Inleiding

Mijn Profielwerkstuk gaat over Plato, mocht je nog nooit van Plato gehoord hebben, dan weet ik wel iets wat je vast van hem kent; hij is het brein achter de mythe van Atlantis.
Ik heb voor dit onderwerp gekozen, omdat ik zijn ideeën over de werkelijkheid, het ontstaan van alles en het hiernamaals heel interessant vind. Hij heeft hier namelijk hele aparte, opvallende ideeën over. Ik heb ook voor Plato gekozen, omdat ik het een grappige naam vind, serieus…

Ik moest een hoofdvraag en een aantal deelvragen bedenken.
Die deelvragen waren niet zo moeilijk te bedenken, maar die hoofdvraag wel. Ik heb onderhand al heel wat verschillende hoofdvragen bedacht, maar geen een was echt goed.
Het heeft het maken van mijn PWS niet belemmerd, want ik wist precies wat ik over Plato wou gaan vertellen. Uiteindelijk heb ik toch een hoofdvraag kunnen bedenken.

Hoofdvraag:


Wat houdt de ideeënwereld van Plato in?

Deelvragen:

- Wie was Plato?
- Wat is filosofie?
- Hoe was Griekenland in de tijd dat Plato er leefde?
- Theorieën van Plato
- Wat houden de grot en de wagenmenner in?

Ik heb voor deze hoofdvraag gekozen, omdat alle theorieën die ik van hem behandeld heb, weer terug komen bij de ideeënwereld.
Ik hoop dat alles een beetje duidelijk geworden is, na het lezen van dit profielwerkstuk, want ikzelf vond de ideeën van Plato niet altijd even makkelijk te begrijpen.

1 Informatie over Plato, ter inleiding

Ik vind het nodig om in het algemeen iets over Plato te vertellen, omdat Plato toch wel een pittig onderwerp is en zo wordt het overzichtelijker . In dit stukje zijn als het ware meerdere paragrafen in één gevoegd.

1.1 Plato in het kort


Plato (Grieks: Platoon, zijn eigenlijke naam was Aristocles ) was een Griekse ethische filosoof (hij hield zich dus vooral met de mens bezig en niet meer met het ontstaan van de aarde, zoals de natuurfilosofen deden) die in 428/ 427 v. Chr. geboren werd op Aegina en in 347 v. Chr. in Athene gestorven is. Hij heeft het filosofisch denken van zijn leermeester Socrates geleerd. Socrates is in 399 v. Chr. ter dood veroordeeld, omdat hij geen eerbied zou hebben voor de Goden van de stad. Socrates had vreemde en nieuwe opvattingen over religie en hij zou negatieve invloed op de jeugd hebben. Socrates moest de gifbeker leegdrinken, hij had een andere straf kunnen kiezen, maar Socrates bleef zoals hij was en verwierp dit voorstel door de raad, een soort jury, belachelijk te maken. Nu had hij geen keus meer. Plato was zo boos om dit vonnis, dat hij zich volledig ging verzetten tegen de democratie. De democratie had er voor gezorgd dat Socrates uiteindelijk ter dood veroordeeld werd.
Socrates was zijn grote voorbeeld en Plato hield hem in leven door Socrates als gespreksleider in zijn werken te gebruiken. Zo zijn Socrates’ gedachten ook bewaard gebleven, anders hadden wij vrijwel niets over deze grote filosoof geweten. Plato was een erg diepzinnige persoon en een groot literaire kunstenaar. Zijn schriften zijn bewaard gebleven door overlevering, ook kwam hij uit een voorname aristocratische familie. Plato hield zich vooral bezig met de relatie tussen het eeuwige en het onveranderlijke aan de ene kant en dat wat ‘stroomt’ aan de andere kant.
Hij probeerde iets niet waar te maken, wat eeuwig ‘waar’, eeuwig ‘schoon’ of eeuwig ‘goed’ was. Hij had de zogenaamde ideeënwereld ontworpen: er moest achter een zintuiglijke wereld een eigen werkelijkheid bestaan. Dit noemde hij de ‘ideeënleer’.
Plato vindt dat alle verschijnselen in de natuur slechts schaduwen van eeuwige vormen of ideeën zijn. Deze theorie wordt in de mythe van de grot nader uitgelegd.
Ook geloofde Plato dat de psyche of de ziel los staan van het lichaam en dat de ziel rond zweeft in een soort hemel en daarna in een lichaam terecht komt. Dit lichaam is volgens Plato alleen van belang om het hoofd te vervoeren. Het lichaam is dus eigenlijk min of meer overbodig. Als het aan Plato lag, bestond de ideale mens ook alleen uit een hoofd en verder niets, omdat het lichaam volgens hem overbodige luxe nodig heeft, zoals eten, drinken en op latere leeftijd drang naar seks, dit beschrijft Plato in de mythe van de wagenmenner.
Plato was voorstander om vrouwen ook naar school te laten gaan, hij vond vrouwen gelijk aan mannen: ‘Als de staat vrouwen niet goed opvoedt en opleidt, is dat als een mens die alleen zijn rechter arm oefent.’ Plato maakte er een ingewikkeld geheel van. Hij oppert logische mogelijkheden en verwerpt ze vervolgens weer. Hij was er blijkbaar van overtuigd dat hij alleen de mensheid voor rampen kon behoeden, als hij zelf die zekerheid kon bieden. In zijn werken is zijn persoonlijkheid voortdurend aanwezig, ook al noemt hij zichzelf bijna nergens.
Plato vroeg zich vaak af hoe je als individu het beste kon leven. Hij dacht dat het alleen mogelijk was om goed te kunnen leven als je om psychologische redenen aan normen en wetten houdt en je niet laat leiden door je behoeften aan consumptie en lichamelijke genot.
Dat houdt in dat Plato de psyche boven het lichamelijke welzijn plaatst.
Hij wou hier ook mee bewijzen dat zijn eigen theoretische bezigheid het hoogste en het voordeligste was, wat een mens kon bereiken. Zijn eigen psyche diende als voorbeeld en voor de ideale psyche moet dan ook een ideale samenleving worden ontworpen.

