Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Gedichten (poeziedossier)

Beoordeling 7.2
Foto van een scholier
  • Gedichtbespreking door een scholier
  • 6e klas vwo | 3235 woorden
  • 10 juni 2010
  • 49 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.2
  • 49 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

Mijn gedichten

1 J.C. Bloem - Insomnia
2 Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw
3 Simon Vestdijk - De zelfkant
4 Gerrit Komrij - De zittende politicus
5 M. Vasalis - De idioot in bad
1 J.C. Bloem – Insomnia
1.Eerste strofe: De spreker zit in een situatie waarin een bepaald verschijnsel zichzelf indirect in stand houdt en het is zeer moeilijk of zelfs onmogelijk om uit die situatie te komen. De spreker kan niet slapen en daarom denkt hij aan de dood maar hierdoor kan hij juist weer niet slapen. De volgende twee regels zijn algemene wijsheden namelijk dat het leven niet kan stromen en iedereen gaat een keer dood, waarna je er niet meer bent.
Tweede strofe: De spreker wil de lezer van het gedicht ervan bewust maken dat het leven weinig zin heeft omdat de dood er is. De spreker begint met ‘hoe’ en ‘onmachtig’ waarbij onmachtig word beklemtoond. De derde regel geeft eens termeer aan dat het einde nadert en dat er voor degene die wil leven geen andere mogelijkheid bestaat dan te vechten. Het gevecht tussen het leven en de dood is al bij voorbaat beslecht in het voordeel van de dood want het leven klinkt als een schraal geluid terwijl de dood klinkt als trompetten met een schel geluid (doodsklaroenen). De laatste zin geeft aan dat oude mannen en vrouwen (grijsaards) en jonge personen (knapen) de dood worden ingejaagd.

Derde strofe: Om als mens te leven moet er gebaard worden en als de vrouw een kind baart staat al vast dat ook dit kind dood zal gaan. Er is dus een menselijke wil om leven te geven terwijl de menselijke wil voor de dood niet bestaat. Als je na de derde regel kijkt gaat het erover dat baren voor de vrouw is iets waaraan niet valt te ontkomen en waarin haar wilskracht omdat ze al dan niet wil baren tot uiting komt. In de laatste regel word een feit medegedeeld er is een kind dat in de schoot van de vrouw aan het groeien. In deze strofe wordt het gedrag van de vrouw omschreven namelijk dat zij moet vechten tegen een leven dat zij moet baren terwijl ze het niet wil baren.
Vierde strofe: In de laatste strofe worden delen weggelaten (samentrekking) belangrijk hier zijn de vergelijkingen namelijk tussen wieg en graf en tussen paren en de dood. Hiermee word aangegeven dat het doel van paren de weg is naar het graf
2. De titel van dit gedicht insomnia betekent in het Latijn slapeloosheid. Dit gedicht gaat over dat iedereen is geschapen en het doel hiervan is dat je doodgaat en deze zekerheid (of eigenlijk onzekerheid want je weet niet waarneer je doodgaat) maakt de hoofdpersoon in het begin van dit gedicht zo onzeker en angstig. Verder in het gedicht wordt duidelijk dat dood een veel sterker iets is dan de levenswil (zoals wordt beschreven aan de hand van een oorlog tussen het leven en de dood). Later in het gedicht begint de dood namelijk door nieuw leven (nieuw leven gaat immers na loop van tijd weer dood) als een vrouw tijdens haar zwangerschap een kind ‘moet’ baren zal dit kind eerst in de wieg liggen en wanneer het kind doodgaat zal het in zijn graaf liggen.
3. De vorm:
* Het gedicht bestaat uit 4 strofen.
* Het is een sonnet bestaande uit 4-4-3-3 met een totaal van veertien zinnen.
* Bij dit gedicht begint elke zin met een hoofdletter en elke zin eindigt met een punt.
* De strofevorm bestaat uit twee kwatrijnen (octaaf) en twee terzetten (sextet).
4. De rijm:
* Het rijmschema is ABBA ABBA CDB BDC.
* Eindrijm aan het eind van iedere regel: VVMV VMMV MVM MVM.
In de eerste en in de tweede strofe is te zien dat mannelijke eindrijm wordt omarmd door vrouwelijke eindrijm Het aantal lettergrepen is regelmatig behalve in de 10e en 11e regel waar te zien is dat de regels een extra lettergreep bevatten.
5. In het gedicht zit een voorbeeld van een assonantie namelijk regel 6 (“…of ze al dan niet wil baren”) en een alliteratie in regel 7 (…”schrille stoot”).

