Un sac de billes door Joseph Joffo

Beoordeling 6.8
Foto van een scholier
  • Boekverslag door een scholier
  • 3e klas havo/vwo | 2841 woorden
  • 18 augustus 2006
  • 121 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.8
  • 121 keer beoordeeld

Boek
Auteur
Taal
Nederlands
Vak
Eerste uitgave
1973
Pagina's
252
Oorspronkelijke taal
Frans

Boekcover Un sac de billes
Shadow

(Nederlandse uitgave)

Joseph Joffo is een gelukkige veertiger, eigenaar van een Parijse kapsalon. Gelukkig vooral, omdat hij de hel heeft overleefd Hij is joods en op negenjarige leeftijd was over zijn lot al door de Gestapo beslist. Drie jaar lang heeft hij onafgebroken voor zijn leven gevochten en voor dat van zijn roertje Maurice. Dertig jaar later vertelt hij ove…

(Nederlandse uitgave)

Joseph Joffo is een gelukkige veertiger, eigenaar van een Parijse kapsalon. Gelukkig vooral, omdat hij de hel heeft overleefd Hij is joods en op negenjarige …

(Nederlandse uitgave)

Joseph Joffo is een gelukkige veertiger, eigenaar van een Parijse kapsalon. Gelukkig vooral, omdat hij de hel heeft overleefd Hij is joods en op negenjarige leeftijd was over zijn lot al door de Gestapo beslist. Drie jaar lang heeft hij onafgebroken voor zijn leven gevochten en voor dat van zijn roertje Maurice. Dertig jaar later vertelt hij over hun waanzinnige vlucht door Frankrijk. Een afgrijselijk spel van ‘diefje met verlos’, waarin zij alle valstrikken wisten te verijdelen met hun lachwekkende kinderwapens.

 

‘Wat is een Jood?’ vraagt Joseph aan zijn vader. ‘Ik weet het eigenlijk niet goed,’ bekent zijn vader. Het leven zelf zal hem het antwoord geven: een jood is iemand die altijd moet vechten tegen het blinde noodlot van het antisemitisme.

Joseph werd pas naar zijn eigen gevoelen jood op het moment dat zijn moeder de gele ster op de revers van zijn jasje moest naaien. ‘Kijk dat eens, het ijkt wel een decoratie. Jij boft,’ merkte een klasgenootje op. Zij ruilden de ster voor een zak vol knikkers.

Om goede ontsnappingskansen te hebben, moest de familie Joffo uiteengaan met een schooltas en een beetje spaargeld staan Maurice en Joseph in het gedrang van een station, op een trieste avond in 1941, op zoek naar een trein naar het vrije gebied. ‘Zeg vooral nooit dat jullie joods zijn,’ heeft vader gezegd, ‘niet tegen mensen di jullie bedreigen, en tegen mensen die jullie vertrouwen.’

 

Een zak vol knikkers is een even sober als indrukwekkend verhaal, geschreven in een bewonderenswaardige stijl. De schrijver neemt nooit ook maar de minste afstand van de gebeurtenissen (hij zou dat ook niet hebben gekund), hij zit er middenin en beschrijft het zo dat elke lezer zich achtervolgd joods kind voelt. Iedereen die dit boek gelezen heeft zal zich Jo en Maurice blijven herinneren, zoals men terugdenkt aan Huckleberry Finn, David Copperfield of Anne Frank: kinderen die ons een les in leven en moed hebben gegeven.

Un sac de billes door Joseph Joffo
Shadow
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Un sac de Billes

6. A Menton

Ik heb me teruggetrokken op een plein, palmbomen op boven m’n hoofd.
Tijdens de maanden van de oorlog was Menton nog een klein plaatsje.
De grote hotels, het sanatorium, waren bezet door de Italianen, die een heel aangenaam leven leidde. De stad fascineerde mij vanwege de italiaanse kerken, de oude trappen, de bergen en het strand. We zijn vetrokken voor het terugvinden van onze broeders. De salon was een mooie zaak op de hoek van een groot museum.
Het was Maurice die het ’t eerst zag. Het was Henri (de oudste), hij is niet veranderd.

Henri stelde de jongens allerlei vragen: ‘En de ouders? Hoe zijn jullie langs de grenzen gepasseerd? Wanneer zijn jullie aangekomen?’.
Ze zagen Albert op z’n bed liggen. Henri verwelkomt de jongens open hartelijk en ze worden helemaal verwend met lekkere hapjes. Ze vertelden hun avonturen en vijf minuten later kwam Henri.

