De NPO is bezig met een nieuwe interactieve videoserie voor scholieren, over persoonlijke dilemma's. Om de serie zo herkenbaar mogelijk te maken, hebben ze jouw hulp nodig. Ben je tussen de 15-18 jaar en wil jij meedenken? Vul de vragenlijst in (5 a 10 minuutjes) en maak kans op een Bol.com bon van 10 euro.

 


Meedoen


Chapter 1.
To gain = behalen. Popular demand = algemene vraag.
To recommend = aanbevelen. To request = verzoeken.
To increase = toenemen. Session = bijeenkomst.
Peer = soortgenoot. Shed = schuur.
To channel = leiden, sturen. Comprehensive school = scholengemeenschap.
Pursuit = bezigheid. To prevent = voorkomen.
To appeal to = aanspreken. To own up = toegeven.
To assess = beoordelen. To extend = zich uitstrekken.
To benefit = voordeel halen. Dependency = afhankelijkheid.
Confidence = vertrouwen. To raise an idea = een idee opperen.
Reluctant = onwillig. Necessarily = noodzakelijkerwijze.
To impose = opleggen. Smart = slim.
Curriculum = leerplan. Myth = fabeltje.
Approach = benadering. Gross = vulgair.(ordinair, grof)
Disadvantage = nadeel.
To coax = overhalen.
To threaten = dreigen.
To insist = staan op.
Defiance = opstandigheid.
Recognition = erkenning.

Vak = subject.
Aardrijkskunde = geography.
Wiskunde = mathematics(maths).
Natuurkunde = Physics.
Scheikunde = Chemistry.
Biologie = biology.
Economie = economics.
Handelswetenschappen= commerce.
Kunstzinnige vorming = art education.
Godsdienst = religion.
Maatschappijleer = social studies.
Gymnastiek = physical education(PE).
Havo = secondary school, a five-
year training for certain
types of higher education.
VWO = college preparatory
secondary school, six years.

Waar kom jij vandaan? = Where are you from?
Uit welk land kom je? = What country are you from?
Hoe lang ben jij hier al? = How long have you been here?
Op wat voor school zit je? = What sort of school do you attend?
Vind jij het leuk om naar school te gaan? = Do you enjoy going to school?
Welke vakken heb je? = What subjects do you take?
Welk vak vind je het leukst? = Which subjects do you like best?
Wat vind je van … = What’s your opinion of …
Ik ben dol op … = I’m keen on/fond of …
Vind je … leuker dan … = Do you like … better/more than …
Wat heb je liever, … of … = Which do you prefer, … or …
Ik heb liever … = I’d prefer …/I’d rather have …

I haven’t seen Dennis for ages. He is playing in a band, doesn’t he?
Ik heb Dennis al jaren niet gezien. Hij speelt toch in een band?
Yes, he plays in the school tonight.
Ja, hij speelt in de school vanavond.
In the school? Does the headmaster give permission for a band to play in the school?
In de school? Geeft de rector toestemming voor een band die in de school speelt?
Yes, Mr Spankie says he likes the kind of music that Dennis’ band plays.
Ja, meneer Spankie zei dat hij van de muziek die Dennis zijn band speelt houdt.
Do you expect many students to come to the party?
Verwacht je veel studenten die naar het feest komen?
Oh yes, I think that over 200 students are coming tonight.
Oh ja, ik denk dat er meer dan 200 studenten komen vanavond.
By the way, what instrument does Dennis play?
Trouwens, wat voor instrument speelt Dennis?
He usually plays the guitar, but tonight he is playing the piano.
Normaal bespeelt hij de gitaar, maar vanavond speelt hij op de piano.
I hope Louise and Sandra will be present, too.
Ik hoop dat Louise en Sandra er ook zijn.
What time does the party begin? I think I’m coming, too.
Hoelaat begint het feest? Ik denk dat ik ook kom.

The school starts about half past eight.
De school begint om half negen.
Mr Murphy is always coming by bus to school.
Meneer Murphy komt altijd met de bus naar school.
Why doesn’t he walk to school?
Waarom loopt hij niet naar school?
He lives in an old house near the Church.
Hij woont in een oud huis bij de kerk.
Mrs Hastings often comes by car.
Mevrouw Hastings komt vaak met de auto.
She always plays tennis with mr Murphy.
Ze tennist altijd met meneer Murphy.
Don’t you understand why she always plays with old mr Murphy?
Begrijp jij niet waarom ze met die oude meneer Murphy tennist?
She likes him a lot. / She likes him very much.
Ze vindt hem heel aardig.
She always talks about him in class.
Ze praat altijd over hem in de klas.
I have to leave now; my bus is coming.
Ik moet nu gaan; mijn bus komt eraan.

