Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen

Het Orgetlej

Beoordeling 5.5
Foto van een scholier
  • Gedichtbespreking door een scholier
  • Klas onbekend | 5512 woorden
  • 22 juni 2003
  • 31 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.5
  • 31 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Vooraf

1. Titel: Het orgeltje van Yesterday
Schrijver: Rutger Kopland
Jaar van eerste uitgave: 1968
Druk: de zestiende druk

2. Rutger Kopland, pseudoniem van de op 4 augustus 1934 te Goor geboren Rutger Hendrik van den Hoofdakker, woont in Glimmen. Hij is dichter, psychiater, essayist en emeritus hoogleraar biologische psychiatrie. Kopland woonde van 1941-1946 te Bussum, van 1946-1951 te Assen waar hij het gymnasium volgde. Hij studeerde geneeskunde te Groningen (1951-1959). Hij stopte na zijn studietijd met het schrijven van gedichten, maar pakte de draad in 1964 weer op. Zijn vriend Aad Nuis - bedenker van het pseudoniem 'Kopland' moedigde hem aan tot het publiceren van zijn poëzie.
Kopland kan een van 's lands populairste dichters genoemd worden: zijn bundels beleven herdruk op herdruk en bij de verkiezing van De Dichter des Vaderlands kreeg hij net enige stemmen meer dan Gerrit Komrij – maar Kopland bedankte voor de eer.

Hij schreef poëzierecensies voor het 'Algemeen Dagblad' en was medewerker aan o.a. Tirade', 'Revisor', 'De Gids', 'Dietsche Warande & Belfort'. Rutger Kopland kreeg o.a. de Jan Campertprijs 1970 en de PC Hooftprijs 1988.
Hij heeft ook geschreven: Onder het vee, Alles op de fiets, Wie wat vindt heeft slecht gezocht, Een lege plek om te blijven, Al die mooie beloften, Dit uitzicht, Voor het verdwijnt en daarna, Dankzij de dingen, Geduldig gereedschap en Het mechaniek van de ontroering (essays).

3. De bundel telt 39 bladzijden en 27 gedichten. De meeste gedichten vallen onder
een thema en er staan ook een paar ‘losse’ gedichten tussendoor. Alle gedichten en thema’s (de afdelingen) hebben een titel. De gedichten verschillen heel erg in lengte. Er is geen titelgedicht die je in verband kunt brengen met de titel van de gehele bundel.

4. De titel van een afdeling geeft vaak de stemming aan van het gedicht.
Bijvoorbeeld Drie Wintergedichten zijn drie sombere gedichten en Drie voorjaarsgedichten zijn drie vrolijkere gedichten. Er zijn veel gedichten die over de dood gaan en over ‘de zin van het leven’ in deze bundel, maar er zijn ook een aantal grappige gedichten.

Analyse van 5 gedichten uit de bundel

Verhaaltje voor jullie

Er waren twee kabouters, At en Ot,

zo klein dat zij niet in mens
geloofden, alleen een beetje in god.
Op een dag naar het leek als altijd
kwam een prinsesje voorbij. Ze zei kijk
dat is aardig, bukte en alsof zij bloemetjes
plukte, pakte zij Ot en At en stak
zoals alle prinsesjes de hele zaak in haar zak.
Zo kwamen zij in het paleis, de avond
viel, dat hou je niet tegen, maar terstond
ontstak het prinsesje opnieuw de zon,
zodat Ot en At ineens wisten dat
zij waren in het paradijs en god bestond.
Dat was de eerste dag. Zij sliepen die nacht
In luciferdoosjes van de koning onder zacht
geurende zakdoekjes van de koningin.
En de volgende dag vroeg het prinsesje, wat
zal ik eens voor jullie kopen, waarin
hebben jullie nu de meeste zin.
En Ot en At wilden natuurlijk dat
het kermis was met chocola, een reuzenrad,
draaimolens en heel veel limonade.
Toen ging het prinsesje naar de stad
en wat bracht zij wel mee?
Vliegtuigjes, botsauto’tjes, geweertjes
een draaiorgeltje van jesterdee
slagroomijs en mooie rooie kleertjes.
En het werd alle dagen kermis in ‘t paleis
want At en Ot konden de trappen eerst
niet op of af en nooit alleen naar de w.c.
maar met het vliegtuigje ging het van een twee
drie en was het prinsesje van de wijs
dan draaiden zij het orgeltje van jesterdee.
Maar ook moesten de kabouters leren.
En Ot telde op en At trok af.
Ze kregen boeken met gouden woorden,
zo groot dat zij uren langs de blad-
zijden moesten lopen en ze zere
voeten kregen van het leren begrijpen
wat er stond en de potloden waren
zo zwaar dat ze alleen maar samen
en dan nog hele korte brieven konden
schrijven, bijvoorbeeld alleen hun namen.
En toen de dagen voorbij waren in het paleis
gingen zij weer weg, het was een lange reis
terug naar het bos en hun huisje stond
er als altijd. Hoe het prinsesje dat wel vond?
Ze huilde zoals ze nog nooit had gehuild,
totdat zij op een dag aan het paleisraam stond
en uit de bomen van het park een duif
verscheen met een klein briefje in zijn mond,
zo klein dat zij het haast niet lezen kon.
Er stond: dag god een zoen van At en Ot.

