ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis

Gegevens van het boek

Auteur: Herman Melville (1819 – 1891)

Titel: De beste verhalen van Herman Melville (“De klokketoren”, “Bartleby” en “Billy Budd, zeeman”)

Voor het eerst gepubliceerd in: 1855 / 1853 / 1924

Vertaling: José de Graaf

Omslagontwerp: Guus Ros

Uitgever: Uitgeverij Publiboek/Baart, Ommen/Borsbeek, 1981, 1e druk

Aantal pagina’s: 148

Genre: korte verhalen

 

Samenvatting van het boek

Het eerste verhaal heet “De klokketoren” (“The Bell-Tower”). Hierin vertelt Melville het verhaal van de honderd meter hoge klokketoren van een niet met naam genoemde stad in Italië (waarschijnlijk ten tijde van de Middeleeuwen). De toren werd gebouwd door de architect en werktuigkundige Bannadonna. Toen de toren eindelijk klaar was, moesten er klokken in geplaatst worden. De kleine klokken werden vlot geplaatst. Maar omdat de toren ook als uurwerktoren moest dienen, moest er ook een grote klok in komen die op de hele uren zou slaan en zo de tijd aan zou geven. Bannadonna goot daarom een zeer grote klok. Dat was een heel werk dat niet zonder slag of stoot ging. Bannadonna bedacht verder een ingewikkeld en geheimzinnig mechanisme om de klok te laten slaan. Hij wilde er niemand echter over vertellen, zelfs de verantwoordelijke magistraten van de stad niet.

 

Kort daarna werd een geheimzinnig voorwerp de klokketoren in gehesen en Belladonna was er lang mee bezig. Toen twee magistraten van de stad eens tussentijds kwamen kijken, verhulde Belladonna het geheimzinnige voorwerp. De grote klok was inmiddels met twaalf figuren versierd, waarvan er een een beetje eigenaardig keek. Op de vraag van de magistraten wanneer de klok klaar zou zijn, antwoordde Belladonna dat dat de volgende dag zou zijn. De volgende dag stond een groot deel van de bevolking bij de toren te wachten op de eerste klokslag. Toen het lang verwachte uur eindelijk aanbrak, klonk uit de toren echter een doffe klap. De magistraten snelden de klokketoren in en vonden Belladonna dood bij de grote klok liggen, vlakbij het figuurtje op de klok dat zo vreemd keek. Onduidelijk was wat er nou precies gebeurd was, maar uiteindelijk leek de volgende verklaring de meest waarschijnlijke.

 

Belladonna had een opwindbare klokwachtersfiguur gemaakt die rijdend over een soort rails op het juiste uur uit zijn klokwachtershuisje zou komen om vervolgens met zijn zware armen op de klok te slaan. Belladonna was met de laatste werkzaamheden aan de klok bezig en ging daar zo in op dat hij niet door had dat op het lang verwachte uur de klokwachtersfiguur uit zijn huisje kwam aanrollen om op de klok te slaan. Juist op dat moment zat Belladonna met zijn hoofd voor de plaats waar de klokwachtersfiguur zou gaan slaan. Belladonna hoorde hem niet aankomen en zijn schedel werd dan ook verbrijzeld door de slag. Daardoor stierf hij.

 

Het stadsbestuur liet de klokwachtersfiguur verwijderen en in zee gooien. Belladonna kreeg een staatsbegrafenis. Toen men ter gelegenheid daarvan de grote klok wilde luiden, viel deze uit zijn stoel naar beneden en boorde zich in de grond. Men herstelde de klok en hing deze weer in de toren. Precies een jaar na de ingebruikname van de toren kwam er een aardbeving, waardoor de klokketoren instortte. Men liet het toen maar zo. En zo “kwam hoogmoed voor de val”.      

