenwerking gaat uit van vier doelstellingen;
1) Productiviteitsverhoging van de landbouw; het gaat om schaalvergroting.
2) Het verzekeren van een redelijk levenspeil voor de agrarische beroepsbevolking; het gaat om inkomenspariteit.
3) Evenwicht tussen vraag en aanbod van landbouwproducten; stabiele landbouwprijzen.
4) Voldoende voedsel van goed kwaliteit tegen een redelijke prijs; veiligstellen van de voedselvoorziening voor de consument.
Belangrijk in het landbouwbeleid van de EU is het markt- en prijsbeleid. Het betreft allerlei maatregelen waardoor de markt en dus de prijsvorming van landbouwproducten beïnvloed worden. Dat is gunstig voor het inkomen van de boer en zorgt ook voor betaalbare voedselprijzen. Twee soorten prijzen zijn daarbij belangrijk:
1) De basisrichtprijs
2) De interventieprijs (= een soort garantieprijs voor de landbouwers)
Het markt- en prijsbeleid heeft twee belangrijke nadelen:
1) De noodzaak van protectie. Garantieprijzen maken landbouwproducten kunstmatig duur. Dit heeft gevolgen voor de import en export van landbouwproducten.
Aan de importkant moeten invoerrechten geheven worden. Dit heet protectionisme. Aan de EU-grens geldt een drempelprijs, die wordt afgeleid van de basisrichtprijs. Ligt de prijs van de invoer onder de drempelprijs, dan moet de importeur invoerheffing betalen.
Aan de exportkant moeten exportsubsidies gegeven worden. De wereldmarktprijs is namelijk vaak lager dan de basisrichtprijs. Export is niet haalbaar, want je bent te duur. Daarom moet het verschil tussen de prijs voor de landbouwers en de wereldmarktprijs worden vergoed. Dit heet restitutie.
2) Het ontstaan van productieoverschotten. De landbouwers streven ernaar meer te produceren tegen lagere kosten. Doordat iedere landbouwer dit deed ontstonden er grote overschotten doordat het aanbod groter was dan de vraag. Elke landbouwer was immers verzekerd van de afzet van zijn producten.
De markt van de EU is goed afgeschermd. Andere landen krijgen moeilijk toegang. Ontwikkelingslanden komen hierdoor in de problemen. Zij hebben baat bij liberalisering van de wereldhandel. Om dit te bevorderen is er de WTO. In 1994 is er een WTO-akkoord gesloten over een vrijere wereldhandel. De invoerrechten moeten omlaag en de handelsbarrières weg. Door het nieuwe WTO-akkoord zal de EU haar exportsubsidies op landbouwproducten moeten beperken. In 2000 kwam de EU met het initiatief de allerarmste landen vrije toegang te geven tot de Europese markt.
Paragraaf 3
Tussen en binnen de EU bestaan grote verschillen in welvaart en werkgelegenheid. Er is sprake van regionale ongelijkheid. Om de regionale ongelijkheid weg te werken heeft de EU het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling in het leven geroepen.
Zij hebben als doelstellingen:
1) Verbetering van de economische structuur van achtergebleven en of zeer dunbevolkte gebieden
2) Economische en sociale omschakeling van zones met structuurproblemen
3) Bestrijding van langdurige werkloosheid, ondersteuning van opleidingen en aanpassing van werknemers aan moderniseringen van productiesystemen.
Zij hebben als gemeenschappelijke initiatieven:
• interregionale/grensoverschrijdende/transnationale ontwikkeling
• stadsvernieuwing van achtergebleven steden en stadswijken
• bestrijding van discriminatie en ongelijkheid op de arbeidsmarkt
• ontwikkeling van netwerken in communicatie, infrastructuur, technologie, elektriciteit
Zij hebben als innovaties en technische hulp:
- Ondersteuning van economische zwakke lidstaten bij milieu en verkeersontwikkeling
- Voorbereiden uitbreiding EU
Toch kan je je afvragen of de regionale ongelijkheid binnen de EU door het regionale beleid zal verdwijnen. Daarvoor zijn twee redenen:
1) Er is een sterke economische groei nodig om de verschillen weg te werken.
