De boeken der kleine zielen door Louis Couperus

Beoordeling 5.2
Foto van een scholier
  • Boekverslag door een scholier
  • 6e klas vwo | 4566 woorden
  • 2 juli 2007
  • 34 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.2
  • 34 keer beoordeeld

Eerste uitgave
1903
Pagina's
1008
Geschikt voor
bovenbouw havo/vwo
Punten
4 uit 5
Oorspronkelijke taal
Nederlands
Literaire thema's

Boekcover De boeken der kleine zielen
Shadow
De boeken der kleine zielen door Louis Couperus
Shadow
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Titelblad
Boek nummer: 10
Naam schrijver: Louis Couperus
Titel boek: De Kleine Zielen
Eerste druk: 1901
Gebruikte druk: 7e druk
Uitgever: P.N. van Kampen & Zoon BV
Plaats van uitgave: Amsterdam
Gelezen in: september 2006

Samenvatting:
Na een afwezigheid van vijftien jaar keren Constance en haar man Henri van der Welcke met hun dertienjarige zoon Addy weer terug naar haar geboortestad Den Haag. Ze doet dit in de verwachting nu, na lange tijd, weer in de genade van de familie te worden opgenomen. Vijftien jaar geleden is ze uit de gratie van haar familie geraakt door haar toenmalige echtgenoot De Staffelaer met Van der Welcke te bedriegen. Na de ontdekking van deze ontrouw heeft Van der Welcke op last van zijn ouders Constance niet aan haar lot over gelaten, maar is hij met haar getrouwd. Daarmee offerde hij zijn carrière in de diplomatieke dienst op.

Ze hebben geen gelukkig huwelijk. Van der Welcke verwijt Constance dat zijn carrière en familiebanden verloren zijn gegaan. Constance verwijt Van der Welcke precies hetzelfde. Addy, de grote troost in hun leven, fungeert als bemiddelaar. Nu het gezin weer is teruggekeerd in Den Haag neemt het steeds meer deel aan het familieleven. Vooral het zogenoemde 'familietafereel', de wekelijkse familiebijeenkomst op zondagavond bij Constance’s moeder, vormt een vast moment van contact. Ter wille van de oude mevrouw Van Lowe waagt geen familielid het op deze zondagavond weg te blijven en houdt men de schijn op als zou er tussen hen allen een hechte familieband bestaat. In feite oefent men voortdurend kritiek op elkaar uit en heerst er eerder onverschilligheid en nijd dan warme sympathie.


Constance is echter zo verheugd weer in de familie te zijn teruggekeerd, dat ze de ware verhouding niet wil zien en blijft vasthouden aan het ideaal van een innige familieband. Zelf spant ze zich tot het uiterste in om met alle familieleden een goed contact te krijgen. De roddelpraatjes waartoe de komst van Constance in Den Haag aanleiding gegeven heeft, nemen echter steeds sterkere vormen aan. Zo doet op een gegeven moment het verhaal de ronde dat Addy geen zoon van zijn vader zou zijn. Ook de roddelpers laat zich niet onbetuigd.

Intussen kan Constance haar ogen niet meer sluiten voor de kilheid en soms openlijke hatelijkheid waarmee vele van haar familieleden haar bejegenen. Zij stelt hier een nieuw beleid tegenover: ter wille van de toekomstige carrière van haar zoon zal zij zich voortaan openlijk in de grote wereld presenteren. Ze begint met een bezoek te brengen aan een van de officiële 'jours' die haar zuster Bertha, een ministersvrouw, pleegt te houden. Deze keuze valt bij de familie niet in goede aarde. Tijdens het familietafereel vindt er een emotionele scène plaats waarin Constance haar zus vraagt of zij haar contacten wil gebruiken om Addy aan een goede carrière te helpen. Wanneer Bertha weigert ontstaat er een ruzie tussen Van der Welcke en Berta’s man, Van Naghel. Dit escaleert tot een gevecht waarbij een groot deel van de familie laat merken niet blij te zijn met de terugkeer van Constance.

Op basis van een tekst van www.scholieren.com, maar met persoonlijke verbeteringen.

