Opwaaiende zomerjurken door Oek de Jong

Beoordeling 8.1
Foto van een scholier
  • Boekverslag door een scholier
  • 6e klas vwo | 2934 woorden
  • 24 maart 2007
  • 12 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.1
  • 12 keer beoordeeld

Eerste uitgave
1979
Pagina's
286
Geschikt voor
bovenbouw havo/vwo
Punten
3 uit 5
Oorspronkelijke taal
Nederlands
Literaire thema's

Boekcover Opwaaiende zomerjurken
Shadow
In Opwaaiende zomerjurken wordt in drie episoden de groei naar volwassenheid van Edo Mesch beschreven. Het kind met zijn moeder, in de eeuwigdurende zomer op het platteland van de jaren vijftig. De puber, op een van de Zeeuwse eilanden, in een wurgende driehoek met een tante en een oom, zich vastklampend aan het beeld van een filosofisch systeem dat de werel…
In Opwaaiende zomerjurken wordt in drie episoden de groei naar volwassenheid van Edo Mesch beschreven. Het kind met zijn moeder, in de eeuwigdurende zomer op het plattela…
In Opwaaiende zomerjurken wordt in drie episoden de groei naar volwassenheid van Edo Mesch beschreven. Het kind met zijn moeder, in de eeuwigdurende zomer op het platteland van de jaren vijftig. De puber, op een van de Zeeuwse eilanden, in een wurgende driehoek met een tante en een oom, zich vastklampend aan het beeld van een filosofisch systeem dat de wereld doorgrondelijke met maken. De adolescent in een web van erotische verhoudingen, in Rome en Amsterdam en op het water van de Friese meren. 
Opwaaiende zomerjurken door Oek de Jong
Shadow
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Titel: Opwaaiende zomerjurken
Auteur: Oek de Jong
Aantal bladzijden: 271
Jaar eerste druk: 1979
Druk: 32e druk, 1995
Uitgeverij: Uitgeverij Meulenhoff, Amsterdam

Motto:
‘Of is ons heimelijk bewust dat wij het essentieele, dat wij begeren, nooit zullen zien? Op het vertrek komt het aan, op de steeds hernieuwde poging, het opbreken, het zich niet gewonnen geven.’ – F.C. Terborgh
Ik denk dat de schrijver het boek dit motto heeft meegegeven, omdat het goed de manier van denken van Edo, de hoofdpersoon, weergeeft: hij is constant op zoek naar een soort van allesomvattende harmonie, zodat er niks gebeurt dat hij niet kan plaatsen, maar natuurlijk is dat onmogelijk.

Het boek Opwaaiende zomerjurken heb ik gekozen omdat het op verschillende plaatsen werd genoemd als een boek dat bij mijn thema zou passen, omdat de hoofdpersoon, Edo Mesch, een groot deel van zijn leven doorbrengt in een fantasiewereld. Vooral in zijn kinderjaren lopen fantasie en werkelijkheid in zijn leven in elkaar over.

Ook had ik een tijd geleden ooit eens iets over een boek van Oek de Jong, De inktvis, gelezen of gehoord, en dat sprak me wel aan. Daarom wilde ik ook wel eens een boek van hem lezen.

Samenvatting
In het boek worden drie perioden uit het leven van Edo Mesch beschreven.

Deel I Oskar Vanille
Het eerste deel is een beschrijving van zijn jeugd. Hij blijft samen met zijn moeder achter na het vertrek van zijn vader in verband met herhalingsoefeningen. Zijn broertje Marnix en zusje Linde gaan logeren bij een oom en tante, het gezin Waaijman. Het blijkt al snel dat er een hechte band bestaat tussen Edo en zijn moeder. Hij kan niet zonder haar; zij is de enige die hem de geborgenheid kan bieden waar hij zo naar verlangt en de onzekerheid kan wegnemen die keer op keer bij hem de kop op steekt als gevolg van onverwachte of ingrijpende gebeurtenissen. Desondanks kwetst hij haar erg vaak en drijft hij haar tot wanhoop door om aandacht te vragen en door zijn egocentrische, agressieve gedrag. Het wordt al gauw duidelijk dat zijn weliswaar intelligente, maar dikwijls gecompliceerde gedachtegang hier de oorzaak van is. Hij ziet de gebeurtenissen vaak buiten hun werkelijke proporties. Zo maakt hij een groot drama van zijn kleine oogafwijking waarvoor hij een pleister op zijn oog moet dragen.
Hij kan zich alleen onttrekken aan zijn angsten en onzekerheden door zich af te sluiten voor de werkelijkheid. Dit doet hij door een eigen wereld te creëren, de wereld van Oskar Vanille. Deze bijnaam werd hem door zijn vader in een vrolijke opwelling gegeven. Als hij Oskar Vanille is, lijkt de wereld plotseling niet meer vijandig en voelt hij zich veilig en gelukkig. Oskar is zijn definitie van "het ideale".

