ADVERTENTIE
Heb jij hulp nodig bij het kiezen van jouw studie?

Thijs (22 jaar) kreeg hulp van onze studiekeuzeadviseur Marise. Door telefonische gesprekken en een aantal testen weet Thijs nu welke studie het beste bij hem past. Zijn tip: “Wacht niet af, ga op onderzoek uit en laat je adviseren!”

Vraag nu jouw persoonlijke gesprek aan!

Ontstaan van Rome

Ongeveer 22 kilometer voor de monding van de Tiber verheffen zich op de linkeroever een aantal lage heuvels. Op een van deze heuvels leefden in de 7de eeuw voor Christus de Latini (de Latijnen), een stam van boeren. Tegen het einde van de 7de eeuw werd hun eenvoudige levensstijl beïnvloed door de handel met de Carthagers en de Grieken. Ook de Etrusken kwamen in de gebieden van de Latijnen, de dorpen groeiden uit tot steden. Rome, een van deze steden, werd door de Etrusken omstreeks 575 voor Christus gebouwd. In Rome leefden Etrusken, Sabijnen en Latijnen.



Een ander verhaal over het ontstaan van Rome is het verhaal van Romulus en Remus. De Romeinen wilden de stichting van hun stad aan de goden toeschrijven. De vader van Romulus en Remus, tweeling, was Mars, de moeder een kleinkind van godin Aphrodite. De tweeling was nog een baby toen de koning in die tijd beval dat alle baby's in de rivier moesten worden geworpen. Het mandje waar de tweeling in lag strandde op een oever en werd gevonden door een wilvin. Zij zoogde Romulus en Remus.





Later vond een herder van de koninklijke kuddes Romulus en Remus en voedde ze met zijn vrouw op. Tijdens een tocht werd Romulus gevangen genomen. De koning, zijn grootvader, herkende hem. Romulus en Remus hielpen de koning opnieuw op de troon en stichtten zelf een stad die ze Rome noemden. Tijdens een ruzie over wie de stad zou regeren dood Romulus zijn broer en wordt zelf de eerste koning van Rome.



Op het eerste gezicht is het een niet zo gunstige omgeving om een stad te bouwen: de grond was er minder vruchtbaar dan rond de andere Latijnse steden en door het herhaaldelijk overstromen van de Tiber werden de lage delen tussen de heuvels moerassen. Er waren echter ook grote voordelen aan de vestingplaats. De deels bevaarbare rivier, de nabijheid van de zee, gemakkelijk te verdedigen heuvels en de aanwezigheid van zout, in die tijd onmisbaar voor het conserveren van levensmiddelen.



Politiek



Republiek

Een republiek is een staatsvorm waarbij de regeerders gekozen worden door de inwoners van het land. In Rome waren de inwoners in twee delen verdeeld: de patriciërs (rijke) en de plebejers (armen). In de tweede eeuw voor Christus ontstond een nieuwe klasse: de equites, rijke zakenmannen die niet afstamden van de nobele patriciërsfamilies.



Burgers uit alle lagen konden regeringsbeambten worden, hoewel plebejers geen consul of dictator konden worden. Beambten werden echter niet betaald, zodat maar een paar rijken een politieke ambt wilde bezetten. Romeinse regeerders werden voor een korte tijd gekozen. De twee consuls, de belangrijkste politici, oefenden dit ambt maar een jaar uit. De aanzienlijkste Romeinse geslachten overheersten in de senaat. Altijd bleef er onderscheid bestaan tussen hen en de plebejers.



De consuls hadden oorspronkelijk de zorg voor de legers. Verder waren er financiële magistraten en juridische magistraten. Jonge mensen van goeden huize werkten zich op naar deze functies en ten slotte naar het consulaat, door te beginnen als jong officier of als bestuursambtenaar in een provincie of bezet gebied.





De Romeinen hadden dus een democratie, waar burgers hun regering kozen. Maar heel wat mensen mochten niet stemmen: geen enkele vrouw bijvoorbeeld.



