Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

De uitvreter, Titaantjes, Dichtertje door Nescio

Beoordeling 7
Foto van een scholier
  • Boekverslag door een scholier
  • 4e klas vwo | 5403 woorden
  • 12 mei 2013
  • 6 keer beoordeeld
  • Cijfer 7
  • 6 keer beoordeeld

Eerste uitgave
1911
Pagina's
160
Geschikt voor
bovenbouw havo/vwo
Punten
2 uit 5
Oorspronkelijke taal
Nederlands
Onderwerpen

Boekcover De uitvreter, Titaantjes, Dichtertje
Shadow
De uitvreter, Titaantjes, Dichtertje door  Nescio
Shadow
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!

Nescio [Jan Hendrik Frederik Grönloh] De Uitvreter, Titaantjes, Dichtertje, Mene


Tekel.


‘s Gravenhage, 198625, [1910] Nijgh & Van Ditmar.


De Uitvreter


Inhoudsweergave


De Uitvreter is een bijnaam voor Japi. Hij wordt uitvreter genoemd omdat hij op de kosten van anderen leeft en iedereen zo uitvreet. Bavink, een schilder, heeft Japi in Veere ontmoet waar hij almaar in het water zat te staren. Op de veerboot zegt hij dat hij bezig is te versterven: bewegen en denken is voor domme mensen. Bavink raakt geboeid door Japi: hij kent niemand anders die zo onafhankelijk en vrij leeft.


In de winter keren ze als vrienden terug naar Amsterdam. Daar gaan ze op bezoek bij Koekebakker, de verteller, en Hoyer, ook kunstschilder. Zo leert Koekebakker Japi kennen. Japi komt vaak bij hem over de vloer en maakt ruimschoots gebruik van zijn levensmiddelen, sigaren, schoenen en stookhout. Hij krijgt Koekebakker zelfs zo ver om in de stromende regen jenever voor hem te gaan kopen.


Zo gaat het enkele maanden. Dan wil Japi’s vader dat Japi op een sollicitatie in de krant reageert. Japi wil niet en wordt er beroerd van. Hij vertelt Koekebakker over zijn niet succesvolle carrière in de handel. Daarna deelt hij mee dat hij een tijdje naar Friesland gaat. Zonder metgezel en zonder reden. Omdat hij er zin in heeft. Na zes weken keert Japi terug, nog beroerder. In de zomer verdwijnt hij weer en toevallig komt Koekebakker hem in Brussel tegen. Japi ziet er op zijn paasbest uit maar wil niet vertellen waarom. In de winter ziet Hoyer hem in Veere samen met een Française. Japi krijgt een baan aangeboden van zijn vader en gaat twee jaar werken in Afrika.


Na twee jaar werken komt Japi terug. Koekebakker komt hem tegen en Japi vertelt dat hij geen fijne tijd in Afrika heeft gehad. Hij had malaria, zijn Franse vriendin Jeanne is er vandoor gegaan met een ander en ze leed aan een ongeneeslijke borstkwaal. Hij zegt dat hij zijn tijd aan het verstaren is en je toch niets kan bereiken. Nog een paar maanden ‘verstaart Japi zijn tijd’. Zodra Jeanne overleden is, stapt hij van de Waalbrug af. ‘Springen kon je het niet noemen (…) hij was er afgestapt.’ (p. 41). Op zijn kamer heeft men nog zeven briefjes aan de muur gevonden. Zes met ‘G.v.d.’ en één met ‘Ziezoo’.



Literaire aspecten



  1. a.       tijd


De verteltijd van de Uitvreter is anderhalf uur. De vertelde tijd is een periode van circa vijf jaar. Dit kun je opmaken uit woordgroepen als ‘Het was een maand later’, ‘Den zomer daarop’ of ‘binnen de twee jaar was i terug’. Het tijdsverloop is chronologisch maar de verteller beschrijft het verhaal met sprongen. Soms staan twee jaar in één alinea beschreven, soms beslaat één avond een paar bladzijden.



  1. b.      ruimte


Het verhaal begint in Zeeland maar speelt zich vooral af in Amsterdam waar de vrienden wonen. De landschappen in dit boek beschrijft Nescio heel uitvoerig. Hierbij maakt hij gebruik van allerlei stijlmiddelen zoals alliteratie, herhalingen, metaforen enzovoort. Zie het citaat hieronder voor een voorbeeld.