 

Het tweede verhaal heet “Bartleby” (“Bartleby, the Scrivener”). Het verhaal wordt verteld door een oudere advocaat die het ambt van “Meester van de Kanselarij” in New York uitoefent. Hij heeft een klein kantoor in Wall Street, waarin hij twee wetskopiisten - ook wel schrijvers genoemd - in dienst heeft en een manusje van alles. De kopiisten schrijven allerlei juridische stukken over. De namen van de twee kopiisten zijn Kalkoen en Nijptang. Kalkoen is geboren in Engeland en ergens in de vijftig. Nijptang is ook Engelsman van geboorte en ongeveer vijfentwintig jaar oud. Het zijn allebei mannen met een gebruiksaanwijzing, maar de advocaat weet goed met hen om te gaan. Het manusje van alles heet Gembertje. Hij is ongeveer twaalf jaar oud en een pienter knaapje.

 

Door uitbreiding van werkzaamheden is de advocaat op zoek naar een derde schrijver op zijn kantoor. Hij zet een advertentie en daarop reageert Bartleby. Bartleby is een aparte figuur. Hij ziet er bleek uit, is door en door fatsoenlijk en erg rustig. De advocaat neemt hem aan en zo komt Bartleby op kantoor. Bartleby werkt hard en verricht uitzonderlijk veel werk. Hij is het eerst op kantoor en gaat als laatste weg. Er is echter wel een probleem. Bartleby heeft een hekel aan controlewerk. Het is onder kopiisten gebruikelijk om na het kopiëren de kopie met het origineel te vergelijken, maar Bartleby weigert consequent dit werk te doen. Hij zegt dan dat hij dat werk “liever niet doet”. Hij geeft verder geen uitleg, maar weigert gewoon. De advocaat laat dit zo, hoewel hij het niet prettig vindt. Normaliter zou hij zo iemand gelijk ontslaan, maar op de een of andere vreemde wijze heeft de advocaat sympathie voor Bartleby opgevat.

 

Ook de andere medewerkers van de advocaat ergeren zich aan het gedrag van Bartleby, maar er verandert uiteindelijk niets. Op een zondag, als de advocaat voor het kerkbezoek even naar zijn kantoor in Wall Street gaat, ontdekt hij dat Bartleby daar zit. Hij is praktisch ongekleed en kennelijk woont hij in het kantoor. De advocaat heeft daar nooit bij stilgestaan en voelt een zekere triestheid in zich opkomen. Bartleby geeft weinig geld uit en eet amper. Ook geeft hij geen informatie over zijn verleden, zodat de advocaat per saldo helemaal niets van Bartleby weet. Kennelijk staat Bartleby helemaal alleen op de wereld.

 

Iedereen begint zich steeds meer aan het vreemde gedrag van de schrijver Bartleby te storen. Ook de advocaat krijgt het er te kwaad mee. Hij wil eigenlijk wel van hem af, zeker als Bartleby op een gegeven moment aangeeft helemaal geen schrijfwerk meer te willen uitvoeren. De advocaat denkt dat dit kennelijk het gevolg is van een plotseling optredend slecht gezichtsvermogen bij Bartleby. Om die reden laat hij het maar even zo. Maar uiteindelijk zegt hij toch tegen Bartleby dat hij moet vertrekken. Deze weigert echter weg te gaan. De situatie wordt dan vervelend, want ook als collega-advocaten op bezoek komen weigert Bartleby hun alle hulp. Daardoor gaat de advocaat nogal over de tong van deze collega’s.

 

Dan besluit de advocaat elders een kantoorruimte te gaan huren. Zo kan hij eenvoudig van Bartleby af komen. Bartleby blijft inderdaad in het oude kantoor achter en weigert daar weg te gaan, waardoor de verhuurder van het oude kantoorpand boos wordt. De verhuurder wendt zich tot de advocaat, maar die geeft aan dat hij niets meer met Bartleby te maken heeft. Toch gaat de advocaat nog met Bartleby praten, maar Bartleby geeft daarbij aan dat hij geen ander baantje wil hebben. De advocaat waarschuwt Bartleby voor de consequenties van zijn halsstarrige gedrag.