De interpretatie van het gedicht

1. Ik heb het gedicht gekozen omdat ik het wel grappig vond.

2. Het gedicht is een soort sprookje. Het gaat over twee kabouters die op een dag door een prinsesje mee worden genomen naar het paleis en daar de leukste dagen van hun leven hebben. Na een paar dagen (of weken?) gaan ze weer naar huis.

3. Het gedicht heeft geen bekende versvorm, het zijn gewoon 53 regels die onder elkaar zijn gezet. De strofebouw is onregelmatig.
In het gedicht zit veel eindrijm, maar er zit geen rijmschema in. Een voorbeeld van eindrijm: ‘Dat was de eerste dag. Zij sliepen die nacht
in luciferdoosjes van de koning onder zacht’.
en “En toen de dagen voorbij waren in het paleis
gingen zij weer weg, het was een lange reis”

Er zitten ook een paar enjambementen in. Dit is een stukje van 5 regels, waar al 4 enjambementen in zitten: ‘Op een dag naar het leek als altijd
kwam een prinsesje voorbij. Ze zei kijk
dat is aardig, bukte en alsof zij bloemetjes
plukte, pakte zij Ot en At en stak
zoals alle prinsesjes de hele zaak in haar zak’

Twee voorbeelden van alliteratie zijn: ‘de hele zaak in haar zak.’ en ‘En Ot telde op en At trok af. Er zit verder niet zo veel alliteratie in dit gedicht.

Een goed voorbeeld van assonantie in dit gedicht is:
‘Op een dag naar het leek als altijd
kwam een prinsesje voorbij. Ze zei kijk’

De schrijver gebruikt de rijm zodat het gedichtje een ‘lekker leesritme’ heeft. Het verhaaltje wordt er leuker door.

4. Er zit wel beeldspraak in dit gedicht. Een paar voorbeelden van beeldspraak zijn:

“de avond viel” is een personificatie. De schrijver gebruikt dit om aan te geven dat het avond werd en op deze manier komt dat leuker over. Het klinkt ook “leuk” omdat “de avond viel” een beetje een cliché is.

“zacht geurende zakdoekjes van de koningin” is een synesthesie. Hier mee worden zakdoekjes bedoeld die lekker ruiken, maar geen overheersend parfum hebben.

“een draaiorgeltje met jesterdee” is een metonymia. De schrijver bedoeld hiermee een orgeltje van vroeger (jesterdee=yesterday=gisteren in het Engels) en ook dat het liedje Yesterday van de Beatles erop gespeeld werd. Hij noemt dus niet de makers van het liedje, maar het liedje zelf.

“ze stak zoals alle prinsesjes de hele zaak in haar zak” is een vergelijking met als. De schrijver wil de gewoonte van prinsesjes beschrijven om veel te willen hebben.

Er zitten ook stijlmiddelen in dit gedicht. Een paar voorbeelden zijn:

“een kermis met chocola, een reuzenrad, draaimolens en heel veel limonade” is een opsomming. Al deze dingen wilden Ot en At het liefst hebben.

“Vliegtuigjes, botsauto’tjes, geweertjes, een draaiorgeltje met jesterdee, slagroomijs en mooie rooie kleertjes” is ook een opsomming. Deze dingen had het prinsesje meegenomen. Het zijn ook leuke dingen, maar het was niet wat Ot en At hadden gevraagd.

“Het was alle dagen kermis in het paleis, maar ook moesten de kabouters leren” is een tegenstelling. Eerst mogen de kabouters plezier hebben, maar ze moesten ook dingen leren.

“het ging van een twee drie” is een cliché, waarmee de schrijver aan wil geven dat het erg makkelijk ging.

“Ze kregen boeken met gouden woorden,
zo groot dat zij uren langs de blad-
zijden moesten lopen en ze zere
voeten kregen van het leren begrijpen
wat er stond en de potloden waren
zo zwaar dat ze alleen maar samen
en dan nog hele korte brieven konden
schrijven, bijvoorbeeld alleen hun namen”

Dit is een hyperbool. Het lijkt nu alsof de kabouters niet meer zo aardig behandeld worden.