2) Om de toenemende concurrentie aan te kunnen, bevordert de EU ook de economische ontwikkeling in de sterke en rijke gebieden. Hiervan profiteren voornamelijk de grote bedrijven en onderzoeksinstellingen.
Er zijn in de sterke gebieden van de EU hele oude stagnerende industrieën. Met heel veel geld probeert de EU deze herstructureringsgebieden een economische omschakeling te realiseren. Een economische harttransplantatie moet deze roestgordel van een nieuw krachtig economisch hart voorzien. Hierdoor worden de sterke gebieden nog sterke ten opzichte van de zwakke gebieden.
Hoofdstuk 3
Paragraaf 1
Net als dieren hebben mensen behoefte aan een eigen territorium. Het vroegste territoriale samenlevingsverband was de clan, een organisatie op basis van bloedverwantschap. Als mensen lang samenwonen binnen een territorium, krijgen ze gemeenschappelijke kenmerken waardoor ze zich verbonden gaan voelen. Dit gevoel van verbondenheid maakt een groep mensen tot een volk. Een volk heeft behoefte aan een eigen gezicht of identiteit. Daarbij helpt iconografie; dat zijn identiteitsbevorderende symbolen (bijvoorbeeld een vlag).
Mensen hebben een emotionele binding met hun woongebied of territorium. Er is sprake van regionaal bewustzijn. Meestal heeft dit betrekking op een staat.
Als een volk een exclusief, eigen gebied wil in de vorm van een staat, spreek je van een natie. Een staat is een organisatie die de soevereine macht heeft over haar eigen grondgebied. Er zijn voor de vorming 3 dingen nodig; een bevolking, een territorium en een soeverein gezag. Als in een staat een homogene groep mensen één volk en één natie vormen, spreek je van een natiestaat. In feite zijn er niet zoveel echte natiestaten. In veel staten is er sprake van meerdere etnische of regionale groepen mensen. Dit kunnen dan multinationale staten zijn. Het criterium hiervoor is dan wel dat geen enkele groep een bevolkingsaantal van 60% of meer heeft.
Paragraaf 2
Vanaf de zestiende eeuw kwam het proces van politieke kolonisatie op gang. West-Europese landen brachten grote gebieden onder hun politieke controle. West-Europa speelde bij deze internationalisering de belangrijkste rol. Men spreekt zelfs van europeanisering van de wereld. De politieke kolonisatie van Azië en Afrika nam een grote vlucht door de komst van de industriële revolutie. Nieuwe technieken maakten het mogelijk gebieden te koloniseren. Etnisch totaal verschillende volken werden gedwongen samen te leven binnen de grenzen die door de kolonisator waren getrokken.
Het einde van WOII was het startpunt voor het politiek onafhankelijk worden van de koloniën. De dekolonisatie voltrok zich tot het midden van de jaren zestig in grote delen van Azië, Afrika en het Caribische gebied. De jonge afhankelijke staten startten vaak met een democratie naar westers model. Maar vaak trok de eerste winnaar van de verkiezingen de macht naar zich toe. De nieuwe machthebbers vinden democratie een typisch westers product dat ongeschikt is voor ontwikkelingslanden. Enig eurocentrisme, waarbij West-Europese normen gelden met betrekking tot democratie, vrijheid en individuele mensenrechten is de oud-koloniale machthebbers inderdaad niet vreemd. Ook aan de verlening van ontwikkelingshulp aan ontwikkelingslanden worden niet zelden politieke voorwaarden verbonden (=gebonden hulp)
De meeste ontwikkelingslanden hebben veel last van hun koloniale erfenis. De kunstmatige grenzen heeft volken tegen hun zin opgedeeld en ander volken tegen hun zin bijeengebracht. De koloniale overheersers hebben de tegenstellingen tussen de verschillende etnische groepen aangescherpt om zo tegenwicht te bieden tegen opkomend nationalisme. Een van de eerste taken van dergelijke jonge staten is dan ook het smeden van een nationale eenheid en identiteit. Daar het proces van nationale integratie, = nation building, kan er een eenheid groeien tussen volk, staat en natie. Om de nation building mogelijk te maken, wordt in ontwikkelingslanden vaak de voorkeur gegeven aan een sterk autoritair centraal gezag.