Hij houdt zich vooral bezig met het gedetailleerd bestuderen van zijn omgeving. Hij raakt geobsedeerd door de buren, mevrouw Koelman en haar zoon Teunis, een geestelijk gestoorde jongen. Deze mevrouw Koelman komt dikwijls op bezoek bij Edo's moeder, waarbij zij haar emoties over het verdriet van haar man, die in de oorlog is overleden, en de onmacht om haar debiele zoon de vrije loop laat. Zij geeft Edo een labyrint cadeau, wat een belangrijke rol in zijn jeugd gaat spelen. Hij verbeeldt zich regelmatig dat hij zelf in het labyrint ronddwaalt, om zich te verbergen voor de buitenwereld en op zoek naar de essentie van zijn bestaan, van de mensheid in het algemeen. Hij is constant bezig indrukken te verwerken en heeft het idee dat het leven in sneltreinvaart aan hem voorbijtrekt. Dit maakt hem neerslachtig; hij wil niet meer buiten spelen en op het bezoek van een van zijn weinige vrienden, Cesar Hollestelle, reageert hij agressief en dwars.
Dan ontdekt hij plotseling wat hijzelf noemt "een gevoel van onbeweeglijkheid". De innerlijke rust die dit gevoel hem bezorgt stemt hem weer vrolijk en maakt dat hij, na dagenlang in het huis gehangen te hebben, er weer op uit wil trekken. Op een keer gaat Edo met zijn moeder en de buren picknicken. Terwijl hij bij zijn moeder achterop de fiets zit, laten zij en de buurvrouw in hun uitgelaten stemming de wind onder hun jurken blazen. Edo ervaart deze opwaaiende zomerjurken als het summum van geluk en vrijheid; hij heeft het gevoel dat hij vliegt, hoewel hij de realiteit niet uit het oog verliest: hij weet dat hij nog steeds op de bagagedrager van zijn moeders fiets zit.
Deze herinnering vergeet hij alweer snel. Hij zoekt jongens uit de buurt op en begint zich steeds meer te gedragen als een 'normale' jongen. Hij wil niet langer Oskar Vanille genoemd worden; die tijd is voor hem voorbij. Voortaan is hij weer gewoon Edo Mesch. Het gezin Koelman blijft hem intrigeren door hun uitzonderlijke gedrag, dat hij niet thuis kan brengen. Hij brengt veel tijd door met het observeren van de buurvrouw en haar zoon, die hij bewonderd om zijn constante onverschilligheid. Dan brengt Edo's moeder Teunis naar een psychiatrische inrichting. Edo weet dit niet en is ervan overtuigd dat zijn moeder hem in de steek heeft gelaten. In paniek rent hij het huis van mevrouw Koelman binnen. Zij weet hem te kalmeren doordat ze het gevoel opwekt dat hij daarvoor alleen voor zijn moeder koesterde.