Analyse-opdrachten
Voor de analyse van de boeken mag je gebruik maken van de secundaire literatuur. Uitgangspunt voor jouw analyse zijn de volgende 4 vragen:

1. Verklaar de titel.
Probeer een titel op minimaal 2 manieren uit te leggen, bijvoorbeeld letterlijk en figuurlijk.
( zie ook “Laagland” pag. 107 e.v.)

Verklaring 1
De titel zou kunnen verwijzen naar de personages in het boek, die zich veel zorgen maken om de kleine dingen in het leven en daardoor het grote geheel missen. Zo is Adolfine gedurende het verhaal alleen bezig zichzelf en haar kinderen te verheerlijken en daarom vergeet ze werkelijk te genieten van het leven. Door zich zo zorgen te maken om kleine dingen leidt ze geen groots leven van haar dromen en zo houdt ze haar ziel klein.

Verklaring 2
Couperus kan ook de, zelfbenoemde, elite klasse van de bevolking, die het onderwerp zijn van zijn boek en waar hij zelf ook deel van heeft uitgemaakt (zie verwerkingsopdracht), willen beschuldigen. Hij zou dan zeggen dat, hoewel zij misschien grote macht hebben, de rijke families vooral uit kleine zielen bestaan, die zich veel bezig houden met de onbeduidende zaken in het leven en dus als persoon niet zoveel waard zijn als hun status doet vermoeden. Dit punt wordt versterkt door de vele kleine zaken die Couperus uitvoerig beschrijft in zijn boek, zoals onderlinge jaloezie, gierigheid en een drang tot een vals gevoel van gezelligheid.


2a. Wat is het motto van het boek?
Het boek heeft geen motto

3a Geef nauwkeurig per bladzijde de inhoud van de eerste drie bladzijden van het boek weer.
Noteer het nummer van de betreffende bladzijde steeds boven je tekst (min. 60 woorden)

Pagina 5
Het boek begint als Dorine, nat en moe, omdat zij de hele dag door de regen heeft gelopen, aankomt bij Karel en Cateau, haar broer en schoonzus, aankomt. Door haar vermoeidheid vergeet ze dat ze natte kleding aan heeft en maakt ze alles vies. Sientje, één van de hulpen in het huis van Karel en Cateau, stelt dit niet op prijs maar vertelt Dorine dat niet. Vervolgens loopt Dorine, met paraplu, de kamer van Karel binnen.

Pagina 6
Dorine begint zodra ze binnen is meteen te praten over wie ze allemaal bezocht heeft. Ze vertelt dat ze iedereen heeft kunnen overhalen om naar hun moeder te komen. Daar zullen ze gezamenlijk Constance ontvangen, die blijkbaar niet erg geliefd was, aangezien alle broers en zussen het er met elkaar over eens zijn dat ze liever hadden dat Constance weg was gebleven.

Pagina 7
Op de derde pagina legt Dorine uit dat haar zus Adolfine het lastigst over te halen was, maar dat zij haar uiteindelijk heeft kunnen overtuigen door te zeggen dat Bertha, de oudste zus waar Adolfine haar hele leven tegen opkijkt, al had toegestemd. Dan gaat de bel die aankondigt dat het eten klaar staat. Karel heeft liever niet dat Dorine blijft eten en probeert haar subtiel te laten merken dat ze niet gewenst is. Eerst wil Dorine heel graag blijven eten, maar zodra ze ziet dat haar kleding nog vies is besluit ze toch maar eerst naar huis te gaan.

3b. Geef nauwkeurig per bladzijde de inhoud van de laatste drie bladzijden van het boek weer.
Noteer het nummer van de betreffende bladzijde steeds boven je tekst (min. 60 woorden)

Pagina 209
Op bladzijde 209 hebben Van der Welcke en Van Naghel, de minister van Koloniën en de zwager van Constance, ruzie omdat Van Naghel en zijn vrouw weigeren Constance en Van der Welcke uit te nodigen voor de diners waarbij de belangrijkste families van Nederland aanwezig zijn. Van der Welcke wil dit om zijn zoon Addy een goede kans te geven op een succesvolle toekomst, maar door de slechte reputatie van Constance wil Van Naghel niet met hen geassocieerd worden. De ruzie loopt zo hevig op dat Van der Welcke begint te vechten, maar hij wordt op het laatste moment tegengehouden door Paul, een broer van Constance.