6. Er is geen sprake van enjambement.
7. Stijlfiguren in dit gedicht: (kruisstelling,antithese,anafoor,repetitio en een oxymoron)
* De eerste twee regels waarmee Bloem begint (denkend aan de dood kan ik niet slapen, En niet slapend denk ik aan de dood) is een voorbeeld van een stijlfiguur. Hierbij vormen de woorden dood en slapen een kruis. Bij deze stijlfiguur (kruisstelling) worden de overeenkomstige termen van twee formuleringen in omgekeerde volgorde geplaatst. Het wordt gebruikt om ergens de nadruk op te leggen, de tekst makkelijker te onthouden en kan worden gebruikt om afwisseling te krijgen.
* In regel 4 staat een antithese: (“En elk zijn is tot niet zijn geschapen”)
* In de regels 2 t/m 4 is sprake van een anafoor: In deze regels wordt aan het begin van de zin telkens begonnen met ‘En’ .
* In regel 10 staat een repetitio: (“Baren moet of als ze al dan niet wil baren”)
* In de laatste strofe staat een oxymoron: (“Is elk wezen zwanger van de dood”) dit is een stijlfiguur waarbij twee woorden die elkaar in hun letterlijke betekenis tegenspreken toch worden gecombineerd tot één begrip. In dit geval dus zwanger (leven) en de dood.
8. Beeldspraak in dit gedicht: (metafoor)
* In regel 11 staat een metafoor: Het woord ‘schoot’ staat voor de buik waarin het kind groeit.
* In regel 14 staan twee metaforen: Het woord ‘wieg’ staat voor het leven en het woord ‘graf’ staat voor de dood.
9. Dit gedicht bestaat uit een octaaf en een sextet en de vorm van dit gedicht kunnen we dus kwalificeren als een klassiek sonnet. Toch wijkt het gedicht iets af van een ‘echt’ klassiek sonnet omdat het rijmschema van de 3e en 4e strofe gespiegeld is (CDB BDC) en niet zoals een klassiek sonnet betaamt namelijk (CDC DCD)
10. Het is een gedicht wat mij wel aanspreekt namelijk over leven en dood. Ik vind het zo interessant omdat ik het erg realistisch vind, iedereen gaat immers dood. Het is een buitengewoon goede beschrijving over hoe negatief de werkelijkheid soms kan zijn. Ik moest bij het lezen van dit gedicht meteen denken aan een boek dat ik gelezen heb: De Avonden van Gerard Reve. De hoofdpersoon in dat boek (Frits van Egters) is ook erg gefascineerd door de dood maar anderzijds is er toch ook altijd die angst. Ik vind het opmerkenswaardig te zien wat de parallellen zijn tussen dat boek en dit gedicht: beide in de ban van de dood. Ook het ontrafelen van de inhoud van dit gedicht zet je aan het denken in een filosofische dimensie, iets wat mij wel kan bekoren.
2 Martinus Nijhoff - De moeder de vrouw
1. Eerste strofe: Er gaat een man naar de brug in Bommel en de man gaat daar in het gras liggen. Wat mij opvalt is het woordje ‘weer’ waaruit je kunt opmaken dat de overzijden waarschijnlijk vroeger ook verbonden waren.
Tweede strofe: De man ziet een vrouw die in haar eentje op een schip voorbij vaart.
Derde strofe: De man hoort de vrouw op het dek van het schip psalmen zingen en dit doet hem denken aan zijn eigen moeder.