 

Een tijdje later krijgt de advocaat bericht dat Bartleby vanwege landloperij naar het Huis van Bewaring gebracht is. De advocaat zoekt hem daar op, maar krijgt niets uit hem. De advocaat betaalt degene die over het eten gaat om goed voor Bartleby te zorgen, maar Bartleby weigert deze zorg. Als de advocaat een paar dagen later weer op bezoek komt, blijkt Bartleby te zijn gestorven. Na de begrafenis van Bartleby hoort de advocaat dat Bartleby in het verleden ooit gewerkt heeft als ondergeschikte klerk op het kantoor voor onbestelbare post in Washington. Door een verandering in de organisatie werd hij ontslagen en kwam toen bij de advocaat terecht. De advocaat vindt dit hopeloze verleden wel bij Bartleby passen, hoewel het een triest gevoel bij hem oproept.

 

Het derde verhaal heet “Billy Budd, zeeman” (“Billy Budd, Sailor”). Melville vertelt hier het verhaal van de eenentwintigjarige matroos William (“Billy”) Budd, ook wel Baby Budd genaamd. In het jaar 1797 werd Billy door de Britse marine - die toen een groot tekort aan manschappen had - geronseld op een Engels koopvaardijschip dat in het Kanaal op huis aan voer. Het oorlogsschip Zr.Ms. Indomitable werd Billy’s nieuwe thuis. Hij werd daarop aangesteld als matroos der eerste klasse.

 

Billy was knap om te zien, had een vrolijke en ongecompliceerde aard en was in het geheel niet boosaardig. Hij was niet filosofisch aangelegd, maar had wel een fatalistische natuur. Hij was een vondeling en wist dus niet wie zijn ouders waren. Wellicht was hij een buitenechtelijk kind van een edelman uit Bristol. Billy was ongeletterd en kon niet lezen of schrijven. Het enige gebrek aan Billy was dat hij, als hij erg emotioneel was, ging stotteren.             

 

De Indomitable voer naar de Middellandse Zee om zich daar bij de Engelse vloot te voegen. Kort daarvoor was de vloot geplaagd geweest door een aantal muiterijen. De onvrede was door de Engelse regering gesust, maar niet geheel weggenomen. Op de Indomitable was weinig van onvrede te merken. De commandant van het oorlogsschip, kapitein ter zee Edward Fairfax Vere, was een uitstekend zeeman en had de wind er op zijn schip goed onder. Hij was een terughoudend en bescheiden mens, maar hield wel van strenge tucht en orde. Vere was een intellectueel die graag boeken las. Schertsen deed hij nooit.  

 

De belangrijkste onderofficier op de Indomitable was provoost John Claggart. Hij moest de orde bewaren op de geschutsdekken. Claggart was een wat mysterieuze man. Waar hij vandaan kwam wist niemand. Hij was beleefd tegen de officieren en een bekwaam speurder. Daarom werd hij al gauw bevorderd tot provoost. Billy was intussen bij de bemanning populair geworden door zijn ongedwongen persoonlijkheid. Dat wekte de interesse van Claggart op. Claggart deed aardig tegen Billy die daardoor op zijn beurt weer achterdochtig werd. Een oude collega van Billy waarschuwde hem. Claggart zou wel eens aardig kunnen doen omdat hij de pik had op Billy.

