Literatuur

Beoordeling 5.8
Foto van een scholier
  • Antwoorden door een scholier
  • 4e klas havo | 9943 woorden
  • 17 maart 2002
  • 124 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.8
  • 124 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Antwoorden Teksten en opdrachten Nederlands havo


opdracht 1
Persoonlijk. Vergeet het klassengesprek niet. Waarschijnlijk zijn er aardig wat overeenkomsten. Hoe zou dat komen?

opdracht 2
Probeer de namen van de zes soorten beoordelingsargumenten te onthouden: emotieve, esthetische, morele, realistische, structurele en intentionele argumenten.

opdracht 3
Persoonlijk. Je beoordeling hangt af van jouw oordeel als lezer. Ons inziens kunnen alle zes de argumenten gebruikt worden bij de beoordeling van het korte verhaal van Herman Pieter de Boer.

opdracht 4

De uitwerking van het lezersonderzoek is persoonlijk. Tijdens de nabespreking is het vooral interessant na te gaan waaróm bepaalde verschillen zijn ontstaan. Als er tenminste verschillen zijn, natuurlijk. Maar dat is wel waarschijnlijk.

opdracht 5
Een leesautobiografie is een zeer persoonlijk geschrift. Ga wel na of je leesautobiografie een antwoord geeft op de vijf vragen.

opdracht 6
Het klinkt grappig, een literatuurmeter, maar het aardige is dat die meter nog goed werkt ook. Dat blijkt althans uit onze ervaringen ermee. (Eigenlijk is het een creatieve variatie op de beoordeling met behulp van de zes beoordelingsargumenten in de opdrachten 2 en 3.) Je kunt die meter heel goed gebruiken om met een paar mensen over een verhaal (of een boek, of een film, of een cabaretvoorstelling) van gedachten te wisselen.

opdracht 7

Een balansverslag is een persoonlijke uitwerking van je leeservaringen gedurende een bepaalde periode. De zes aandachtspunten helpen je om er vorm aan te geven.
Het is misschien een goed idee om een balansverslag te maken aan het begin 4 havo. Aan het einde van het jaar kun je dan opnieuw een balansverslag maken en je ervaringen vergelijken. Maar overleg dat met je docent.

Antwoorden Teksten en opdrachten Nederlands havo

Afdeling 1 Literaire begrippen

1 Wat is literatuur?


opdracht 1
Persoonlijk.

opdracht 2
a -
b Vergelijk je studiesamenvatting met het volgende voorbeeld:
1 Inleiding
Literatuur en werkelijkheid:
Non-fictionele teksten: over bestaande onderwerpen en echt voorgevallen gebeurtenissen
Fictionele teksten: schrijver verzint onderwerp geheel of gedeeltelijk.
Literatuur: verzamelterm van allerlei soorten fictionele teksten in verhaal-, gedicht- of toneelvorm
Schrijver van literatuur kan spelen met de werkelijkheid (bijv. verschil tussen reisverhaal en een sprookje).
Eerste, tweede en derde werkelijkheid:
Eerste: feiten
Tweede: de visie van de schrijver op de werkelijkheid
Derde: de werkelijkheid zoals de lezer die uit de tekst haalt.
2 Schrijver en lezer
zender - medium - ontvanger
schrijverstekst en lezersteksten
3 Literatuur en maatschappij
Amuseren, engageren en/of allebei
4 Literatuur en kunst
Algemene kenmerken kunstwerk:
1 Men vindt het mooi.
2 Men is het eens met de morele waarden.
3 Men vindt dat het de werkelijkheid goed weergeeft.
4 Men vindt het knap gemaakt.
5 Men waardeert de bedoeling van het werk.
6 Men vindt het oorspronkelijk (tegenovergestelde is kitsch)
5 Lezer en mening
Iemand vindt een fictionele tekst goed als hij zich erin kan herkennen (eigen leven, of wensen/dromen of politieke overtuiging of geloof of liefde voor hetzelfde).
Andere criteria zijn: mee kunnen voelen - taalgebruik - mening van de schrijver - wat je van de schrijverswereld vindt - de opbouw - thema.
Je kunt dus alle kanten op.
6 Literatuur met grote L en kleine l
Dat maak je als lezer zelf uit. Maar er is beïnvloeding door beroepslezers: recensenten, critici.
Literatuur met een grote L: ontroert je, wil je nog eens lezen (je ontdekt dan weer nieuwe dingen), zet je aan het denken, blijft in je hoofd hangen.
Werking van een tekst: wat de tekst met je doet (bijvoorbeeld identificatie met een verhaalfiguur en/of escape-functie)
Uitspraken over Literatuur: is herkenbaar, maar ook nieuw, de schrijver stelt zich kritisch op, is origineel en heeft een eigen stijl en zijn thema heeft de nodige diepgang.

