Zit je in de 3e of 4e van het vmbo? Vul dan deze vragenlijst in. Kost je een paar minuutjes en je verdient 2 euro. Alvast bedankt!!

 


Meedoen


ADVERTENTIE
Hey doe jij dit jaar eindexamen? Volg dan @eindexamens op Instagram. Wij bereiden je vanaf nu al voor op die gevreesde weken in mei. Met tips, nieuws, info over studiekeuze en natuurlijk enorm veel mentale steun van ons en je lotgenoten!

Volg @eindexamens
Arthur Japin
De zwarte met het witte hart
Wolters-Noordhoff
Grote Lijsters 2002
Eerste druk: 1997
Roman van 416

Samenvatting van het verhaal
Java 1900 Aquasi Boachi is bittere oude man van 73. Hij is als prins geboren in het rijk van Ashanti. Hij is zwart. Dit viel pas op toen hij in Delft aankwam voor zijn studie. Daar in Delft, waar iedereen wit was, behalve zijn neef en beste vriend Kwame. Het is bijna vijftig jaar geleden dat Kwame stierf en Aquasi woont nu bijna vijftig jaar op Java. Hij heeft één trouwe bediende, Ahim, die zich niets aantrekt van het gescheld, gemopper en de dreigementen van zijn meester. Want Aquasi moppert veel. Ook op de vrouw die voor hem een feest wil organiseren, omdat hij bijna vijftig jaar op Java woont. Hij hoeft helemaal geen feest. Toch laat hij het toe.