1.2 Wat is filosofie?


Filosofie betekent letterlijk wijsbegeerte. Het woord filosofie is afgeleid van het Griekse woord philosophia, wat liefde tot of streven naar kennis betekent. Philoo betekent liefhebben of beminnen en sophia betekent wijsheid of kennis. De westerse filosofie is ontstaan bij de oude Grieken, omstreeks 600 v.C.
De eersten die zich vragen gingen stellen over de aard, of het wezen van het geheel van de werkelijkheid (de natuur, de wereld, de mens) en het ontstaan ervan, waren de Voor-Socratici, de filosofen die voor Socrates (469–399 v.C.) leefden. Oorspronkelijk stelden filosofen voornamelijk vragen als: Wat is de aard van de werkelijkheid? Wat is zijn? Waaruit komt het zijnde voort? Wat is het hoogste zijnde?
Over de vragen over het zijn kun je behoorlijk je hersens breken, want dat denken gaat zo ver dat het soms niet meer te bevatten is. Parmenides (ca. 500 v. Chr.) was de eerste filosoof die zich bezig hield met het zijn. Hij kwam met de uitspraak; de weg van de waarheid begint bij de vraag: ‘Is het zijn van al wat is, of is het niet?’
Al snel kwamen daarbij de kentheoretische vragen over het vermogen om zekere, of zuivere kennis te verkrijgen. Dus hoe je het beste kennis kunt vergaren. Ook gingen zij de vraag stellen: hoe goed te leven? (ethiek), en ze gingen zich afvragen wat schoonheid is (esthetica). Deze vragen zijn eigenlijk altijd de belangrijkste vragen van de filosofie gebleven.
Later begon de technologie zich natuurlijk ook meer te ontwikkelen en hoefden de filosofen niet meer te filosoferen over bijvoorbeeld de werking van de zintuigen. Dit soort vragen waren dus niet meer filosofisch, maar wetenschappelijk geworden en zo ontstond een nieuwe stroming in de filosofie: de wetenschapsfilosofie. Filosofie is een periode vermengd geweest met theologie, in de loop der tijd werd de wijsgerige antropologie (de filosofie van de mens) een onafhankelijke stroming in de filosofie en gingen filosofen ook nadenken over de aard en het functioneren van taal. In de geschiedenis van de filosofie zijn er verschillende stromingen geweest die deze problemen steeds weer op een andere manier benaderden; vanuit andere vooronderstellingen en met andere methoden.

1.3 Griekenland in de tijd van Plato


Omdat Plato heel wat eerder dan wij leefde (2350 jaar geleden is hij overleden ), moeten we wel rekening houden met de tijd waarin hij leefde. In die tijd zag Griekenland er natuurlijk heel anders uit dan nu; er werden tempels gebouwd en mensen reden met paard en wagen. Dat je hier rekening mee houdt, noem je standplaatsgebondenheid.

Plato leefde van 428/427 v. Chr. tot 347 v. Chr.

1.3.1 Het land


Griekenland had, in en voor de tijd dat Plato er leefde, hele mooie hoge bergen met rijke bebossing. Maar door de grote bevolkingsgroei werden er veel bomen gekapt, waardoor heel veel vruchtbare grond verdween.
Plato: ‘Wat er nu overblijft… is niet veel meer dan het geraamte van een door ziekte uitgeput lichaam; het vette en het malse is er rondom afgevallen, terwijl alleen het uitgemergelde lichaam van het land overbleef. De bergen leveren nu alleen maar voedsel voor de bijen op.’
Er was weinig veeteelt, omdat de mensen de meeste grond benutten door er gewassen te verbouwen. In de zomer was het heel warm, maar de winters waren vaak streng, dus was het moeilijk om te overleven. Er werden heel erg veel bijen gehouden, omdat dat toen de enige bekende zoetstof was.
Het land zelf beschikte over prachtige rijkdommen, zoals marmer en een goede soort klei. Er waren ook delfstoffen, zoals zilver en ijzer. Desondanks was het dagelijkse leven voor de Grieken niet makkelijk, als reactie daarop werden ze een hard volk. De Grieken woonden in gemeenschappen, die door hoge bergen van elkaar werden gescheiden. De groepen hadden onderling niet heel veel contact en waren dus ook erg zelfstandig. Deze groepen noemen we stadstaten. Tussen Sparta en Athene was wel veel rivaliteit, dit waren dan ook de twee grootste steden van Griekenland.
Er zijn veel dingen van de oude Grieken bewaard gebleven, omdat onder andere het landschap nog steeds ongeveer hetzelfde is als toen.

1.3.2 Goden


De Grieken hadden meerdere goden en ze geloofden dat deze op de berg Olympus woonden.
Ze bouwden veel tempels en meestal op plaatsen waar de natuur heel erg mooi was. De meeste goden hadden iets te maken met de natuur. Zo had Zeus bijvoorbeeld donder en bliksem wapens in zijn hand, Zeus was de vader van de goden en de mensen. Hera was de koningin van de goden, zij was onder andere beschermster van het huwelijk. Athena was bijvoorbeeld de raadgeefster van de mannen in de strijd, Ares was de wilde oorlogsgod, Apollo was de god van orde en wet en van zang en dichtkunst en Hermes was de bode der goden. De Grieken hadden veel respect voor de zee, omdat de zee verraderlijk was. Nereus was een van de zee goden, mensen zeiden dat ze hem gezien hadden in de vorm van een slang. De god Poseidon had de leiding over de hele zeewereld. Als hij voorbij kwam gescheurd in zijn triomfwagen, getrokken door paarden, dan beefde de hele aarde.

1.3.3 Overzeese handel

De Grieken handelden heel veel via de zee, alles wat niet in hun eigen land verkrijgbaar was, handelenden ze via de zee. Ze maakten dan gebruik van ruilhandel, dus voor een kolf maïs gaven ze bijvoorbeeld een brood terug. De Grieken hebben veel gevaren, zelfs tot Spanje aan toe. De Grieken ‘leenden’ veel ideeën om hun eigen cultuur erop vooruit te laten gaan, waaronder de beeldhouwkunst van de Egyptenaren en het Fenicische alfabet.
De Grieken hadden veel respect voor de zee, omdat de zee verraderlijk was. Nereus was een van de zee goden, mensen zeiden dat ze hem gezien hadden in de vorm van een slang.
De god Poseidon had de leiding over de hele zeewereld. Als hij voorbij kwam gescheurd in zijn triomfwagen, getrokken door paarden, dan beefde de hele aarde.