Deel II Het Systeem
In het tweede deel is Edo zeventien jaar. Hij gaat logeren bij zijn oom en tante Waaijman, die op een eiland in een huis wonen dat door zijn oom wordt bestempeld als een architectonisch meesterwerk. In de bouwstijl is veel gebruikgemaakt van geometrische, eenvoudige vormen. Ook in de inrichting van het huis zijn deze aspecten terug te vinden. Er hangen werken van Mondriaan en de meubels zijn van functionalistische ontwerpers als Rietveld. Hoewel hij een duidelijke voorliefde heeft voor het gesystematiseerde en geordende, stoot het huis hem ook af, mede doordat hij het met zijn oom Herman slecht kan vinden. De relatie tussen zijn oom en tante is eveneens gespannen. Edo bewondert haar en wordt verliefd op haar. Deze verliefdheid mondt uit in een obsessie die kan worden vergeleken met de obsessie die hij voor mevrouw Koelman had, alleen heeft hij voor zijn tante Simone ook seksuele gevoelens. Simone voelt zich ook aangetrokken tot hem, maar beiden beseffen ze dat ze niet aan hun verlangens kunnen toegeven. Ze trekken elkaar aan maar stoten elkaar ook af.
Edo denkt dat zijn tante zijn ware liefde is, en is ervan overtuigd dat hij dat ook voor haar is. Zijn dromen worden wreed verstoord als hij plotseling Simone in het gezelschap vindt van een andere man, Eddy, die zich als haar minnaar gedraagt. Hij is woedend op zijn tante om het spel dat zij met hem speelt, maar ook op zijn oom, vanwege diens enorme superioriteitsgevoel en laatdunkende houding tegenover Edo's gedrag en ideeën. Hij besluit beiden een lesje te leren en vertelt op een morgen zijn oom uitgebreid over de relatie tussen Simone en Eddy. Het komt tot een vechtpartij tussen Edo en Herman. Als hij later over het strand wandelt, komt hij zijn tante tegen. Zij bekent haar gevoelens voor hem en hij laat zich door haar verleiden, maar op het laatste moment duwt ze hem van haar af en rent weg. Wat hiervan de oorzaak is wordt niet duidelijk; een mogelijkheid is dat zij wraak wilde nemen op hem omdat hij haar heeft verraden. Edo's verliefdheid neemt echter niet af; hij begint zelfs steeds meer van haar te houden. Tijdens deze vakantie zit hij vaak alleen op zijn kamer. Hij heeft een sterke drang naar kennis en is uitermate geïnteresseerd in filosofie. Hij is van mening dat in de filosofie de oplossing ligt voor zijn levensangsten. Hij besluit een allesomvattend symmetrisch systeem te ontwikkelen, waarmee onder andere het bestaan in zijn algemeenheid kan worden verklaard. Hiermee wil hij orde scheppen in de chaos van zijn gedachten. Vanaf dan beschouwt hij zijn leven als een grote zoektocht naar de enige waarheid, naar de essentie van het bestaan, maar onbewust ook vooral naar zijn eigen ik.

Deel III Scherm der reflexie
Aan het begin van het derde deel bevindt de nu 24-jarige Edo zich op een cruiseschip, samen met zijn vriendin Nina. Hun relatie is niet meer wat het geweest is; dit is grotendeels te wijten aan Edo, die zich afwisselend zeer onverschillig en overdreven hartstochtelijk gedraagt tegenover Nina. Hij vraagt zich constant af of hij nog wel van haar houdt. Op een dansavond op het schip ontmoet hij Marta, een oudere vrouw met twee kinderen. Hij voelt zich ogenblikkelijk tot haar aangetrokken en stelt zich voor als Oskar Vanille. Zij herkent de naam uit een boek dat ze heeft gelezen, geschreven door Edo Mesch. De avond eindigt in de hut van Martha.
Een van de andere gasten aan boort is professor Bolten. Edo heeft een hekel aan hem omdat hij net als Herman Waaijman een enorme eigendunk heeft en neerkijkt op anderen. Nadat hij met deze man in een discussie is geraakt wordt hij zo kwaad dat hij hem in het gezicht slaat. Als de cruise afgelopen is en ze in Italië zijn teruggekeerd, besluit hij Nina te verlaten. Zij reist alleen terug naar Nederland terwijl hij naar Rome vertrekt. Hier ontmoet hij Mario Arnofini, een jongen van zijn eigen leeftijd waarmee hij discussieert over filosofie, schrijven, literatuur en kunst. Ook praten ze met elkaar over hun moeders, die voor hen heel belangrijk zijn. Na enkele maanden keert hij terug naar Nederland. Hij trekt in bij Martha en haar kinderen, maar wanneer de verhouding tussen hem en haar te serieus dreigt te worden, wordt hij bang en verlaat haar. Hij bezoekt zijn moeder met wie hij over het verleden en zijn psychische problemen praat. Uiteindelijk ziet hij geen uitweg meer behalve de dood. Hij zeilt met een bootje naar het Buitenst Verlaat, een plek waar hij zich als kind sterk mee verbonden voelde. Hij bezoekt enkele plaatsen waar hij sterke herinneringen aan heeft. Daarna besluit hij een einde aan zijn leven te maken door overboord te springen. Eenmaal in het koude water wordt hij echter plotseling gegrepen door een grote liefde voor het leven. Hij worstelt zich terug naar de boot, gelukkig en vol wilskracht. Uiteindelijk heeft hij zijn angsten en onzekerheden overwonnen en heeft hij de wil om te leven.

