Titel: Taal zonder mij
Auteur: Kristien Hemmerechts
Druk: Vierde druk
Jaar van uitgave: mei 2000
Plaats van uitgave: Amsterdam / Antwerpen
Uitgeverij: Atlas
Boekbeschrijving
Op 22 mei 1997 verloor Kristien Hemmerechts haar man: op weg naar een literair congres in Lissabon kreeg Herman de Coninck een hartaanval, zakte ineen op het trottoir en stierf in de armen van zijn collega Anna Enquist. In “Taal zonder mij” doet Hemmerechts het verhaal van de verwarrende maanden na de dood van De Coninck. Daarnaast gaat ze in zijn gedichten op zoek naar gelijkenissen en verschillen tussen de dichter en de mens De Coninck.
Aangenomen kan worden dat ze het boek precies een jaar na zijn overlijden afrondde, gezien de datum op de laatste pagina. Het boek verscheen in oktober 1998, bijna ander-half jaar na zijn dood, gelijkertijd met het verschijnen van twee bundels met het complete werk van Herman de Coninck: “De gedichten, I en II”.

Hemmerechts en De Coninck zijn negen jaren drie maanden samen geweest, waarvan vijf jaar getrouwd.
Op het omslag van “Taal zonder mij” is een foto in grijs-tinten afgedrukt. Hierop is Her-man de Coninck te zien, aan een schrijftafel. De titel is in witte letters afgedrukt, de naam van de schrijfster in rode letters. Op de achterkant is een foto van Kristien Hemmerechts afgedrukt. Hierop staat ook een korte omschrijving van het boek, evenals twee aanbeve-lingen uit krantenrecensies.
Het boek is opgedragen aan Tomas, Laura en Kathy. De eerste twee zijn De Coninck bio-logische kinderen, de laatste is de dochter van Hemmerechts.
Het boek bestaat uit 150 pagina’s, opgebouwd in twee delen.
Het eerste deel heeft geen titel en beslaat meer dan driekwart van het boek. Hierin wordt de mens en de dichter De Coninck beschreven.
In het laatste deel van het boek beschrijft Hemmerechts hoe ze haar leven opbouwt na zijn dood en wat er verder nog aan ontwikkelingen en gebeurtenissen na zijn dood met betrekking tot hem zijn geweest. Dit gedeelte is, op de paar eerste en laatste pagina’s na, gericht aan Herman de Coninck, als een soort brief. Dit deel is “Coda” genoemd, dit bete-kent slot bij muziekstukken of een aan een sonnet toegevoegde regel of strofe.
Op driekwart van het boek bevinden zich acht extra pagina’s die op glanspapier zijn afge-drukt. Het zijn foto’s van handschriften van De Coninck: drie kattebelletjes voor Hemmerechts en het gezin, vier pagina’s gedichten en een pagina uit zijn dagboek.

Het boek verscheen tegelijkertijd met een compilatie van De Conincks werk: “De gedich-ten” in twee delen, in oktober 1998 bij Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen.
Samenvatting van de inhoud:
Het boek begint met de overweging waarom ze over De Coninck moet schrijven. Ze ver-wacht een hoop kritiek op het boek, zoals dat ze haar verdriet te gelde wil maken, of dat er al een “weduwenboek” uit was, “I.M.”, van Conny Palmen. De eerste bladzijden be-steedt ze om deze kritiek bij voorbaat al te weerleggen en uitleg te geven over haar motivatie dit boek te schrijven. Ze zegt hierover: “Wat ik ook doe, zwijgen is veiliger dan spreken”, maar “Ik heb van spreken mijn beroep gemaakt, tenminste van spreken op pa-pier”. Ze volgt de raad op die ze haar eigen studenten altijd meegeeft: schrijf over wat je kent, schrijf over dat waarbij je je geëngageerd voelt.
Het idee om een boek over De Coninck te schrijven ontstond toen ze een lezing moest houden in januari 1998, bijna een jaar na zijn dood, de Louis Paul Boon-lezing. Ze zocht naar een onderwerp en dacht toen aan hem, maar kwam uiteindelijk terecht bij een ander onderwerp. Maar het was wel de aanleiding om dit boek te schrijven.
Vervolgens vertelt ze over hoe ze De Coninck en zijn werk leerde kennen. Op verjaarda-gen had ze twee dichtbundels van hem gekregen. Zij zegt hierover dat dit wellicht de belangrijkste functie van poëziebundels is, als verjaarscadeau… Op zich was ze niet zo heel erg van zijn werk onder de indruk, maar één gedicht maakte grote indruk op haar, “Ik zie je nog altijd liggen”. Dit ging over de dood van zijn vrouw, en het raakte haar na de dood van haar kinderen diep. Ze vond dat het eigenlijk een taboe was waarover hij schreef, dat het een waarheid bevatte die té groot en té diep was om zomaar te worden neer geschreven.