‘Het schip steigerde, kwakte, rolde en slingerde; het water spatte en plenste over de verschansing: niemand anders was aan dek te bekennen. Vóóruit was het water onafzienbaar, vol witte koppen, de schaduw van een groote wolk was een drijvend eiland; heel in de verte voer stampend een vrachtboot voor hen uit.’ (p. 11)




  1. c.       personages


Japi: De titel van dit verhaal beslaat op Japi. Hij is een uitvreter omdat hij zonder iets uit te vreten rond komt door uit te vreten. Hij vreet namelijk zijn vrienden uit en maakt ruimschoots gebruik van hun levensmiddelen, schoenen, sigaren en stookhout. Japi heeft het streven naar het niets doen en te versterven. Hij heeft het inzicht dat alles zinloos is, je gaat toch dood. Hij kan zich dan ook ergeren aan mensen die zich druk maken. Het is toch tijdelijk. Daarom is hij geobsedeerd door het water. Dat is niet tijdelijk en blijft altijd stromen, wat er ook gebeurt.


Japi is als enige een rond karakter. Eerst doet hij niet veel meer dan eten, slapen en staren. Als hij Jeanne ontmoet en van zijn vader een baan aangeboden krijgt, verandert hij een tijdje. Van een flierefluiter transformeert hij zich in een harde werker. Ook ziet hij er piekfijn uit als hij Koekebakker in Brussel tegenkomt. Als het uit gaat met Jeanne wordt Japi weer de oude.


Koekebakker: Koekebakker is de verteller van het verhaal. Hij weet veel van zijn vrienden. Hij is een schrijver. Hij heeft niet erg veel geld en is redelijk materialistisch, trots op zijn bezittingen. Tegenover Japi is hij erg tolerant.


Bavink: Bavink is degene die Japi heeft ontmoet. Hij is een landschapsschilder maar nooit echt tevreden over zijn werk. Van het geld dat hij met zijn schilderijen verdient komt hij rond en laat hij Japi leven. Hij vindt de mening van Japi over zijn schilderijen erg belangrijk.


Hoyer: Hoyer is evenals Bavink een schilder. Hij schildert echter geen landschappen maar portretten. Hij verdient veel geld. Hij wordt negatief voorgesteld: gierig, grof en brutaal.


Bekker: Ook Bekker is een lid van de vrienden. Over hem wordt weinig verteld.



  1. d.      motieven


De Uitvreter bevat veel motieven. Ten eerste vriendschap. Het boek gaat over een groep vrienden. Hoewel Japi hen uitvreet, blijven ze hem helpen. Ook gaat het boek over verlangens. Allemaal hebben ze dromen over de toekomst. Zo wil Bavink een erkend schilder worden en Koekebakker een rijk man. Ten slotte gaat het over machteloosheid over het noodlot en de frustratie daarover. Uiteindelijk zal niemand zijn doel bereiken, is het leven dan wel zinvol geweest?


De Uitvreter


in combinatie met Titaantjes bevat nog een motief: het contrast


jeugd – volwassenheid. In de Uitvreter zijn de personages jongeren en in Titaantjes zijn die personages volwassen geworden. Jongere zijnde konden ze doen wat ze willen, hadden ze alle vrijheid, lag er een wereld voor hun open. Ze hadden dromen, verlangens en hoop. Maar eenmaal volwassen zaten ze gebonden aan hun werk, gefrustreerd over niet uitgekomen verlangens en met een ontevreden terugblik op hun leven.




  1. e.      perspectief


Het verhaal wordt verteld vanuit een ik - perspectief: Koekebakker. Hij weet veel van zijn vrienden en komt ook via Bavink veel te weten. Daardoor lijkt hij soms een alwetende verteller.



  1. f.        taalgebruik


Nescio heeft geprobeerd het verhaal zo werkelijk mogelijk te laten overkomen. Daarom heeft hij in spreektaal geschreven. Hij gebruikt woorden als ‘heeft i’ (heeft -ie) en ‘hattem’ (had hem). Ook is het taalgebruik wat ouderwets. Zinnen als ‘Dat kon Bavink wel bekoren.’, ‘Waarachtig, ’t is hier gezellig.’ gebruiken wij niet meer. Bovendien is de spelling gedurende de eeuw aangepast. Ondanks het ouderwetse taalgebruik leest het boek gemakkelijk weg. De woordkeuze is niet moeilijk en de zinnen zijn niet te lang.



  1. g.       thematiek


De Uitvreter gaat over verlangens van een groep jongeren.