2. In de titel: moeder de vrouw is het woordje de (bepalend lidwoord) erg opvallend. Twee overzijden die elkaar vroeger schenen te vermijden worden weer buren. Hieruit kunnen we opmaken dat door de nieuwe brug de linkeroever en de rechteroever van de Waal met elkaar zijn verbonden. De zin 'Twee- buren' kun je ook vanuit symbolisch oogpunt bekijken, namelijk de verbondenheid tussen leven en dood. De eerste acht regels van het gedicht leggen voornamelijk de nadruk op het landschap wat de ik-persoon bekijkt hierna komt de dieper liggende betekenis beter naar voren. Het perspectief van de ik-persoon wordt kleiner en hij hoort een stem vervolgens ziet hij een vrouw. De vrouw staat alleen op het dek van een schip en ze zingt psalmen. De vrouw staat aan het roer en zij bepaalt dus de koers en omdat ze psalmen zingt (waar je uit kunt op maken dat ze in god gelooft) symboliseert dit de koers van het leven die door god wordt bepaalt.
3. Opbouw: octaaf en twee terzinen. De eerste acht regels bestaan uit 2 kwatrijnen, regel 4 en 5 lopen echter wel door elkaar. * Regel 1t/m 4 kwatrijn,octaaf
* Regel 5 t/m 8 kwatrijn
* Regel 9 t/m 11 terzet,sextet
* Regel 12 t/m 14 terzet
4. De rijmvorm is ABBA CDDC EFE FEF (4 keer omarmende rijm)
5. Assonantie: regel 5: (“lag in het gras”), regel 6:( “wijd en zijd” ),regel 7: (“laat mij daar”), regel 8: (“oren klonken’’), regel 10:( “kwam langzaam stroomaf”), regel 11 (“zij stond bij het roer”), regel 14 (“God zong”).
Alliteratie: regel 1:( “Bommel om de brug”), regel 3:(“vroeger schenen te vermijden”), regel 4:(“worden . weer”), regel 5:( “gras mijn thee gedronken”), regel 6:(“vol van”), regel 7:( “mij daar midden”), regel 10: (“door de”), regel 12: (“zij zong”), regel 13:( “dacht ik, o, dat daar”), regel 14: (“ zong zij , Zijn hand . zal”).
omarmend rijm: regel 1 t/m 4 en regel 5 t/m 8.
Gekruisd rijm: regel 9 t/m 11 en regel 12 t/m 14.
6. Er komt enjambement voor in dit gedicht (regel 2 t/m 4) de functie hiervan is Het nadrukkelijker maken van rijm.
7. Stijlfiguren in dit gedicht: (herhaling)
* In regel 13: herhaling (O, dacht ik, o,)
8. Beeldspraak in dit gedicht: Geen
9. Dit is een klassiek gedicht want er is regelmaat, het is dus een sonnet.
10. In eerste instantie lijkt dit gedicht meer op een eenvoudige beschrijving van een landschap en een zingende vrouw op een schip. Als je echter op zoek gaat naar de dieperliggende betekenis wordt het ineens een stuk interessanter, ook de omarmende rijm maakt het een fascinerend gedicht.
3 Simon Vestdijk - De zelfkant
1. Eerste strofe:Het wasgoed kan volgend dichter in de steden hangen maar niet boven groene weiden. We krijgen in deze strofe een sterk beeld van fabrieksterreinen met een spaarzaam stukje groen.
Tweede strofe: De dichter beschrijft hier een gebied dat na mijn idee vlakbij een haven ligt en geeft aan dat de arbeiders er zwaar werk moeten doen.
Derde strofe: De blekerij waar de dichter hier op doelt staat voor een kleine fabriek waar stoom uit kwam en de schelpenbranderij is een kalkoven. De ik-persoon geeft aan dat walmen dromen creëren.
Vierde strofe: In de laatste strofe komt de schrijver met een kalf dat waarschijnlijk door de industriewalmen (vervuiling) zwart geworden is. Dit kalf wordt bevrijd door een gedicht uit zijn slechte omgeving. Het kalf is zwart en de sintels zijn ook zwart en worden ook in hetzelfde gebied beschreven (de halflandelijkheid).