De Coninck in levende lijve leerde ze in 1980/1981 kennen, tijdens een lezing. En aange-zien hij redacteur was van het Nieuw Wereldtijdschrift, een literair blad, sprak ze hem aan in 1986, tijdens Letter en Tetter, met de vraag of hij ook werk van debutantes opnam, aangezien zij toen al iets had geschreven. Hierop volgt een schriftelijk contact, waarin Hemmerechts hem haar manuscripten toestuurt, en hij er commentaar op levert. Begin 1988 volgt een eetafspraak en ontstaat er een relatie.
Hemmerechts beschrijft vervolgens hoe ze elkaar beïnvloeden. Er bestaat een gezonde concurrentie tussen beide schrijvers, maar ook een grote solidariteit. De Coninck schrijft ’s nachts, Hemmerechts overdag. Hij zorgt ervoor dat Hemmerechts ook autobiografische elementen in haar werk gaat opnemen, en zorgt ervoor dat ze meer lef en durf krijgt in haar werk.
Ze vertelt in het boek verder over verschillende aspecten in hun, en in De Coninck’s le-ven. Over hoe hij was als mens en dichter, hoe hij omging met vrouwen en de invloed van zijn moeder op zijn leven. Over zijn vader, zijn vrouw An en haar dood, over zijn tweede vrouw Lief, zijn kinderen, zijn gezondheid, zijn vele roken en drinken, het reizen, de dingen die hij van zijn vrouw verwachtte, de dagen voor zijn dood en hoe hij stierf. “Geef toe”, schampert Hemmerechts, “weinigen zullen het hem nadoen: doodvallen in de stad van Pessoa , onderweg naar een literair congres, met een pléiade van dichters en schrijvers bij de hand die een vers aan je zullen opdragen, en dat alles net op tijd voor het middagjournaal.” De Coninck leefde erg ongezond: veel roken, drinken. Hij sliep onre-gelmatig en deed niks aan lichaamsbeweging. Hemmerechts zegt hierover “Ik heb negen jaar met een stervende geleefd”.
Het thema “dood” kwam vaak terug in hun gesprekken, beiden hadden hier veel mee te maken gehad en ze begrepen elkaar op dat vlak erg goed.
Verder beschrijft ze nog over De Coninck’s thema’s in het werk, en de ontwikkeling daar-in.
In het laatste gedeelte, Coda, beschrijft Hemmerechts dat ze het huis veranderd heeft, om-dat ze een huurder in huis heeft genomen. De Coninck zou alles bewaren, Hemmerechts is opruimeriger, en heeft zijn werk en spullen naar het Archief en Museum van het Vlaam-se Cultuurleven gebracht. Ze zegt hierover “De doos Herman” en “Je bent nu helemaal papier geworden”.
Ze beschrijft hoe ze op het verkeerde ben werd gezet door Hugo Claus, net na het overlij-den, die het allemaal probeerde te verzachten door te zeggen dat De Coninck een beroerte had gehad, en hoe ze vervolgens doodverklaringen uit andere bronnen hoorde.
Ook begrafenis komt aan bod, en de lieve reacties van vrienden en bekenden. Over de kat die hem zo mist. Over hoe hij postuum vereerd wordt, en wat er met zijn werk en het Nieuw Wereldtijdschrift gebeurt. Ze is dankbaar over wat ze met hem heeft gehad.
Ze beschrijft waarom ze nog werkt (omdat ze niet sterkt genoeg is om zwak te zijn) en hoe ze zich voelde na het overlijden, hoe ze zijn dood uit haar lichaam wilde krijgen. Ook vertelt ze een droom over De Coninck, waarin ze werkelijk tot zichzelf door laat dringen dat hij dood is, het begin van de aanvaarding dat hij niet meer terugkomt.
De laatste pagina’s gaan over het huis. Het grote huis dat De Coninck kocht na de dood van zijn vrouw, van het geld van de uitkering, Herman’s huis, waarin Hemmerechts woont, vol van Herman, als een soort mausoleum.
Kristien Hemmerechts schildert in “Taal zonder mij” Herman de Coninck af als een man die schuchter overkomt, een zachtaardige mens, die een beetje wereldvreemd is. Het is een gesloten man, die tegelijkertijd erg openhartig kan zijn over zijn privé-leven, en rela-tief onbekenden van alles verteld. Dit dubbele heeft hij op meer vlakken. Zo is hij vreselijk slordig en kan dingen op z’n beloop laten, daarnaast heeft hij een keurig ver-zorgd archief.
Hij kan zich schriftelijk veel beter uitdrukken dan mondeling. Hij kan soms wel commu-nicatiegestoord op iemand overkomen, omdat hij niet veel zegt, lange stiltes laat vallen en zich geen houding weet te geven. Daarnaast kan hij je verrassen, door dan ineens heel gevat uit de hoek te komen. Maar het is eerder een luisteraar dan een prater.
Hij is opgevoed in de dwang van het moeten, van reglementen en principes. Hierdoor haat hij regels en verlangt hij naar een groot mogen. Ook naar anderen toe, zoals zijn vrouwen.
Daarnaast heeft hij wel tijdsdruk nodig om te presteren. In eerste instantie heeft hij overal tijd voor, en moet dan nog het Nieuw Wereld Tijdschrift in elkaar “paniekeren”.