Uitleg bij schema



De patriciërs en plebejers zaten in het Comitia, de volksvergadering. Deze mensen uit de Comitia kozen:

- Consuls, twee staatshoofden en legeraanvoerders

- Praetors, opperrechters

- Censors, bijhouders van de volksregisters

- Quaestors, leiders van de staatsfinanciën

- Tribunen, in de gaten houders van de belangen van de plebejers.



De consuls werden geadviseerd door de senaat. En alle vijf de groepen werden geholpen door de dictator. Hij was alleenheerser in perioden van moeilijkheden.



In het Romeinse Rijk wilden twee groepen deelnemen aan het politieke leven, Een groep noemde zich de populares, de andere de optimates. Nu zouden we zo'n groep politieke partijen noemen, hoewel ze dat niet waren in de hedendaagse betekenis. De optimates waren een groep rijken die d weelde en de macht die ze bezaten, wilden behouden. Deze groep probeerde ervoor te zorgen dat enkel mensen die hun mening deelden, de belangrijke politieke posten in de Romeinse regering kregen. De optimates steunden het regeren via de senaat.



De populares kregen van de gewone werkende (of werkeloze) bevolking. Sommige handelaren steunden heb ook: ze wilden immers een deel van de macht van de adel en de senaat. De strijd tussen de aanhangers van deze twee groepen leidde tot moeilijkheden, burgeroorlogen en uiteindelijk tot aanstellen van dictators en keizers.



Keizerrijk

Toen de grondwetten van het Romeinse regeringsstelsel werden opgesteld, bestond er geen woord voor keizer. De Romeinen haatten altijd al het woord 'rex' (koning) omdat het koningschap een belediging was voor hun opvattingen over democratie. Zij wilden een republiekeins bestuur, een regering met gekozen ambtenaren.



Toch stelden de Romeinen in de tijd van crisis een dictator aan. Een dictator was meestal een voormalige consul die voor een beperkte periode de totale regeringsmacht kreeg. In 46 voor Christus werd Julius Caesar aangesteld als dictator. Na de burgeroorlog, in 31 voor Christus, werd duidelijk dat het enorme Romeinse rijk niet langer geregeerd kon worden door middel van het Romeinse democratische bestuur. Al teveel eerzuchtige mannen, waaronder Caesar, hadden de macht gegrepen met steun van het leger.



De winnaar van de burgeroorlog was Augustus, de kleinzoon van Caesars zus en zijn aangenomen zoon. Hij werd de eerste keizer en zorgde 30 jaar lang voor vrede. Vanaf de regeerperiode van Augustus werden de keizers ook officieel keizer genoemd. De naam Augustus, ' de verhevene', kreeg hij in 27 voor Christus. Hij nam ook de naam van zijn adoptievader aan, Caesar. Beide titels kregen de betekenis keizer. Het Latijnse woord imperator, oorspronkelijk en titel die aan een succesvolle militaire bevelhebber werd verleend, werd nu ook gebruikt. Keizers kregen nog meer officiële titels die verschenen op munten, in inscripties en bij openbare aankondigingen, zoals Pater Patriae (vader des vaderlands).



In het begin van het keizerrijk werd de keizer "principaat" genoemd. Hij was persoon boven de rest van het volk. Hij had, zoals dat heette, de stielzwijgzame toestemming van allen. Door zijn vele bevoegdheden, kon hij bijna alles regelen in het land.



Later tijdens het keizerrijk, heette de keizer "dominaat". De keizer was nu niet alleen de heerser van het land, maar werd ook nog als god aangezien. De keizer werd dus na mate de tijd verder ging steeds machtiger en belangrijker.



Leger



Republiek

De Romeinen hadden een enorm leger nodig om zo machtig en rijk te worden. Er was geen beroepsleger, maar men werd opgeroepen als er een (groter) leger nodig was. Niet iedereen werd opgeroepen in het leger te komen. De mensen die een oproep kregen waren mannen tussen de17 en 46 jaar die voldoende bezaten om hun uitrusting te kunnen betalen.



De soldaten werden ingedeeld in een aantal legioenen. Elk legioen omvatte ongeveer 4200 soldaten, maar na elke veldtocht daalde dat aantal tot ongeveer 3000 soldaten. Ieder legioen had zijn eigen nummer en naam. Aan het hoofd van elk legioen stonden zes triben die hun bevel kregen van de consul.