“boeken met gouden woorden” is een cliché, om aan te geven dat de prinses heel rijk was.

“ze konden alleen maar hele korte brieven schrijven, bijvoorbeeld alleen hun namen” is een hyperbool. Het geeft aan dat ze heel erg lang deden over iets schrijven, want hun naam heeft maar twee letters, en terwijl ze het samen schreven waren ze nog heel lang bezig.

Het prinsesje kreeg een heel klein briefje met miniletters van At en Ot, terwijl ze in het paleis juist hele grote letters moesten maken. Dit is een tegenstelling.

Ik denk dat ik het gedicht niet hoef samen te vatten in eigen woorden, omdat het een heel letterlijk gedicht is.
De titel van het gedicht is ‘Een verhaaltje voor jullie’. Je kunt dat heel letterlijk opvatten. Het is een verhaaltje, leuk geschreven in de vorm van een gedicht en het is voor jullie, dus voor iedereen die het gedicht wil lezen. Tussen alle gedichten waar je goed over na moet denken staat een luchtig verhaaltje. “Het orgeltje van jesterdee” is de titel van de bundel en komt alleen voor in dit gedicht.

De beoordeling van het gedicht.

1. Het thema van het gedicht is tegenstellingen. Je vindt overal ter wereld de tegenstellingen klein-groot en arm-rijk. Het thema spreekt mij aan, omdat ik zelf
ook van die tegenstellingen zie in onze maatschappij. Tegenstellingen hebben altijd al bestaan, dus is het een thema van alle tijden. Ik zou het gedicht willen lezen, voordragen of beluisteren als ik in een vrolijke stemming ben. Het is niet een gedicht dat bij een droevige stemming past, omdat het verhaaltje grappig is.

2. Het gedicht is qua taalgebruik niet moeilijk om te lezen en ik vind het wel origineel,
omdat de rijm verschilt per regel. Er staan wel een aantal clichés qua taalgebruik in, bijvoorbeeld : “het ging van een twee drie” en “de avond viel”.
De leukste regel van het gedicht vind ik de laatste regel. Het prinsesje staat te huilen bij het raam en er komt een duif aangevlogen met een briefje in zijn mond, waarop heel klein stond geschreven: “dag god en een zoen van At en Ot”. Ik vind het erg leuk gevonden van Rutger Kopland en ik vind het ook leuk dat het rijmt.

3. Ik vind het gedicht vrolijk, makkelijk (simpel), origineel en humoristisch. Het gedicht is heel anders dan andere gedichten, waarvoor je vaak veel
moeite moet doen om het te begrijpen. Je kunt erom lachen en je wordt er vrolijk van.

Weggaan

Weggaan is iets anders
dan het huis uitsluipen
zacht de deur dicht trekken
achter je bestaan en niet
terugkeren. Je blijft
iemand op wie wordt gewacht.

Weggaan kun je beschrijven als
een soort van blijven. Niemand
wacht want je bent er nog.
Niemand neemt afscheid
want je gaat niet weg.

De interpretatie van een gedicht.

Ik heb voor dit gedicht gekozen omdat ik toen ik het voor het eerst las er helemaal niets van begreep, en toen ging ik het nog een paar keer lezen om het beter te begrijpen. Nu zie ik in het gedicht een waarheid, ik vind dit heel leuk en goed gevonden door meneer Kopland.

Ik vind het erg moeilijk om van dit gedicht voor te stellen wat er wordt bedoeld. Maar ik denk dat hij bedoelt dat weggaan en blijven bij elkaar horen en hij probeert een verschil aan te geven tussen weggaan (misschien gaat diegene op wereldreis) en weglopen (dat je alle sporen van jezelf uit je vorige leven uitwist en een heel ander leven gaat beginnen) omdat het dan zeker is dat je niet meer terugkomt. Misschien gaat het wel over de dood, want als je dood gaat blijven je dierbaren aan je denken en ze zullen je ooit weer terug zien.

Het gedicht heeft geen speciale versvorm, het zijn twee strofes. De eerste strofe is een sextet en de tweede een kwintet. Elke alinea begint met hetzelfde woord: weggaan. Verder is de strofebouw onregelmatig.