Recensies


Er is niets controversieels aan het lezen van Nescio in Amsterdam, niet als Lolita in Teheran. J.H.F. Grönloh was Amsterdammer (‘Goddank’) en zijn romans De Uitvreter, Titaantjes en Dichtertje (1911, 1915, 1918) hebben iets onschuldigs. Ze stralen een weldadige weemoed uit, een melancholie die je projecteert op de tijd dat deze boeken spelen. Het is een soort oneindige studententijd, met net genoeg te eten (de twee ons boterhammenworst die Koekebakker in De Uitvreter voor morgen bewaarde, was ‘een rijkdom die ik sedert mijn verjaardag niet gekend had, en dat was maanden geleden’), nachtelijk rondzwerven door stad en land en ellenlange discussies over God en het socialisme. De sobere, spreektaal benaderende stijl, met archaïsmen en verkleinwoorden als in de boekjes die je op de basisschool las sterkt je in die indruk. Als Japi, de uitvreter, Koekebakkers worst ontdekt: ‘“Kerel,” zei i, “weet je dat je worst in huis hebt?” Of ik ’t wist.’


Bron: http://www.recensieweb.nl/auteur/607/Nescio.html


Mening


Houd je van spanning, dan is dit boek niets voor je. In de uitvreter gebeurt namelijk niet veel. Maar met Nescio gaat het niet om de gebeurtenissen, maar om de achterliggende gedachten en motieven.  Je moet bij dit boek dieper graven voor de echte betekenis en bedoeling van de schrijver. Dat je als lezer zelf moet nadenken, vind ik belangrijk bij een boek.


Ook Nescio’s schrijfstijl vind ik mooi. Zijn uitgebreide ruimtebeschrijvingen die al gedichten op zichzelf zijn, trekken je mee in de sfeer van het verhaal.  De verteller relativeert en ironiseert het verhaal met zinnen als ‘Binnen de twee jaar was i terug: ziek, half dood’. Deze zinnen maken het verhaal luchtig en geven het een ironische tint. Met het ouderwetse taalgebruik had ik geen moeite. Na de eerste paar bladzijden las ik daar overheen.









Titaantjes


Inhoudsweergave


Onder de Titaantjes verstaan we Koekebakker, Bavink, Bekker, Hoyer en Kees Ploeger. Ze willen een onafhankelijk, eigen leven leiden. Maar dit streven kunnen ze niet waarmaken door allerlei maatschappelijke verplichtingen. Ze zitten vast aan hun bazen, de rijke heren. Als jongeren hadden ze toekomstdromen. Hoyer wilde een sociaal kunstenaar worden, Bekker wilde verhuizen naar de heide. Ook hiervan komt niet veel terecht. Elkaar vertellen ze hoe het is en hoe het eigenlijk had moeten zijn. Ze gaan steeds meer hun eigen weg. Bekker wordt correspondent in Duitsland en Hoyer gaat om te schilderen naar Parijs. Bavink maakt een schilderij van Rhenen dat kans heeft om een succes te worden, maar Bavink vernielt hem. Daardoor wordt hij gek. Koekebakker zelf zwerft zes jaar rond en keert daarna terug. Hij merkt dat er in Amsterdam niets veranderd is. Weer krijgt hij verlangens en tegelijkertijd het besef dat ze onvervuld zullen blijven. Hij blijft schrijven en ontvangt hier voor een schamel loon.


Literaire aspecten



  1. a.       tijd


De verteltijd van Titaantjes is anderhalf uur. De vertelde tijd is een periode van ongeveer acht jaar. Het tijdsverloop is chronologisch maar de verteller beschrijft het verhaal met sprongen. De zes jaren waarin Koekebakker rondzwerft worden kort beschreven terwijl de nacht met de Titaantjes aan het strand relatief lang wordt beschreven.



  1. b.      ruimte


Het verhaal speelt zich vooral in Amsterdam en Rhenen af. Ook in dit boek beschrijft Nescio de landschappen Nescio heel uitvoerig. Hierbij maakt hij gebruik van allerlei stijlmiddelen zoals alliteratie, herhalingen, metaforen enzovoort. Zie het citaat hieronder voor een voorbeeld.


‘In Rhenen stond ik in de schemering op de brug over den spoorweg en keer naar ’t Noorden. In de diepte lag de spoorlijn tot den gezichtseinder, aan beide zijden er van rees de berg steil op, begroeid met lichtgroen gras en donkergroene brem vol gele bloemen. Ik keek er naar hoe de bergwanden geleidelijk lager werden, tot ze heel ver overgingen in de vlakte. Weer begon de duisternis geheimzinnig naar boven te kruipen uit de aarde, zooals ik dat zoo dikwijls gezien had. Bevreesd en bangelijk lag ’t laagste licht van den dag op den berg, de spleet was vol duisternis, een rood licht was opgetrokken aan een paal aan de spoorlijn. De lucht was wat grijs beslagen en keek kleurloos neer op den verslagen dag.’