2. Dit gedicht geeft een beschrijving van een landschap met dokspoorlijnen en fabrieksterreinen tussen weilanden met kalveren. De locatie is niet bekend maar daar kun je voor jezelf wel een voorstelling van maken. De eenzaamheid speelt een essentiële rol in dit gedicht en die kan volgens het gedicht het best gevonden worden bij een overgang van drukte (stad) en natuur. Om jezelf te ontdekken geeft de dichter aan dat je dan in de buitenwijken (tussengebieden) moet zoeken.
3. Het gedicht bestaat uit 14 versregels, deze zijn verdeeld in een octaaf en een sextet met beide een afzonderlijk rijmschema. De octaaf bestaat uit twee kwatrijnen en de sextet uit twee terzines
4. Er is sprake van eindrijm, de rijmvorm is ABBA BAAB CDE DAE
5. Assonantie: regel 1 t/m 4: (van, halfland’lijkheid, wasgoed, fabrieksterreinen, arm’lijk
lijnen, fabrieksterreinen), regel 5 t/m 8: (bevracht, want, ravijnen
geheim, dokspoorlijnen, ravijnen), regel 9 t/m 11: (walm, van, brandt
waar, aanstichter blekerij, thijmgeur), regel 13: (zwarte, kalf, rand)
Alliteratie: regel 1 t/m 4: (houd, het, halfland’lijkheid
van, vage, vol weidewinden, wasgoed, waar), regel 9 t/m 10: (walm, waar
stoomtram, schelpen), regel 12 t/m 13: (weitje, wordt)
6. Er is in dit gedicht sprake van enjambement:
* Regel 2 en 3: (‘van vage weidewinden die met lijnen vol wasgoed spelen’)
* Regel 3, 4 en 5: (‘van fabrieksterreinen waar tussen arm’lijk gras de lorrie rijdt, bevracht met het geheim der dokspoorlijnen’)
* Regel 6,7 en 8: (‘want ’k weet, er is waar men het leven slijt en toch niet leeft, zwervend meer eenzaamheid te vinden dan in bergen of ravijnen’)
De functie van de enjambementen is dat de taal de aandacht naar zichzelf toetrekt en daardoor betekenis genereert.
7. Stijlfiguren in dit gedicht: (paradox,antithese)
In regels 6 t/m 7 staat een paradox: (‘er is waar men het leven slijt en toch niet leeft’) de tegenspraak hier is dat mensen ouder worden maar toch niet genieten.
Er staat een antithese in dit gedicht het gaat namelijk over zogenaamde romantiek enerzijds beschrijft de dichter de mooie bergen en tijmgeur maar anderzijds buitenwijken en kleine industrie
8. Beeldspraak in dit gedicht: (personificatie,metafoor, asyndetische vergelijking)
In regel 2 en 3 staat een personificatie: (‘weidewinden die met lijnen vol wasgoed spelen’)
In regel 4 staat een metafoor: Het geheim der dokspoorlijnen.
In regel 12 staat een metafoor: dit bestaat uit het zwarte kalf dat, gezien tegen de achtergrond van een zwarte sintelberg, voor het oog verdwijnt en opgenomen wordt in de berg.
In regel 9 t/m 12 staat een a-syndetische vergelijking:
Er is een walm van stoomtram en van bleekerij of van de ovens waar men schelpen brandt en degene die een geur of een walm ruikt, fantaseert of droomt weg.
9. Dit gedicht is een sonnet. Een sonnet bevat namelijk 14 versregels en dit gedicht is samengesteld uit een octaaf en een sextet. De octaaf bestaat uit 2 kwatrijnen en de sextet uit 2 terzines na de octaaf volgt de wending.
10. Ik vind dit een bijzonder gedicht, ik moet zeggen dat het erg lastig was dit gedicht te doorgronden ook vanwege het vele ‘oud’ taalgebruik (bijvoorbeeld het woord lorrie). De beschrijving die de dichter geeft is zo interessant omdat je jezelf er zoveel bij voor gaat stellen en zo’n landschap als het ware voor je gaat zien.