Pagina 210
Constance is in een soort shock beland en roept aan een stuk door ” Wat heb je gedaan?...”, als Addy naar haar toe loopt. Dit vergroot haar verdriet alleen nog maar en hierdoor wordt het ook Mevrouw van der Lowe allemaal te veel. Vervolgens komen tante Rien en tante Tien binnen.

Pagina 211
Omdat tante Rien erg slechthorend is, schreeuwt tante Tien alles wat ze zegt. Als zij vervolgens Constance herkent, schreeuwt ze dat zij een slet is en nooit terug had mogen komen uit Italië. Addy kijkt om zich heen en denkt, terwijl zijn moeder is flauwgevallen, de toepasselijke woorden “Het is alles om niets…”

4. Bespreek de opbouw van het boek aan de hand van de volgende 2 punten:
4a. In hoeveel delen/hoofdstukken is het boek verdeeld en wanneer spelen die delen/hoofdstukken?

Noteer van grotere delen of hoofdstukken de eventuele titels.

Het boek bestaat uit twee delen, die ieder op zijn gedeeld in losse, Romeins genummerde hoofdstukken. Het eerste deel bestaat uit 21 hoofdstukken, het tweede deel uit 19 hoofdstukken. Alle hoofdstukken spelen in dezelfde periode, waarschijnlijk rond 1900, aangezien het boek toen is uitgebracht.

Het boek zelf is een onderdeel van een serie boeken, genaamd ‘De boeken der kleine zielen’. De serie bestaat uit vier delen, te weten:
1. De kleine zielen
2. Het late leven
3. Zielenschemering
4. Het heilige weten

4b. Zitten er verschillende verhaallijnen in het boek? Zo ja, welke?
Het boek bestaat uit één verhaallijn, namelijk de terugkomst van Constance en de gevolgen daarvan.

5. Leg uit wat het centrale thema/de centrale thema’s is/zijn.
Het thema geeft in één zin weer wat het eigenlijke onderwerp van het verhaal is.
(zie ook “Laagland” pag. 103 e.v.)

Naar mijn mening heeft het boek twee thema’s, te weten:
- Het familieleven
- Het niet genieten van het leven door teveel te concentreren op kleine dingen.

Het eerste thema komt uiteraard duidelijk naar voren in het verhaal, de personages zijn allemaal familie van elkaar en alle gebeurtenissen hebben verband met het familieleven.

Het tweede thema komt minder expliciet aan de orde. In de secundaire literatuur die ik bekeken heb wordt dit thema ook nergens besproken, maar aangezien het thema ook afhankelijk is van de interpretatie van de lezer, wilde ik het toch vermelden. Gedurende het verhaal zijn alle personages altijd ergens mee bezig, vooral met het organiseren van partijen, bruiloften en diners. Ook komen er veel familiebezoeken aan de orde. Gedurende het verhaal wordt echter niemand gelukkig van zijn werk, zodra iets bereikt is gaat men onmiddellijk door naar het volgende doel, waardoor men nooit geniet.

Overige Analyse-opdrachten
Hierboven zijn de analyse-opdrachten van het instructie stencil beantwoord, er zijn echter ook nog andere kenmerken van het boek die het vermelden waard zijn. Die kenmerken staan hieronder beschreven.

Plaats/ruimte
Het verhaal speelt zich geheel af in Den Haag, met enkele flashbacks naar Constance’s tijd in Rome. In Den Haag speelt het verhaal vooral in de woningen van de verschillende familieleden.

Perspectief
Het verhaal is in de auctoriale persoon vertelt.