Als kind heette Aquasi nog gewoon Kwasi. Zijn vader, Kwaku Dua, is een vooruitstrevend vorst die open staat voor onderhandelingen met de gouverneur-generaal van het Nederlands Oost-Indische leger. Hij doet een gunstige deal. Zijn volk levert ieder jaar 1000 ‘recruten’ en in ruil daarvoor ontvangt hij vuurwapens. Hij weet niet dat die recruten, niets anders dan slaven zijn. De avond voor het afscheid van de Nederlander, roept Kwasi’s vader hem en zijn neef Kwame bij zich. “De witten in Europa hebben veel kennis, en die gaan jullie voor ons vergaren”.
En zo belandden Kwasi en Kwame in een Kostschool in Delft, waar hun namen werden veranderd in Aquasi en Quame en ze les krijgen van de heer van Moock. Ze kunnen zich moeilijk aanpassen. De andere jongens pesten en vernederen hen. Toch leren ze snel, vooral Aquasi is leergierig en doet zijn best zich aan te passen. Hij sluit zelfs vriendschap met de sterke eenvoudige Cornelius de Groot, die hem leert worstelen om zichzelf te kunnen verdedigen. Aan deze vriendschap komt abrupt een einde als Aquasi en Quame worden opgehaald door van Drunen, de man die zich over hen had ontfermd tijdens de reis naar Nederland. Cornelius en Aquasi worstelen in het zand als het chique rijtuig van Van Drunen langs komt. Aquasi stapt in en laat Cornelius achter, waardoor het verschil tussen hen opeens pijnlijk duidelijk wordt. Van Drunen brengt hem en Kwame naar Raden Saleh, een beroemd schilder, die een portret van de prinsjes maakt om op te sturen naar Aquasi’s vader. Daar, bij die schilder ontmoeten ze voor het eerst Sophie en haar moeder, Anna Paulowna, kroonprinses en grootvorstin. Na die ontmoeting worden ze regelmatig ontboden aan het hof. Iedereen is altijd aardig tegen hen, iedereen wil met hen praten. Ze krijgen lekkere hapjes toegestopt en ze bewonderen het pianospel van Quame. Pas later beseft Aquasi dat ze door de meeste mensen vooral als een attractie werden gezien. De twee zwarte prinsjes, een bijzonder natuurverschijnsel. Alleen Sophie lijkt echt om hen te geven. Er ontstaat een echte vriendschap tussen Sophie en de twee neven. Aquasi wordt zelfs verliefd op haar. Een onmogelijke liefde natuurlijk. Sophie trouwt met haar neef Carl Alexander en verhuist naar Weimar om bij haar echtgenoot in te trekken. Aquasi is eenzamer dan ooit. Kwame en hij groeien ook steeds verder uit elkaar. Kwame vindt dat Aquasi veel te hard zijn best doet om zich aan te passen aan de Nederlanders, om hen te bekoren. Het doet hem vooral pijn als Aquasi op een dag als een wilde gaat ronddansen en springen, zichzelf vernedert, om de Nederlanders te vermaken. Hij zal nooit echt geaccepteerd worden, en Kwame weet dat. Op zijn beurt ergert Aquasi zich aan de koppige Kwame, met zijn sombere buien, die nog altijd terug verlangt naar zijn vaderland.
Na hun kostschooltijd gaan ze allebei studeren en worden ze net als iedereen ontgroend. Kwame stopt al binnen een jaar en gaat naar de Militaire Academie. Aquasi meldt zich aan bij een studentenvereniging, waar hij een toespraak houdt over zijn vaderland. Hij kraakt zijn hele cultuur af, weidt uit over de heidense bijgeloven van zijn volk en de gruwelijke straffen die gebruikt werden. Aquasi weet niet dat Kwame verlof heeft genomen en in de zaal zit. Kwame is diep gekwetst, verbijsterd en beseft dat hij niet langer in Nederland wil blijven, onder de mensen die zijn Aquasi zo veranderd hebben. Hij vertrekt in militaire dienst naar fort Almina, het Nederlandse fort, vlakbij zijn vaderland. Daar wordt het hem duidelijk dat hij totaal vervreemd is van zijn land. Hij kan zich de taal niet meer herinneren en zijn vader wil hem niet ontvangen. Hij is verbannen. Elke dag ziet hij in het fort het schilderij hangen dat Raden Saleh ooit gemaakt heeft in zijn jeugd. De verf is niet bestand tegen de zoute, vochtige zeelucht en bladdert steeds verder af. Kwame is diep ongelukkig en de enige hoogtepuntjes zijn de brieven van zijn neef. Even lijkt het erop dat Aquasi als ingenieur komt werken in een mijn in de buurt van het fort en Kwame leeft op. Als dat toch niet doorgaat zakt hij nog dieper in de put. Hij krijgt waanbeelden over zijn moeder en zijn brieven aan zijn neef worden steeds depressiever. Uiteindelijk, na drie jaar in het fort geleefd te hebben, zijn vaderland zo dichtbij en toch zo onbereikbaar, zet hij een jachtgeweer tegen zijn hoofd en haalt de trekker over.
Na de dood van Kwame, vertrekt Aquasi naar Indië. Daar moet hij werken onder Cornelius de Groot, met wie hij ooit bevriend is geweest. Nu doet De Groot er alles aan om Aquasi zo veel mogelijk te vernederen en te kleineren. Het blijkt dat Aquasi uit de gratie is bij de koning, doordat hij ooit was uitgevallen tegen de schilder Raden Saleh toen die zijn vader beledigd had. Daardoor kan hij promotie wel vergeten. Hij is verplicht onder de sadistische Cornelius te werken. Op een dag gaan ze samen op bezoek bij een zekere Douwes Dekker (!). De Groot probeert de jonge bediende van Douwes Dekker te slaan met zijn zweep, maar Aquasi voorkomt dit door zijn hand uit te steken. De jongen heet Ahim en is Aquasi zeer dankbaar en later die avond verbindt Ahim de hand van Aquasi vakkundig.
Na een paar jaar onder Cornelius de Groot gewerkt te hebben is Aquasi het zat; hij vertrekt naar Nederland om uitleg te krijgen, waarom hij maar geen promotie kan maken. Tevergeefs. Begin 1958 vertrekt hij weer naar Java, waar hij moet leven van een klein maandelijks bedrag dat hij van de Nederlandse Overheid ontvangt. Uiteindelijk krijgt hij 1962 toch een soort schadeloosstelling, hij krijgt een stuk land op Java om van te leven. Ahim is de enige man in de weide omtrek die bereid is te werken onder een zwarte man.