Paragraaf 3
Nationalisme is het streven naar een eigen staat voor elke natie. Nationalisme is de motor voor nation building. Maar er zijn ook bedreigingen voor de eenheid:
• als in een geïsoleerd gebied, ver van het nationale centrum, mensen zich politiek organiseren tegen de gevestigde orde
• als er in dat gebied sprake is van een centrale plaats die dienst zou kunnen doen als hoofdstad voor een afscheidingsbeweging
• als de mensen in dat gebied voor hun bestaan en contacten nauwelijks afhankelijk zijn van het nationale centrum en of door dat kerngebied worden achtergesteld
• als de mensen in dat gebied zich met elkaar verbonden voelen als volk en natie.
De volgende maatregelen kunnen de nation building stimuleren:
- De aanleg van wegen en spoorwegen; de relatieve afstanden nemen af en de toegankelijkheid neemt toe.
- Het vaststellen van een officiële gemeenschappelijke taal; dit draagt bij tot de eenheid en kan zich ontwikkelen tot een symbool van etnische identiteit op een groter schaalniveau
- Het doorbreken van de stammenstructuur
- Het veranderen van de bestuurlijke organisatie op het platteland
- Het veranderen van nomaden in boeren met vaste woonplaats
- Het koloniseren van perifeer gelegen gebieden met mensen uit het nationale kerngebied
- Het zoeken van een gemeenschappelijke externe vijand
- Het ontwikkelen van nationale symbolen
- Het verminderen van de sociaaleconomische ongelijkheid tussen gebieden.
Paragraaf 4
Conflicten in ontwikkelingslanden hebben bepaalde algemene oorzaken:
•Etnische oorzaken; vaak domineren mensen uit één
etnische groep
•Religieuze oorzaken; op grond van religieuze verschillen en of
andere etnische verschillen tussen gebieden ontstaat een vorm
van regionalisme waarbij gebieden zich afzetten tegen andere
gebieden en territoriale conflicten kunnen ontstaan.
• Humanitaire oorzaken. Het schenden van mensenrechten door de overheid kan leiden tot een opstand.
• Economische oorzaken
• Ecologische oorzaken; de degradatie van het milieu en de schaarste aan grondstoffen kunnen grote spanningen veroorzaken.
• Militaire oorzaken
• Aanwezigheid van wapens
De Koude Oorlog had niet alleen invloed op de westerse wereld, maar ook op de niet-westerse landen. De situatie van toen is kort en kernachtig samen te vatten; als pro-sovjetkrachten in een bepaald ontwikkelingsland de overhand kregen, dan steunde de VS de tegenkrachten. Dit gebeurde ook omgekeerd. Toch hadden de supermachten eerder een matigende invloed op spanningen in en tussen ontwikkelingslanden dan dat zij conflicten aanwakkerden. Door het uiteenvallen van SU is in 1989 de Koude Oorlog definitief tot een einde gekomen. Regionale en lokale conflicten die eerder geen kans hadden te ontvlammen ontwikkelden zich nu veel makkelijker doordat de dreiging voor een groter internationaal conflict was verdwenen. De vele wapens die door de twee wereldmachten in bijvoorbeeld Afrikaanse landen waren terechtgekomen, werden nu gebruikt.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.