1.3.4 Het Griekse volk

Veel Grieken leefden veel in de openlucht, dat kon dan ook omdat er een erg aangenaam klimaat heerste. De meeste Grieken werden dan ook erg oud, Plato stierf bijvoorbeeld op zijn 82e. Vrouwen hadden het niet zo makkelijk in zijn tijd, zij moesten meestal thuis blijven en werden gezien als een mindere. Vrouwen hadden dan wel belangrijke taken in het huishouden, ze mochten meestal niet meedoen aan buitenhuiselijke activiteiten. Slavernij was heel gewoon in de tijd van de Grieken, Plato zalf is ook een tijdje een slaaf geweest. Een slaaf hielp zijn meester met diens beroep, dus een slaaf van een boer, werkte op het land van die boer. De hele arme gezinnen hadden geen slaven. Slaven werden meestal met een gemiddelde van 1000 Euro verhandeld en het lijkt erop dat ze het nog niet eens zo heel erg slecht hadden.
In een gezin stond de vader aan het hoofd en als er een kind werd geboren, moest hij dat eerst erkennen. Als dit niet het geval was, dan werd het kind in de heuvels gelegd totdat het daar zou sterven. Hij mocht zijn zonen onterven wanneer hij maar wou en voor zijn dochters mocht hij uitzoeken wie zij moesten gaan huwen. Een ongehuwde vrouw moet altijd haar vader gehoorzamen. Wanneer zij gaat trouwen, wordt dit gezag overgedragen aan haar echtgenoot en zorgt de echtgenote voor het huishouden. De kinderen werden verzorgd door slaven, mits de familie dat natuurlijk kon betalen. Ook kregen ze heel veel speelgoed, want de ouders en de kinderen hadden niet echt een goede band met elkaar.
In Athene werd jaarlijks een kinderfestival georganiseerd, Anthestèria, dan werden de kinderen gekroond met bloemen en kregen een wijnkannetje cadeau.
Ook in het onderwijs was er een verschil tussen mannen en vrouwen. De vrouwen kregen thuis onderwijs en de mannen mochten vanaf hun 14e naar school. Gymnastiek was een zeer belangrijk vak.

1.3.5 De huizen


De huizen waren in die tijd vrij sober ingericht. Het water haalden ze uit een put en dat mochten de slaven dan doen. Er werd gekookt op een draagbaar komfoor of in een stenen oven. In de badkamer stond een grote pot en dat was dan de wc. De slaven moesten deze dan legen in de straatgoot naast het huis. Alleen hele rijke mensen hadden misschien een eigen afvoer, die de boel meteen op straat gooide. De meubels waren meestal meubels waar ze languit op konden liggen. Ze hadden ook geen kapstok of klerenkast met hangertjes, want ze vouwden hun gewaden netjes op en legden die dan op een plank. De muren waren meestal gepleisterd, waar ze dan wandkleden aanhingen.

1.3.6 Bestuursvormen

In Athene was er sprake van een democratie. Democratie: een wijze waarop de besluitvorming tot stand komt. Griekenland is het eerste land die deze bestuursvorm hanteerde (het kan ook eerder of ergens anders zijn geweest, maar voor zo ver men weet begon het in Griekenland). Democratie staat hier voor een bepaalde wijze van leven, dus de manier waarop de burgers met elkaar omgaan. De kenmerken van deze democratie zijn: de wijze van besluitvorming, het gehele volk mocht ‘vergaderen’ (iedereen had dus inspraak). Iedere stadstaat (polis; een gemeenschap van burgers die meestal er klein was, alleen Athene en Sparta vormden hier een uitzondering ) had een eigen manier van regeren. Het basisprincipe was: vrijheid en onafhankelijkheid en het volk had veel inspraak. De Grieken hadden dus meerdere bestuursvormen, maar de democratie is daar het belangrijkste van. Griekenland vormde niet een geheel, het waren meer onafhankelijke staten. Er waren ook volksvergaderingen en dan had iedereen het recht om te spreken. Dit liep niet altijd even goed af. Het was strafbaar als je niet stemde. Als je namelijk niet stemde kreeg je een kwak rode verf over je heen en kon iedereen zien dat je niet had gestemd. Ook moest je vaak dan een boete betalen.

1.3.7 Sport


Sport was heel erg belangrijk in de tijd van de oude Grieken. Dit was net zo belangrijk als filosoferen, wat toen ook erg veel gedaan werd. Hardlopen was erg populair, worstelen, boksen, de vijfkamp, wagenrennen en atletiek ook. Je ziet in de Griekse beeldhouwkunst ook heel vaak sporten afgebeeld en natuurlijk komen de olympische spelen daar ook vandaar. De Grieken dachten namelijk dat de goden op de berg ‘Olympus’ woonden en hielden daar Olympische Spelen ter ere van Zeus. Voor vrouwen was er geen gelegenheid om te sporten.

2 Wie was Plato?

In dit gedeelte ga ik iets dieper in op Plato zelf. Over zijn familie, Plato’s leerweg als filosoof, Plato en Socrates en zijn invloed op andere filosofen.

2.1 Plato


Plato is op Aegina geboren ( 428/ 427 v. Chr.), één van de eilanden van Griekenland. Hij is in Athene gestorven in 348 v. Chr.
Plato werd geboren onder de naam Aristocles, maar later werd hij Plato genoemd, wat de brede en de forse betekent. Van de kant van zijn vader stamde hij af van het Atheense koningshuis en zijn moeder was een bekende wetgever .
Wat je hieruit kan concluderen is dat Plato niet uit de eerste de beste familie kwam, maar uit een familie van hoge stand.
Plato onderzocht in zijn eerste fase ethische begrippen, zoals: rechtvaardigheid, matigheid en vriendschap (deugd). Natuurlijk werd dit door Socrates vertolkt, Plato kwam immers zelf niet voor in geschriften en liet Socrates altijd het woord voeren. Plato komt in deze fase met positieve standpunten over ‘het kennen’ en over ‘de zin van het bestaan’.
In de tweede fase laat hij dit los en gaat meer opbouwend te werk, hij houdt zich nu bezig met de onsterfelijkheid van de ziel, de ideeënleer en de perfecte staat.
In deze fase houdt hij zich ook bezig met de ‘Eros’. Hij beschrijft vanuit Socrates dat de Eros een drang tot vereeuwiging is, die van de zinnelijke liefde opstijgt tot de hoogste schoonheid in kennen en handelen.
In de derde fase gaat hij nog wat dieper en gaat hij denken over het bestaan, identiteit, niet-zijn, rust, beweging en later met meetkundige figuren en de vier elementen (aarde, vuur, water en lucht). Hij ging discussies uit de weg, praatte vooral over zijn eigen heil en probeerde mensen te overdonderen.
Je kunt Plato het best omschrijven als een klein eenzaam mannetje dat zich verschool achter een muur van woorden.