In oorlogstijd werd het leger in drie rijen opgesteld. Eerst kwamen de sterkste jonge mannen van het leger. Daarna volgden de oudere burgers, als laatste de meest ervaren soldaten. De armste burgers vormden een licht gewapende groep. De rijkste burgers, die zich een paard konden veroorloven, vormden de cavalerie, ongeveer 300 soldaten per legioen.



De soldaten droegen per man ongeveer 30 kg met zich mee. Hij had gereedschap bij zich voor het bouwen van een kamp, potten en pannen voor het klaarmaken van het voedsel en een grote schildhoes voor de bescherming van het schild. De soldaat werd niet alleen opgeleid om te vechten, maar ook voor het bouwen van wegen en forten.



Tijdens de veldtocht gebruikten ze een lange speer en zwaard tegen de vijand. Ook hadden ze een ovaalvormig schild en droegen ze een kort maliënkolder. Er werd man tegen man gevochten, in strakke formatie en onder strenge leiding van een ervaren soldaat. Tijdens de veldtochten werden ook vaandels meegenomen. Deze werden als vlaggen gebruikt om de mannen weer samen te brengen. Op deze manier bleef het legioen sterk en vielen er minder slachtoffers.



Tot 264 voor Christus hadden de Romeinen nog nooit een oorlogsschip gehad. Er was die tijd alleen nog maar op het land gevochten. De verandering kwam toen er een Carthaags oorlogsschip in handen viel van de Romeinen. Ze gebruikten dit schip al model voor hun hele oorlogsvloot. De schepen werden vaak gebruikt als drijvende vechtplatformen. Eerst werd er geprobeerd de schepen van de vijand tot zinken te brengen door middel van rammen. Als dat niet lukt legde men een grote legbrug op het schip van de vijand. Vervolgens werd daar over heen gestormd en de vijand op zijn eigen boot verslagen.



Het standaardmodel van een oorlogsschip had 300 roeiers en 200 mariniers, allemaal vrije burgers.



Het keizerrijk

Tijdens het keizerrijk was er een beroepsleger. Het had vast soldaten die aan het einde van hun, minstens 20 jaar durende, diensttijd werden beloond in de vorm van een stuk land. Er heerste een grote discipline. Niet alleen werd wangedrag gestraft met stokslagen, er was ook de vreselijke decimering. Decimering betekende dat wanneer een eenheid zich in de strijd laf gedroeg, iedere tiende man gedood werd.



Keizer Trajanus zorgde voor een hoogtepunt in de geschiedenis van het Romeinse leger. De soldaten kregen een betere uitrusting en dure wapens. Een van die wapens was het korte dolkzwaard. Het veroorzaakte afschuwelijke verwondingen en hield de angstaanjagende reputatie van de Romeinen in stand.



De veldtochten van Trajanus in Dacië waren een goede tijd voor de Romeinse soldaten. Dacië was ooit vriend van Rome en daarom waren de forten van Dacië gebouwd onder leiding van de Romeinen. De Romeinse soldaten wonnen alle gevechten tegen Dacië. Deze overwinningen en alle informatie die er over de strijd was, werd op een enorm zuil in het midden van Rome gegraveerd. Allerlei taferelen uit de veldtocht zijn er levendig op gegraveerd. Ze tonen spiraalsgewijs het leger in de strijd en aan het werk. Het bouwen van bruggen en forten, het verzorgen van de gewonden en de krijgsgevangenen.



De soldaten in de tijd van het keizerrijk hadden grote stroken metaal als bescherming van het lichaam, de stroken werden vastgehouden met leren banden die aan de binnenkant waren gevestigd. De helm had kleppen om de wangen en nek te beschermen. Het schild had een ronde vorm.



Omdat de soldaten vochten voor geld, hadden ze veel minder gevoel bij het vechten. Geld was het enige dat telde. Tijdens de republiek was dit heel anders, de soldaten vochten voor hun stad, Rome. Tijdens de republiek werd er dan ook veel beter gevochten en met meer succes dan tijdens het keizerrijk.