Het gedicht bevat 1 voorbeeld van eindrijm:
“weggaan kun je beschrijven als
een soort van blijven. Niemand…”
Er zitten wel een aantal enjambementen in. Een voorbeeld hiervan is:
“Weggaan is iets anders
dan het huis uitsluipen”
Er zit alliteratie in dit gedicht, twee voorbeelden daarvan zijn:
“zacht de deur dichtrekken”
“niemand wacht want je bent er niet”
Een voorbeeld van assonantie is: “dan het huis uitsluipen”

Het effect dat de schrijver met deze formele kenmerken bereikt dat het lezen, voordragen of beluisteren van het gedicht leuker wordt.

Een aantal voorbeelden van beeldspraak in dit gedicht:

“weggaan kun je beschrijven als een soort van blijven” is een vergelijking met als. De schrijver zegt dat weggaan hetzelfde is als blijven om aan te geven dat een persoon die weggaat toch vaak bij mensen in hun gedachten achterblijven.

“weggaan is iets anders” is een personificatie. Weggaan wordt voorgesteld als een persoon. De schrijver gebruikt dit om uit te leggen wat weggaan niet is.

Dit zijn dan een aantal stijlmiddelen uit het gedicht:

“Weggaan is iets anders
dan het huis uitsluipen
zacht de deur dicht trekken
achter je bestaan en niet
terugkeren.”

Dit is een tegenstelling. De schrijver wil hier mee zeggen dat weggaan (waarschijnlijk met afscheid nemen) iets anders is dan stiekem wegsluipen en dat deel van je leven afsluiten.

“Niemand
wacht want je bent er nog.
Niemand neemt afscheid
want je gaat niet weg.”

Dit is een paradox. Het lijkt alsof je weg bent maar je bent er nog, omdat je steeds in de gedachten van de mensen blijft. Eigenlijk wachten die mensen ook niet tot je terug komt, omdat je in hun gedachten nog bij je bent. Dus dan nemen ze eigenlijk geen afscheid “in hun hart”.

“zacht de deur dicht trekken achter je bestaan” is een eufenisme. Het kan twee dingen beteken: je gaat een nieuw leven opbouwen en sluit je oude af, of je wilt helemaal stoppen met leven. Bij dat laatste is het een eufenisme.

In de eerste alinea staat: “Je blijft iemand op wie wordt gewacht” en in de tweede alinea staat “Niemand wacht want je bent er nog”. Dit is een tegenstelling, want aan de ene kant wacht iemand totdat je weer terugkomt, terwijl je eigenlijk de hele tijd bij diegene bent (in zijn gedachten).

Als je weggaat is het iets anders dan stiekem (een deel van) je leven afsluiten. Als je weggaat kom je meestal terug dus blijven de mensen op je wachten.
Weggaan is eigenlijk een beetje blijven, omdat de persoon die weggaat in de gedachten van degene die is achtergelaten blijft.

De titel van het gedicht is weggaan. Daar gaat het gedicht ook over: weggaan is niet hetzelfde als (een deel van) je leven afsluiten, maar het lijkt wel een beetje op blijven op de plek waar je het laatst was.

De beoordeling van het gedicht

Het thema van het gedicht is weggaan. Ik had nog niet zo vaak zo over weggaan nagedacht, maar ik heb er nu wel een tijdje over na moeten denken. Daarom vond ik het leuk en leerzaam om dit gedicht te behandelen. Ik vind het een onderwerp van alle tijden, omdat er altijd wel iemand is die weggaat uit je leven.
Ik zou dit gedicht willen lezen, voordragen of beluisteren als ik me goed kan concentreren, zodat ik het makkelijker kan begrijpen. Toen ik het gedicht voor de eerste keer las was ik heel erg moe en toen begreep ik er niets van, maar later wel.

Ik vind het gedicht wel moeilijk om te begrijpen en ook over de beeldspraak moest ik een tijdje nadenken. Ik vind het taalgebruik niet origineel, want er zit niet zoveel “rijm” in wat het lezen leuker maakt. Daarentegen vind ik de beeldspraak erg origineel, want de schrijver vergelijkt het weggaan met iets waar ik het nog nooit mee heb vergeleken. Het leukste gedeelte van de tekst vind ik “weggaan kun je beschrijven als een soort van blijven”. Ik vind dit erg leuk gevonden van Rutger Kopland

Ik vind het gedicht een beetje somber, of leeg, het lijkt alsof er bij het dichten bijna geen gevoel zit, terwijl het thema juist veel met gevoel te maken heeft. Maar het is wel persoonlijk omdat het iedereen aangaat en je kunt er een hele goede les uit leren.

J’s dood.

Toen vader J door moeder A
reeds vrijwel dood in bed gevonden
was en zij zijn overschot
niet meer had kunnen wekken
o god o god o god
laat ons niet alleen, wij waren
ziende blind, horende doof
voor uw woord, stof
zijn wij, zie J.