Verteltijd
Het boek bestaat uit 211 bladzijdes

Genre
Louis Couperus stond erom bekend dat zijn romans een naturalistische en deterministische achtergrond hadden. Het determinisme is een genre waarin er vanuit wordt gegaan dat het lot van de mens niet in zijn eigen handen ligt. De mens wordt als het ware door het leven geleid, in plaats van andersom. In ‘De kleine zielen’ wordt het leven van Constance geleid door haar verleden. Die ene misstap die zij maakte toen ze jong was achtervolgt haar nog steeds. Dit thema komt veel terug in de boeken van Couperus. Ook in ‘Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan’ en ‘Noodlot’ wordt het leven van de hoofdpersonen bepaald door fouten die zij in het verleden gemaakt hebben.

Eigen mening
Geef je eigen mening over het boek door in aparte alinea’s je oor deel over minimaal vier van de onderstaande punten te formuleren. Maak door middel van een kopje boven elke alinea duidelijk, welk punt je behandelt. Geef bij elk punt minimaal één argument met een voorbeeld uit de tekst.

Je kunt kiezen uit:
- de opbouw
- de personages
- de gebeurtenissen
- het verband tussen tekst en werkelijkheid
- de originaliteit
- jouw normen en waarden met betrekking tot het verhaal
- de gevoelens die het verhaal oproept
- de bedoeling
- de stijl en taal

(zie ook “Laagland” vwo pag. 21 e.v.,55 e.v.)
Ne: min. 125 wrd./ Du, En, Fa : min. 100 wrd.
Bij Duits, Engels en Frans moet de tekst in de betreffende taal worden geschreven.

De opbouw
De opbouw van het verhaal vond ik niet bijzonder goed, omdat deze niet erg verrassend was. Het verhaal is in chronologische volgorde verteld en dat, in combinatie met de trage schrijfstijl (zie de stijl en taal), zorgt ervoor dat het boek vrij moeilijk door te komen is. Ik had vaak het gevoel eerst vele bladzijdes beschrijvingen van omgevingen en personages door te moeten lezen, voordat er eindelijk weer eens wat gebeurde. Zo is er bijvoorbeeld een passage over Ernst, een van de broers van Constance, waarbij wordt uitgelegd hoezeer hij van vazen houdt. Dit gedeelte gaat enkele bladzijdes door, terwijl Ernst verder geen enkele rol van betekenis speelt in het verhaal.

De personages
De personages in het boek vond ik goed verzonnen en omschreven. Elk karakter had zo zijn eigenaardigheden, maar die werden subtiel beschreven. Hierdoor kregen zij een veel groter realisme dan wanneer de schrijver de karakteristieken expliciet had vermeld, omdat mensen in de realiteit ook niet slechts één bepalende eigenschap hebben. Dit komt goed naar voren in de beschrijvingen van Adolfine. Naast haar hoofdeigenschap, haar eeuwige drang tot beter zijn dan een ander, komen ook haar andere karaktereigenschappen naar voren. Zo blijkt zij diep van binnen ongelukkig met zichzelf over haar jaloezie en heeft zij het gevoel dat haar leven fout is gegaan door het lot, niet door haar keuzes (wederom een voorbeeld van het determinisme in Couperus’ boek).

De bedoeling
Toen ik aan het boek begon, ging ik er vanuit dat dit boek geschreven was om de lezer te amuseren met een beschrijving van de elite uit Den Haag, om een lezer mee te nemen naar een wereld waar hij/zij zelf nooit in terecht zal komen. Gedurende het verhaal kreeg ik echter steeds meer het gevoel dat de schrijver de lezer een wijze les wilde leren. De personages leken steeds ongelukkiger te worden en het verhaal verschoof ook langzaam van een beschrijving van een familie naar een oordeel over een familie. Elke negatieve opmerking die één van de zussen of broers maakte, versterkte het gevoel dat je juist niet bij de elite wil horen. Waar het verhaal begon met veel familiale gezelligheid wordt naar het einde toe alleen nog maar met haat en nijd over elkaar gesproken. Zo wekt de schrijver aan het begin van het verhaal de indruk dat Dorine een lieve zorgzame zus is, die vaak iets te veel hooi op haar vork neemt uit liefde voor de familie, maar daar wel veel respect mee verdiend. Langzaam maar zeker blijkt echter dat Dorine het gevoel heeft dat ze wordt gebruikt door haar familie om allerlei klusjes te doen, terwijl haar broers en zussen juist vinden dat zij zelf kiest om zoveel dingen tegelijk te doen om vervolgens de schuld bij hun te leggen. Dit zou men kunnen opvatten als een les van de schrijver om niet te veel eer te willen behalen door aardige dingen te doen, alleen maar om aardig te doen. Als het niet uit werkelijke vriendschap gebeurt, kan je het maar beter niet doen.