4 Gerrit Komrij - De zittende politicus
1.Eerste strofe: Het gaat over een persoon (met een vale klerkensmoel) die blij is dat ‘een gek’ de nar (een opponent van deze persoon) heeft vermoord. Uiteindelijk deed deze persoon net of hij geschokt was naar aanleiding van deze moord. Hij is toch wel tegen geweld en rechtsgeschapen maar eigenlijk is deze persoon zelf het ware monster.
2. In dit gedicht komt de mening van Gerrit Komrij duidelijk naar voren. De figuren die in dit gedicht zitten zijn een persoon met een klerkensmoel een gek en een nar. Als je beredeneert dat dit gedicht is geschrevenen naar aanleiding van de moord op Pim Fortuyn (2002)dan kun je daaruit verder beredeneren dat in dit gedicht Ad Melkert de klerkensmoel is, Volkert van der G. de gek is en Pim Fortuyn de nar. Er wordt niet echt een proces beschreven het is meer een beschrijving van gevoelens van de personen in dit gedicht.
3. Dit gedicht heeft een onorthodoxe vorm en dat zie je aan het rijmschema wat bestaat uit één grote strofe en bestaat uit 14 versregels.
4. De vorm van dit gedicht is AABBCCDEFEDGFG (bijna allemaal mannelijk eindrijm) in het begin is er verder sprake van gepaard rijm.
5. Dit gedicht heeft geen middenrijm.
6. Er is geen sprake van enjambement.
7. Stijlfiguren in dit gedicht: (repetitio,hyperbool)
* In Regel 7 staat repetitio: (“Dank, dank”)
* In Regel 9 staat een hyperbool: (“En sliep als twintig ossen kunnen slapen”) Het is overdreven om te slapen als wel 20 ossen.
* In Regel 11 staat sarcasme: (“Natuurlijk is hij zwaar tegen geweld”) hij is tegen geweld maar in dit gedicht komt het geweld hem juist wel erg goed uit.
* In Regel 13 staat een paradox: (“ondragelijk rechtschapen”) iets wat rechtschapen is kan toch niet tegelijkertijd ondragelijk zijn
8. Beeldspraak in dit gedicht: (metafoor, asyndetische vergelijking)
* Regel 4 staat een metafoor: (“de gek de nar”) staan voor Volkert van der G. en voor Pim fortuyn.
* Regel 9 staat een asyndetische vergelijking: (“En sliep als twintig ossen kunnen slapen”) oftewel de hij-figuur sliep erg goed ondanks de moord.
9. Dit gedicht is gebaseerd op iets wat toentertijd in de actualiteit speelde (een gelegenheidsgedicht).het is een sonnet. Het gedicht is een sonnet.
10. Ik vond dit een mooi gedicht omdat ik de moord op Pim Fortuyn heb meegemaakt. Ik volgde Pim Fortuyn als politicus al met veel interesse met debatten tegen Ad Melkert en Marcel van Dam. Persoonlijk vond ik Fortuyn een groot politicus en zijn dood betreurde ik dan ook zeer. Dit gedicht na de dood van Pim Fortuyn vond ik dan ook zeker het analyseren waard.
5-M. Vasalis - De idioot in bad
1.Eerste strofe: Elke week gaat ‘de idioot’ waarmee een persoon wordt bedoeld die geestelijk en lichamelijk gehandicapt is in bad. Hij heeft een beroerde motoriek en de zuster helpt hem in bad.
Tweede strofe: Het warme water is klaarblijkelijk een vlucht terug in het verleden van de man. Aan de witte stoom te zien weet hij wat er komen gaat, hij gaat in bad en dit verblijd de man.