O nachten in Steenwijk
koeien loeien bij gunstige wind
straten van stille klinkers
om kleine grijze tuinen
bolwerken en grachten al
eeuwen rustend in vrede
o god o god o god
in de torentransen huist de satan
spelend met de wijzers van
de grote klok, tijdelijk
zijn wij, zie J.

Toen zaten wij, J’s kinderen als toen
met A aan tafel, wij aten
zijn brood, dronken zijn ‘drank
vermengd met tranen’
o god o god o god
want A las uit psalm 102:
‘ik gelijk een eenzame vogel op
het dak’ en verder ‘ik verdor
als gras’, zie J.

O groene grazige weiden om Steenwijk
er lijkt zo droevig weinig gebeurd
onder de zon als wij als hij
door het landschap rijden
o god o god o god
‘op haar legerstede des nachts
zocht A haar zielsbeminde
zocht hem, maar vond
hem niet’.

De interpretatie van het gedicht

Ik heb dit gedicht gekozen omdat ik het erg mooi vond om te zien hoe de schrijver zijn verdriet over zijn overleden vader beschrijft.

Het gedicht gaat over de vader van de schrijver die is overleden. Het komt als een grote klap voor de familie. De schrijver beschrijft hoe kort het leven eigenlijk is en hoe eenzaam zijn moeder nu is.

Er zit geen bekende versvorm in het gedicht. De eerste strofe bestaat uit negen regels, de tweede uit elf regels en de derde en vierde weer uit negen regels. Het gedicht heeft een regelmatige strofebouw en de eerste drie strofes eindigen alledrie op “zie J.”

Er zit ook rijm in het gedicht.

Twee voorbeelden van eindrijm zijn: “was en zij zijn overschot
niet meer had kunnen wekken
o god o god o god”
en “in de torentransen huist de satan
spelend met de wijzers van”
en een voorbeeld van volrijm: “koeien loeien”
In dit stukje zitten drie enjambementen: “Toen vader J door moeder A
reeds vrijwel dood in bed gevonden
was en zij zijn overschot
niet meer had kunnen wekken”
Een paar voorbeelden van alliteratie zijn: “straten van stille klinkers”
“O groene grazige weiden om Steenwijk”
“zocht A haar zielsbeminde”
Een paar voorbeelden van assonantie: “voor uw woord”
“om kleine grijze tuinen”

Met deze formele kenmerken maakt de lezer het lezen van de tekst leuker en gemakkelijker.

Dit zijn een aantal voorbeelden van beeldspraak:

“stof zijn wij” is een vergelijking zonder als. Zij waren eigenlijk niets, omdat zij zo vol van verdriet waren dat ze de beslissing van God niet konden begrijpen.

“spelend met de wijzers van de grote klok” is een metafoor. De wijzers van de grote klok stellen het leven voor, tenminste dat denk je omdat het gedicht over dood gaat en de satan met de wijzers van de klok speelt. Als de satan ergens mee speelt is dat niet iets positiefs, het betekent dat hij er voor zorgt dat het leven veel te snel gaat.

“tijdelijk zijn wij” is een vergelijking zonder als. Wij (de mensen) worden vergeleken met dat wij maar een korte tijd (van de eeuwigheid) op aarde leven.

“ik gelijk een eenzame vogel op het dak’ is een vergelijking zonder als. A. vergelijkt zichzelf met een eenzame vogel, omdat ze ook heel eenzaam is nu haar man overleden is (de kinderen zijn ook al het huis uit).

“toen zaten wij, J’s kinderen als toen” is een vergelijking met als. Het eerste woordje ‘toen’ betekent vlak na de dood als de vader toen ze samen aan de tafel zaten met hun moeder, net als ze dat vroeger deden.

Nu een aantal voorbeelden van stijlmiddelen:

“zijn overschot” is een eufenisme voor lijk. Dit is gebruikt om de dood van J. niet te hard te laten overkomen.

“o god o god o god” is een herhaling. Dit wordt gebruikt om aan te geven dat de schrijver eigenlijk een beetje wanhopig is: hij verwijt God dat zijn vader zo vroeg is overleden.

“ziende blind, horende doof” is een paradox. Ze konden wel zien, maar hadden er geen aandacht voor om het te zien. Zo konden ze ook wel horen, maar vanwege het grote verdriet hoorden ze niet echt wat er werd gezegd.

De moeder had de vader dood in bed gevonden. Ze konden niets van zijn plotselinge dood begrijpen en hadden veel verdriet. Dan beschrijft hij de sombere wereld die hij om zich heen ziet en hij vindt dat het leven snel gaat, te snel eigenlijk, want we zijn maar ‘eventjes’ op de wereld.