7. Nouveau Départ

Op een dag, ontvangen de jongens een brief van hun ouders die in een kamp zitten dichtbij ‘Pau’. Op een avond worden er heel veel joden opgepakt in hun wijk. De gene die waren opgepakt werden getransporteerd naar Auswich. Henri besluit om naar pau te gaan, om de ouders van Maurice en Joseph te helpen. Wanneer Henri daar aankomt, zegt hij dat de ouders niet joods zijn. De moeder van de jongens zou een familielid zijn van de keizerlijke familie uit Rusland, en zij zijn natuurlijk katholiek. Vader is frans. Trouwens de duitsers hebben bij alle joden de franse nationaliteit ingenomen. De prefect van Parijs kan dat bevestigen. Henri voelt zich een werkelijk verloren wanneer hij de prefect aan de telefoon heeft. Maar toch kwam er een wonder, want hij gaf de Duitsers de orde dat de familie Joffo vrij is. De ouders gaan in Nice wonen.

Vier dagen nadat Henri weer in Menton was, kregen de jongens de eerste brief van hun ouders, vanuit Nice. De ouders hebben een appartement gevonden naast de kerk van Buffa, ze huren twee kamers, die nog niet besproken waren. Het zou gemakkelijk zijn voor Albert en Henri om werk te vinden in een salon, in de stad.
Arme mensen konden niet veel doen in de oorlog. Ze moesten maar wachten en wachten, en geduldig zijn, ze dachten dat het een maand of misschien twee maanden duurde voordat ze elkaar weer zouden zien. Ze zouden elkaar weer zien, zoals vroeger in Parijs. Ik vond persoonlijk dat (een maand of twee), onnauwkeurig was en erg lang. Ik wilde ze snel terug zien, en verder ik had ook zin in het zien van deze mooie stad, met veel mensen en luxe hotels. Het zet hem aan het dromen. Maar voor hij gaat, was het nodig om de afwas te doen, boodschappen doen, huiswerk, want hij had een proefwerk meetkunde. Ook had hij een vriend Virgillio waar hij mee voetbalde, en wel eens op stap ging. Totdat er op een gegeven moment op de deur wordt geklopt. Het zijn twee agenten. Henri ging snel zijn bed in. Albert levert de pasporten in en de agenten zeggen dat ze over twee dagen zich melden, wat betreft ‘verplicht werken’. Ze zijn niet van plan om naar Duitsland te gaan. Ze gaan morgen ochtend naar Nice. Veel Duitsers zijn omgekomen in Stalinggrad, tijdens de winter, volgens de engese radio. Ze hebben veel hoop en misschien staat morgen wel al op de voorpagina van de krant met grote letters: ‘De overwinning op de Duitsers’.

8. Les Allemands à Nice

Nice is bezet door door het leger van de Italianen. Joseph maakt kennis met een jonge Italiaanse soldaat die de hele tijd vragen stelt over de franse grammatica. De soldaat hoopt voor het einde van de oorlog frans te kunnen spreken, voor een belangrijke post. Op een dag is Joseph op een terras van een café, waar hij bezig is, met het maken van zijn franse grammatica.


Hij stelde mij vragen over de regels van de franse grammatica. Joseph vond het moeilijk uit te leggen, hij wist het zelf niet helemaal zeker, totdat de soldaat plotseling zijn boek dicht sloeg.
De soldaat zou de tijd niet meer hebben om met Jo te oefenen. Joseph was helemaal verbaasd.
Alle Italianen moeten gaan vertrekken.
Mussolini voert de oorlog niet meer aan, van nu af aan is het, Badoglio en de hele wereld gelooft dat hij vrede gaat maken met de Amerikanen die al zijn gearriveerd in het zuiden van Italie.
Joseph had vreselijk veel hoop, maar de soldaat vertelde dat het de Italianen waren die gingen vertrekken en de Duitsers die zouden komen.