  1. c.       personages


Koekebakker: Hij is de verteller van het verhaal en weet veel van zijn vrienden. Hij is een schrijver en heeft niet erg veel geld. In Titaantjes vertelt hij een verhaal over zijn vrienden en hierbij haalt hij het verleden aan.


Bavink: Bavink is een landschapsschilder. Hij heeft een schilderij van Rhenen gemaakt dat enigszins succesvol kon worden. Hij kan God echter niet meer kan vangen in zijn schilderijen en kan zich niet los maken van de zon. Hierdoor wordt hij krankzinnig.


Hoyer: Hoyer is een portretschilder en heeft vrij veel geld. Hij komt vrij grof en krenterig over. Later komt hij bij de SDAP terecht en dan stopt hij met de verkoop van zijn schilderijen omdat hij dan geld genoeg heeft.


Bekker: Ook in Titaantjes speelt Bekker geen grote rol. Hij richt een eigen bedrijf op maar dit gaat failliet. Ook wil hij zich terugtrekken op de heide om Dante te gaan vertalen.


Een vertaald citaat van Dante is:


Op het midden van mijn levensweg


bevond ik mezelf in een donker woud


want de rechte weg was verloren gegaan


Ach, hoe zal ik zeggen hoe zwaar het was


wat was dit woud woest en ruw en ongastvrij


de gedachte eraan vervult me weer met angst


Bron: http://nl.wikipedia.org/wiki/De_goddelijke_komedie#Achtergrond_en_structuur




Dit slaat natuurlijk op de Titaantjes. Eerst waren ze vrij, idealistisch en ongeremd. Op het midden van hun levensweg beseffen ze dat ze niets bereikt hebben. Ze moeten het donkere woud door vol maatschappelijke verhinderingen.


Ploeger: Ploeger werkt in een gasfabriek. Hij is het buitenbeentje van de vriendengroep. Hij is er namelijk later bijgekomen maar wil wel graag bij ze horen. Soms begrijpt hij ze echter niet goed.



  1. d.      motieven


Titaantjes bevat veel motieven. Ten eerste onbegrip over de maatschappij. De Titaantjes begrijpen niet waarom de maatschappij zo in elkaar zit. Ze zitten onder druk van hun bazen, de rijke heren. Er is veel verschil tussen hun opvattingen en interesses en die van hun bazen. Ook gaat het over verlangens die niet zijn uitgekomen, mede door de maatschappelijke verhinderingen. Het gaat om angst voor de dood, en voor het niet bereiken van hun doel.


De Uitvreter


in combinatie met Titaantjes bevat nog een motief: het contrast


jeugd – volwassenheid. In de Uitvreter zijn de personages jongeren en in Titaantjes zijn die personages volwassen geworden. Jongere zijnde konden ze doen wat ze willen, hadden ze alle vrijheid, lag er een wereld voor hun open. Ze hadden dromen, verlangens en hoop. Maar eenmaal volwassen zaten ze gebonden aan hun werk, gefrustreerd over niet uitgekomen verlangens en met een ontevreden terugblik op hun leven.




  1. e.      perspectief


Het verhaal wordt verteld vanuit een ik - perspectief: Koekebakker. Hij weet veel van zijn vrienden en komt ook via Bavink veel te weten. Daardoor lijkt hij soms een alwetende verteller.



  1. f.        taalgebruik


Het taalgebruik is identiek aan dat in de Uitvreter.




  1. g.       thema


Titaantjes gaat over een groep jongens die zien dat hun verlangens niet uitkomen naar mate ze ouder worden.


Recensies


(…) En niet alleen die van mij, maar ook die van mijn vrienden. Ik vermoed dat we in de jaren erna vaak voor Titaantjes gespeeld hebben. En veel te lang waarschijnlijk.


Ik was overigens niet de enige die in de zestiger jaren de schrijver ontdekte. De thematiek van het werk sloot immers naadloos aan bij de tijdgeest.


Er was een soort jeugdrevolutie aan de gang. En ofschoon Nescio (Koekebakker) verder keek dan zijn jeugd lang was, bood het boek voor mij en talloze anderen voldoende mogelijkheden voor identificatie.


Afgezien van deze specifieke opleving, of liever gezegd doorbraak, denk ik dat iedere nieuwe generatie lezers van het werk onder de indruk moet komen. Het gaat tenslotte in Titaantjes en de rest van de verhalen om tijdloze gegevens als verwachtingen, verlangen, gedwongen aanpassing, erotiek.


