ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
Nask begrippenlijst H6

Materialen = Alles waarvan iets is gemaakt.
Stoffen = Materiaal van draden.
Natuurlijke middelen = Middelen uit de natuur gehaald.
Kunststoffen = Materiaal van plastic.
Papier = Dun materiaal waarop je kunt schrijven (van bomen gemaakt).
Wol = Textielgrondstof van de vacht van dieren zoals schapen.
Katoen = Textiel die is geweven uit de pluizen van de katoenplant.
Eigenschappen = Karakteristiek is voor iemand of iets.
Zintuigen = De mens heeft 5 zintuigen waarmee je iets kunt waarnemen:
Ogen - zien
Tastzintuig - voelen
Reukzintuig - reuken
Smaakzintuig - proeven
Stofeigenschappen = Waaraan je een materiaal of stof kunt herkennen: kleur, glans, hardheid, structuur, geur en smaak. Als een stof gevaarlijk is kan je het door deze andere stofeigenschappen gebruikmaken: oplosbaarheid, dichtheid, zuurgraad, smeltpunt, kookpunt en treksterkte.
Dichtheid = De hoeveelheid massa van een stof per eenheid van volume. Stappen die je doet bij het berekenen van de dichtheid:
1. Formule opschrijven p = m:v
2. Gegevens invullen met eenheid: m:v = 3,75 g : 1,5 cm3
3. Berekening uitvoren: 3,75 g : 1,5 cm3 = 2,5 g/cm3
Brandbaarheid = De eigenschap van een stof die vlam vat bij welke ontstekingsbron dan ook.
Massa = De hoeveelheid stof. Vaak word er in plaats van massa ook gewicht gezegd. Massa kun je meten met een weegschaal of balans met een massadoos. De massa van een voorwerp druk je uit in kilogram, gram of milligram.
Volume = De ruimte die het voorwerp inneemt. Van een vlok of balk kun je de lengte x breedte x de hoogte. V = l x b x h. Van een cilinder moet je eerst de diameter of dikte en de hoogte meten. Daarna berken je de straal van de cirkel van het grondvlak. V = pie x r2 x h. Van een niet regelmatig gevormd neem je een maatglas en dompel je het voorwerp in het water. De stijging van het water geeft de grootte van het volume.
Zuurgraad = Hoe zuur een stof is. De zuurgraad geven we aan met pH. Neutraal water heeft een pH van 7. Zuurdere stoffen hebben een lager pH. Hoger dan 7 [H noemen we basisch. Basische stoffen kunnen zure stoffen neutraliseren. Je kunt het meten door pH-papier. Dat verkleurt en je kunt aflezen op een kleurkaartje hoe hoog de zuurgraad is.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.