Op 8 september had Badoglio met de Amerikanen getekend, om samen tegen de Duitsers te gaan strijden. Op een ochtend wordt de stad Nice wakker zonder de bezetters. De straten waren echter helemaal leeg. Men zag er verdrietig en bezorgd uit. Op 10 september 1943, stopt er een trein in Nice, met een duizendtal aan Duitse soldaten. Het waren de S.S, de burgers onder hen, en de mannen van de Gestapo.
Voor de tweede keer werd de stad bezet. De Gestapo had zich ingetrokken in het Excelsior Hotel. Heel veel joden werden verraden en opgepakt.
Albert en Henri moesten de hele dag de Duitsers knippen. Ze hoorden dus ook al die verhalen, waaronder dat ze alle Joden zouden gaan oppakken en gaan opsluiten in het Excelsior Hotel. Vader legt zijn handen op de tafel en verteld zijn zonen:
‘Mijn kinderen, Henri heeft gelijk. Het zal nodig zijn dat wij opnieuw weer uit elkaar gaan. Henri en Albert, gaan naar Savoie. Joseph en Maurice gaan naar een halfmilitair kamp, met jongens van hun leeftijd. Het is een organisatie van het bestuur van Vichy, maar in feite gaat ’t om iets anders. Jullie zullen zien.
Vader staat op en zegt, jullie hoeven je geen zorgen om ons te maken.

De ouders blijven in Nice, terwijl hun jongens zonen naar het kamp gaan, Golfe-Juan, heel dichtbij Nice.

9. Le camp des jeunes Campagnons de France

In het kamp, waar Jo en Mariece kennis maken met een jonge franse jongen, die geboren is in Algerije: Ange Testi. Wanneer Maurice de geschiedenis hoort dat Ange verteld over zijn geboorteland, denkt Maurice de oplossing te hebben gevonden van het probleem, namelijk hun joodse identiteit.

Op een ochtend, iets na tienen, was Maurice naar mij toegekomen.
Hij had ergens over nagedacht. Want als de Duitsers hier huiszoeking zouden doen en ons zouden ondervragen, dan zouden ze gelijk denken dat wij joden zijn.
Joseph vroeg waarom, en Maurice zei dat de directeur dat hem ingesproken had.
Vandaag de dag zal de Gestapo geen vragen meer stellen, de papieren interesseren hun zelfs niets meer, zelfs van de winkel zullen ze ook niet van opkijken.
Op het moment dat de Gestapo binnenvalt, moeten ze iets heel anders bedenken, een heel ander leven. En ik denk dat ik iets gevonden heb, zegt Maurice.
We wonen zogenaamd in Algerije, en we zijn op vakantie naar Frankrijk gegaan.
Controleren is namelijk op deze manier niet mogelijk.
De jongens gingen alvast oefenen op de vragen die gesteld konden worden, zoals:
‘wat is het beroep van jullie ouders?’
‘En waar wonen jullie?’
>10, rue Jean-Jaures.
En zo ging het verder..

Op een dag verlaten Maurice en Joseph het kamp, om hun vriend in Nice (Ferdinand) te vergezellen. En Ferdinand zou valse papieren kunnen maken, om de grens over te kunnen gaan. Dan worden ze opgepakt door Duitsers, die hen meeneemt naar Hotel Excelsior.

10. L’interrogatoire

Een gekke wereld in de hal, mensen, kinderen, koffers. Mannen lopen met lijsten en dossiers. Er was veel geluidshinder. Vlak bij Joseph stond er een oud stelletje, ongeveer 65 jaar oud. Ze hadden hun zondagskleding aan, zij was erg klein. Ze zijn erg kalm. Ze hadden hun leven geleefd en ze door deze omstandigheden elkaar niet lang meer zouden gaan zien. Maurice wendde zich tot een man die op een zak zat.
Hij vroeg waar hij naartoe ging, maar hij reageerde niet. Maar dan zegt hij, Drancey (concentratiekamp). Ineens horen ze S.S’ers aankomen, met een inburger die een lijst in zijn hand heeft. Hij noemde namen op, en de gene die zo heette moest dan opstaan. Zo werd ook het oude stel opgenoemd, en achter hun naam, stond ook nog eens een nummer. Ze werden niet van elkaar gescheiden en daar was de vrouw blij om. Langzaam maar zeker, werd de hal steeds leger. De Jo en Maurice kwamen aan op een gang en stonden daar rechtop, voor gesloten deuren. Er is een geluid van een typmachine. De deur voor ons, werd plotseling geopend. Twee vrouwen kwamen eruit. Zij huilden beiden.
Toen werd het hun beurt, ze kwamen met zijn drieën de kamer binnen.
Ze begonnen met het ondervragen van Ferdinand:
‘’Ben jij joods?’’; vroeg een S.S.
Nee, zei Ferdinand.