 

Claggart besluit Billy te gaan kwellen. Daarvoor maakt hij gebruik van diverse van zijn ondergeschikten. Claggart laat zich door hen ook goed informeren over wat Billy allemaal doet. Als Billy een keer door een jongere collega aangesproken wordt met het verzoek al diegenen die geronseld zijn te willen helpen indien dat nodig zou zijn, weet Billy niet goed wat hij hiermee aan moet. Hij weigert. Claggart gaat verder met zijn provocaties en meldt aan kapitein Vere dat Billy wel eens een oproerkraaier zou kunnen zijn. Vere gelooft er niets van maar besluit, indachtig de recente muiterijen,  dit probleem voorzichtig aan te pakken. Hij brengt Billy en Claggart samen in zijn kajuit en laat Claggart zijn beschuldigingen daar herhalen. Vere hoopt dat Billy zich dan verdedigt. Billy raakt door de beschuldigingen van Claggart echter in een soort sprakeloosheid en slaat hem op een gegeven moment met een min of meer onwillekeurige vuistslag neer. Claggart blijkt dan dood te zijn.

 

Vere schrikt vreselijk van het gebeurde en laat de scheepsarts komen. Deze stelt de dood van Claggarty vast. Vere besluit vervolgens snel een zeekrijgsraad te houden die over Billy moet oordelen. Deze schending door Billy van de zeetucht kan Vere namelijk niet accepteren. De scheepsarts en de officieren die lid zijn van de zeekrijgsraad vinden eigenlijk dat Vere de kwestie moet overdragen aan de bevelvoerend admiraal van de vloot, maar ze gehoorzamen desondanks aan de wensen van kapitein Vere.

 

Billy wordt voor de krijgsraad gebracht en kapitein Vere doet nauwkeurig verslag van het gebeurde. Billy ontkent de toedracht niet, maar geeft ook aan dat hij niet de intentie had om Claggart te doden. De krijgsraad raakt door Billy’s eerlijke openhartigheid overtuigd van zijn onschuldige bedoelingen, maar volgens het zeerecht heeft Billy een halsmisdrijf begaan. Kapitein Vere - die op zich ook wel weet dat Billy geen kwade bedoelingen had - geeft dit ook duidelijk aan. Verder vindt hij dat Billy de doodstraf ook verdient om te voorkomen dat er muiterij onder de bemanning uitbreekt. Alleen door een streng voorbeeld te stellen in dit soort situaties zal geen muiterij ontstaan, aldus Vere. De zeekrijgsraad is niet erg onder de indruk van de argumenten van Vere, maar kan niet om de regels van het zeerecht heen en veroordeelt Billy uiteindelijk ter dood.

 

Vere licht Billy in en deze aanvaardt zijn lot gelaten. De volgende morgen vroeg wordt het vonnis uitgevoerd. Billy wordt aan de grote ra opgehangen. Vervolgens wordt zijn lichaam op zee begraven. Korte tijd later raakt de Indomitable in gevecht met een Frans oorlogsschip. Kapitein Vere raakt daarbij dodelijk gewond. Hij wordt naar Gibraltar gebracht en sterft daar na een paar dagen. Vlak voor zijn dood hoort men hem de woorden “Billy Budd, Billy Budd” mompelen.

 

Beoordeling van het boek

Melville was een beroemde Amerikaanse schrijver en dichter. Zijn meest beroemde roman is “Moby Dick” uit 1851, die het verhaal vertelt van kapitein Ahab die zijn levenslange vete met een witte walvis uitvecht. Inspiratie voor dit boek deed Melville op tijdens een handelsreis per schip naar Liverpool in Engeland in 1839 en op diverse walvisvaarten daarna, waarbij hij zelfs midden in de Stille Zuidzee terechtkwam en daar in 1842 een tijdje op de Marquesas Eilanden temidden van de inboorlingen woonde. In 1847 trouwde Melville en uit dit huwelijk kwamen vier kinderen voort. Na de publicatie van Moby Dick begon Melville zijn populariteit te verliezen. Hij werd douane-inspecteur in New York en begon vervolgens alleen nog maar poëzie te publiceren. In 1886 ging Melville met pensioen. Naast poëzie schreef hij nog een laatste - tijdens zijn leven niet voltooide en ongepubliceerd gebleven - novelle in proza, namelijk Billy Budd. Deze novelle werd pas gepubliceerd in 1924.