Er waren vaak tijden van verwarring en opstand. Er was honger en de vijanden drongen het Rijk binnen. In een van die perioden, rond derde eeuw na Christus, kwamen provinciale legers in opstand en riepen hun aanvoerders uit tot keizer. Delen van het Rijk bleven soms jarenlang zelfstandig onder zulke plaatselijke leiders. Ondertussen werd het rijk nog altijd aan vele kanten aangevallen door omliggende stammen. Op dat soort momenten brachten soldatenkeizers redding. De stukken land werden onder leiding van hen teruggewonnen. De soldatenkeizers mochten dan wel ruwe lieden zijn, zwak en energieloos waren ze niet. Het aantal Romeinse soldaten steeg ver boven de door Augustus vastgestelde hoeveelheid: de talloze soldatenkeizers riepen grote massa's mensen op om zich bij hun leger aan te melden en zich te bewapenen. Dankzij deze soldatenkeizers bleef het Rijk een stuk langer sterk dan dat het anders zou hebben gedaan; het Rijk werd dankzij hen gered van de ondergang.



Economie



Republiek

De agrarische sector was veruit het belangrijkste. De kleine boeren werkten en produceerden voornamelijk voor het eigen gezin. Landbouw kwam overal in het Rijk voor. De andere vorm van handel, was de handel in vele verschillende soorten goederen. In steden zorgden de handelszaken, industrieën en winkels voor de bevoorrading van stad en streek. Bepaalde goederen werden van de boerderijen naar de steden gebracht om te verkopen, sommige werden geïmporteerd en sommige werden in de fabrieken van de stad zelf gemaakt



In het Romeinse Rijk waren de fabrieken niet zo groot. Het kan beter en werkruimte worden genoemd. Bepaalde ambachten eisten echter wel een flink aantal arbeiders. Een pottenbakker of tegelmaker moest arbeiders hebben om de klei op te graven en voor te berieden, om de galzuur te mengen, de ovens warm te stoken, en om de gemaakte kruiken en poten te vervoeren en op te slaan. Dit is nog maar een ambacht, maar er zijn vele mensen voor nodig. Er was daardoor behoorlijk veel werk om handen in het Rijk.



De goederen werden voornamelijk met goud betaald. De goudmijnen begonnen langzamerhand uitgeput te raken en het edelmetaal werd een nadelige manier van betalen. Daarom bedacht men een andere manier van betalen, door middel van subsidies en afkoop.



Keizerrijk

Tegen de tweede eeuw na Christus hadden de Romeinen een netwerk opgebouwd van handelsroutes. De wereld rond de Middellandse Zee vormde, op economisch gebied, een eenheid. Schepen die deze routes bevoeren, vervoerden ladingen naar alle delen van het Rijk. Een rijke familie die in Brittannië of Germanië leefde, kon genieten van alle luxe uit bijvoorbeeld China of Indië. De handelaren zorgden ervoor dat de goederen snel werden vervoerd. Een Romeins handelsschip kon 160 kilometer in een dag afleggen, en zelfs een karavaan kamelen kon volgens de Romeinse schrijvers 34 kilometer per dag afleggen.



Handelaars zorgden gewoonlijk voor import en export, maar sommige goederen werden door staartbeambten verhandeld. De Romeinse staat controleerde het verhandelen van graan en metaal, vooral de waardevolle metalen als goed, zilver, koper, tin, lood en ijzer.



De handel in graan was de belangrijkste soort handel in die tijd. Graan was nodig om mensen te voeden in gedeelten van het Rijk waar moeilijk voedsel kon worden verbouwd. Bovendien moest er een grote en permanente voorraad zijn voor de armen die enkel konden overleven door staatsbedelingen. In de tweede eeuw na Christus stonden 200.000 mensen geregistreerd in Rome voor deze gratis bedeling. Keizers of stadsbeambten konden moeilijkheden verwachten en zelfs opstanden als er niet genoeg gratis brood voor handen was.