Toen vroegen de S.S’ers zich af waarom hij dan valse papieren bezat?
Joseph keek Ferdinand maar niet aan, want hij zou niet genoeg moed hebben.
Dit loopt niet helemaal soepel, want Ferdinand beweert niet joods te zijn. Een S.S’er gaf hem een klap op zijn wang, hij kreeg zelfs een tweede. Ferdinand moest ervan huilen. Hij moest vertellen waarom hij weggegaan is. Maar het verhaal klopte voor geen meter en toen vroeg de S.S’er of hij erkende dat hij joods was, en Ferdinand zei ja.
Dan waren Jo en Maurice aan de beurt.
Ze vroegen ook of zij joods waren:
Maurice zei dat ze niet joods waren, maar uit Algerije kwamen. Maurice zei dat hij alles wilde gaan vertellen.
De S.S’er vroeg wat zij deden in de Russie straat.
Ze kwamen aan van het kamp, en ze vergezelden Ferdinand, ze zouden dat ze aan ’t wachten waren. Maurice vertelde over de kapperszaak van vader in Algerije, de school, en de vakantie naar Frankrijk, het leven in het kamp, de ontscheping van de geallieerden uit Afrika, die ons heeft belet terug te komen.
En dan werden er weer vragen gesteld:
-Zijn jullie katholiek, en welke kerk bezoeken jullie?
O, en hier waren ze niet op voorbereid, La Buffa in Nice zei Maurice een keer (dacht Jo) en hij noemde die kerk ook op
- Waarom niet in Algerije?
O, zei Jo, moeder had een voorkeur aan Frankrijk. Ze had een neef in die regio.
De S.S’ers zeiden dat ze zouden gaan contreleren of dit wel helemaal klopt.
Om zes uur uur s’ochtends, werden ze hervraagd, maar deze keer werden ze van elkaar gescheiden.

11. Le curé de la Buffa

De S.S die mij ondervraagt is anders dan de eerste keer.
Het is eveneens een andere ondervraging. Ik heb een vriendelijkheid gevoeld tussen hem en mij (voelt Joseph). Joseph weet dat het hem gaat helpen, een ondervraging is belangrijk. Er werd hem gevraagd, de kamer waar hij woonde te beschrijven.
De zelfde vragen werden ook aan Maurice gesteld, en Joseph wist dat de kans klein was dat ze hetzelfde zouden kunnen beantwoorden.
Joseph vertelde waar hij sliep, en waar Maurice sliep. En dat er een rood tapijt was.
De man zei, dat de 1 zei dat het lampje rood was en de ander groen.
Zes dagen, hadden ze Jo en Maurice gehouden. Er was een ondervraging in de ochtend van de derde dag en nog één in de middag van de vierde dag. Sinds twee dagen, worden ze al niet meer ondervraagd.

De verschillende diensten zijn overbelast met te veel werk.
Het is een druk in de gangen. En Joseph heeft een migraine sinds de eerste ondervraaging. Zelfs in de nacht is het luidruchtig in het gebouw. Ze vragen zich af of ze hen vergeten hebben, of dat het dossier kwijt geraakt is. Op een dag, had een franse inburger naar ons gezocht bij de keuken waar wij werkten.
Maurice en Jo kregen weer een verhoor.
Ons dossier was open op het bureau, er waren veel papieren, brieven.
Aldus was de zaak niet vergeten en Joseph begreep er helemaal niets van.
Een wereldoorlog, het ging achteruit voor de Amerikanen en Russen, zij sloegen naar vier hoeken van de wereld, en zij gebruikten mannen, die ook nog eens moesten uitzoeken of twee kinderen wel of niet jood waren, en dat al drie weken.