De stijl en taal
Zoals ik al zei bij de opbouw, is het boek vrij moeilijk door te komen. Dit is voor een groot deel te wijten aan de schrijfstijl van de auteur. Het boek heeft vele, lange zinnen waarin vaak onnodige woordherhaling zitten. Ook worden in gesprekken tussen de personages geregeld dingen meerdere keren gezegd, waardoor het moeilijk wordt je interesse bij het verhaal te houden. Zo blijft Constance keer op keer herhalen dat ze liever niet getrouwd was met Van der Welcke. Dit is uiteraard nodig omdat de schrijver dit een belangrijk onderdeel van het verhaal vindt (het huwelijk is het noodlot in dit verhaal), maar naar mijn mening herhaalt hij dit te vaak.

Verwerkingsopdracht
Zowel in 4,5 als 6 vwo moet je voor de moderne vreemde talen voor één gelezen boek een verwerkingsopdracht maken. Voor Nederlands geldt dat je voor de boeken 2, 4, 6, 8 en 10 een verwerkingsopdracht moet maken. Bij het mondelinge examen letterkunde wordt ingegaan op de verwerkingsopdrachten Nederlands en Engels. Het is de bedoeling dat je elke verwerkingsopdracht strikt persoonlijk uitvoert. Overname van internet, klasgenoten enz. is dus streng verboden!

Je kunt kiezen uit acht verwerkingsopdrachten. Je keuze is gebonden aan de volgende voorwaarden.
a) Je mag alleen verwerkingsopdrachten kiezen uit de serie die je in klas 4 hebt gekregen: in dit geval versie 2004. Een overzicht van de keuzemogelijkheden van versie 2004 tref je aan in bijlage 3 van dit stencil.
b) Zowel voor de moderne vreemde talen als voor Nederlands geldt, dat je niet tweemaal dezelfde opdracht mag uitvoeren.
c) De opdrachten voor Engels moeten in het Engels geschreven worden; de opdrachten voor Frans en Duits mogen in het Nederlands.
d) Lang niet elke opdracht past bij elk boek. Zorg dat je een opdracht kiest die goed bij je boek past.
Vermeld boven elke verwerkingsopdracht nauwkeurig het nummer en de titel, en het nummer, de schrijver en de titel van het boek waarbij je de opdracht hebt gemaakt. Aan het slot van de verwerkingsopdracht noteer je het aantal gebruikte woorden. In je dossier Nederlands neem je de eerste verwerkingsopdracht op na boek 2, de tweede na boek 4 etc..

Boeknummer: 10
Titel: De kleine zielen
Schrijver: Louis Couperus

Verwerkingsopdracht nummer: 5
Titel verwerkingsopdracht: Autobiografische elementen

Deze opdracht bestaat uit twee delen. Eerst geef je een korte biografie van de auteur ( bron vermelden! ). Vervolgens ga je na in hoeverre het door jou gelezen boek autobiografische elementen bevat.
(Ne: min. 400 wrd./Du, En, Fa: min 250 wrd.)