De veranderingen ten opzichten van de republiek verliepen langzaam en geleidelijk. De basisstructuur van de economie bleef grotendeels hetzelfde. De agrarische sector bleef veruit het belangrijkste met vooral in het westen toonaangevend grootgrondbezit. Dit grootgrondbezit kwam voornamelijk door @@@@@@@



De plaats van handel en nijverheid was marginaal, want transportkosten over land waren zeer hoog en over grote afstanden zelfs niet mogelijk. Economisch gezien leefden de meeste steden op kosten van het platteland.



Cultuur



Republiek

De Romeinse cultuur heeft zich van begin af aan ontwikkeld onder vreemde invloed. De Latijnse stam, waartoe de bewoners van de Tiberstad behoorden, stond steeds onder invloed van Grieken en Etrusci. Toen Rome de hoofdstad van Italië werd, mengden zich steeds meer vreemde groepen onder de Latijnen. De Latijnse manieren werden steeds meer verdreven en overgenomen door de Griekse cultuur. De Oudlatijnse levensopvattingen in staat en recht en over het platteland bleven echter nog wel lang op een krachtige manier doorwerken. Deze Oudlatijnse levensvorm was een geheel van gebruiken rondom staat, recht, familie, verkeer, land, mensen, bezit en slaven. Het is meer een langzaam ontstane en streng gehandhaafde traditie dan een geformuleerd stelsel. Het hele leven ging om het in vrede samen leven met de hogere machten. Elke stad stond vol met tempels voor de goden van die stad en in elk huis was een vorm van altaar aanwezig waar men de goden aanbad.



Ook stonden er tempels in de stad voor speciale gelegenheden. Vooral bloedige gladiatorspelen waren geliefd. Tijdens de voorstellingen waren de tempels gevuld met het geschreeuw van de stervende mensen, de bange kreten van de dieren en het gejoel van de menigte. Ik het Colosseum in Rome kwamen 50.000 mensen regelmatig bijeen. Er waren gevechten tussen mannen die vaak doorgingen tot de dood, maar ook tussen mannen en dieren.



De mensen in het Romeinse Rijk leerden veel door de Griekse slaven die het land in werden gebracht. Deze mensen beschikten vaak over een grote algemene kennis en leerden het hun meesters. De Romeinen beseften namelijk wel dat ze deze Griekse kennis niet meer konden missen. Onder anderen de Griekse taal werd aangeleerd. De meeste Romeinen beschikten over de oorspronkelijke taal, Latijn en daardoor werd er na verloop van tijd een nieuwe cultuur gevormd door de Romeinen. Originaliteit hebben de Romeinen nooit nagestreefd.



Keizerrijk

In de eerste en tweede eeuw na Christus was de taal van de Romeinen, combinatie van Latijn en Grieks, verspreid over het hele gebied van Brittannië tot aan de Eufraat. Al bestonden er natuurlijk plaatselijke verschillen, er was toch een zekere norm die algemeen aanvaard werd.



De monumentale kunst vond in Rome een nieuw en uitgestrekt terrein. Daar verrezen geweldige bouwwerken, waarvan enkele bewaard zijn gebleven en die nu nog een enorme indruk achter laten. Niet alleen door de enorme omvang, maar vooral ook door de technieken. In de tijd van het keizerrijk werd heel veel gebruik gemaakt van mozaïeken en prachtige schilderkunsten. Een plaats waar dat nog goed terug te vinden is, is de plaats Ravenna. Deze plaatsten zuiden van Venetië bezitenige kerken met wereldberoemde mozaïeken. Voorbeelden zijn de San Vitale en het mausoleum van keizerin Galla Pladidia (vijfde eeuwse mozaïeken). Deze plaats is tegenwoordig een druk bezochte toeristen plaats.



Het werd een tijd van luxe en een verrassende smaakontwikkeling. Zowel in de steden als op het platteland werd alles een stuk luxer. Op het platteland kwamen overal villas te staan van de betreffende grondbezitters, zeer ruim en comfortabel.



De Romeinen gingen geregeld naar badhuizen. Een badhuis stond in elke stad en iedereen ging erheen. Ook de armen konden de badhuizen bezoeken, ze waren erg goedkoop. De kinderen mochten vaak zelfs gratis. Ze werden bezocht om hygiënische redenen, maar ook als ontspanning, sociaal contact en zelfs om zaken te doen. Vrouwen en mannen baden niet samen.