2.2 Plato’s leerweg tot filosoof


De eerste leraar die Plato wijsbegeerte onderwees was Kratylos, een leerling van Hera Cleithos. Kratylos gaf Plato les tot Plato’s 20e levensjaar.
Plato schreef tot zijn 20e heel veel literatuur, gedichten en drama’s. Hij heeft een dertigtal boeken geschreven, waarvan twee van ongeveer 400 bladzijdes over politieke onderwerpen en de overige variëren van meer dan 100 bladzijdes tot 20 paginaatjes. Deze zijn gelukkig bewaard gebleven door overlevering.
Na zijn 20e werd hij leerling bij Socrates en bleef zijn leerling totdat Socrates ter dood veroordeeld werd en de gifbeker moest leegdrinken, Plato was toen ongeveer 28.
Hij was hier erg boos om en keerde zich volledig tegen de politiek en de democratie.
In 399 v. Chr. (hetzelfde jaar dat Socrates ter dood veroordeeld werd) schreef hij zijn eerste dialogen. Dit was in de tijd van de Griekse filosofie een veel gebruikte methode om de theorieën op te schrijven en dus te kunnen bewaren. Plato hanteerde ook deze manier van schrijven om Socrates in leven te houden. Socrates heeft zelf immers nooit iets van zijn werk op papier gezet. Plato ging toen heel veel reizen en keek goed rond: ‘wat is er mis met de filosofie?’
Hij reisde naar Mechena en leerde daar dialectiek (redeneerkunst door vraag en antwoord),
dit gebruikte hij later in zijn schriften, waarin Socrates de gespreksleider was (dus dankzij Plato weten meer over de gedachten van Socrates). Hierna reisde hij verder naar Egypte en leerde daar over sterrenkunde en daarna ging hij naar Sicilië om naar de school van Pythagoras te gaan. Sicilië en Griekenland hadden in die tijd veel met elkaar te maken, omdat Sicilië een Griekse kolonie was en vele kunstenaars en filosofen er vandaan kwamen of er langdurig werkten. Op Sicilië, in de stad Siracussa, ging hij in dienst bij de tiran Dionysius en daar deed hij staatskunde (een tiran is een Griekse benaming voor alleenheerser, de tirannen staan om geweld en wreedheid bekent, maar deze figuren zijn geen tirannen in de betekenis van nu. De meeste tirannen bevorderden juist de welvaart en zorgden voor een sterke economische bloei. De latere staatsfilosofen, waaronder Plato, hebben hun in een kwaad daglicht gezet). Plato had kritiek op de manier waarop de tiran regeerde, want Plato leerde nu immers staatskunde en doorzag dus hoe Dionysius regeerde, was het daar dus niet mee eens. Dionysius vond deze kritiek natuurlijk niet leuk en verkocht Plato als slaaf.
Hij werd toen door een vriend van hem, Annikeris (ook een leerling van Socrates), opgekocht en deze liet hem vrij. In 387 v. Chr. keert Plato terug naar Athene en stichtte daar de eerste Academie in de geschiedenis. Op deze Academie kon je de vakken wiskunde, filosofie en gymnastiek volgen. Ik denk zelf dat je juist deze vakken daar kon volgen, omdar wiskunde heel veel te maken heeft met filosofie. Bij filosofie draait het erom om iets wat onverklaarbaar is verklaarbaar te maken, of iets wat wankel is, stevig te maken. Bij wiskunde staat alles vast, 1+1=2, dat kan niet anders. Gymnastiek werd, denk ik, gegeven omdat sport heel erg belangrijk was in de tijd van de Grieken, dit kun je nog veel terug zien in de beeldhouwkunst.
Plato besteedde veel tijd met lesgeven aan de academie.
In 375-367 v. Chr. komt Plato’s filosofie echt tot leven, hij ontwikkelt onder andere de ideeenleer, zijn politieke theorie en de ethiek, deze onderwerpen ga ik later verder uitdiepen.
In 368 v. Chr. verschijnt er nog een hele bekende filosoof op het toneel: Aristoteles, deze wordt leerling van Plato op diens Academie. Aristoteles is één van zijn beste leerlingen.
Plato is in 367 v. Chr (i.v.m. de dood van Dionysius) en in 361 v. Chr. weer terug gegaan naar Siracusse en probeert vanuit daar een, naar zijn idee, perfecte staat in Sicilië op te richten. Dit is hem echter niet gelukt.
Twee jaar later schrijft Plato zijn ‘ouderdomswerken’, er is nu meer invloed van Pythagoras aanwezig en hij schrijft dus veel meer over getallen, wiskunde en natuurwetenschappen.
In 347 v. Chr. sterft Plato, of zoals Parmenedis zou zeggen: ‘Plato’s afwezigheid is niet-in- Athene-zijn.’

2.2 Plato en Socrates


Socrates was de leraar van Plato, hij had grote invloed op het denken van Plato.
Hij was een meester in het hanteren van dialectiek (wat Plato later in Mechena ook leerde).
In het van het spel van vraag en antwoord was hij altijd de gespreksleider en ondervroeg hij een persoon net zolang over wat deze denkt te weten, dat deze op het laatst niet meer weet, wat deze dacht te weten.
Socrates hield zich vooral bezig met vraagstukken van het menselijk handelen en het moraal.
Plato nam dit over en richtte zich vooral op de niet echte wereld, omdat niets definitief is.
Hij ging op zoek naar het ideaal.

Plato was erg boos op Athene, omdat deze Socrates veroordeeld had.
Socrates was veroordeeld omdat hij de jeugd had bedorven en omdat hij de staatsgoden niet vereerde. Je kon zeggen dat Socrates een ‘zondebok’ was in een politieke crisis. In deze tijd was Athene namelijk veroverd door Sparta, er was sprake van een acht maanden durende terreur.
De aanklacht was echter niet terecht, want Socrates wou dat mensen meer aandacht aan hun ziel moesten schenken: ‘Zorg voor de ziel betekent vooral zorgvuldig en kritisch nadenken, bekommerd zijn om inzicht in wat echt een goede, juiste manier van leven is.’
Oftewel: filosofisch streven naar inzicht en waarheid.
Socrates zei tegen de inwoners van Athene dat hij hen aansprak in opdracht van een God.
Hij werd veroordeeld en moest de gifbeker drinken.