De titel van het gedicht is “J’s dood.” J is de vader van de schrijver en hij beschrijft hier het verdriet dat hij, J’s andere kinderen en vooral moeder A heeft gehad na het overlijden van J.

De beoordeling van het gedicht

Het thema van het gedicht is doodgaan. Dat doodgaan het thema is, kun je al aan de titel zien. Als iemand doodgaat, heb je veel verdriet en dan kan het helpen om te lezen over hoe anderen met dit verdriet zijn omgegaan. Het gedicht heeft mij zeker geraakt, hoewel ik nog nooit iemand ben verloren die heel dichtbij mij stond. Het is een thema van alle tijden. Ik denk dat je dit gedicht het beste kunt lezen, voordragen of beluisteren als je in een droevige stemming bent.

Het taalgebruik is niet zo moeilijk, maar de beeldspraak wel. Ik heb het een paar keer opnieuw gelezen voordat ik het echt begreep. Ik vind het taalgebruik en de beeldspraak origineel, omdat de schrijver het verdriet bij de dood dit keer heel anders onder woorden brengt. Het leukste vind ik de herhaling van “o god o god o god” omdat ik dat een grappig gebruik van stijlmiddelen vind en het is niet echt duidelijk of dit nu wel bij het thema van het gedicht past of niet, dat kun je zelf invullen.

Ik vind het een droevig, mooi en gevoelig gedicht. Je kunt je goed inleven in dit gedicht, dus is het ook een persoonlijk gedicht.

Gesprekken

I OVER DE GEHEIMEN VAN HET LEVEN

Jij hebt natuurlijk ook je geheimen
zei hij. Wat kon ik zeggen, ieder
antwoord was waar en onwaar. Ik had
toch net geprobeerd geheimen met hem
te delen. Wat ik niet zeggen kon
was voelbaar

Laten we het, om dichtbij te blijven
vergelijken met het gesprek in onze
boomgaard tussen twee lege ligstoelen.

De interpretatie van het gedicht

Ik heb het gedicht gekozen omdat ik het wel een grappig gedichtje vind, maar eigenlijk begrijp ik het nog niet helemaal, dus dat hoop ik door middel van het analyseren te kunnen begrijpen.

Het gedicht gaat over twee mannen die elkaar geheimen vertellen. Ze durven elkaar niet alles te vertellen, of denken dat ze elkaar niet alles hoeven te vertellen, omdat ze het van elkaar kunnen voelen. Omdat ze het gesprek zo moeilijk vinden, doen ze net alsof ze in een boomgaard over van alles en nog wat zitten te praten.

Het gedicht bestaat uit twee strofes, een met zes regels en de ander is een terzine. De strofebouw is onregelmatig.

Er zit weinig rijm in dit gedicht. Een voorbeeld van eindrijm heb ik niet kunnen vinden. Enjambementen zitten er wel in: “Jij heb natuurlijk ook geheimen
zei hij.”
en “Wat ik niet zeggen kon
was voelbaar.”
Twee voorbeelden van alliteratie: “ieder antwoord was waar en onwaar”
“tussen twee lege ligstoelen”
Bij de laatste zitten er twee in.

Een voorbeeld van assonantie is: “om dichtbij te blijven
vergelijken met het gesprek…”

Met deze formele kenmerken maakt de lezer het lezen van de tekst leuker en gemakkelijker.

Twee voorbeelden van beeldspraak zijn:

“Laten we het, om dichtbij te blijven
vergelijken met het gesprek in onze
boomgaard tussen twee lege ligstoelen.”

In dit stukje zit een vergelijking zonder als. Het gesprek over de geheimen van het leven wordt vergeleken met een gesprek over niets in de boomgaard. Daaruit blijkt dat de schrijver het gesprek erg moeilijk vindt om te voeren.
“Het” is hier een metafoor. Waarschijnlijk is “het” een gesprek over de geheimen van het leven, omdat de titel van het gedicht zo heet, maar dat weet ik niet zeker.

Twee voorbeelden van stijlmiddelen zijn:

“ieder antwoord was waar en onwaar” is een paradox. De schrijver geeft hiermee aan dat er eigenlijk geen antwoord op deze vraag bestaat.

“Wat kon ik zeggen” is een retorische vraag. De schrijver verwacht geen antwoord, omdat ieder antwoord waar en niet waar is.

De schrijver heeft een gesprek gehad over de geheimen van het leven met een andere man. De man zegt dat de schrijver ook geheimen heeft, en de schrijver twijfelt daarover omdat hij net al zijn geheimen heeft vertelt (dan zijn het voor hem zelf geen geheimen meer).
Omdat hij het gesprek moeilijk vindt, wil hij het vergelijken met een gesprek over van alles en nog wat in de boomgaard.