De vrouw werd in de tijd van het keizerrijk een stuk vrijer gelaten. Zoals vroeger alles moest gedaan worden wat de man hen opdaagde, zo was de vrouw nu de baas binnen het huishouden en had grote inspraak op de kinderen. Ze mocht mee naar het theater, de badhuizen, tempels en religieuze optochten. En moesten zorgen voor de levensnoodzakelijke dingen van alledag. Dit gold wel alleen in de rijke gezinnen, in de arme gezinnen moest de vrouw thuisblijven en op de slaven letten.



Godsdienst



Republiek

De eerste Romeinen geloofden dat het menselijk handelen werd gestuurd door goden, godinnen en geesten. Offers en gebeden konden die goden en geesten vriendelijk stemmen. Offeren en bidden deed je in tempels, bij altaren aan de weg of in huis op een ander heilige plaats. Offergaven konden hogingtaarten, vruchten of over de grond uitgegoten wijn zijn. Vaak werden er ook dieren geofferd.



Later namen de Romeinen ook goden en godinnen over uit andere volken. Vooral van de Etrusken en de Grieken. Ze stelden zicht voor dat de goden heel grote mensen waren en beelden ze zo ook af. De ene god was belangrijker dan de andere, maar elke god had een speciale verantwoordelijkheid.



Koning en Koningin van de goden waren Jupiter (oppergod van de hemel) en Juno (beschermgodin van de vrouwen). Verder waren er onder anderen de goden:



-Minerva van de wijsheid, kennis en nijverheid

-Venus van de schoonheid en liefde

-Mars van de oorlog

-Vulcanus voor het vuur

-Vesta voor haard en huis

-Mercurius voorde kooplieden

-Janus voor de openbare doorgang en poorten



Deze goden werden door heel het Romeinse rijk vereerd. In het hart van dorpen en steden werden mooie tempels gebouwd voor de belangrijkste god en voor de andere goden die voor de bewoners een speciale betekenis hadden.



Mithras was een heel belangrijke god. De Mitharasdienst was lange tijd een bijna fatale concurrent van het Christendom.



Mithras was een machtig heerser en dappere held die niet was te misleiden. Hij was de beschermer van de waarheid van gedachten en woorden. Als geweldige strijder tegen de demonen van de duisterheid rijdt hij op een door witte paarden getrokken zonnewagen. In de tijden van vrede schonk hij welvaart. Niemand op de wereld zou zoveel kwaad kunnen, zeggen of doen als dat Mithras kon. Maar hij kon dit ook allemaal voorkomen. Door de Romeinen werd het Mithrasmysterie vooral gevierd in grotten. Tijdens de verering dacht men aan het doden van de stier door Mithras.



Keizer Hadrianus liet een grote tempel bouwen die nu nog in Rome te zien is, het Pantheon, gewijd aan alle goden. De koepel is 45 meter hoog en in doorsnede en daarmee de grootste constructie van het hele voorindustriële tijdperk. De binnenkant van de koepel verbeelde de hemel en de opening bovenin stelde de zon voor. De Romeinen bouwden ook altaren in hun huizen, waar ze offerden aan de goden die het huisgezin beschermden.



Keizerrijk

Tijdens het keizerrijk ging het er vrijwel hetzelfde aan toe. Er werden vele goden vereerd. Het grote verschil was dat in de tijd van de keizers ook de keizers zelf werden vereerd. Er werden vele tempels voor hen gebouwd. Sommige werden pas vereerd na hun dood, maar er waren er ook bij die al tijdens hun leven vereerd werden als een god.



Het college, van eerst vier, later 15 voor het leven benoemde leden, bracht namens de Staat offers aan diverse hoofdgoden en zorgeden onder anderen voor het zuiver in stand houden van de eredienst, het sacrale recht en de kalender. Aan het hoofd stond de pontifex maximus. Hij woonde in Regia, het oude koninklijke paleis. Hij zorgde onder anderen voor het opschrijven van de belangrijkste gebeurtenissen van het jaar. De pontifex maximus was een politiek invloedrijk figuur. Caesar was pontifex maximus, net als Augustus. Sindsdien bleef pontifex maximus verbonden aan het keizerschap. Sinds de 5e eeuw na Christus is pontifex maximus ook de officiële benaming van de paus.