Verhaaltechniek
1. Plaats: Het verhaal speelt zich af in het rijk van Ashanti aan de Goudkust van Afrika, in Delft en op Java
Tijd: De gebeurtenissen spelen zich af tussen 1836 en 1862, en in 1900. Dit zijn eigenlijk twee verhalen die door elkaar lopen, 1900 is het nu, de daarvoor genoemde periode bestaat uit herinneringen (flashbacks)
2. Kwasi/Aquasi is een Afrikaanse prins die als tienjarig jongetje na een gelukkige jeugd plotseling naar Delft wordt overgebracht. Hij bekomt echter vrij snel van de schrik. Hij kan goed leren en werkt hard om zijn achterstand op zijn klasgenootjes in te halen. Hij zal geen vlieg kwaad doen en is ook nauwelijks rancuneus. Hij probeert nooit wraak te nemen. Hij blijft zelfs jaren werken voor een man die hem mishandeld en constant beledigd, Cornelius de Groot. Uiteindelijk ontstaat er zelfs bijna een soort kameraadschap tussen die twee. Aquasi is vooral in zijn jeugd erg op zoek naar waardering, hij doet er alles aan om geaccepteerd te worden. Ondanks het feit dat hij zo zijn best doet om zich aan te passen, heeft hij wel een sterke wil. Hij wordt regelmatig mishandeld en vernederd, maar al doet het hem pijn, hij blijft proberen aansluiting te zoeken. Uiteindelijk geeft hij voor zichzelf toe dat hij dat nooit zal vinden en kiest hij voor een geïsoleerd, maar rustig leven op Java. Daar krijgt hij ook op oudere leeftijd nog een paar kinderen bij verschillende vrouwen. Als oude man moppert en scheld hij veel en is hij niet meer bereid om zich aan anderen aan te passen, toch zit er onder deze houding nog steeds dezelfde goeiige man, die ondanks zijn dreigementen zijn trouwe bediende Ahim nooit een haar zou krenken en stiekem, al geeft hij zichzelf niet eens toe, toch een beetje vereerd is dat er een feest voor hem georganiseerd.
Kwame/Quame is de kroonprins van de Ashantijnen. Ook hij wordt in zijn jeugd weggerukt uit zijn veilige vaderland. Ooit zal hij echter terugkeren om dat vaderland te regeren. In tegenstelling tot Aquasi is en blijft hij zeer trots op zijn afkomst. Hij weigert zichzelf te vernederen en voelt zich nooit Nederlander. Hij heeft net als Aquasi een sterke wil, hij weigert te buigen voor alle druk om zich volledig aan te passen aan de wensen van zijn nieuwe landgenoten. Kwame kan prachtig pianospelen en houdt erg van muziek. Ook kan hij beter tekenen dan zijn neef. Al die jaren in Nederland voelt hij zich Afrikaans, maar als hij uiteindelijk terug gaat naar zijn vaderland blijkt dat hij ondanks alles toch vernederlandst is. Hij kan niet eens meer zijn oorspronkelijke taal spelen en hij wordt verbannen uit zijn stam. Hij zit als het ware gevangen tussen twee culturen en is erg eenzaam. Hij blijft nog drie jaar wachten in fort Almina in de hoop toch nog uitgenodigd te worden door zijn oom, vorst van het Ashantijnse rijk. Uiteindelijk ziet hij in dat die uitnodiging niet zal komen. Hij weet geen raad meer met zichzelf, hij heeft eigenlijk geen identiteit meer. Hij wordt letterlijk gek van radeloosheid en maakt op drieëntwintigjarige leeftijd een eind aan zijn leven.
3. Het boek is geschreven in de ik-vorm. Hij vertelt over zijn belevenissen, maar laat ook verslagen van andere mensen lezen die informatie geven over dingen die hij niet heeft meegemaakt. Zo staat er in het begin van het boek een reisverslag van adjunct-commisaris van Drunen. Deel vier, blz 245-306, bestaat uit brieven van Kwame aan Kwasi vanuit Goudkust.
4. Motieven:
- Tegenstellingen. Overal zijn tegenstellingen in dit boek. De belangrijkste is natuurlijk zwart-wit. De twee Afrikaanse zwarte prinsjes steken heel erg af tegen al die bleke kaaskoppen in Nederland. Er is ook een belangrijke tegenstelling tussen de twee prinsen. Kwame houdt zich sterk vast aan zijn Afrikaanse identiteit, terwijl Aquasi juist enorm zijn best doet om zijn verleden achter zich te laten en als Nederlandse burger geaccepteerd te worden.
- Cultuurverschillen. Er is een enorm verschil tussen de cultuur van de Ashantijnen en de cultuur van de Nederlanders. Kwasi en Kwame hebben het hier erg moeilijk mee, in hoeverre moeten ze zich nu aanpassen? Ook Anna Paulowna, die uit Rusland komt, heeft moeite om te wennen aan het koude Nederland. De succesvolle schilder Raden Saleh komt ook uit het buitenland.
5. Het thema van dit boek is discriminatie. De hoofdpersonen van het boek moeten constant vechten tegen de vooroordelen en de discriminatie.
6. De titel van het boek slaat op Aquasi, de hoofdpersoon. Hij is zwart en wordt ook zo behandeld, maar in zijn hart voelt hij zich Nederlander. Op bladzijde 92 wordt het ook tegen Aquasi gezegd door een meisje dat hij in Weimar laat paardjerijden op zijn knie: ‘Het meisje streelde mijn wang en zei: “Jij zwarte met je witte hart.” Ik wist niet wat te antwoorden van ontroering. Toen keek ze in de palm van haar hand om te kijken of ik niet had afgegeven.’
7. De schrijfstijl van dit boek is helder, met korte duidelijke zinnen. Ik vind het wel heel mooi geschreven, ingehouden, maar toch ontroerend.