Biografie Louis Couperus

Zie volgende bladzijdes.
COUPERUS, Louis Marie Anne (1863-1923)
Couperus, Louis Marie Anne , schrijver (Den Haag 10-6- 1863 - De Steeg (gem. Rheden) 16-7- 1923 ). Zoon van John Ricus Couperus, raadsheer in Hooggerechtshof en Hoog Militair Gerechtshof van Ned.-Indië, en jkvr. Catharina Geertruida Reijnst. Gehuwd op 9-9-1891 met Elisabeth Wilhelmina Johanna Baud. Er waren geen kinderen uit dit huwelijk.
Couperus volgde het middelbaar onderwijs aan het zg. gymnasium in Batavia en de HBS Bleijenburg te Den Haag. Hij kon, door zijn geboorte in een familie van hoge Oostindische ambtenaren, bij wie een romanschrijver niet in ere was, zijn roeping pas volgen, nadat hij, o.a. opgeleid door J. ten Brink, in 1886 de akte M.O.-Nederlands gehaald had. Na zijn huwelijk ging hij met zijn vrouw voortdurend op reis, naar Brussel, Italië, Parijs, Heidelberg, Dresden, Engeland. In 1899 ging hij naar Nederlandsch-Indië; vervolgens vestigde hij zich in 1900 in Nice, van waaruit hij herhaaldelijk naar Italië (Rome, Florence, Venetië, Sicilië) reisde. In 1913 bevond hij zich enige maanden in Spanje. De dreigende deelneming van Italië aan de Eerste Wereldoorlog deed het echtpaar in februari 1915 naar Nederland terugkeren.
Couperus werd toen als vast feuilletonschrijver en voordrager uit eigen werk bij een deel van het publiek populair, al bleef hij voor een ander deel tot lang na zijn dood de te precieuze dandy. In 1920 reisde hij met zijn vrouw naar Algiers, in 1921 naar Nederlandsch-Indië als bijzonder correspondent van de Haagsche Post en in 1922 naar Japan. Daar werd hij ernstig ziek. Na terugkeer in Nederland overleed hij een maand na huldiging op zijn 60ste verjaardag, in het huisje in De Steeg, hem door vrienden en bewonderaars aangeboden.
Couperus debuteerde in 1884 als dichter met de bundel Een Lent van Vaerzen, in 1886 gevolgd door Orchideeën. Kloos' vernietigende kritiek op de eerste bundel werd door Vosmaer voor publikatie in De Nederlandsche Spectator afgewezen, maar de barre kritiek van Kloos op de tweede bundel verscheen in De Nieuwe Gids 2 (1887) II, 134-137. Daarmee had dit tijdschrift hem afgestoten en dat veranderde niet toen Van Deyssel zijn roman Eline Vere (Feuilleton Het Vaderland dec. 1887-juli 1888; afz. in 3 dln., 1889), althans grotendeels, zeer had geprezen. Vooral bij het Haagse publiek vestigde Couperus door dit boek voorgoed zijn naam als schrijver. Noodlot (1890) waarvan de cynisch-pessimistische filosofie een polemiek veroorzaakte (ds. J. van Loenen Martinet en C.H. den Hertog versus Van Deyssel) nam velen van christelijken huize tegen Couperus in. Extaze (1892) daarentegen ging erin 'als koek'; het was de fijne maar precieuze beschrijving van een platonische liefdesverhouding. Het zaaide intussen wel verdeeldheid onder de meer kritisch ingestelde geesten: Van Deyssel prees, Van Eeden walgde. Ook met de reeks koningsromans Majesteit, Wereldvrede en Hooge troeven (1893, 1895, 1896) won Couperus het bij het publiek, maar de letterkundige kritiek, Van Deyssel voorop, zag alleen maakwerk en bleek geen oog te hebben voor de kracht van een nieuw element in Couperus' kunst: het massaal-epische, dat sterk genoeg was om de gezochte fraaiheid van de taal te dragen (het slot van Majesteit). Deze winst ging in Metamorfoze (1897), dat een introvert zielsverhaal was, weer verloren en werd vergeten toen de kunstsprookjes Psyche (1898) en Fidessa (1899) opgang maakten, niet door hun allegorisch uitgebeelde, als wijsheid bedoelde inhoud, maar door hun sentimentele, virtuoze en fantasierijke taal. Kloos bewonderde, Van Deyssel verfoeide. Borel zei namens velen, dat de 'fantastische pracht er in meer geconstrueerd dan vanzelf ontbloeid was'. In deze eerste tien jaar van zijn loopbaan zijn er in Couperus' boeken twee genres te onderscheiden, die een beoordelaar omstreeks 1901 het epische en het lyrische had kunnen noemen. Tot de epische behoorden: Eline Vere, Noodlot en een gedeelte van Majesteit en Wereldvrede, tot de lyrische: Extaze, overige gedeelten van Majesteit en Wereldvrede, Psyche, Fidessa en Babel (1901). De woekering van taalsierlijkheid die een groot deel van de critici en een kleiner deel van de lezers afstootten -dit deel van zijn tijdgenoten noemde Couperus 'wee' - beperkte zich vrijwel tot de lyrische trant.