Om op mijn betrokkenheid terug te komen: op den duur kende ik het werk bijna uit mijn hoofd. Een enkele keer gebeurde het nog wel, dat ik een zinnetje tegenkwam, dat nieuw voor me was en me verraste. Dan kreeg ik ongeveer hetzelfde gevoel als die ene keer dat ik op straat een rijksdaalder vond.


In de loop der jaren kocht ik natuurlijk alles wat ik van de schrijver te pakken kon krijgen. Allereerst Boven het Dal, zijn tweede en in feite laatste boek, dat hij zelf twintig jaar voor het verschijnen had samengesteld. Vervolgens diverse boekjes met fragmenten en tijdschriften of boeken over de schrijver. Dat alles over een periode van meer dan dertig jaar. En uiteindelijk dus het Verzameld Werk: de hele la van de schrijver gelicht.


Bron: http://www.nescio.info/artikels/zeeuws/andre.html


Mening


 Van spanning is ook in Titaantjes niet te spreken. Maar bij Nescio gaat het niet om de gebeurtenissen, maar om de achterliggende gedachten en motieven. De lezer moet dieper graven voor de echte betekenis en bedoeling van de schrijver. Dat je als lezer zelf moet nadenken, vind ik belangrijk bij een boek.


Nescio schrijft maatschappijkritisch. Vooral in Titaantjes komt dit tot uiting. Idealisten die hun idealen verliezen en terechtkomen in het burgerlijke leven. Dit onderwerp is actueel. Ook nu zijn de idealisten de jongeren. Ze willen iets veranderen aan het leven, aan de samenleving. Oudere mensen hebben zich neergelegd bij de situatie.


Ook Nescio’s schrijfstijl vind ik mooi. Zijn uitgebreide ruimtebeschrijvingen die al gedichten op zichzelf zijn, trekken je mee in de sfeer van het verhaal. Met het ouderwetse taalgebruik had ik geen moeite. Na de eerste paar bladzijden lees je daar overheen.




Dichtertje


Inhoudsweergave


Ee is een kantoorbediende. Hij droomt ervan om een groot dichter te worden. Hij is getrouwd met Coba en krijgt hiermee een kindje, Bobi. Ee heeft  echter verlangens naar andere vrouwen. Hij spreekt er ook over dat zijn leven een groot gedicht wordt. Coba ondersteunt Ee erg goed. Ze schrijft bijvoorbeeld de gedichten die Ee maakt helemaal in het net, omdat zijn eigen handschrift onleesbaar is. Ze zijn erg gelukkig samen, maar Ee's verlangens zijn er nog steeds. En Coba blijkt ook verlangens te hebben, ze trekt namelijk de aandacht van een andere man als ze op een terras zit. De zus van Coba, Dora, wil graag net zo kunnen dichten als Ee doet. Als Ee Dora wegbrengt naar Beek en Dal zodat ze de dood van haar vader kan verwerken, verlangen Dora en Ee naar elkaar. Dit kunnen ze onderdrukken. Later in het verhaal gaan Dora en Ee echter wel vreemd met elkaar. Aan het eind van het verhaal wordt Ee door zijn vrienden gevonden, hij is helemaal doorgedraaid. Ee gaat dood, terwijl zijn boek een succes is geworden.


Literaire aspecten



  1. a.       tijd


De verteltijd is twee uur. De vertelde tijd is in dit verhaal niet precies te zeggen. Eerst is er een periode waarin Ee en Coba elkaar ontmoeten, dan een huwelijk van ongeveer zes jaar, en dan is er nog de periode waarin verteld wordt over de affaire en de doodt van Ee. In totaal denk ik dat het ongeveer acht jaar is. Ook dit verhaal is in chronologische volgorde.



  1. b.      ruimte


Het verhaal speelt zich af in de woonplaats van Ee en Coba, namelijk Amsterdam.



  1. c.       personages


Ee: Ee is dichtertje. Hij is een kantoorbediende en hij dicht veel. Zijn grote droom is om een groot dichter te worden. Hij trouwt met Coba, en krijgt met haar een dochtertje, Bobi. Ee krijgt op een gegeven moment promotie, en het gaat steeds beter met hem. Maar hij spreekt vaak over verlangens naar een andere vrouw. Hij geeft op een ogenblik toe aan deze verlangens, als hij vreemd gaat met Dora. Dichtertje sterft , terwijl zijn eigen boek een succes is geworden.


Coba: Coba is de vrouw van dichtertje, zij doet alles voor hem en ondersteunt hem veel in zijn passie. Ook Coba trekt de aandacht van een andere man, maar geeft niet toe aan haar verlangens.


Bobi: Bobi is het dochtertje van Ee en Coba.