De twee aspecten die ik heb uitgekozen om voor dit boek verder uit te diepen, zijn de tijd en het perspectief.
Tijd heb ik gekozen omdat daar in dit boek iets bijzonders mee aan de hand is; er worden namelijk 3 redelijk aaneengesloten tijdsperiodes besproken met daartussenin tijdsprongen.
Perspectief heb ik gekozen omdat in het boek verschillende vertelsituaties voorkomen, en omdat het perspectief niet altijd even betrouwbaar is.

Tijd
Het verhaal in Opwaaiende zomerjurken is in grote lijnen chronologisch: het is opgedeeld in drie delen, in deel één is hij acht jaar oud, in deel twee 17 jaar en in deel drie 24 jaar. Het speelt zich in het nabije verleden af: het eerste deel is te situeren in de jaren ’50, het tweede deel in de jaren ’60 en het laatste deel in de jaren ’70. Toch is het moeilijk om precies te zeggen wanneer het zich afspeelt, omdat er erg weinig aanknopingspunten zijn wat de tijd betreft.
Binnen die drie min of meer losstaande delen is het verhaal niet altijd chronologisch. Hoe ouder de hoofdpersoon wordt, hoe vaker hij nadenkt over dingen uit het verleden, die in het boek worden vertaald als flashbacks. Als de hoofdpersoon Edo op zijn 17e bijvoorbeeld op vakantie gaat bij zijn oom en tante, die op een niet nader omschreven eiland wonen, komen er bij hem ook steeds herinneringen boven van een eerdere vakantie die hij daar heeft doorgebracht.
“Op het balkon staat hij oog in oog met de blauwe den. Hij herinnert zich de boom, maar is vergeten hoe hij zeven jaar geleden een hele zondagmiddag in de weer was met Marnix om die reusachtige boom, Matterhorn, met touwen en ingewikkelde plannen te overmeesteren. Toen al was het motto: hoe moeilijker hoe beter.” (pagina 84)
Het laatste stuk van deel drie bestaat voor een erg groot deel uit flashbacks. Edo is naar een vakantiehuisje in Friesland gegaan, waar hij als klein jongetje ook al eens met het gezin op vakantie was geweest. Zijn moeder had toen net een kindje gekregen dat snel weer overleed, en hij herinnert zich die vakantie als een erg sombere week.
“Alles ging gewoon door, dus ook de vakantie. Maar hij voelde zich verplicht iedere dag een paar uur aan het dode jongetje te denken. (…) Het leek of zijn vader twee weken lang alleen maar in de rieten stoel aan tafel had gezeten, naar buiten starend, kauwend op zijn potlood, schrijvend aan een muziekstuk, afgesloten van alles en iedereen. Marnix en Linde trokken doodstil met elkaar op. En het leek of zijn moeder twee weken lang had gehuild.” (pagina 260/261)
Het verhaal is niet-continu: er wordt drie keer ongeveer een half jaar uit het leven van Edo verteld. De tussenliggende tijd wordt soms een klein beetje beschreven in flashbacks, maar dat gaat om heel weinig informatie. Er zitten grote gaten tussen de delen, waar ook geen tijdverdichting plaatsvindt. Een belangrijke tijdvertraging zit wel in het boek, helemaal op het einde: Edo is gaan varen en valt dan overboord. Hij zit in een periode van depressie en zijn eerste impuls is om in het water te verdrinken. Toch besluit hij op dat moment te zwemmen en naar boven te gaan: hij wil weer leven. Dit is een belangrijk moment en is daarom uitgebreider beschreven.
De functie van de tijdsmanipulaties in het verhaal is vooral om je belangrijke informatie te geven. Een voorbeeld hiervan is de oorzaak van de liefde die Edo voelt voor zijn moeder, zoals die als volgt wordt beschreven:
“Ze had het badpak net over haar heupen getrokken toen ze hem belangstellend op de drempel zag staan. Met een toegeeflijke glimlach ging ze op het onderste bed, in zijn scheepskooi, zitten, de handen achter zich plaatsend, overstelpend mooi en sterk met haar brede, iets naar achteren getrokken schouders, de gespierde armen, de kleverige okselharen, de vetlobben op haar buik, en die geweldige, blauw dooraderde witte borsten, die rustig op en neer gingen in de streep zonlicht die door het raam naar binnen viel. (…) Mooi? Hij knikte. Wat kijk je lief naar me, zei ze en strekte haar hand uit. Hij schudde zijn hoofd, maar een ogenblik later zat hij bij haar op schoot, schroefde hij zijn benen om haar middel en liet zich tegen die malse borsten drukken, bijna bewusteloos van vreugde.” (pagina 261/262)
Het feit dat het verhaal discontinu is, zorgt ervoor dat je vooral veel vragen krijgt. De flashbacks beantwoorden die soms, maar met sommige vragen blijf je zitten. De belangrijkste daarvan is de vraag waarom Edo eigenlijk zo is zoals hij is. Een deel ervan wordt verteld: hij is in zijn jeugd nogal beschermd opgegroeid en hij is erg slim, maar er worden verder weinig beweegredenen gegeven voor Edo’s gedrag. Daar ga ik in het volgende deel verder op in.