Blijkbaar = obviosly.
Streng = strict.
Uitzondering = exception.
In opstand komen tegen = to rebel against.
Schort = apron.
Ik was nogal verbaasd toen … = I was rather surprised when …
Als je het mij vraagt … = If you ask me …
Ik ben het er helemaal mee eens dat … = I fully agree that …
Ik hoop dat je het niet erg vindt = I hope you don’t mind my
dat ik (+werkwoord). (+ ww in de –ing vorm)
Ik ben van mening dat … = I’m of the opinion that …
Ik ben van mening dat … = I hold the view that …
Ik vind dat … = I think that …
Naar mijn mening is dit absoluut = In my opinion this is absolutely wrong.
verkeerd.
Het lijkt me dat dit een verstandig = It seems to me that this is a sensible idea.
idee is.
Je zou er verstandig aan doen van = You would be well advised to change your
gedachten te veranderen. mind.
Misschien besef je niet dat … = you may not realize that …
Tot slot zou ik willen zeggen dat … = in conclusion I’d like to say that …

Over/Above
Allebei betekenen ze boven.
1. Over betekent recht boven.
Switch on the lamp over the table.
Doe de lamp boven de tafel aan.
The ceiling over our heads was painted red.
Het plafond boven ons hoofd was rood geverfd.
Over betekent ook meer dan.
Over two hundred people participated in the demonstration.
Meer dan tweehonderd mensen deden mee aan de demonstratie.
He must be well over fifty.
Hij moet ruim boven de vijftig zijn.
2. Above betekent hoger dan.
We were flying above the clouds.
We vlogen boven de wolken.
The sun rose above the horizon.
De zon kwam op boven de horizon.
Above wordt ook figuurlijk gebruikt.
The temperature has been above average recently.
De temperaturen zijn de laatste tijd boven het gemiddelde.
A captain in the Navy ranks above a captain in the Army.
Een kapitein bij de marine is hoger in rang dan een kapitein in het leger.
above sea-level
boven zeeniveau
above all
vooral

During/Since
1. During betekent tijdens of gedurende. Het staat aan het begin van het antwoord
op de vraag “Wanneer is/was dat?”.
I met her during my stay in London.
Ik ontmoette haar tijdens mijn verblijf in Londen.
During the Christmas holidays all factories are closed.
Tijdens de kerstvakantie zijn alle fabrieken dicht.
2. Since betekent sinds (vanaf). Het staat aan het begin van het antwoord op de vraag: hoe lang al?
Mr Blackboard has worked at this school since 1975.
Meneer Blackboard werkt al sinds 1975 op deze school.
I have been waiting for you since three o’clock!
Ik wacht al sinds drie uur op je!

To lay/To lie
1. To lay betekent leggen en wordt altijd gevolgd door een lijdend voorwerp. De
tijden zijn: lay-laid-laid.
She laid the child on her own bed.
Ze legde het kind in haar eigen bed.
Do all snakes lay eggs?
Leggen alle slangen eieren?
2. To lie betekent (gaan) liggen en wordt niet gevolgd door een lijdend voorwerp. De
tijden zijn: lie-lay-lain.
He lay down on his bed and fell asleep.
Hij ging in zijn bed liggen en viel in slaap.
The sea lies to the south of the town.
De zee ligt ten zuiden van de stad.

Chapter 2.
Fairly = tamelijk. Incompetence = ongeschiktheid.
Until recently = tot voor kort. Due to = te wijten aan.
To meet = aan de Commuter = pendelaar.
the needs of behoeften voldoen. Bearable = draaglijk.
To extend = uitbreiden. Delay = vertraging.
To rely on = vertrouwen op. Inconvenient = ongemakkelijk.
Clogged = verstopt. Reluctance = tegenzin.
To disrupt = ontwrichten.
Sign = uithangbord. To bow = buigen.
Retail business = detailhandel. Thoroughfare = doorgang.
To prosper = bloeien. Auction = veilig.
Disaster = ramp. Eigenlijk = strictly speaking.
To engulf = doen ondergaan. Geleidelijk = to evolve.
Determination = vastberadenheid. ontstaan
To replenish = aanvullen. Filosoof = philosopher.
Stock = voorraad. Zigeuner = Gypsy.
Loyal = trouw. Ik moet = I must admit…
To grant = verlenen. toegeven…
To supply = leveren. Ik ben hier = I was born and
Grand piano = vleugel. geboren en getogen. bred here.
Pedigree = stamboom. Ik zie geen = I see no
Elaborate = uitgebreid. verband. connection.

Jenny: I saw you in the Sports Centre yesterday.
Jenny: Ik heb je gisteren gezien in het Sport Centrum.
Andrew: Yes, I went there with Samantha.
Andrew: Ja, ik ben daar met Samantha naartoe gegaan.
Jenny: Did you play squash?
Jenny: Heb je squash gespeeld?
Andrew: Yes, we did.
Andrew: Ja, dat speelden we.
Jenny: Who won the game, you or Samantha?
Jenny: Wie won het potje, jij of Samantha?
Andrew: Samantha beated me; I was exhausted.
Andrew: Samantha versloeg me; ik was uitgeput.
Jenny: What did you do in the evening?
Jenny: Wat heb je gedaan in de avond?
Andrew: I intended to stay at home but then Samantha called.
Andrew: Ik had voorgenomen thuis te blijven maar toen belde Samantha.
Jenny: And then you went out together, I suppose.
Jenny: En toen ging je samen uit, verwacht ik.
Andrew: Yes, we did. We took the Tube to Covent Garden.
Andrew: Ja, we gingen uit. We namen de metro naar Coven Garden.
Jenny: Did you get home late?
Jenny: Ben je laat thuis gekomen?
Andrew: Very late! Samantha asked me to come in for a drink.
Andrew: Heel laat! Samantha vroeg bij haar huis of ik nog even iets kwam drinken.
Jenny: You didn’t accept her invitation, did you?
Jenny: Je weigerde haar uitnodiging, toch?
Andrew: You are curious. Do I sense a little jealousy here?
Andrew: Je bent nieuwsgierig. Voel ik hier een beetje jaloesie?

To carry-carried = dragen. To subdue-subdued = onderwerpen.
To devise-devised = bedenken. To wonder-wondered = zich afvragen.
To slip-slipped = uitglijden. To skid-skidded = slippen/remmen.
To differ-differed = verschillen. To travel-travelled = reizen.
To defer-deferred = uitstellen. To stop-stopped = stoppen.

Twee weken geleden ben ik naar London geweest met mijn klas.
Two weeks ago I went to London with my class.
Zowel studenten als toeristen
Both students and tourists
Ze waren een feestje aan het vieren.
They were having a party.
We zijn ook naar het Rock Circus geweest.
We also went to the Rock Circus.
Terwijl we daar rondliepen, heb ik een leuk meisje ontmoet.
While we were walking about there, I met a nice girl.
We hebben over school gepraat en over muziek.
We talked about school and about music.
Later zijn we samen naar een pub gegaan.
Later we went to a pub together.
Ben jij vorig jaar naar Londen gegaan?
Did you go to London last year?

Little/few
1. Little betekent weinig en wordt gevolgd door een woord in het enkelvoud. Het gaat hier om een hoeveelheid.
We had little homework.
We hadden weinig huiswerk.
The father had little time for his children.
De vader had weinig tijd voor zijn kinderen.
2. Few betekent ook weinig, maar wordt altijd gevolgd door een woord in het meervoud. Hierbij gaat het om een aantal.
Few people know that he is in hospital.
Weinig mensen weten dat hij in het ziekenhuis ligt.
Few cats really like dogs.
Weinig kitten houden echt van honden.

A little/A few
1. A little betekent een beetje en wordt gevolgd door een woord in het enkelvoud. Het gaat hierbij om een hoeveelheid.
She’d like a little milk in her tea.
Ze wil graag wat melk in haar thee.
Take a little soup.
Neem een beetje soep.
2. A few betekent enkele of een paar en wordt gevolgd door een woord in het meervoud. Hierbij gaat het om een aantal.
A few children visited their sick teacher.
Een paar kinderen bezochten hun zieke leraar.
I’ve had only a few customers in my shop.
Ik heb maar een paar klanten in mijn winkel gehad.

When/If.
1. When betekent als of wanneer en kan vervangen worden door op het tijdstip dat.
I’ll buy those shoes when I get my wages.
Ik koop die schoenen als ik mijn loon krijg.
When they were in London they bought some Wedgewood plates.
Toen ze in Londen waren, kochten ze enkele Wedgewood-borden.
2. If betekent als of indien en geeft een voorwaarde aan.
They will go the Zoo tomorrow if it doesn’t rain.
Ze gaan morgen naar de dierentuin als het niet regent.
If you need help, my father will help you.
Als je hulp nodig hebt, zal mijn vader je helpen.

Chapter 3.
probe = onderzoek. bribe = steekpenning.
thuggery = gewelddadigheid. to allege = beweren.
magistrates = politierechter. to admit = toegeven.
unsuitable = ongeschikt. to resign = ontslag nemen.
complacent = zelfgenoegzaam, court = gerechtshof.
tevreden met jezelf. favour = gunst.
disturbing number = verontrustend aantal. to stress = benadrukken.
concern = bezorgdheid. to obtain = (ver)krijgen.
education secretary = minister van Onderwijs. statement = verklaring.
reluctant to carry out= onwillig om uit te voeren. to reveal = onthullen.
blamed disruption = gaf de schuld v. d. wanorde.attempt = poging.
drab = kleurloos. intelligence = inlichtingen.
shortage of textbooks= tekort aan tekstboeken. investigation = onderzoek.
extent = omvang. major = belangrijk.
trustworthy = betrouwbaar. to fine = beboeten.
data = gegevens. to charge with= beschuldigen van.
infuriated = razen gemaakt. on probation = op proef.
survey = overzicht. burglary = inbraak.
offensive verbal abuse= beledigend taalgebruik.to imply = inhouden.
legal assistance = rechtsbijstand. function room= feestzaal.
assault = aanval. prevention = het voorkomen van.
to enlist help = hulp inroepen. to suspect = vermoeden.
evil intentions = kwade bedoelingen. to participate in= deelnemen aan.
to decrease = afnemen.
When did you start it? =Wanneer bent u ermee begonnen?
Let’s do something about it = Laten we er iets aan doen.
I haven’t the slightest idea = Ik heb geen flauw idee.
Could you say a little more about that? = Kunt u daar iets meer over zeggen?
Don’t pry into my affairs = Bemoei je niet met mijn zaken.
Mind your own bussiness = Bemoei je met je eigen zaken.

We have had lots of burglaries in this area.
We hebben een heleboel inbraken gehad in deze buurt.
We have taken the decision to do something about it.
We hebben het besluit genomen om er iets over te doen.
Have you invited all the people in this area to participate?
Heb je alle mensen in de buurt uitgenodigd om deel te nemen?
We haven’t enlisted any professional help.
We hebben geen professionele hulp nodig gehad.
We have showed people what they can do about the safety of their houses.
Wij hebben mensen laten zien wat zij over de veiligheid van hun huizen kunnen doen.
My parents have bought some extra locks and bolts.
Mijn ouders hebben wat extra sloten en bouten gekocht.
Has a policeman not given advice on crime prevention?
Heeft er geen politie-agent advies gegeven over misdaad voorkoming?
Yes, he has. He has told us quite a lot about how burglars operate.
Ja, dat heeft hij. Hij vertelde ons vrij veel over hoe inbrekers te werk gaan.
Crime has decreased considerably the last few years.
De misdaad is aanzienlijk afgenomen de laatste paar jaren.
The other day I witnessed a real robbery.
De andere dag getuigde ik een echte overval.
Two masked men entered the stationer’s where I was waiting for my turn.
Twee gemaskeerde mannen gingen stationer's in waar ik op mijn beurt wachtte.
I have bought my stationery there ever since I have moved to Ealing Broadway.
I heb mijn kantoorbehoeften daar gekocht vanaf dat ik verhuisde naar Ealing Broadway.
I found a nice apartment there two years ago and I have enjoyed living there ever since.
Ik vond een leuke flat daar twee jaren geleden en ik genoot ervan daar the wonen.
I admit that I was quite shocked when I saw the two men enter the shop.
Ik geef toe dat ik vrij geschokt was toen ik de twee mannen de winkel zag inkomen.
I’ve never been present at a robbery before.
Ik ben nog nooit aanwezig geweest bij een overval.
Mr Fowles, the owner, behaved very wisely.
Meneer Fowles, de eigenaar, gedroeg zich erg slim/rustig.
He is a grey-haired little man whom I always liked for his humour and good-naturedness.
Hij is een grijsharige kleine man vanwie ik altijd van zijn goede humeur en zijn goede eigenschappen hield.
He gave the men some money and they have left the shop in a hurry.
Hij gaf de mannen wat geld en hun verlieten gehaast de winkel.
The police arrived soon after that, but I don’t know if they ever catched the robbers.
De politie arriveerde kort erna, maar ik weet niet of ze ooit de overvallers hebben gepakt.

furious = woedend. brand-new = splinternieuw.
it’s your own fault = het is je eigen schuld. sensible, wise = verstandig.
to be blamed for = de schuld krijgen to beat up = in elkaar slaan.
something van iets. theft = diefstal.
to report = aangeven. burglary = inbraak.
petty crime = kleine misdaad. to wonder = zich afvragen.
bagsnatching = tasjesroof. crime = de misdaad.
to solve a problem = een probleem oplossen. I just had to get = Ik moest het
it off my chest even kwijt.

To bring/to take
- To bring betekent brengen in de betekis van meebrengen. Er komt iets naar de spreker toe. To bring – brought – brought.
When they came to visit us they brought flowers and chocolates.
Toen ze bij ons op bezoek kwamen brachten ze bloemen en chocola mee.
- To Take betekent brengen in de betekenis van wegbrengen. Er gaat iets bij de spreker vandaan. To take – took – taken.
Shall I take this parcel to the post?
Zal ik dit pakje naar de post brengen?

In time/on time
- In time betekent op tijd voor iets of om iets te gaan doen.
Will you be home in time for dinner?
Ben je op tijd thuis voor het eten?
We arrived at the theatre just in time to see the play.
We kwamen net op tijd in het theater aan om het toneelstuk te zien.
- On time betekent op tijd, punctueel, zoals afgesproken of geregeld.
It’s a miracle; the train left on time!
Het is een wonder; de trein is op tijd vertrokken!
Try to be on time tonight.
Probeer vanavond op tijd te komen.

Last/latest
- Last betekent (aller)laatste.
December is the last month of the year.
December is de laatste maand van het jaar.
This is the last novel he wrote before he died.
Dit is de laatste roman die hij schreef voor zijn dood.
- Latest betekent laatste (tot nu toe), meest recente.
Have you heard the latest news?
Heb je het laatste nieuws gehoord?
I haven’t read her latest novel yet.
Ik heb haar laatste roman nog niet gelezen.

Chapter 4.
perilously = gevaarlijk. similar = soortgelijke.
collapsed = instorte. desperate = hopeloos.
acquinted with = op de hoogte van. bloody-mindedness = eigenwijsheid.
resistance = weerstand. to vomit = braken.
aware of = bewust van. inevitably = onvermijdelijk.
concedes = geeft toe. crucial = van groot belang.
merits = verdiensten. consideration = overweging.

curb = beperking. off = ter hoogte van.
to come into force = van kracht worden. concern = bezorgdheid.
to ban = verbieden. insurance = verzekering.
to charge = in rekening brengen. to launch = te water laten.
fee = vergoeding. council = gemeenteraad.
craft = vaartuig. to limit = beperken.
compulsory = verplicht. MP(Member of = parlementslid.
Parliament)
Bill = wetsvoorstel. to head to = gaan naar.
to donate = schenken. leisure = vrije tijd.
to tackle = aanpakken. inconsiderate = onattent.
Where are you from? = waar kom jij vandaan?
I don’t know much about soccer. = ik heb geen verstand van voetbal.
You’re probably right. = je hebt waarschijnlijk gelijk.
Where does the tournament take place? = waar vindt het toernooi plaats?
Better luck next time. = volgende keer beter.

Jim wasn’t at home because he had gone to a footbal match.
Jim was niet thuis omdat hij naar een voetbalwedstrijd was gegaan.
His mother told me he had left at two o’clock.
Zijn moeder vertelde me dat hij was vertrokken om twee uur.
When I arrived at the football pitch, the match had begun ten minutes earlier.
Toen ik aankwam bij het voetbalveld, de wedstrijd was al 10 minuten bezig.
The opposing team had already scored a goal.
De tegenpartij had al een goal gescoord.
Jim told me he had never seen such a beautiful goal.
Jim vertelde me dat hij nog nooit zo’n mooie goal had gezien.
He added that the goalkeeper had injured himself while he was trying to stop the ball.
Hij voegde erbij toe dat de keeper zichzelf had verwond terwijl hij de bal probeerde te stoppen.
They had carried him off the field and an ambulance had taken him to hospital.
Ze hadden hem van het veld gedragen en een ambulance had hem meegenomen naar het ziekenhuis.
After we had left the football pitch, we went to a pub.
Nadat we het voetbalveld hadden verlaten, gingen we naar een café.
Jim treated us to a drink because he had won a prize in the lottery.
Jim gaf ons een drankje omdat hij een prijs had gewonnen in de loterij.
He told us he had promised his girlfriend to go to Paris with her.
Hij vertelde ons dat hij had beloofd met zijn vriendin naar Parijs te gaan.
We knew who she was because we met before.
We wisten wie ze was omdat we haar wel eens ontmoet hadden.
He had been a famous sportsman in his youth and he could tell interesting stories.
Hij was een bekende sportman geweest in zijn jeugd en hij kon interessante verhalen vertellen.
I didn’t eat the peas because I had forgot to buy a tin opener.
Ik heb geen bonen gegeten omdat ik was vergeten om een blikopener te kopen.
They couldn’t play football because it had rained all the previous week.
Ze konden geen voetbal spelen omdat het de vorige week had geregent.
Susan had finished her work so she went home.
Susan was klaar met haar werk dus ging ze naar huis.
The child gave me the flowers she had just picked.
Het kind gaf me de bloemen die ze net had geplukt.
She hadn’t arrived by five o’clock so I didn’t waiting any longer.
Ze kwam niet aan om vijf uur dus ik wachtte niet langer.
Stephen was very happy because his uncle had send him a cheque for one hundred
pounds!
Stephen was erg blij omdat zijn oom hem een cheque met honderd pond had gestuurd!
The soldiers were feeling exhausted because they had marched all night.
De soldaten voelden uitgeput omdat ze alle nachten hadden gemarcheerd.
He lived quietly on a little money he had saved before his retirement.
Hij leefde op een klein beetje geld dat hij had gespaard voor(van plaats) zijn pensioen.

on behalf of = namens. further information = nadere informatie.
tournament = toernooi. average level = gemiddeld niveau.
participate = meedoen. foreign = buitenlands.
to put up = huisvesten. in private houses = bij particulieren.
youth hostel = jeugdherberg. accomodation expenses = verblijfkosten.
to meet = afhalen. I do hope = ik hoop van harte.

To say/to tell
- To tell kan worden gevolgd door een lijdend voorwerp.
He told me the truth = hij vertelde me de waarheid.
She told her son a story = ze vertelde haar zoon een verhaaltje.

- To say kan niet worden gevolgd door een lijdend voorwerp, alleen door een bijzin of door so.
They said that they went shopping. = ze zeiden dat ze gingen winkelen.
I said so. = dat zei ik.

Small/narrow
- Small betekent klein.
They live in a small cottage = ze wonen in een klein huisje.
It’s only a small amount of money.= het is maar een klein geldbedrag.
- Small betekent ook jong.
She has three small children = ze heeft drie kleine/jonge kinderen.
When I was small we lived in a suburb of Manchester.= toen ik jong was woonden we in een voorstad van Manchester.

- Narrow betekent smal.
This bridge is too narrow for our car. = deze brug is te smal voor onze auto.
They live in a very narrow street. = zij wonen in een erg smalle straat.
- Narrow betekent ook nipt of krap.
It was a narrow victory. = het was een krappe overwinning.
That was a narrow escape! = dat was een nipte ontsnapping!

Fault/mistake
- Fault betekent fout, schuld.
It will be your own fault if you don’t pass your exam. = het is je eigen schuld als je niet voor je examen slaagt.
The accident wasn’t my fault. = het ongeluk was niet mijn fout.

- Mistake betekent fout, vergissing.
It was a big mistake not to book an earlier flight. = het was een grote vergissing dat we niet een eerdere vlucht geboekt hadden.
The teacher corrected the mistakes in my essay. = de leraar corrigeerde de fouten in mijn opstel.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.