Plaats in de literatuurgeschiedenis
De zwarte met het witte hart was zijn debuut als romanschrijver en meteen de grote doorbraak van Arthur Japin. Het is in vele talen vertaald. De romans die op dit boek volgden, zoals De droom van de leeuw en Een schitterend gebrek, gaan altijd over buitenstaanders in de samenleving. Ook het boekenweekgeschenk dat hij dit jaar mocht schrijven gaat over buitenstaanders. Dit keer geen zwarten in een land van witten, maar lilliputters in een land van lange mensen.

Mijn mening
Ik vond het een prachtig boek. Het is geen moment saai en greep me echt heel erg aan. Het is vooral heel ontroerend. Af en toe moest ik wel een traantje wegpinken, vooral toen Kwame zelfmoord pleegde. Het is natuurlijk een prachtig verhaal, op feiten gebaseerd: twee Afrikaanse prinsjes die moeten opgroeien in Nederland, in een tijd dat de meeste Nederlanders nog nooit een zwart medemens tegengekomen waren, maar ik vind dat Japin het ook prachtig heeft beschreven. Vooral de stukken van Aquasi als oude man, waarin hij moppert en zeurt en zegt dat hij alles vreselijk vind, en toch heb je als lezer door dat hij het eigenlijk allemaal niet zo erg vind. Dat hij eigenlijk erg op Ahim gesteld is en eigenlijk toch vereerd is dat er ter ere van hem een groot feest komt. Dat vind ik toch zo knap. Eigenlijk moet ik het nu iets nuanceren door de minpuntjes van het boek op te noemen, maar ik kan echt niets verzinnen. Het was echt een van de mooiste boeken die ik tot nu toe gelezen heb.

Verdieping; Eerste bladzijde
De eerste bladzijde van ‘De zwarte met het witte hart’ vertelt al veel over de rest van het boek. De allereerste zin vind ik prachtig: “De eerste tien jaar van mijn leven was ik niet zwart.” Na deze opvallende openingszin legt de schrijver uit wat hij bedoelt met deze zin aan de hand van een voorbeeld. Een rode plant tussen allemaal groene planten valt veel meer dan dat hij gedaan had tussen rode planten. Verderop in het boek wordt duidelijk wat dit met het verhaal te maken heeft. De hoofdpersoon van het boek leeft de eerste tien jaar van zijn leven tussen andere zwarte mensen. Het valt dus niet op dat hij zwart is. Pas als hij in het witte holland komt, valt het op hoe zwart hij is. De eerste bladzijde geeft ook al weg dat de ik van het verhaal in 1900 theevelden bezit, maar dat is verder niet zo heel belangrijk. De zin “Later toen ik dan eenmaal zwart wás, ben ik weer verschoten,” is wel belangrijk. Je kan deze zin op verschillende manieren verklaren. De hoofdpersoon van het boek verhuist uiteindelijk naar Java, waar de mensen minder wit zijn en hij dus minder zwart lijkt. Een andere verklaring voor deze zin kan zijn dat Aquasi zo zijn best doet om te integreren en erbij te horen, om witter te lijken, dat hij uiteindelijk ook minder zwart lijkt. Je zou ook kunnen denken dat het slaat op het feit dat Aquasi zich aan het eind van het boek niet meer constant met witte mensen probeert te vergelijken. Hij heeft zich er dan bij neergelegd dat hij nooit als een gelijke beschouwd zal worden.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.