De reis naar Nederlandsch-Indië en de definitieve vestiging in het buitenland markeren een wijziging in dit patroon. Couperus' aandacht is meer naar buiten gericht, door een psychische ontwikkeling (zelfbevrijding van de obsessie die zijn homoseksualiteit voor hem betekende) en (daardoor) een ondernemender en interessanter leven. De Italiaanse kunst zal hem jaren boeien; zijn eerste realistische roman na tien jaar. Langs lijnen van geleidelijkheid (1900) speelde onder de toeristen tussen wie hij leefde, enerzijds werkelijk of schijnbaar opgaande in kunst en geschiedenis, anderzijds verwikkeld in drakerige avonturen met corrupte Italiaanse edelen. Ook door onwaarschijnlijkheden in de intrige had het boek geen succes, het verwekte bovendien schandaal. De reis naar Indië bracht het belangwekkende De stille kracht (1900) voort, het eerste van een reeks meesterlijke romans. De pessimistische kijk op de Nederlandse positie in Indië werkte ertoe mee dat het publiek dit boek afwees, van de recensenten was met name Van Deyssel uiterst schamper, tot verontwaardiging van de kenner van Indië C.Th. van Deventer. Deze reactie was belangrijk, omdat die niet alleen Couperus in financieel opzicht uitermate hinderde, maar bovendien een bevooroordeeldheid aankweekte, waardoor de grootheid van De boeken der kleine zielen (1901-1903) en Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan (1906) vrijwel niet werd opgemerkt. Er werd weinig maar laatdunkend gerecenseerd. Toch was in deze boeken geen verwilderende, gezochte taalschoonheid, en werd decadentie er als zodanig in erkend; ze werden bij het leven van de schrijver niet herdrukt en pas ontdekt door de Couperus-renaissance van omstreeks 1955 (verschijning van de 12 delen Verzamelde Werken 1952-1957. Uitg. onder red. van T. van Rhijn-Naeff e.a.). Kritiek en publiek geven ze dan een plaats aan de top van de Nederlandse letterkunde.
In dezelfde periode van zijn grootste romanproduktie had Couperus intussen ook zijn lyrisme uitgeleefd in het originele genre van het mythologische verhaal: de fantasieën God en Goden (1903) en Dionyzos (1904). In De Berg van Licht (1905-1906) trok hij alle registers van zijn schrijfkunst open : hij verhaalde zijn machtige visioen van de korte, orgiastische regering (218-222) van de Romeinse keizer Heliogabalus. De kritiek wist hier evenmin raad mee als het publiek; het beeld van een verwijfd-perverse Couperus zette zich steeds meer vast. Maar de erkenning van Couperus als literator van betekenis drong toch ook door in een bepaalde literaire kring: sedert de oprichting in 1903 werd hij met C. Buysse en W.G. van Nouhuys redacteur van het maandblad Groot Nederland. Zijn nieuwe werkzaamheid als journalist kreeg een sterk accent, toen het Haagse dagblad Het Vaderland op 27 november 1909 een wekelijks feuilleton van zijn hand aankondigde. De honderden korte stukken die hij daarna schreef, handelden Van en over mijzelf en anderen. Van en over alles en iedereen, maar een belangrijke plaats namen de kunsthistorische momentopnamen in Italië en Sicilië in, die trouwens tweemaal een groot verhaal voortbrachten. Antiek toerisme ( 1911) en De komedianten (1917), het laatste een nieuw meesterwerk. Couperus schiep met deze luchtig-virtuoze schetsen een persoonlijk genre. In 1913 verscheen het tweede grote mythologische verhaal, Herakles (1913) en als neerslag van een reis in Spanje, dat hem niet lag, De ongelukkige (1915). In de laatste oorlogsjaren, toen hij niet kon reizen, schreef hij de uitnemende humoristische verhalen De verliefde ezel (1918) en Het zwevende schaakbord (1922), en, beknopter, zéér ernstig en subliem De Ode (1919), met als motief de Olympische vijfkamp en de ering van de overwinnaar met een ode, naar Pindarus. Xerxes of de hoogmoed (1919), zeker mede ingegeven door de val van Wilhelm II, was een historische roman die het oprukken van Xerxes naar Hellas beschreef met half onderdrukte scherts, die de schrijver op de lippen besterft, als hij aan de Griekse heroïek toe is. Daardoor werd dit een voorbereiding tot het grote verhaal Iskander (1920), dat de verovering van Perzië door Alexander en diens morele ondergang beschreef, tevens de apotheose van het obstinate motief in Couperus' historisch en fantastisch werk: de tegenstelling tussen een mannelijk Westen en een vrouwelijk (moederlijk) Oosten.
Bron: Biografisch Woordenboek van Nederland 1 (Den Haag 1979), daarnaast heb ik ook gebruik gemaakt van de tijdladder van Couperus’ leven, op de site van het Louis Couperus genootschap. Ook heb ik de teksten in Literama en Eeuw van schrijvers gelezen, maar aangezien deze biografie mij uitgebreid genoeg leek, heb ik die hier niet in opgenomen.

Autobiografische elementen in het verhaal

Het verhaal bevat zeer vele autobiografische elementen, die ik hieronder zal noemen. De opvallendste zijn de locaties waar het boek zich afspeelt. De familie woont in Den Haag, waar Couperus zelf is opgegroeid, heeft een periode in Indië gewoond, wederom net als Couperus, en bovendien heeft Constance een tijd in Italië geleefd, waar Couperus in de periode waarin hij dit boek schreef zelf ook woonde. In een van de volgende delen uit de serie spelen stukken zich ook af in Frankrijk, waar Couperus zelf ook een tijd geleefd heeft. Dit alles duidt erop dat de locaties niet geheel willekeurig gekozen zijn en misschien zelfs wel bedoeld zijn om de lezer te tonen dat dit boek meer is dan alleen fictie.
In de periode tussen 1892 en zijn dood heeft Couperus moeite gehad zich op een plaats te vestigen. Hij heeft vele verschillende woonplaatsen gekend en verbleef ook vaak langere periodes in hotels. Hij lijkt zichzelf gelukkig te willen maken door steeds een andere woonplaats te zoeken. In het boek is Constance ook ongelukkig en wil ze weer gelukkig worden door naar Nederland terug te keren. Zij onderneemt dus precies de omgekeerde stap van Couperus zelf, hij vluchtte uit Nederland om juist uit het vaste patroon te komen, terwijl Constance daar naar verlangt. Wellicht dat Couperus door dit boek te schrijven laat zien dat hij juist niet verlangt naar Nederland, aangezien Constance hier duidelijk ongelukkiger van wordt.
Constance heeft een schandelijke daad gedaan door haar man te bedriegen. Zij probeert dit te verbergen omdat uiteindelijk niemand er beter van wordt als zij wordt ontdekt. Van Couperus was bekend dat hij homo was, of in ieder geval homosexuele gevoelens had. Dit hield hij echter verborgen, omdat dit één van de zwaarste zondes was die er bestonden. Hij zou met dit boek uit kunnen leggen waarom hij dit zo erg verborgen houdt, omdat hij laat zien dat niemand er beter van wordt als zo’n schande naar buiten wordt gebracht.
Al met al laat Couperus duidelijk zien in ieder geval elementen uit zijn eigen leven gebruikt te hebben bij het schrijven van zijn boek. Wellicht zijn er nog wel meer persoonlijke gebeurtenissen in het boek verwerkt, die bij de lezer echter niet bekend zijn. Het laat in ieder geval zien dat Couperus niet bijzonder trots was op zijn ‘hoge’ afkomst, aangezien hij een familie vol verdriet en haat toont.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Andere verslagen van "De boeken der kleine zielen door Louis Couperus"