Romeinen namen ook goden over die in de door hen overheerste landen werden vereerd. In Egypte maakten ze kennis met de verering van Isis en Serapis, in Persia met de Mithrasverering en in Britannia met de zonnegodin Sulis. Sommige godsdiensten werden echter voerboden. De Romeinse legers voerden verschillende oorlogen tegen de Joden en vervolgden de druïden, de priesters van Keltische volkeren in Galië en Britannia.



Jezus is ook iemand die grote invloed heeft gehad op het geloof van de Romeinen. Deze man uit Nazareth nam een geheel nieuwe godsdienst met zich mee. Hij is de stichter van de joodse godsdienst en het Christendom. De Christenen werden lang tijd vervolgd, maar uiteindelijk werd het christendom de officiële staatsreligie in 312 na Christus. De Christenen geloven in een God en niet in verschillende goden. Bij hen is er niet voor alles een aparte god, maar een God die over alles heerst. Ook is Hij de schepper van de aarde. Jezus is de zoon van God.



Einde van het Romeinse Rijk

Als wordt gekeken naar het Romeinse Rijk zoals het was rond de tweede eeuw na Christus, kan een van de grootste problemen worden gezien waardoor de Romeinse manier van leven minder makkelijk werd. De afmetingen ven het Rijk vormden het grootste probleem. Aan de grenzen wachtten volkeren vol ongeduld om Romeinse gebied aan te vallen en in te nemen. Tegen de derde eeuw na Christus hadden bepaalde gedeelten van het Rijk al flink te lijden onder die aanvallen.



De Romeinen probeerden het bestuursprobleem van zo'n groot rijk op te lossen door het te verdelen. Na de regering van keizer Theodosius I werd het Rijk geregeerd door twee onafhankelijke keizers: een in Rome en de ander in Constantinopel.



Het Westelijke Keizerrijk leed erg onder de aanvallen van de volkeren die de Romeinen barbari, barbaren, noemden. In 376 staken Visigoten (uit West-Rusland) de Donau over. In 409 namen de Vandalen (Hongarije) en Visgoten Europa binnen. En in 429 namen Vandalen Noord-Afrika in. Romulus Augustulus, de laatste Romeinse keizer van het westen, regeerde slechts van 575 tot 476. Odoaker, die de Duitse legers in Italië leidde, onttroonde de keizer en benoemde zichzelf tot koning. De "barbaren" waren nu meester over het Westelijke Keizerrijk.



Aan de uiterste grenzen van het Keizerrijk verdween de heerschappij van Rome snel. Er waren geen of weinig soldaten om het platteland te verdedigen. De mensen trokken zich terug in ommuurde steden. De invasies van vreemde volkeren betekenden echter niet dat de "Romeinse manier van leven" volledig verdween. In vele gebieden werd deze gewoon door de nieuwkomers overgenomen.



In het oostelijke gedeelte van het Rijk werd niet zo fel belaagd door de barbaren. Constantinopel was de hoofdstad. In het westenomvatte het Rijk Griekenland, in het zuiden Egypte en Cyrenaica en in het land, in oosten de grenzen van Arabië. Keizer Justinianus heroverde gebieden op de Vandalen in Afrika, op de Ostrogoten in Italië en op de Visgoten in het zuiden van Spanje. Het was en goede poging om het oude idee van een volledig Romeins rijk opnieuw gestalte te geven, maar langzaam verloor het Rijk opnieuw land in het westen. De Lombarden namen Italië in, nadat ze de Donau waren overgestoken in 568 na Christus en in de daaropvolgende eeuw veroverden de moslims Afrika en Spanje. Het Heilige Romeinse Keizerrijk werd geregeerd door keizers, tot de hoofdstad in 1453 in handen van de Ottomaanse Turken viel.



Conclusie

Als afsluiting wil ik alle belangrijkste verschillen nog even op een rijtje zetten.