 

Simon Vestdijk heeft in zijn essay “Enige proefjes zout water” (uit 1941) Melville “de grote zeekolos” genoemd vanwege diens grandioze conceptie van de zeeroman, zoals in Moby Dick, dat “gaaf is van begin tot einde”. Dit essay van Vestdijk is te vinden in een bloemlezing uit zijn essays, getiteld “Kunst en Droom”, uitgegeven door Uitgeverij De Bezige Bij te Amsterdam in 1957 (blz. 64).       

 

Opvallend in het eerste verhaal is het niet gemakkelijke taalgebruik van Melville. Zijn zinnen zijn lastig leesbaar. Dat komt door de lengte, de constructie en het gebruik van soms vreemde en onbekende woorden. Zo gebruikt Melville gelijk aan het begin van het verhaal al de woorden “Anak”, “Shinar-hoogte”, “Levant”, “Shadrach”, “Domino” en “Polichinel-aspect”. Om te weten wat deze woorden betekenen moet je ze op gaan zoeken. Anak was een reus die in de Bijbel genoemd wordt. De Shinar-hoogte ligt in het land van Babel. Shadrach is een figuur uit de Bijbel (te vinden in het boek Daniël). Polichinel is een marionettenfiguur en duidt op geheimzinnigheid. Omdat de gemiddelde lezer, neem ik aan, niet bekend is met deze woorden, leest het verhaal niet gemakkelijk. Ook de zinsconstructies zijn niet altijd eenvoudig. Ik moest diverse zinnen enkele keren opnieuw lezen voordat ik begreep wat er stond. Ik heb ook de originele Engelse tekst bekeken en die is nóg lastiger leesbaar.

 

Het eerste verhaal van de klokketoren is een merkwaardig verhaal. Het zit vol mysterie en duistere elementen. Zo is de bouwer op zich al een mysterie. Van Belladonna wordt alleen maar gezegd, dat hij rijk geworden is aan de handel met de Levant en dat hij een vondeling is. Met dit laatste wordt al direct een zekere geheimzinnigheid geschapen. Ook het feit dat Belladonna aan de binnenkant van de toren alles zelf wil doen draagt aan de geheimzinnigheid bij. De merkwaardige klokwachtersfiguur, het vreemde figuurtje op de grote klok en de kennelijk bij het gieten van de grote klok aanwezige ongerechtigheid in het metaal zorgen voor de nodige spanning. Aan alles voel je als lezer dat de toren een noodlottig bouwsel is. Aan het eind van het verhaal stort hij dan ook in. Dat element gebruikt Melville om vervolgens de moralistische vergelijking te kunnen maken dat hoogmoed voor de val komt.

 

Het tweede verhaal over de schrijver Bartleby is eigenlijk een nogal triest verhaal. Bartleby wordt neergezet als een uitermatige tragische figuur. Over zijn verleden is niets bekend - met uitzondering van zijn werk in Washington, dat overigens pas aan het eind van het verhaal bekend wordt - en ook van zijn manier van optreden raak je als lezer nogal gedeprimeerd. Bartleby is uitermate passief, lijkt niet te leven en wekt op geen enkele manier enige sympathie op. Dat laatste is juist zo merkwaardig. De advocaat in het verhaal vindt Bartleby wél zielig. Ik helemaal niet. Wil je als lezer enige sympathie voor een persoon krijgen, dan zal die persoon die sympathie wel op enigerlei wijze zelf moeten oproepen en dat doet Bartleby naar mijn mening nu juist niet. Ik kan niets positiefs aan Bartleby ontdekken. Ik vind hem een vreemde snuiter die weinig of geen moeite doet om iets van zijn leven te maken. Zijn passiviteit is ronduit stuitend!