De dichter Herman de Coninck is níet schuchter. In zijn werk heeft hij lef, durf en zelfver-trouwen. Zijn werk wordt ondergebracht bij de stroming van het nieuw-realisme. Hij laat veel werkelijkheid toe in gedichten, schept een nieuwe realiteit, een werkelijkheid die speelser, leniger en prettiger is dan de èchte werkelijkheid.
In gedichten ontwerpt hij zichzelf, de man die hij wilde zijn, maar ook z’n moeder, vader en zijn vriendinnen. De uitvinder van mensen, van zichzelf: “Zal ik mezelf eens uitvin-den? Dit ben ik, aangenaam. Ik ben de zonderverdrietman”. Hij was een “achteraffer”, op het moment zelf wist hij niet hoe zijn gevoelens waren, dan moest hij nadien op papier gaan ontdekken wat hij voelde.
Vertelsituatie:
“Taal zonder mij” bevat autobiografische en biografische elementen. Het gaat immers over het leven van de schrijfster zelf, over die van haar echtgenoot. Gewapend met haar eigen kennis over hem spit ze als een bigraaf zijn archief en gedichten door. Het is een In Me-moriam.
In het verhaal komt de voorgeschiedenis naar boven, zijn overlijden en de tijd naar zijn overlijden aan bod.
Titelverklaring:
“Taal zonder mij” is een strofe uit een gedicht van Herman de Coninck uit de bundel “Nu dus” uit 1995.
Herman de Coninck zoekt het niets omdat hij in het niets het alles hoopt te ontmoeten. Hij zoekt het nergens om het overal te ontdekken. Hij wil zo langzaam mogelijk leven om er zoveel mogelijk uit te halen. Te genieten van kleine dingen. Hij verlangde naar niets, naar afwezigheid, ook in zijn gedichten. In het vroege werk komt hij nog in zijn gedichten voor, in het latere werk niet. Hij verdwijnt: “Leeg gedicht. Taal zonder mij. Betekenis.”
Hemmerechts ziet het als volgt: de dichter moet de schepping voltooien. Alsof hij aan de werkelijkheid de toestemming moet geven om te bestaan en vervolgens die werkelijkheid leefbaarder moet maken in zijn poëzie. Als het goed is, moet de dichter zelf verdwijnen. Hij laat een verrijkte, leefbare en hanteerbare werkelijkheid achter als een leeg gedicht. Leeg omdat hij eruit is verdwenen. Taal zonder hem.
Daarnaast leefde De Coninck in met de taal. Nu hij overleden is, is er taal, maar zonder hem: “Taal zonder mij”.
Ontvangst van het boek, kritiek:
In de recensies wordt “Taal zonder mij” beschreven, niet zozeer beoordeeld.
- Parool: “…. een ontroerend en sober boek”.
- NRC: “Monumentaal is een al te voor de hand liggende kwalificatie voor dit boek, dat nu eenmaal een monument voor De Coninck beoogt te zijn. Het is meer dan een eer-betoon voor een geliefde en dichter: een integer werk van een gevoelige en sterke schrijfster”.
- Trouw noemt het een opmerkelijk boek, omdat Hemmerechts De Coninck beziet via zijn eigen poëzie. “Openhartig”, maar ook “Weliswaar zijn haar autobiografische toe-lichtingen van De Conincks gedichten interessant, maar ze weten de magie van zijn poëzie niet te verklaren. Het blijven feiten naast de fictie”.
Vervolg op het boek:
- “Oh, toen alles nog voorbij kon gaan”, door Kristien Hemmerechts. Uitgegeven door Brokaat, in december 2000. Het bevat een twintigtal teksten (columns) over verlies en afscheid. Een aantal van deze columns zijn in De Morgen verschenen, waar Hemme-rechts een tweewekelijks column verzorgt.
Boeken met hetzelfde thema:
- “Mijn beter ik”, Renate Rubinstein (over relatie met Simon Carmiggelt)
- “I.M.”, Conny Palmen (Ischa Meijer)
Bronnen:
- De Coninck, Herman, De gedichten, deel 1., 1998, Amsterdam, De Arbeiderspers
- De Coninck, Herman, De gedichten, deel 2., 1998, Amsterdam, De Arbeiderspers
- Uitgelezen, reacties op boeken, 1994, Den Haag, Christelijk Lektuur Centrum
- Interview uit Knipselarchief – Humo, 13-10-1998
- Recensie uit Knipselarchief – Trouw, 16-10-1998
- Recensie uit Knipselarchief – NRC Handelsblad, 16-10-1998
- Recensie uit Knipselarchief – De Morgen, 6-12-2000
- Internet:: recensie Parool, 16-10-1998
- Internet:: www.hermandeconinck.com
- Internet: www.findagrave.com/pictures/6444.html
- Encarta, encyclopedie
- Ommen, J. van, Penson, L., Prisma Uittrekselboek, 1984, Utrecht, Het Spectrum

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.