In het leger zijn vele veranderingen geweest. Tijdens de republiek werden de soldaten opgeroepen door het Rijk als ze nodig waren. In de tijd van het keizerrijk waren de soldaten in vaste dienst voor een periode van minstens 20 jaar. Aan het einde van deze periode kregen ze een beloning in de vorm van geld of een stuk land. Het nadeel hiervan was, dat de soldaten niet meer vochten voor de eer van het land, maar voor de beloning. Er werd met een stuk minder inzet gevochten. Wel was het zo dat tijdens het keizerrijk een strengere manier was van vechten. Er waren zware straffen om te zorgen dat de soldaten deden wat ze moesten doen.



De kleding van de soldaten veranderde ook in de loop van de tijd. In de tijd van de republiek waren de kleren eigenlijk niet goed genoeg om goed te beschermen. De korte maliënkolder werd vervangen door een groot harnas van ijzeren platen. Het zwaard werd kreeg ook een nieuwe concurrent, de dolk.



De economie van het kiezerrijk ten opzichten van de republiek is niet zo sterk veranderd. Nogsteeds was de landbouw de belangrijkste vorm van inkomsten. Wel werd er op een grootschaligere manier gehandeld over zee. Er was een heel netwerk aangelegd tussen de gebieden rond de Middellandse Zee. Er werd meer op een veilige en snellere manier vervoerd. Nogsteeds werd er betaald met goudstukken.



De cultuur van de Romeinen veranderde veel. Er werd in het keizerrijk meer aan luxe gedaan dan tijdens de republiek. De huizen, steden en tempels werden groter en mooier. Er werden nieuwe technieken toegepast en vooral de komt van de mozaïeken en muurschilderingen bracht grote weelde met zich mee.



De vrouw kreeg in het keizerlijk een stuk meer vrijheid dan eerst. Ze mocht mee naar plaatsen waar voorheen alleen de man kwam. In het huishouden en op gebied van de basisvoorzieningen in het huis was de vrouw een stuk belangrijker geworden. Ze had een stuk meer te vertellen in het huis.



Op gebied van godsdienst zijn er twee grote dingen veranderd. Ten eerste was het een nieuwe gewoonte om niet meer alleen de goden te aanbidden, maar ook de keizer. Er werden tempels voor hem gebouwd en hij werd aangezien voor god.



Een ander verschil is de grote invloed van andere godsdiensten in het keizerrijk. Aan het einde van het Rijk was het zelfs zo ver gekomen dat de verering van de goden had plaatsgemaakt voor een nieuwe god, de God van de joden en christenen. Deze god was alle goden ineen.



Bronnenlijst

Boeken

Het Oude Rome, Historische atlas

© 1996, Dronten, Auteur Mike J. Corbishly

De Romeinse wereld

© 1989, Londen, Mike Corbishly

Het Rome van de keizers, volkeren toen en nu

© 1979, Amsterdam, Patricia Vanags

Het Romeinse Keizerrijk

© 1971, Houten, Jaap ter Haar en Dr. K Sprey

SUMMA, Encyclopedie en Woordenboek in kleur

© 1977, Novara, Italië, Instituto Goegrafico de Agostini versie 10. 13 en 16

Wereld geschiedenis III

© 1964, Zeist, Prof. Dr. C. D. J. Brandt en Prof. Dr. H van Werveke

De wereld van de oudheid

© 1978, Goningen, M. A. Wes, H. S. Versnel, E. C. H. L. Van der Vliet



Internet

www.home.hetnet.nl/~ahereijgers/boodsch.htm

www.geocities

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

D.

D.

eh ik heb er vet veel aan gehad thanx man

18 jaar geleden

H.

H.

hallo fleur,

via scholieren.com hebben we je profielwerkstuk over Rome bekeken. wij willen het ook over Rome doen en denken dat we veel aan jou werkstuk kunnen hebben. We zitten over een hoofdvraag na te denken, wat was jouw hoofdvraag? en had je ook deelvragen? en heb verder nog andere tips?
We hopen dat je op ons mailtje reageert.

groeten hiske en yvon

17 jaar geleden