Dora: Dora is de zus van Coba, Dora gaat in het boek met Ee naar bed. Als Ee dood is, gaat Coba met haar dochtertje bij Coba en Bobi wonen.



  1. d.      motieven


Dichtertje bevat verschillende motieven. Ten eerste verlangen naar de eeuwigheid. Dichtertje wil eeuwig voortleven door middel van zijn gedichten. Ook is eenzaamheid een motief: Ee is ondanks zijn huwelijk erg eenzaam. Ten slotte is dichtertje erg ongelukkig omdat hij zijn droom maar niet bereikt en niet gelukkig is met zijn vrouw.



  1. e.      perspectief


Het verhaal wordt door een alwetende verteller verteld.



  1. f.        taalgebruik


Het taalgebruik is identiek aan dat in de Uitvreter en Titaantjes.



  1. g.       thema


Dichtertje gaat over het verlangen naar de eeuwigheid.


Vergelijking


Dichtertje is een echte Nescio. Ten eerste beschrijft Nescio in de Uitvreter, in Titaantjes en in Dichtertje heel dichterlijk en uitvoerig de ruimte. Hij neemt hij de lezer mee in de sfeer die hij schept.


In de beschrijvingen maakt hij niet alleen gebruik van zijn zicht maar ook van zijn andere zintuigen. Ook gebruikt hij opsommingen als stijlfiguur (‘het schip steigerde, kwakte, rolde en slingerde’ en ‘’t water rimpelde en warrelde en draaide en stroomde’). En hij past veel beeldspraak toe (weemoed steeg op uit ’t duisterende land, de schaduw van een groote wolk was een drijvend eiland).


Dichtertje is ook een echte Nescio door de schrijfstijl. Nescio probeert het verhaal zo echt mogelijk te houden door spreektaal te gebruiken. Denk bijvoorbeeld aan ‘heeft-ie’ dat hij schrijft als ‘heefti’.


Horen de drie verhalen ten slotte bij elkaar? Dat de Uitvreter en Titaantjes bij elkaar horen is duidelijk. In het ene boek zijn de personages jongeren en in het andere boek zijn die personages volwassen geworden. Maar met Dichtertje is dat anders. Wanneer je Dichtertje leest, vraag je je af waarom het bij die twee andere hoort. De personages zijn namelijk anders en bovendien heeft het verhaal geen ik-perspectief maar wordt het verteld door een alwetende verteller.


Daarom moet je op de thematiek van de verhalen letten. Elk verhaal gaat over verlangens naar de eeuwigheid. De hoofdpersonen willen het helemaal waarmaken, beroemd worden, voortleven. En elk verhaal gaat ook over de hulpeloosheid van de mens. Ze eindigen in kantoorwerk of worden gek. Verlangens die niet uitkomen, de onvolkomenheid van het leven, dat zijn de thema’s van de verhalen.


Receptie


a. recensies


HET RELAAS VAN DE TITANEN


Het "Verzameld Werk" van Nescio licht de sluier op over een van de beste schrijvers van de Nederlandse literatuur.


Sus van Elzen


Daar is hij dan. Nescio. Hij wist het niet. "Een groot dichter zijn en dan te vallen. Maar er kwam nooit wat van, want als je een dichtertje bent, dan lopen de mooiste meisjes altijd aan den overkant van de gracht. En zoo werd z'n hele leven één gedicht, wat ook vervelend wordt." Laat me wat zoeken, een eindje verder, niet veel verder, want zo lang is het allemaal niet, gooit hij een gedicht weg : " 't Dichtertje kreeg er genoeg van Hij had nog iets heel moois liggen :


'Mijn doode hart is zoo zwaar te dragen' Dat gooide-n-i maar in 't keukenfornuis, de haard brandde niet, want 't was zomer."


En dan komt het, die ene, onverklaarbare, onvergetelijke zin waar alles in staat :


"En toen werti zoo kwaad op alle levende en doode dingen, datti z'n eindelooze erotiek onderbrak en een grimmig boek schreef dat 'm in eens beroemd maakte."


"Dichtertje" heet het verhaal, zoals we allen weten. Het is bijna 47 bladzijden lang in de royale uitgaven van Nijgh & Van Ditmar, en het dateert, volgens de aantekening in die uitgave, van juni/juli 1917. Het was het derde verhaal, het mooiste, van de oude drie plus één. Dat wil zeggen, er kwamen er twee voor, "De uitvreter" (van 1909-1910) en "Titaantjes" (van 1914). Daar kwam dan "Mene Tekel" achter, wat misschien een, reeks kleinere verhalen was of misschien anderhalve schets.