 

Wellicht wordt met het slot van het verhaal bedoeld aan te geven dat Bartleby zo is geworden door zijn vorige baantje in Washington. Maar als dat al zo is, dan vind ik het nog te gemakkelijk. Een mens is immers, in mijn visie althans, zelf verantwoordelijk voor zijn geluk. Ook de advocaat vind ik geen sterke figuur. Zijn menslievensheid en meegaandheid jegens Bartleby zijn op zich wellicht te prijzen, maar uiteindelijk is het natuurlijk ook een teken van zwakheid. Problemen los je op door ze aan te pakken en niet door er van weg te lopen!

 

Melville dateert zijn verhaal over Bartleby door hier en daar enkele bekende historische personen te noemen. Zo noemt hij John Jacob Astor. Ik neem aan dat Melville hier doelt op de persoon die leefde van 1763 tot 1848. Hij zegt namelijk “wijlen John Jacob Astor”. En omdat het verhaal in 1853 verscheen, moet het deze Astor zijn geweest (er zijn er namelijk meer met die naam). Astor werd geboren in Duitsland en vertrok in 1783 naar Amerika. Hij ging de bonthandel in en werd daar schatrijk mee. Later in New York werd hij nóg rijker door de handel in grond en vastgoed. Astor was de rijkste man van Amerika toen hij overleed. Ook noemt Melville de dichter Lord Byron (1788 – 1824). Byron stond bekend om zijn talloze liefdesaffaires en zijn deelname aan de Griekse vrijheidsoorlog. Voor Melville was Byron een nog tamelijk recente figuur. Ten tijde van de publicatie van dit verhaal was Byron nog geen dertig jaar dood.

Melville dateert zijn verhaal over Bartleby door hier en daar enkele bekende historische personen te noemen. Zo noemt hij John Jacob Astor. Ik neem aan dat Melville hier doelt op de persoon die leefde van 1763 tot 1848. Hij zegt namelijk “wijlen John Jacob Astor”. En omdat het verhaal in 1853 verscheen, moet het deze Astor zijn geweest (er zijn er namelijk meer met die naam). Astor werd geboren in Duitsland en vertrok in 1783 naar Amerika. Hij ging de bonthandel in en werd daar schatrijk mee. Later in New York werd hij nóg rijker door de handel in grond en vastgoed. Astor was de rijkste man van Amerika toen hij overleed. Ook noemt Melville de dichter Lord Byron (1788 – 1824). Byron stond bekend om zijn talloze liefdesaffaires en zijn deelname aan de Griekse vrijheidsoorlog. Voor Melville was Byron een nog tamelijk recente figuur. Ten tijde van de publicatie van dit verhaal was Byron nog geen dertig jaar dood.

 

Het derde verhaal - over Billy Budd - is het langste verhaal uit de bundel en eigenlijk geen kort verhaal meer, maar een novelle. Het veronderstelt wel enige kennis van (zeil)schepen, want de scheepskundige termen vliegen je als lezer om de oren, zoals “marszeilen”, “dichtreven”, “loefnok”, “springpaard”, “steekbout”, “pikbroeken”, “kogelbakken”, “voortop”, “gangspil”, “platvoet”, “voormarsgast” en “marlpriem”. Je moet maar net weten wat er mee bedoeld wordt. Gelukkig wordt het meeste uit het zinsverband wel duidelijk, maar dat is niet altijd het geval. Een toegevoegde lijst met verklarende woorden zou best wel handig geweest zijn, vind ik.            