In de tweede fase was Plato nog een beetje beperkt in zijn denken, omdat hij zich nog teveel aan Socrates’ gedachten vast hield. Later is hij zichzelf gaan ontplooien, maar de invloeden van Socrates blijven duidelijk aanwezig.

2.4 Plato’s invloed op andere filosofen


Ik had een vermoeden dat Plato met zijn theorie over de ziel en het lichaam invloed gehad zou kunnen hebben op het christendom. Dit stond nergens bevestigd, wel heb ik een uitspraak van Nietsche gevonden: ‘Het christendom is platonisme voor het volk.’

Zowel Plato's directe als zijn indirecte invloed is onvoorstelbaar groot geweest.
De invloeden van Plato noem je het platonisme of het neoplatonisme.

Natuurlijk kun je bij Aristoteles ook veel invloeden van Plato zien, deze was immers zijn leermeester. Aristoteles ging verder met de ‘oudere werken’ van Plato en hield zich dus bezig met wiskunde, natuurkunde etc.
Hij beïnvloedde direct en via het neoplatonisme het christelijk denken van bijvoorbeeld Aurelius Augustinus, die op zijn beurt in de middeleeuwen grote invloed had. Ook de middeleeuwse strijd over de universalia (begrippen, zoals: het paard, de mens, dat is rood, de vraag of dit gewoon begrippen zijn of dat ze een andere oorsprong hebben) komt uiteindelijk op het platonisme neer.
In de Arabische wereld was zijn invloed ook heel groot (al-Farabi hield zich bezig met Plato’s ideeën over politiek). In de renaissance bloeide de Academia Platonica in Florence op en in de 17de eeuw bestonden in Engeland de Platonisten van Cambridge.
Van de grote moderne Europese filosofen kan er niemand genoemd worden die niet op een of andere manier invloeden van Plato heeft. In de 20ste eeuw is zijn invloed te zien bij o.a. Bertrand Russell en Alfred North Whitehead en de analytische filosofie (een stroming in de filosofie die zich bezig houdt met taal en uitspraak). Je dit kunt terug zien in hun (Russel en Whitehead) opvatting over wiskunde (uit Plato’s latere periode). Russel heeft bijvoorbeeld een eigen school, net zoals Plato, gesticht om zijn ideeën over te brengen. Whitehead werkt min of meer ook vanuit het principe van de ideeënwereld. Dit heeft hij dus weer van Plato overgenomen.

Het is eigenlijk best wel raar dat een man die al eeuwen dood is, nog steeds invloed heeft op de mens van nu.

3 Theorieën van Plato

Nu komen we bij het interessantste gedeelte van Plato; zijn theorieën.
Ik ga in dit hoofdstuk (naar mijn mening) de drie meest kenmerkende en interessantste theorieën van Plato behandelen: de ideeënwereld (ideeënleer), de ziel en de ideale staat.
En tevens mijn hoofdvraag beantwoorden: ‘Wat houdt de ideeënwereld van Plato in?’

3.1 De ideeënwereld


Ik ga eerst beginnen met uitleggen wat volgens Plato een idee is.
Om een idee te kunnen definiëren moet je de plaats van dat idee kunnen aangeven onder een hoger idee. Een hoger idee is het idee van het goede, dit idee is een mogelijkheidsvoorwaarde en de bron van alle zijn (alle kennis, alle normen). Dit idee valt voor ons niet te kennen, en goede boven alle ideeën, en is dus de bron en einddoel van alles wat is. Een hoger idee leeft dus in de ideeënwereld en zet het ‘gewone’ idee op zijn plek.
Het gemeenschappelijke van alle ideeën is hun bestaan, hun identiteit, het niet-zijn (dus het niet en het zijn, het verschil daarvan), rust en beweging. Plato hield zich hier in de derde periode mee bezig. Misschien is dit nog een beetje onduidelijk, dus zal ik een voorbeeld geven: Het hoogste idee is verenigbaar met andere ideeën. Hun waarheid straalt uit over grote aantallen lagere ideeën. Een bal heeft bijvoorbeeld tig toepassingen; een voetbal, een kaatsbal, een tennisbal, een rugbybal etc. Dit zijn allerlei ballen, maar is elke bal ook een voetbal?
Nee, elke bal is geen voetbal. Dat geeft aan dat ‘bal’ (hoogste idee) boven alle toepassingen staat (andere ideeën). Wat ik hier ook bij kan zeggen, is ook wel grappig om te noemen:
‘er is meer niet dan wel.’ Alle ideeën maken dus deel uit van het zijn en tegelijkertijd van het niet zijn. Het zijn: alle ideeën maken deel uit van het hoge idee. Het niet zijn: het idee van het anders zijn dan het zelfde.

Plato keerde zich af van alles wat via zintuigen binnenkomt en richt zich volledig op intellectuele vorming. Hij vindt namelijk dat de dingen die via je zintuigen binnenkomen niet betrouwbaar zijn, maar slechts schaduwen van iets wat veel mooier is. Schaduwen zijn immers niet volmaakt, ze laten slechts contouren zien. Wat Plato met die schaduwen bedoelt, wordt uitgelegd in ‘de grot’, maar het is heel simpel om hier even uit te leggen.
Stel, je neemt een knuffelbeest die je voor een lamp houdt en op de muur komt een schaduw.
Plato dacht dat we deze schaduwen dus ons hele leven zien.
We zien geen boom als we naar buiten kijken, we zien een schaduw van de boom uit de ideeënwereld. Het knuffelbeest wat voor het lampje gehouden werd kennen we dus helemaal niet, want deze is in de ideeënwereld, maar de schaduw die kennen we wel, want die zien we dag in dag uit. En zeg nou zelf, wat vind je mooier, dat knuffelbeest of de schaduw?
De ideeënwereld. Iets wat zo mooi is, dat je het niet kunt voorstellen en je zult het misschien alleen maar kunnen zien door te filosoferen. Als je optimaal met je geest bezig bent en die zo ver ontwikkeld, dan zul je dichter bij het echte, het mooie komen.
Al dit bestaat in de ideeënwereld. Ideeën, die in een van ons afhankelijke wereld bestaan.