De titel van het gedicht is “over de geheimen van het leven”. Dat is waar het gedicht ook over gaat: over de geheimen van het leven en hoe moeilijk de schrijver het vindt om daarover te praten.

De beoordeling van het gedicht

Het thema van het gedicht is geheimen. Het thema staat ook al in de titel. Ik vind het een leuk thema, want iedereen heeft weleens een (groot) geheim. Het onderwerp heeft van het gedicht heeft me wel geraakt, omdat ik het mooi vind hoe de moeilijkheid van het vertellen van een levensgeheim wordt beschreven. Het thema is van alle tijden, omdat er altijd geheimen bestaan bij mensen. Ik zou dit gedicht willen, lezen, voordragen of beluisteren als ik niet heel vrolijk, maar ook niet heel droevig ben, omdat het gedichtje ook dat karakter heeft.

Ik vind het taalgebruik niet moeilijk, maar de beeldspraak wel, omdat ik er lang over deed voordat ik het begreep. Ik vind het taalgebruik en de beeldspraak origineel, omdat het onderwerp nu ‘leuk’ overkomt. Het mooiste stukje vind ik “wat ik niet zeggen kon was voelbaar”. Ik vind het heel mooi als iemand iets van een ander weet zonder dat die ander het heeft gezegd maar diegene heeft het gevoeld.

Ik vind het gedicht origineel, persoonlijk, gevoelig en ook wel vrolijk. Je kunt je erg goed inleven in dit gedicht omdat iedereen wel eens een geheim heeft en je dus in deze persoon (de schrijver) kunt verplaatsen. De beeldspraak maakt het gedicht wat vrolijker.

Juffrouw A.

Op 19 september, een nevelige
negentiende, stapte juffrouw A
aan de verkeerde kant van
haar scheepje Steeds Tevreden
in het Meppelerdiep.

Het was al koud, zij had
de kachel niet aan kunnen krijgen,
haar oude moeder was gestorven,
alles roestte en knarste, vanuit
haar kombuis leken god en
sociale zaken niet te bereiken.
zij ging van boord.

De interpretatie van het gedicht

Ik heb het gedicht gekozen omdat ik het grappig vond. Het grappige is dat echt alles bij Juffrouw A. opeens fout gaat op 19 september.

Ik denk dat het gedicht gaat over een vrouw die altijd alles had en nergens zorgen over hoefde te maken, vandaar dat haar scheepje Steeds Tevreeden heet. Maar sinds 19 september, of misschien al daarvoor (dat weet ik niet) gaan er opeens veel dingen fout. Dat kan Juffrouw A. niet hebben, dus stapt ze weer van boord. Het lijkt mij iemand die er heel slecht tegen kan als haar iets niet lukt of als ze haar zin niet krijgt.

Het gedicht heeft geen bekende versvorm. Het gedicht bestaat uit twee strofes; de eerste strofe is een kwintet en de tweede is een septet. De strofes zijn onregelmatig opgebouwd.

Er zitten een aantal voorbeelden van rijm in dit gedicht, maar ik heb geen eindrijm gevonden.

Wel zitten er een aantal enjambementen in. Drie voorbeelden hiervan zijn:
“Op 19 september, een nevelige
negentiende, stapte juffrouw A
aan de verkeerde kant van
haar scheepje Steeds Tevreden
in het Meppelerdiep.”

Een paar voorbeelden van alliteratie: “nevelige negentiende”, “scheepje Steeds Tevreeden” en “zij had de kachel niet aan kunnen krijgen”.

Een paar voorbeelden van assonantie: “scheepje Steeds Tevreeden”, “krijgen-bereiken” en “vanuit-kombuis”.

Met deze formele kenmerken maakt de lezer het lezen van de tekst leuker en gemakkelijker.

Een aantal voorbeelden van beeldspraak zijn:

Een paar voorbeelden van stijlmiddelen zijn:

“Scheepje Steeds Tevreeden” en de tweede strofe zijn en tegenstelling. Juffrouw A was alsmaar tevreden, een daarom heet het scheepje zo. In de tweede strofe komt de negatieve wending in het verhaal, alles gaat verkeerd en Juffrouw A is niet meer tevreden.


“Het was al koud, zij had
de kachel niet aan kunnen krijgen,
haar oude moeder was gestorven,
alles roestte en knarste, vanuit
haar kombuis leken god en
sociale zaken niet te bereiken.”

Dit is een climax. De schrijver wil hiermee aangeven dat er steeds meer en steeds ergere dingen gebeuren. De opsomming wordtsteeds krachtiger.