Daarmee was het dan eigenlijk bekeken. "Boven het dal", de verhalen- of schetsenbundel die in 1961 bij Van Oorschot verscheen, telde niet echt mee : het was te weinig, of te veel, en een Dichtertje was er alleszins niet meer bij. Maar de mythe leefde voort.


De mythe heeft, vroeg of laat, iedereen beroerd die ook maar met één vingertje in de Nederlandse literatuur bezig was, die grote pappot. Anderen, aangezien het er niet over cowboys en indianen ging, direct veel minder. Het was ook een beetje alsof niet iedereen zomaar het recht had om Nescio te lezen, dat was meer iets dat je moest verdienen. Gelukkig bood de omvang van het oeuvre meestal genoeg garanties : zo klein was het, dat je bijna echt een boekengek moest zijn om het in handen te krijgen - ofwel struikelde je in een boekhandel, en viel je er met je neus op, maar zoveel geluk was toch weer een teken van een zekere uitverkorenheid. Een hoofdwerk van minder dan 150 bladzijden, drie verhaaltjes, en toch beroemd zijn, bij schrijvers niets verkeerds kunnen doen, studenten benieuwd maken maar zo streng blijven dat ze niet met je kunnen gaan dwepen...


In de hele Nederlandse pappot zou ik niemand kunnen noemen die het hem nadoet : Bert Alberts, die andere kampioen, was vergeleken bij Nescio bijna een veelschrijver. Wie kan zoiets misschien, het komt ook uit "Dichtertje"? "Dora is een 'ongehuwde moeder'. Zij is op kantoor in Rotterdam, haar baas kent haar geschiedenis en veracht haar niet, integendeel. Wat iets heel bizonders is voor een Rotterdammer.


En ik denk dat om dezen éénen man deze wanstaltige stad mogelijk nog gespaard zal blijven op den grooten dag. Wat weer een nadeel is."


 TITAANTJES. De hele Nescio-historie begint in een soort Nederland dat wij ons niet meer kunnen voorstellen. Het Nederland van de negentiende eeuw.


"Om vier uur werd de zon heel laag, groot en rood en zonk koud en glansloos achter een loods in de haven van Amsterdam. Eenzaamheid kroop op uit 't grasland buiten den dijk, tegen 't oosten ; aan 't eind ervan lag een poel met bruin riet aan de kanten, de verlatenheid zelf.


In de verte, op den dijk van 't Buiten IJ reed een bakkerskarretje met een wit paard er voor en wij dachten aan de krentenbrooden, die daar in waren, want 't was Zaterdag. En in een eenzaam huisje brandde een theelichtje, op tafel, vlak achter 't raam en aan weerszijden was een tulen gordijntje een beetje opgenomen. En 't theepotje stond op 't lichtje. En we werden geheel verteederd, de wereld zouden we later wel veroveren, nu dachten wij meer aan wat eten en drinken, brood met koffie, want 't werd koud, en aan den vloer met wit zand en de kachel van 't cafétje in Schellingwou."


(Buiten-IJ)


Zij dan, dat waren de "Titaantjes", van het verhaal dat zo heet. Drie jonge heren onder wie de schrijver, die de wereld gingen veranderen, en Nederland ook. De schrijver heette Jan Hendrik Frederik (Frits) Grönloh, was op 22 juni 1882 geboren in Amsterdam, overleed op 25 juli 1961 in Hilversum. Echt algemeen bekend werd hij als schrijver pas na zijn dood. In 1962 liet zijn weduwe, mevrouw Boas-Grönloh, het verhaal "Heimwee", en andere fragmenten, verschijnen in Tirade, het tijdschrift van uitgeverij Van Oorschot. Op 9 oktober 1971 werd een monumentje "Hommage aan Nescio" onthuld in het Amsterdamse Oosterpark : een sokkel met drie jonge heren op een bank, gemaakt door Hans Bayens.


Mevrouw Grönloh zei bij die gelegenheid : "De drie jongens op de bank waren mijn man en twee vrienden, jongens van 19, 20 jaar. Ze wilden de wereld veranderen, niets deugde er, enzovoort. Ik ben nu oud en als ik denk aan de tegenwoordige jeugd, die ook de wereld wil veranderen, die hetzelfde voelt als de Titaantjes, dan zeg ik: ga door Titaantjes, er zal daardoor zeker wat ten goede veranderen."


De Titaantjes hadden, zo'n beetje in navolging van Frederik van Eeden en diens utopische kolonie Walden, ook een kolonie gesticht, die roemloos ten onder zou gaan. Het bekende werk van Nescio draait bijna helemaal rond utopie en, zoals gezegd, rond het veranderen dan wel veroveren van de wereld. In die zin zijn de drie verhalen drie stappen drie fasen in die geschiedenis van de utopie in Nederland en van die fasen is "Dichtertje" de derde. De laatste.