3.1.1 De stromende vorm en de tijdloze vorm


Plato maakte onderscheidt in twee vormen:
De ene vorm ‘stroomt’ en de andere is een ‘tijdloze’ vorm. De vorm die stroomt, is alles wat we kunnen aanraken. Het is van een materiaal gemaakt en kan dus aangevreten worden, het is niet definitief, dus het stroomt (beweegt). Een tijdloze vorm is een eeuwig onveranderlijke vorm, deze vorm bestaat in de ideeënwereld. Ik zal deze vorm wat nader uitleggen, omdat dit een beetje ingewikkeld ligt. Stel, je hebt een hond. Iedereen weet hoe een hond eruit ziet en als je aan een klein kind vraagt hoe een hond eruit ziet, dan zal dat kind waarschijnlijk zeggen dat een hond een kwispelstaart, een natte neus, twee oren en vier poten heeft. Maar stel nou dat deze hond een poot mist, dan voldoet die niet meer aan het volmaakte plaatje ‘hond’, maar toch ziet iedereen dat het een hond is. Volgens Plato moet je dus onderscheidt maken tussen het stromende (hond) en aan de andere kant het tijdloze (hondheid). De hond heeft dus als het ware een gemeenschappelijke oorsprong, ze zijn allemaal uit hetzelfde model gevormd.
Plato wou dit model ontdekken, want hij was er zeker van dat dit bestond, omdat er ideeën zijn en dus ook het idee ‘hond’. Als die niet bestond kon je de hond ook niet herkennen als hond. Plato’s conclusie was dat er achter de zintuiglijke wereld, een eigenwerkelijkheid moest bestaan: de ideeënwereld.Verstand is bij ieder mens hetzelfde, zo stelde Plato vast, maar de zintuigen niet:‘Over wat we waarnemen kunnen we slechts vage afspiegelingen van ideeën hebben. Maar over dingen die we met ons verstand herkennen, kunnen we absoluut zeker zijn.’

3.1.2 De abstracte wereld

Plato noemde de ideeënwereld ook wel een ‘abstracte wereld’.
Ik heb hier een tijdje over nagedacht en vroeg aan m’n vader, toen we in de auto zaten op weg naar Brugge, of er perfecte vierkanten in de natuur bestaan. Vierkanten die aan alle wiskundige voorwaarden van een cirkel voldoen. Hij moest even nadenken, maar kon niks bedenken.Je kunt rustig stellen dat je in de natuur geen vierkanten kunt tegenkomen. Hier dacht Plato dus ook over na en kwam met de conclusie dat er geen perfecte vierkanten in de natuur bestaan, maar het perfecte vierkant bestaat alleen in de ideeënwereld en alleen met wiskunde kunnen we deze namaken (om even het verband tussen wiskunde en filosofie nader uit te leggen).
Maar zo perfect en mooi kan het, volgens Plato, toch nooit in onze ‘stromende’ wereld worden. De ideeënwereld is de enige wereld, niet door waarheden, maar door zuiver denken.

3.1.3 Hoe kan er in de veelheid waarin de werkelijkheid uiteenvalt toch zoiets als een eenheid bestaan?


Waarom zouden wij willen streven naar zoiets als de ideeënwereld? Waarom zouden wij daarheen willen?
Dat komt door de hoogste vorm van Eros (drang tot vereeuwiging), deze zet ons aan tot wijsbegeerte. We willen doordringen in de ideeënwereld. Je bent niet tevreden met deze zintuiglijke wereld, je wilt meer ontdekken. Dit kost wel wat, je moet je proberen los te maken van oppervlakkige gewaarwordingen en opstijgen naar de hoogste ideeën.
Deze zijn alleen toegankelijk voor het ziende deel van de ziel. In de ideeënwereld zijn altijd gelijkblijvende vormen, die er toe in staat zijn om een constante eenheid te blijven, terwijl het in de zintuiglijke wereld een wirwar is van de veelheid.


3.2 De ziel

Ik denk dat deze theorie van Plato heel goed te begrijpen is, omdat het erg lijkt op de opvattingen die de Christenen over de ziel hebben.
Plato ziet de ziel (psyche) los van het lichaam. Dus als je dood gaat, verlaat je ziel je lichaam, dit klinkt vast niet erg onbekend.

3.2.1 Het goede

Plato kon nooit echt spreken van het goede, omdat er volgens hem nooit het goede kon zijn, zolang de ziel verbonden was met het lichaam.
We kunnen alleen spreken van het goede, maar het is er niet echt. Het goede is namelijk een te grote helderheid, het sluit te veel uit, we kunnen er dus niet veel over zeggen. Als een Christenen het heeft over het Goede, dan heeft die het over God en al het goede van de mens, het goede van Plato kwam iets te snel terecht in de Christelijke taal, zonder verder uitgelegd te worden. Het goede is dus een zuivere ziel, zonder de ballast van een lichaam. Het lichaam heeft namelijk eten, drinken, slaap, beweging en van alles nodig, dit vindt Plato dus een belemmering voor de ziel.

3.2.2 Hoe denkt Plato over de ziel?


Plato was dus niet echt een voorstander van het lichaam, maar ja, een hoofd heeft wel een lichaam nodig, of tenminste armen of benen. Hoe zou je anders een berg opkomen?
Als het aan Plato lag, was de ziel of nu beter gezegd, de psyche, de hele dag aan het denken.
Denken, om je psyche te verrijken en tot de ideeënwereld te kunnen komen.
Volgens Plato bestaat je ziel uit drie delen: - epithumètikon (driftleven)
- thumoeides (doorzettingsvermogen)
- logistikon (redenerend en kennend verstand)
Je moet je voorstellen dat de ziel rondvliegt in een soort hemel, deze verliest haar vleugels en beland in een lichaam. Door de schok raakt de ziel al haar herinneringen kwijt.
Maar door wijsgerige vorming, filosofie dus, kan een ziel een poging doen om weer op orde te komen. Hierdoor hoeven mensen dus niet bij directe waarneming te blijven, maar kunnen ze herkennen en verbanden leggen. Je gaat verbanden leggen tussen de ideeën, nu kun je bijvoorbeeld zeggen: ‘Dat dier is geen hond.’ Want je hebt een hond gezien op een plaatje of waar dan maar ook en je kan van bijna elk beest zeggen of het wel of geen hond is. Je kunt bijvoorbeeld ook zeggen dat de bal rond is, maar zodra je zegt dat de bal vierkant is, zal men je raar aankijken, want iets wat vierkant is, is geen bal (volgens het idee).
Niet alle zielen hebben hetzelfde gezien en daarom zijn er putjesscheppers, bakkers, leraren en filosofen. Er is dus een verschil in aanleg en ontwikkeling.
Je ziel reist door een soort hemel en ziet daar van alles, ook de dingen die buiten de hemel liggen. Omdat een ziel niet materieel is, kan deze dus in de ideeënwereld kijken. De ziel kent liefdesverlangen (Eros) naar haar eigenlijke oorsprong, door middel van herinneringen.
Zo kan een ziel zich dus dingen herinneren of opnieuw waarnemen, wat je dan zelf niet door hebt, want je denkt dat je het niet wist, maar feitelijk wordt je ziel/ psyche slechts eraan herinnerd. Je wist het dus wel, maar je bewustzijn wist het niet en je ziel ook niet, maar die heeft het wel geweten en zal het dus makkelijker weer oppikken.
Als je iemand hebt bemind en/of hebt gefilosofeerd (je ziel/ psyche verrijkt) en je sterft, dan zal je ziel weer eerder in een nieuw lichaam terug keren en zal je dus weer een andere aanleg of ontwikkeling hebben in het volgende leven. Heb je echter je leven verwaarloosd, dan zul je terug keren als een dier. Hoe meer je ziel verrijkt is, hoe eerder je terug komt in een lichaam. Zo zou je kunnen stellen dat filosofen een hele oude ziel moeten hebben en heel veel gezien moeten hebben, omdat ze in staat zijn om zo te kunnen denken. Bovendien wordt het wel duidelijk dat Plato de filosofen boven alle mensen plaatst (dit is ook goed terug te zien in zijn ideale staat), alleen met filosofisch denken kun je immers je ziel verrijken.