Perspectief
In het boek komen verschillende vertelsituaties voor. Het perspectief in dit boek ligt vaak bij Edo, er is dan sprake van een personale vertelsituatie. Daarnaast komt in het boek ook nog een ikvertelsituatie voor.
De personale vertelsituatie vanuit het gezichtspunt van Edo komt het vaakste voor. Dit is een onbetrouwbare vertelsituatie, omdat je er niet vanuit kunt gaan dat wat er verteld wordt ook klopt. In het eerste deel van het boek gebeurt het bijvoorbeeld dat verteld wordt dat Edo verdwijnt in een soort van speelgoed, een labyrint met een balletje erin dat je naar het middelpunt moet laten rollen. Dit heeft hij gekregen van mevrouw Koelman.
“Zodra de bal in het middelpunt lag zat hij stil, doodstil, en het leek of de dingen om hem heen zich langzaam terugtrokken. Ze verdwenen. Op een middag was hij ook zichzelf vergeten, kleiner en kleiner geworden en eveneens verdwenen. En eigenlijk had het hem nauwelijks verbaasd zich opeens in het labyrint te bevinden. De wereld was immers veranderd. Iedere dag zat hij nu enkele uren in een van de gangen, de rug tegen een hoge, met mos begroeide muur. Heel in de verte hoorde hij de bal rollen. Het leek vaag op kanongebulder. Hij sloeg zijn armen om zijn opgetrokken knieën en koesterde zich in de zon.” (pagina 30/31)
De ikvertelsituatie zit door het hele boek hier en daar verweven, maar komt vooral voor in het derde deel. In de andere delen komt het alleen voor in de vorm van gedachten die niet tussen aanhalingstekens zijn gezet, zoals in het stukje waarmee deel twee zowel begint als eindigt:
“Hij keek haar aan, met ingehouden adem, en bewoog zich niet. Zij keek hem aan, en bewoog zich niet. Er zijn de gebeurtenissen, er zijn mijn gedachten over die gebeurtenissen, maar wat er werkelijk gebeurd is begrijp ik niet, en dat is onuitstaanbaar. Dit onderweg noteren.” (pagina 69 en 150)
In het derde deel zijn grote stukken tekst in de ikvertelsituatie geschreven.
De personale vertelsituatie en de ikvertelsituatie zijn volgens mij gekozen omdat de nadruk in het hele boek ligt op Edo. Hij is de enige hoofdpersoon. Dit zorgt ervoor dat de nadruk erg ligt op de dingen die hij denkt. Toch blijft het, ondanks dit perspectief, moeilijk om je in de hoofdpersoon in te leven, omdat hij gewoon nogal vreemd is. Zijn gedachten zijn vaak absoluut niet te volgen. Misschien zou hier een verteller die wat meer uitleg geeft wel fijn zijn.
Door de onbetrouwbare informatie die vooral in deel een wordt gegeven, ga je in de rest van het boek ook aan alles twijfelen. Je bent je ervan bewust dat wat verteld wordt niet waar hoeft te zijn.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Andere verslagen van "Opwaaiende zomerjurken door Oek de Jong"