Dat dat er zo niet aan te zien was voor de Titaantjes van de jaren zestig, heeft wellicht met twee dingen te maken. Ten eerste is het geen vrolijke boodschap, die Nescio brengt in zijn relaas over zijn jeugdidealen en hoe die teloor gingen. Ten tweede worden die idealen eigenlijk nooit benoemd. Daarvoor schreef Nescio namelijk veel te goed, zijn de verhalen te zeer gelaagd in verschillende soorten ironie, gaat het te vaak over conversaties op terrassen met rieten stoelen tussen God en de Duivel. Dat is dan de burgerlijke God, de "God van Nederland", tegen de onburgerlijk uitziende, ietwat Frans aandoende duivel (met een zwarte snor). Humor, zegt de encyclopedie. Het zal wel. Maar dan wel een humor die beladen is met een eindeloos verdriet en met woede over alle levende en dode dingen - twee gevoelens die nooit benoemd worden maar van dit dingetje samen een groot en grimmig boek gemaakt hebben, en de dichter ervan beroemd waar hij dat moet zijn.


Intussen is mevrouw Grönloh ook overleden, en heeft haar beschermende, remmende hand weggetrokken van het nagelaten werk van haar man. Dat lag in het Nederlands Letterkundig Museum en, om een lang verhaal kort te maken, het "Verzameld Werk" is daar. Het werd bezorgd door Lieneke Frerichs en is twee zware banden dik geworden. Het tot nog toe bekende werk beslaat daarin slechts om en bij de 220 bladzijden van de achthonderd van het eerste deel. Dat eerste deel bevat het "eigenlijke" werk : de teksten waarover wij spraken, plus het "nagelaten werk", plus aantekeningen, teksten en varianten van het bekende werk.


Een nieuw "Dichtertje" moet men er niet in gaan zoeken, Nescio had zelf al gezegd dat dat soort dingen hem niet meer overkwam, en men kan er van uitgaan dat het feit dat hij dit materiaal nooit publiceerde, juist aanduidt dat hij het niet zo goed vond als zijn wèl gepubliceerde werk. Maar het is natuurlijk met veel van dit materiaal zoals met de fragmenten die Louis Paul Boon wegsneed uit "De Kapellekensbaan" : veel anderen zouden dit met vrucht aan hun eigen werk mogen plakken, "dan zouden ze ook wat geschreven hebben."


Het tweede deel, met goed zeshonderd pagina's een stuk minder lijvig, bevat het "Natuurdagboek" van de schrijver. Aantekeningen zijn dat, die lopen van 1946 tot 1955 - veeleer een logboek dan een dagboek. Het was tot op heden totaal onbekend. Het is een wonder. Alles, één en twee, is natuurlijk voorzien van de nodige aantekeningen, nota's, correcties en ballast, maar voor de wijze lezer die bij de tekst blijft en de wetenschap de wetenschap laat, is het geheel een perfecte uitgave. Die honderdvijftig bladzijden en dat mysterie mag men nu wel vergeten, maar in ruil daarvoor is een stuk van de waarheid over Nescio bekend : de heer Grönloh, die zo mooi kon schrijven dat hij God en de Duivel aan een cafétafeltje tegelijk in tranen kon doen uitbarsten. Wie nieuwsgierig is naar hoe men schrijven moet, kan hier eens komen kijken.


Dan heb ik nog niets over de God van Nederland gezegd.


"De God van je tante, die zei dat je moest groeten als je langs 't huis van je baas kwam in Delft of Oldenzaal, waar was 't ook weer, ook al zag je niemand, je kon nooit weten wie 't zag."


 Bron: http://www.nescio.info/artikels/knack/sus1.html


b. eigen mening


Aanvankelijk was de link met de andere twee boeken zoek. Daardoor moest ik de schop halen en wat dieper graven. Zo kwam ik achter de gelijke thema’s: verlangens die niet uitkomen, de onvolkomenheid van het leven en de hulpeloosheid van de mens. Dit boek was een groter raadsel dan de vorige twee door het verscholen verband. Persoonlijk vind ik dat het boek beter maken. De lezer moet zelf nadenken.


Ik vind Dichtertje de mooiste van de drie boeken. De beschrijvingen en de beeldspraak geven een bepaalde sfeer en de achterliggende betekenissen zetten je aan het denken. Als je wat dichterlijk bent aangelegd is Dichtertje zeker een aanrader.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Andere verslagen van "De uitvreter, Titaantjes, Dichtertje door Nescio"