3.2.3 ‘Als de staat vrouwen niet goed opvoedt en opleidt, is dat als een mens die alleen zijn rechter arm oefent.’


Nu kan ook ik ook meteen even duidelijk uitleggen waarom Plato vrouwen gelijkstelt aan mannen. Nu kun je denken dat, dat niet raar gedacht is van Plato, maar Plato leefde wel meer dan 2300 jaar geleden en de vrouw is pas sinds ongeveer de jaren 60, 70 geëmancipeerd.
Vrouwen werden in de tijd van Plato niet erkend als echte burgers en moesten dus de hele dag thuis zitten. Maar waarom vind Plato dan juist wèl vrouwen gelijk aan mannen en wat heeft dat met dit hoofdstukje te maken?
Volgens Plato heeft ieder mens een ziel, een vrouw dus ook. Die ziel die reist onder andere door de ideeënwereld. Die ziel is gewoon een ziel, net zoals alle andere zielen.
Hij kan dus overal terecht komen, in een mannenlijf, maar dus net zo goed in een vrouwenlijf.
Dus waarom zou er dan verstandelijk een verschil moeten zijn tussen man en vrouw?
Plato vond wel dat er een lichamelijk verschil was, maar dan moet iedereen het met hem eens zijn. Mannen zijn bijvoorbeeld nou eenmaal sterker. Dit heeft trouwens alleen te maken met het verstandelijke, dus niet met het emotionele, dat daar geen misverstanden over ontstaan.
Plato pleitte er dus ook voor dat vrouwen hetzelfde onderwijs moesten krijgen als mannen, hiermee was hij erg progressief in zijn denken, want Socrates vond dit bijvoorbeeld van niet.


3.3 De ideale staat


Plato verzet zich na de veroordeling van Socrates volledig tegen de politiek en de democratie. Hij bedenkt zijn eigen ideale staat. Hij probeert deze op Sicilië uit te voeren, maar dat mislukt.
Plato vergeleek de ideale staat met de mens:

Zoals je hier kunt zien heeft de ideale staat veel met het menselijke lichaam te maken.
Plato vergeleek het hoofd met de regenten, de borst met de wachters en het onderlijf met de werkende stand. Dit plaatje vertegenwoordigt eveneens Plato’s visie van de ziel.
Hij vond dat de filosofen moesten regeren, dus dat werden de regenten. Hij was dit van mening, omdat hij vond dat de filosofen over de hoogste vorm van kennis beschikten. Filosofen zouden volgens hem de beste regeerders zijn, omdat de alleen maar hun hoofd gebruiken.
Je kunt zijn idee van de ideale staat ook in een schema zetten, waarin je alle overeenkomsten tussen het lichaam, de ziel, de deugd (waar hij ook over na dacht) en dus de staat.
Lichaam Ziel Deugd Staat
hoofd verstand wijsheid regenten
borst wil moed wachters
onderlijf begeerte matigheid werkende stand


Hier staat dus hetzelfde als in de tekening, maar misschien is dit iets duidelijker.
Tegenwoordig zouden we een dergelijke staat, als die Plato bedacht heeft, en totalitaire staat noemen. Dat houdt in dat het een staat is, die door één persoon geregeerd wordt.
Plato wou in eerste instantie het privé bezit en de gezinnen van de regenten en de wachters afschaffen. Dan konden ze zich volledig storten op hun werk en hadden ze dus niks anders aan hun hoofd. Plato wou ook openbare kleuterscholen stichtten en hele schooldagen invoeren. Toen kwam hij er achter dat zijn staat niet de beste staat was, maar de op één na beste staat en toen voerde hij het privé bezit en het gezin voor de regenten en da wachters weer in. Hij had er namelijk geen rekening mee gehouden, dat mensen deze dingen nodig hebben in hun leven. Plato was dus eigenlijk vergeten dat de mensen die zijn staat zouden regeren ook daadwerkelijk mensen waren, met menselijke gevoelens en menselijke emoties.
4 mythes

Ik heb twee mythes gekozen die de visie van Plato op de ziel en op de ideeënwereld wat aanvullen. Deze zijn; de grot en de wagenmenner.