Derde strofe: Als hij door de zuster in het warme bad wordt gezet is hij zo blij als een kind. Hij voelt zich veilig in het bad met het warme water in tegenstelling tot zijn onveilige gevoel buiten dit bad.
Vierde strofe: De man die buiten het bad een angstige, bange man is maakt een soort van wedergeboorte door in dit bad hij komt tot rust en tot zichzelf.
Vijfde strofe: In deze strofe voelt hij zich als een baby in het vruchtwater als nog ongeboren in wezen is hij ook nog een kind gezien zijn geestelijke en lichamelijke beperkingen vandaar ook een vrucht die nooit rijp is geworden.
Zesde strofe: Als hij dan weer uit bad gaat wordt hij weer de zorgelijke, bange idioot die zich onveilig voelt buiten het warme bad, hij wil helemaal niet uit bad en huilt even als hij weet dat zijn hoogtepunt van de week er weer op zit.
Zevende strofe: Het water is de levensstroom, een kringloop van leven van het pas geboren kind dat gewassen wordt en van de overledene die ze wassen. Het water in het bad houdt hem ook een spiegel voor waarin hij terug kijken op het verleden.
2. De hoofdpersonen in dit gedicht zijn ‘een idioot’ en een zuster. De idioot is een angstige man die nog slechts spaarzaam geniet van het leven(hij is geestelijk en lichamelijk gehandicapt). De idioot geniet pas echt als de zuster hem in bad doet en hij met volleg teugen geniet, alleen in bad is hij ontspannen en voelt hij zich weer een baby in het water. Als hij dan weer uit bad moet is zijn gelukzalige moment voorbij en wordt hij weer de angstige idioot (hij voelt zich dan weer onveilig).
3. Dit gedicht bestaat uit 28 regels.
* Het gedicht bestaat uit zeven kwatrijnen
4. Het rijmschema van dit gedicht is: ABBA CDCD EFFE GHGH IJIJ KLKL ILIL
* Er is in dit gedicht sprake van gekruist rijm, met uitzondering van het derde kwatrijn (dit is omarmend).
5. Alliteratie:
* In regel 5: (‘Warme water’)
* In regel 14 (‘Bleke bloemen’)
* In regel 15 (‘bleke benen’)
6. Er is geen sprake van enjambement.
7. Stijlfiguren in dit gedicht: (Synesthesie)
* In regel 6 staat een synesthesie: (‘witte stoom’)
* In regel 17 staat een synesthesie: (‘is in dit groene water’)
8. Beeldspraak in dit gedicht: (personificatie,metafoor)
* In regel 12 staat een metafoor: (‘om zijn mond gloort langzaam aan’)
* In regel 13 staat een personificatie: (‘zorgelijk gezicht is leeg’)
* In regel 27 staat een metafoor: (‘het lot beschoren’)
9. Dit gedicht is traditioneel van aard want er zit een vast regellengte en een vaste rijmvolgorde in.
10. Ik vind dit een erg aangrijpend gedicht omdat als ik mezelf in ‘de idioot’ probeert te verplaatsten krijg ik medelijden met hem. Ik vind ook het korte vreugde moment dat hij heeft (het in bad gaan) erg aandoenlijk en het beschrijft ook de situatie van veel personen die vandaag de dag zo door het leven gaan. De beschrijving van de gevoelens van de man (de idioot) in dit gedicht vind ik ook uitzonderlijk goed.







REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

O.

O.

Hee, ik wil je echt onwijs bedanken voor deze Poetische lekkernij, ik smulde van elke regel die je over dit adembenemende gedicht hebt geschreven. Ga zo door en je zal een hele grote worden in de dichtgeschiedenis van dit prachtige land!

Warme Groetjes!

9 jaar geleden