De Duitser en de inburger keken ons aan, ze zochten in de papieren
Ze kunnen hun nog lang hier houden, en hij keek Maurice (oudste) aan en zei:
‘Je hebt twee dagen om bewijzen te brengen dat jullie niet joods zijn.
Hij moet met een bewijs komen van de communie.
Als hij niet in twee dagen terug zou komen, dan zouden ze Joseph in stukjes hakken.
Bedankt zei Maurice en hij zei dat hij terug zou komen.
Op de tweede dag, zag Joseph, Maurice naar hem toe lopen, met de papieren in zijn hand. Maurice schreeuwde dat hij ze had. Maurice was de 1e dag gelijk naar zijn ouders toe gegaan, een buurvrouw had het aankopen gedaan, ze waren helemaal vermagerd (ouders). Moeder had gehuild. Maurice was dus vertrokken en binnengekomen in de kerk. Er was geen mens aanwezig, alleen een oud persoon die de stoelen opruimde. Het was de schoonmaker. De schoonmaker zei: Maak je niet ongerust. Ik maak wel een certificaat van de communie. De volgende dag gaf hij de papieren aan Maurice bij het excelsior hotel. En Joseph en Maurice waren gelijk naar het kantoor van de Gestapo gegaan.
Volgens de Duitser waren de papieren nep. De volgende dag was de schoonmaker van de kerk gekomen. Hij ging voor de stoel zitten van de Gestapo zonder een woord te zeggen. Twee dagen lang, was de man van 6 uur s’ochtends t/m 6 uur s’avonds in het excelsior hotel. De derde dag, hadden wij het ontvangen. Hij eiste hun vrijheid op. Om geen problemen te hebben met de Franse kerk, had de Gestapo beslist om de jongens vrij te laten, een arrestatie die een maand had geduurd, was nu voorbij.

12. Le retour

Na hun vrijlating, keerden de jongens terug naar het jeugd-kamp. Op een dag, verteld de commandant, dat hun vader is aangehouden door een Razzia.
Hun moeder was op tijd gewaarschuwd, in is geslaagd voor onderdak bij vrienden in Nice. De situatie voor de kinderen is nu heel gevaarlijk. Ze besluiten om naar hun zus te gaan, Rosette, die getrouwd is in een klein plaatsje dichtbij Montlucon, in het noorden van Auvergne. De reis daar naartoe was vermoeiend en gevaarlijk, ze hadden bijna niets om te eten en er was veel controle van de franse en Duitse politie. De jongens komen compleet uitgeput bij hun zus aan, zij had zich er op verheugd. Maar het geluk was niet van lange tijd. Dezelfde dag zijn er veel aanhoudingen in het plaatsje, er was aangifte gedaan. Het was onmogelijk om hier nog langer te blijven. Ze kwamen in contact met Albert die een vriend had, die eigenaar was van een hotel in R., een klein plaatsje tussen Nice en Aix les Bains.
Maurice werkt in het hotel in R.
Joseph is echter vrijwilliger, door de vrijheid, M. Mancelier, een aanhanger van Petain en anti semistisch overtuigd, maar hij ontkent dat Joseph Joods is.
Op 8 juli 1944, trekken de Duitsers zich terug voor de legers van de Fansen en Amerikanen, die triomfantelijk de stad binnen komen. Het is het moment om af te rekenen. De vader Mancelier riskeert te zijn veroordeeld voor de dood, die veroorzaakt is door medewerking van de Duitsers.
Joseph besloot hem voor de gek te houden, maar wel heel goed. Hij, de jood, behoudt het hoofd van de vijand van de joden. Hij beweert op het moment van de arrestatie op Mancelier die de vrijheid heeft geaccepteerd, om het te verbergen, ook al zijnde van de stroom van de joodse identiteit.
Eind augustus, 1944, is parijs opnieuw bevrijd.
De kinderen kunnen weer naar hun ouders toe. Vrienden namen Maurice mee met de auto, maar er is niet veel plaats, Joseph neemt de trein naar Parijs.
Een paar dagen later, komt hij aan op het station van Auterlitz, neemt de metro en besluit naar het station van Marcadet Poissonnniers in het 18e ditrict van Parijs.

Drie jaar eerder, nam Joseph altijd deze metro en vandaag komt hij terug.
De straat is nog altijd hetzelfde. Hij draagt nog altijd zijn rugtas, en het is nu veel gemakkelijker. Het is waar, ik ben gegroeid.
Oma Epstein is er niet meer. Het restaurant Goldenberg is gesloten. Hoeveel zijn van ons terug gekomen, dacht hij bij zichzelf.
Hij ziet de letters van zijn vaders Salon. Achter het raam staat Albert en Henri bezemt. Hij ziet moeder en Maurice. Maar vader is er niet, hij begreep dat hij er niet zou zijn.

Ik ben vandaag 42 jaar oud, ik heb drie kinderen. Terwijl ik droment naar mijn zonen kijk, kan ik mij niets anders meer wensen. De tijd van het lijden en de angst heb ik gekend in die jaren, dat komt nooit meer terug. Maar wat heb ik te vrezen. Die dingen zullen zich niet meer voordoen, nooit meer. De rugtassen zijn onder het dak, zij blijven daar voor altijd.
Misschien..

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Andere verslagen van "Un sac de billes door Joseph Joffo"