4.1 De grot

De grot legt het verschil tussen deze wereld en de ideeënwereld nader uit.
Deze mythe gaat over een paar mensen die in een grot gevangen zitten, ze zitten vastgeketend aan de vloer en kunnen geen kant op. Zo zitten ze daar al hun hele leven lang. De hele dag kijken ze naar schaduwen op de muur, die veroorzaakt worden door een vuur.
Op een dag is één van de mensen het zat, breekt los uit zijn ketens, rent de grot uit en wordt door enorm overdonderd door de felheid van de zon. Hij kan niets zien.
Langzaam begint zijn zicht te verbeteren en ziet hij een veel mooiere wereld dan hij ooit in de grot heeft mogen aanschouwen. Helemaal overweldigd van al dat moois, rent hij terug naar de grot om het zijn vrienden daar te vertellen, zij geloven hem jammer genoeg niet…

4.2 De wagenmenner

De wagenmenner gaat over de voorgeschiedenis van de ziel.
De ziel bestaat uit een span met daarop een menner en daarvoor twee gevleugelde paarden.
Het ene paard staat voor het goede en het andere paard staat voor het slechte. Als het goede overheerst zal de ziel rond zweven, maar wint het slechte, dan zal de ziel naar het materiele getrokken worden en zal dus omlaag vallen. De ziel komt dan in een lichaam, dit geheel wordt dan sterfelijk. Door de klap verliest zij al haar herinneringen.
Als het lichaam sterft, komt de ziel weer vrij en zal ze weer opstijgen. Het hangt van de ervaringen van de ziel in het lichaam af, hoe snel ze weer in een lichaam zal wederkeren en in welk lichaam dat dan zou zijn.

Conclusie

Ik ga hier bekijken in tot hoeverre ik antwoord heb kunnen geven op mijn hoofdvraag:

Wat houdt de ideeënwereld van Plato in?

Ik vond het moeilijk om hier een duidelijk antwoord op te geven, omdat het idee heel veel omvat. Maar om een definiërend antwoord te geven, zou je kunnen zeggen dat de ideeënwereld van Plato een aparte wereld is, die verbonden staat met deze wereld en waar al het echte en al het mooie bestaat.

Eigen mening

Ik vond het erg leuk om dit werkstuk te maken. Doordat ik dit werkstuk heb gemaakt, heb ik ideeën van Plato leren snappen waar ik eerst moeite mee had. Ik heb me zoveel mogelijk in zijn denkwijze proberen te verplaatsen om het voor mezelf en voor anderen, die niets van het onderwerp afweten, het zo eenvoudig mogelijk te houden. Natuurlijk heb ik hier en daar wel eens met moeilijke termen moeten smijten, maar daar kun je, denk ik, niet omheen.
Terwijl ik dit werkstuk maakte ben ik me heel veel gaan afvragen en ben ik zelf ook een beetje filosofische vraagstukken gaan bedenken. Ik was bijvoorbeeld laatst mijn tanden aan het poetsen en toen vroeg ik me af waarom tandpasta meestal een mintsmaak heeft. Toen dacht ik dat dat wel zo zou zijn omdat men dat fris vindt, maar hoe kun je nou een smaak benoemen? Als een holbewoner bijvoorbeeld vroeger een citroen heeft gegeten, zou die hebben gezegd dat het zuur is? Hoe kun je nou weten hoe een smaak heet? Waarom vindt iedereen een citroen zuur en een suikerklontje zoet? Maar je herkent zuur en zoet niet alleen bij die dingen, maar je herkent het bij alle soort eten. Als je je gaat afvragen hoe dit kan, zoals ik dus deed, kwam ik toch bij het idee van Plato over de ideeënwereld. Daar hebben we de smaak al geproefd, alleen dan veel vollediger en voller. Toen ik me dat bedacht, dacht ik: ‘hé, die Plato was zo gek nog niet.’
Ik moet zeggen dat ik het filosoferen en het bedenken van al die theorieën nog niet eens het knapste vindt. De verwoordingen van hun ideeën vind ik nog veel knapper. Mijn vriendje heeft gezegd dat als ik klaar zou zijn met dit werkstuk, dat ik gek zou worden en net zoals Plato, qua denken, in een andere wereld zou gaan leven. Nou volgens mij valt dat wel mee...

Bronvermelding

Literatuur
● Plato mythen, de driehoek/ Amsterdam, 1977
● Filosofie personen en begrippen van A tot Z, het spectrum, 1990
● Plato De strijd tegen het democratisch beest, Gerard Koolschijn, ooievaar, 1990
● Verzameld werk Plato 2, Theaitetos, 1994
● De uitgelezen Plato, Jos Decorte, Lannoo Boom, 2000
● Plato Euthyfron Kriton, Athenaeum, Polak en van Gennep, 1993
● Plato verdediging van Socrates, Cornelis Verhoeven, Damon, 1996
● Geschiedenis van de Griekse filosofie; van de presocraten tot de neoplatonic, Bert Bakker, 1983
● Filosofie voor jonge denkers, Jeremy Weate Peter Lawman, Callenbach, 1999
● De oude Grieken, Jan van Gestel, Amsterdam, de Lantaarn, 1996
● Aantekeningen van mijn moeder tijdens haar studie theologie
● ZienderOgen Kunst, Bovenbouwdeel HAVO/VWO, Jos Smeets, Den Bosch, Malmberg, 1990

Internet
● http://members.lycos.nl/outstudent/filosofie/plato.htm

Cd-rom
● Encarta Encyclopedie, Basiseditie 2002, Winkler Prins

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

H.

H.

damn nu moet ik nog gaan over schrijven

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

I.

I.

je bent onze held
wiehoeeee je bent geniaal
hahaha
TANDPASTAAAAAAAAAAA enshitttt
echt heel leuk je pws
we hebben ons dood gelachen
RESPECT!

9 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

M.

M.

Hoi!

heel erg bedankt voor de informatie over plato! het heeft me geholpen bij mijn project. Ik had nog een vraag en het zou heel mooi zijn als jij het antwoord weet!

het gaat over de grot. Ik vraag me af of jij weet tot waar de lichamen toe behoren. De lichamen zijn toch ook uit de echte wereld waar de persoon verblind door raakt? en hun eigen lichamen zouden ze moeten kunnen zien! Ik bedoel: ze hebben dus blijkbaar al vaker dingen gezien uit de ideeën wereld.

ik hoop dat je me verder kan helpen.

Mvg,

10 jaar geleden

Antwoorden

N.

N.

als je een beetje engels kan is dit filmpje heel goed om de grot uit te leggen http://youtu.be/69F7GhASOdM

5 jaar geleden

gast

gast

W.

W.

hee..
ik heb net eens even jou werkstuk over plato gelezen en ik moet zeggen dat het echt indruk wekkend is joh!
ik heb een PO over plato en het is wel even makkelijk om defeiten die ik allemaal heb getypt na te gaan.. en ik merk dat het veel overeenkomt.
maar ik vond ookvooral je manier van typen erg grappig;) wel ingewikkeld soms maargoed;)
nouja ik laat je met rust^^

daag

11 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Femke

Femke

SUPERGOED PWS

12 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast