Desiderius Erasmus: Stultitiae Laus

Beoordeling 4.5
Foto van een scholier
  • Keuzeopdracht door een scholier
  • Klas onbekend | 1749 woorden
  • 4 februari 2009
  • 11 keer beoordeeld
  • Cijfer 4.5
  • 11 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Lof der zotheid.
“Stultitiam laudavimus, sed non omnino stulte.”
“Mijn lof der zotheid is zo zot nog niet.”
(Brief aan Morus)

“…nec aliud est vita humana, quam stultitiae lusus quidam.“
“Al met al is het menselijk leven niets anders dan een grapje van de Zotheid.” (hfdst. 27)

Weinig stervelingen hebben in hun tijd de literatuur en de mensheid als dusdanig beïnvloed als Erasmus. Zijn belangrijkste werk, Stultitiae Laus, getuigt van politiek, sociaal en religieus engagement. Op literair vlak volgt hij zijn tijdsgenoten: in zijn werk herkennen we immers vele kenmerken van de renaissance en het humanisme.
Vanaf zijn jeugd maakte Erasmus kennis met de scholastieke theologie, de devotie en het humanisme, drie belangrijke bewegingen in zijn tijd[2]. Het humanisme kwam op rond 1500. Erasmus is niet bijzonder in deze humanistenwereld, wel ontwaren we zijn eigen accenten. Typisch voor het humanisme is in de eerste plaats de belangstelling voor de klassieke oudheid in al haar dimensies. Erasmus vroeg al vanaf zijn kindertijd naar studie van de klassieke teksten[3]. In Stultitiae Laus vinden we veel verwijzingen naar deze periode, zoals bv. de verwijzingen naar antieke filosofieën zoals het sofisme (hfdst. 2) en naar de oude goden (hfdst. 5, 7, …). Verder is het werk doordrenkt met citaten van klassieke auteurs als Homerus en Vergilius (brief aan Morus), Plato (hfdst. 66) en Plinius (hfdst. 10). Ook schrijft Erasmus zijn tekst in het Latijn uit bewondering voor de klassieke oudheid. Erasmus is gefascineerd door de mogelijkheden van de taal en ergert zich aan wie die mogelijkheden in de wind slaat. Het slordige kerkelijke Latijn uit zijn tijd stoort hem (hfdst. 53) en uit de tekst zelf kunnen we afleiden dat hij correct Latijn schrijft. Deze passie voor de talen uit de oudheid is eveneens eigen aan de humanistische beweging.


De humanistische wetenschapsmethode is gebaseerd op dialectiek en retorica[4]. Door tegengestelde situaties te bestuderen komt men tot een algemene stelling waarvan men het publiek wil overtuigen. Ook Erasmus gebruikt de taal als overredingsmiddel, want zijn werk heeft de stijl van een Ciceroniaanse redevoering. Het exordium, de brief aan Morus, bevat alle elementen uit de klassieke retorica. In de brief aan Morus wordt de aandacht eerst getrokken door de insinuatio: mijn zotheid is zo zot nog niet. Vervolgens wekt Erasmus nieuwsgierigheid op in het attentum parare door aan te kondigen dat hij met iedereen zal spotten en zo vraagt de lezer zich af met wie. Het benevolum parare is hier het winnen van de sympathie van Morus, opdat hij de rede van de Zotheid zou verdedigen. Het docilem parare staat in dienst van het docere en vinden we door de verwijzing naar filosofen uit de oudheid die ook met de maatschappij de spot dreven en naar historische feiten, zoals de val van Bizantium. De narratio zegt dat het menselijk leven niets anders is dan een grapje van de Zotheid en dat er twee vormen van dwaasheid bestaan: een negatieve en een positieve vorm. De argumentatio looft de positieve vormen van zotheid zoals bv. de liefde (hfdst. 20) en bekritiseert de negatieve vormen ervan, zoals bv. oorlog (hfdst. 23). Vele aspecten van het leven worden ofwel geprezen ofwel veroordeeld. Hieruit blijkt de aanwezigheid van zowel confirmatio als refutatio. De peroratio herhaalt nog eens dat de goede vorm van zotheid zalig is, wat nu met allemaal argumenten bewezen is in de amplificatio, en pleit voor naastenliefde (hfdst. 67). Dit pleit ontroert het publiek en daarom kunnen we hier spreken van movere. Dan sluit Erasmus zijn redevoering af (hfdst. 68) door te stellen dat wie het nu nog niet gesnapt heeft, niet geluisterd heeft. Deze nabootsing van de klassieke retorica is nogmaals een bewijs van de inspiratie die Erasmus put uit de oudheid.
Een tweede kenmerk van het humanisme is de stijlvolle aristocratische levenskunst. Kunstenaars vinden onderdak en mecenaat aan aristocratische hoven. Erasmus moest eveneens vechten om in leven te blijven en bedelde bij zijn begunstigers in de oude Nederlanden. Ook in Stultitiae Laus merken we dat hij enerzijds zijn begunstigers niet wil beledigen door te schrijven dat de vader van Stultitia, die hij met zichzelf vereenzelvigt, Plutus is, de god van het kapitaal (hfdst. 7), die het leven gemakkelijk maakt. Anderzijds bekritiseert hij dat een rijkaard zich alles kan permitteren en bv. slechts een penning moet offeren om zich een kras plaatsje in de hemel te verwerven (hfdst. 40). Deze afhankelijkheid van de aristocratie en het contact met de aristocratische cultuur geven Erasmus duidelijk inspiratie bij het schrijven.
Een derde kenmerk van het humanisme is antropocentrisme. Niet God, maar de mens staat centraal. Hij heeft zelf zijn lot in handen en wil de wereld leren kennen met zijn eigen verstand. Een logisch gevolg van dit bewuste kosmopolitisme is dat humanisten vaak reizen. Ook Erasmus reisde vaak en schreef zijn Stultitiae Laus op reis van Italië naar Engeland. Door zijn vele reizen werd Erasmus beroemd en kwam hij in contact met bisschoppen en vorsten die hij bekritiseerde (hfdst. 24, 36, 44, 57, 59, …). Tevens ontmoette hij geestesverwanten uit andere landen, en zo werd het Erasmianisme geboren[5]. Deze beweging wees de scholastiek af, bracht een op de Bijbel gegronde vernieuwing op gang en wilde de verworvenheden uit de klassieke oudheid toepassen op de theologie. Erasmus interpreteerde de Bijbel opnieuw aan de hand van een Griekse tekst en zo ontstond het Bijbels humanisme. Ook in Stultitiae Laus verkondigt Erasmus hoe je de Bijbel moet interpreteren en de tekortkomingen van de Kerk hierin.
Een vierde kenmerk van het humanisme is een kritische geest en de strijd voor vrijheid tegen het gezag. In het dagelijkse leven was Erasmus een intelligente, vernieuwing brengende en kritische persoonlijkheid. Een bewijs hiervan zijn zijn studies in de godgeleerdheid aan de Sorbonne die hem echter teleurstelden en de professoraten die hij niet aanvaardde[6]. Uit Stultitiae Laus blijkt ook dat Erasmus alles wat theologie betreft door en door kent (hfdst. 63, 65) en tracht te vernieuwen op vernuftige wijze (hfdst. 64). Bovendien doorziet hij de manier waarop de Kerk dit alles interpreteert (hfdst. 60). Zijn intelligentie blijkt ook uit zijn vriendschap met hoogstaande geleerden als de filosoof Morus en de theoloog Collet. Ook in Stultitiae Laus uit Erasmus zijn vriendschap en bewondering voor Morus door zijn werk aan hem op te dragen vanwege Morus’ kritische kijk op de wereld (brief aan Morus).

Na het voorwoord gericht aan Morus spuit Erasmus kritiek in naam van een vrouwelijke persoonlijkheid, Moria, de Zotheid, zodat niemand hem in eigen persoon iets zou kunnen verwijten, want dwaze kritiek van een vrouw werd toen door de mensen aanvaard[7]. Erasmus bekritiseert niet alleen de gewone man, maar ook de vorsten en vooral de godsdienst. Godsdienst leek niets anders te zijn dan verering van beelden en relikwieën. De Kerk bepaalde alles en misbruikte haar macht. Dit werk is een strijd tegen het belang dat de Kerk in die tijd enkel hechtte aan het stoffelijke. Moria maakt een onderscheid tussen ‘zijn’ en ‘schijn’ en bekritiseert een wereld die dit onderscheid niet inziet.

Tot slot zou ik nog kort de wijze waarop dit werk werd onthaald willen behandelen. De interpretaties van Erasmus’ werk zijn uiteenlopend. Een eerste groep mensen beoordeelt Stultitiae Laus als een relativistisch, subjectivistisch en sceptisch werk. Volgens hen leeft zijn werk van de negatie en breekt het enkel af zonder vaste norm. Door de Bijbel op zijn manier uit te leggen, ondergraaft Erasmus het dogma van de Kerk, want hij geeft structureel gezien kritiek op de Kerk door de sacramenten waaronder de biecht in vraag te stellen (hfdst. 60). Dit alles wekt ergernis op bij de Kerk en daarom beschuldigde men hem van ketterij. Erasmus zaait twijfel tot misnoegen van de Kerk. Een goed voorbeeld hiervan is zijn spot met de theologen wiens bevindingen voordien steeds voor waar werden aangenomen. Ook stelt hij in naam van Moria de wetenschap in vraag door zich bijvoorbeeld af te vragen of de wijsgeer geen zotgeer is (hfdst. 5). Voor Erasmus is er geen objectief vaststaande waarheid. Daarom wordt hij door de Kerk als een groter gevaar gezien dan de protestantse of katholieke tegenstander en werd zijn werk op de index geplaatst. Eeuwen lang hield deze visie stand[8].

Een tweede visie uit 1990 beschrijft Erasmus als een laffe, gewetenloze man die het eens was met Luther, maar er niet voor durfde uitkomen. Zowel Erasmus als Luther bekritiseren dat godsdienst niet meer inhoudt dan het vereren van relikwieën. Erasmus stelt dat het vereren van beelden belachelijk is, want dan vereert men beelden en geen goden (hfdst. 47) en ook het protestantisme is een tegenstander van de beeldenverering. Verder bekritiseren zowel Luther als Erasmus de sacramenten, maar verder zijn Luther’s en Erasmus’ visie op de wereld tegenstrijdig. Erasmus was immers niet kritisch door Luther, maar door zichzelf en proclameert de goedheid van de mens die in zijn beste ogenblikken naar God kan reiken. Volgens Luther regelt God alles, is er naast God enkel de duivel en kan de mens nooit God evenaren. Erasmus streeft naar harmonie en vrede, gelooft in de optimistische relatie van het individu tot God en is veel optimistischer dan Luther, want hij lacht het leven tegemoet. Deze tweede visie is dus incorrect[9].
De derde interpretatie is de visie van zijn bewonderaars. Zij zagen hem als een vernieuwer van Kerk en theologie die de Middeleeuwen als een periode van verval beschouwde. Hij maakte de oorspronkelijke christelijke theologie uit de eerste eeuwen weer dienstbaar in een nieuwe gestalte en trachtte de Kerk te hervormen naar haar eigen voorbeeld van vroeger. Zijn kritiek had in de ogen van de mensen een positief doel en bleef doorleven in de jaren ’20, omdat de mensen zich nog niet bewust waren van de kerkscheuring die zich probeerde af te tekenen. Erasmus bleef een grote leidsman, zowel voor reformatoren als aan de kant van de katholieken zelf. Velen zagen in hem de enige die de dreigende kerkscheuring kon voorkomen. Hij streeft naar verzoening tussen het profane en het theologische door de theologie toegankelijk te maken voor de gewone man met de bedoeling verdraagzaamheid te creëren. Door zijn streven naar een nieuwe maatschappij, zijn nieuwe wetenschapsmethode en zijn visie op een consequente toepassing van de Bijbel was hij het centrum van een vernieuwingsbeweging met idealistisch elan[10].
[1] Aangezien ik een visuele handicap heb, heb ik een versie op cassette gebruikt en kan ik geen pagina-nummers vermelden.
[2] Augustijn, C. 1986. Erasmus. Amsterdam : Ambo/Baarn.
[3] Augustijn, C. 1986. Erasmus. Amsterdam : Ambo/Baarn.
[4] Augustijn, C. 1986. Erasmus. Amsterdam : Ambo/Baarn.
[5] Augustijn, C. 1986. Erasmus. Amsterdam : Ambo/Baarn.
[6] Van Damme, D. 1960. Erasmus. Antwerpen/Utrecht : Spectrum.
[7] Indestege L. 1937. ‘Rondom Erasmus’ Lof der zotheid’. Oostland-reeks 2. Tongeren : Michiels.
[8] Augustijn, C. 1986. Erasmus. Amsterdam : Ambo/Baarn.
[9] INDESTEGE L. 1937. ‘Rondom Erasmus’ Lof der zotheid’. Oostland-reeks 2. Tongeren : Michiels.
[10] Augustijn, C. 1986. Erasmus. Amsterdam : Ambo/Baarn.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.