 

Ook in dit verhaal is het taalgebruik van Melville niet altijd even helder en begrijpelijk. Zo noemt hij in het begin al diverse onbekende namen. Gelijk in de eerste alinea wordt het woord “Aldebaran” genoemd. Ik moest het opzoeken en het betreft een ster in het sterrenbeeld Stier. Het is een zeer heldere ster en de naam komt uit het Arabisch. Verder noemt Melville de bijbelse figuur van Cham. Die ken ik toevallig, maar dat zal ook niet bij iedereen het geval zijn, vermoed ik. Dan wordt ook nog een zekere Anacharsis Clootz (1755 – 1794) genoemd. Ik kende deze naam evenmin, maar het blijkt te gaan om een Pruisische edelman die een belangrijke rol speelde in de Franse revolutie. Ook noemt Melville het paard van Alexander de Grote - namelijk Bucephalus - en Thomas Paine (1737 – 1809), de filosoof en revolutionair die een belangrijke rol speelde in zowel de Franse als de Amerikaanse revolutie. Ook vestigt Melville de aandacht op Stephen Girard (1750 – 1831), een rijke tot Amerikaan genaturaliseerde Fransman die bankier en filantroop was. In 1812 redde Girard de Amerikaanse regering van een bankroet. Tot slot noem ik hier nog de door Melville genoemde Kasper Hauser (1812 – 1833), een Duitse vondeling van onduidelijke herkomst. Zijn levensverhaal is vrij bizar en hij werd als een vreemde curiositeit beschouwd. In 1833 werd hij onder mysterieuze omstandigheden vermoord. Anno 2014 zegt deze naam ons natuurlijk niets meer, maar voor Melville was het nog levende geschiedenis.

 

De ontstaansgeschiedenis van Billy Budd is een beetje apart. Melville begon er in 1888 in New York aan te schrijven. Hij was toen als schrijver eigenlijk al vergeten. Bij zijn dood in 1891 was de novelle niet af en werd ook niet gepubliceerd. Dat gebeurde pas in 1924 in Londen. Het enigszins chaotische en slecht leesbare manuscript bevond zich in de nagelaten papieren van Melville en werd in het kader van het schrijven van een geplande biografie van Melville ontdekt. De weduwe van Melville wist niet goed raad met het stuk en wist ook niet precies wat de bedoelingen van haar echtgenoot met betrekking tot het stuk geweest waren. De novelle werd zoals gezegd in 1924 gepubliceerd en zeer goed ontvangen. Na een langdurige studie door een tweetal wetenschappers werd de definitieve versie van het manuscript in 1962 gepubliceerd. Door de verschillende manuscripten kunnen er onderling tekstverschillen optreden. Zo gebruikte Melville in een van de manuscriptversies een andere naam voor het oorlogsschip “Indomitable”; hij noemde het schip toen “Bellipotent”. Waarom hij uiteindelijk toch voor Indomitable koos, is onbekend. Ook zijn er van deze novelle verschillende titels in omloop. De meest gangbare is “Billy Budd, zeeman”, maar ook “Billy Budd, voormarsgast” komt veel voor. 

 

Er is heel veel geschreven over de vraag hoe je de novelle over Billy Budd zou moeten interpreteren. Op het internet zijn daar vele artikelen en meningen over te vinden. De meningen variëren van het aan de orde stellen van homo-erotiek tot het aan de kaak stellen van de doodstraf. Homo-erotische elementen zitten zeker in de novelle verwerkt. Zo wordt Billy nadrukkelijk de “knappe matroos” genoemd. Kapitein Vere is vrijgezel en dat geldt ook voor Claggart en Billy zelf. Met name in de beschrijving van Claggart laat Melville bewust, vind ik, de mogelijkheid open dat Claggart een seksueel getint oogje op Billy heeft. Omdat Claggart duidelijk in een negatief daglicht geplaatst wordt door Melville, kun je betogen dat Melville daarmee gelijk ook de homo-erotiek verwerpt. Billy zelf wordt door Melville overigens op geen enkele wijze in een homo-erotische contekst geplaatst. Hij wordt juist als knap, onschuldig en puur gepresenteerd. Door zo duidelijk een onschuldige Billy te laten ophangen zou het ook kunnen zijn dat Melville hiermee zijn mening geeft over de doodstraf (en die is dan duidelijk negatief).      

 

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.