“Steeds Tevreeden” is de naam van de boot en is eigenlijk ironisch bedoeld. Juffrouw A was eigenlijk ‘te’ tevreden.

Juffrouw A stapt op een regenachtige, sombere 19 september in haar bootje Steeds Tevreeden, maar aan de verkeerde kant. Ze was steeds maar tevreden en had alles wat ze wenste, tot 19 september, de dag dat ze aan de verkeerde kant aan boord stapte.

Alles ging vanaf toen fout: het was koud en ze kreeg de kachel niet aan, haar moeder was gestorven, er waren geen mensen om haar heen (sociale zaken) en nog een paar dingen. Zij vond dit helemaal niet leuk en daarom ging ze maar van boord, hopend dat het op de kant weer wat beter zou gaan.

De titel van het gedicht is Juffrouw A. Dit is makkelijk te verklaren, want de hoofdpersoon in het gedicht is Juffrouw A.

De beoordeling van het gedicht

1. Het thema van het gedicht is geluk (of ongeluk). Juffrouw A bevindt zich op het keerpunt van haar leven waarin haar geluk overgaat in ongeluk. Het thema van het gedicht spreekt mij aan, omdat iedereen graag geluk in zijn leven wil en ik natuurlijk ook. We moeten echter ook leren dat het niet altijd goed kan gaan, dat is iets wat het gedicht ons ook vertelt. Je leest dat Juffrouw A wegloopt van haar problemen, maar de les is dat je dat nou juist niet moet doen. Ik vind het thema van alle tijden, omdat ieder mensenleven uit geluk en ongeluk bestaat. Ik zou dit gedicht willen lezen, voordragen of beluisteren als ik in een ‘normale’ stemming ben, omdat het gedichtig niet verdrietig, maar ook niet vrolijk is.

2. Ik vind het taalgebruik van het gedicht niet moeilijk. De beeldspraak vond ik wel moeilijk, want ik heb geen beeldspraak kunnen vinden (ik weet niet zeker of er wel beeldspraak inzit). Ik vind het taalgebruik en de beeldspraak niet zo origineel, omdat er niets was waarvan ik dacht: dat heb ik vaker gezien. Er is een woordspeling die ik wel leuk vind, en dat is de naam van het bootje: Steeds Tevreeden. Ik vind het stukje ironie dat er inzit het leukste eraan.

3. Ik vind het gedicht belerend en persoonlijk. De stemming van het gedicht zou je neutraal kunnen noemen, want het is niet vrolijk en ook niet droevig. Het gedicht is belerend en persoonlijk, omdat er voor iedereen een wijze les inzit: Het leven kan niet altijd maar voorspoed brengen. Maar als je dan met tegenslagen te maken krijgt, kun je ze beter tegengaan dan ze ontwijken.

Bundel als geheel

1. De titel van het gedicht is “Het orgeltje van Yesterday”. De titel komt voor in het gedicht “Verhaaltje voor jullie” wat ik als eerste heb behandeld. Er wordt een orgeltje mee bedoeld waar ze vroeger mee op straat speelden, want Yesterday/Jesterdee betekent in het Nederlands ‘gisteren’. Ook is er een link naar de Beatles, namelijk een nummer van hun was ook “Yesterday”. Rutger Kopland heeft door deze twee dingen te combineren een leuke woordspeling gemaakt.

2. Rutger Kopland gebruikt geen vaste vorm voor zijn gedichten, hij heeft bijvoorbeeld gedichten die twee bladzijdes lang zijn, maar ook gedichten van tien regels. Vaak zijn de zinnen en strofes onregelmatig en veel gedichten bevatten geen eindrijm. Diegenen die dat wel hebben, hebben geen rijmschema.

3. Ik vind het een leuke gedichtenbundel, maar vaak gebruikt de schrijver moeilijke beeldspraak. Hij noemt personen (behalve in “Verhaaltje voor jullie”) niet bij hun naam, maar alleen hun voorletter, dat vind ik ook grappig.
Er zijn veel sombere gedichten in deze bundel. Meestal gaan ze over de winter. Ik heb deze gedichten niet gekozen omdat ik ze moeilijk om te begrijpen vond. Ze bevatten vaak wel een goede levensles.
Daarentegen zijn er ook een aantal vrolijke gedichtjes, waar je om kunt lachen. Een goed voorbeeld hiervan is “Verhaaltje voor jullie”, over de kabouters At en Ot. Al met al vond ik het leuk om dit bundeltje te lezen, de gedichten zijn goed en hij heeft voor elke stemming een passend gedicht gemaakt.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.