opdracht 3
a Vergelijk jouw antwoord met het volgende.
Door te lezen leer je hoe dingen in elkaar steken en krijg je overzicht over het verleden en de toekomst. Als je leest, voel je je soms vrij. Je kunt wegdromen. Je kunt nadenken over van alles.
b Persoonlijk.

opdracht 4
Van beroemde boeken kennen vele mensen de titels, maar weinig mensen hebben ze ook echt gelezen.

opdracht 5
a Persoonlijk.
b Verschil tussen antwoord a en b is heel goed mogelijk. (Zie de uitspraak van Ezra Pound bij opdracht 4.)

opdracht 6
Persoonlijk.

opdracht 7
a -
b Persoonlijk.

opdracht 8
Sommige uitspraken zijnop verschillende manieren uit te leggen. Vergelijk je antwoorden met de volgende:
1 Ik schrijf over het leven.
2 Er is geen fellere kritiek dan mijn schriftelijke kritiek.
3 Wie het voortdurend druk heeft met andere mensen, ontspant zich het beste met een boek.
4 De goede lezer maakt uit of een boek goed is.
5 Een goed boek is te vergelijken met de hechte bouw van een huis.
6 Elke fanatieke lezer zoekt in boeken naar het antwoord op zijn belangrijkste vraag.

opdracht 9
Als jongen had de dichter hooggestemde idealen over het dichterschap, idealen die ver van de realiteit afstonden.

opdracht 10
Persoonlijk. Een korte, klassikale nabespreking kan aan het licht brengen dat bepaalde zaken nog niet helder genoeg zijn. In dat geval kunnen jullie er samen nog aandacht aan besteden.

opdracht 11
Persoonlijk.

Antwoorden Teksten en opdrachten Nederlands havo

Afdeling 1 Literaire begrippen

2 Stijl en beeldspraak


opdracht 1
Stijl = manier van uitdrukken
- persoonlijke stijl (van één auteur)
- groepsstijl (genre of stroming door meer schrijvers)
Stijlmiddelen: stijlfiguren/tekststijlen/beeldspraak

opdracht 2
a 1 antithese
2 retorische vraag
3 hyperbool
4 climax
5 paradox
6 hyperbool
7 enumeratie
8 anticlimax
9 antithese
10 paradox
11 parallellisme
b -

opdracht 3
a 1 pleonasme
2 eufemisme
3 litotes
4 understatement
5 woordspeling
6 tautologie
7 pleonasme
8 litotes
9 paradox (woordspeling?)
10 tautologie
b -

opdracht 4
Werk in groepjes van twee of drie leerlingen.

opdracht 5
a naar de geheimen van bloemen en bijen op zoek¼
voor de schoorsteenmantel¼
Je lag er maar wakker van, zei hij¼
haar klapperende boodschap van vrede¼
b open en bloot – Iedereen kan het zien¼ (het figuurlijk bedoelde bloot wordt letterlijk opgevat).
een koe als een oude dichter uit de sloot¼ (oude koeien uit de sloot halen)

opdracht 6
Die arbeiders mogen blij zijn dat ze in zo’n klein huisje wonen.
Dan hebben ze tenminste geen werkster nodig.
Dan hoeft u vandaag niet meer dan twee ons hout af te zagen¼
De man die anderhalf miljoen voor zijn huis op tafel moet leggen¼ (kan leggen!)
de arbeider heeft geen arbeidsvreugde meer.

opdracht 7
-

opdracht 8
Een eventueel verslag van het groepsgesprek kun je in je leesdossier opnemen.

opdracht 9
Je schrijfproduct kun je opnemen in je dossier.

opdracht 10
a -
b 1 metonymia (de hele auto i.p.v. de motor)
2 vergelijking (de avond valt als een schaduw)
personificatie (de dinsdag wordt begraven)
metonymia (Bach i.p.v. zijn muziek)
3 metonymia (de hele bus i.p.v. de reizigers)
4 metafoor (parel)
5 personificatie (het zonlicht verft)
6 synesthesie (zure opmerkingen)
7 metafoor (bont gewas)
8 personificatie (bijtende vloeistoffen)
9 vergelijking (Sinterklaas, kapoentje (een kapoentje is een gecastreerd haantje))
10 metafoor (schat)
metafoor (gehaktbal)
11 vergelijking (een rioolrat van een wijf)
12 metonymia (knappe koppen i.p.v. mensen met knappe koppen)
13 personificatie (telefoon slaapt)
14 synesthesie (koele woorden)
c -

opdracht 11
vergelijking met als object is als beeld
vergelijking met van beeld van het object
vergelijking zonder voegwoord/voorzetsel object, beeld

metafoor alleen beeld, geen object

metonymia kenmerk van object
synesthesie vermenging zintuiglijke indrukken
personificatie object wordt levend, menselijk voorgesteld

opdracht 12
a 1 metafoor (slobberig grijs pak)
2 synesthesie (doffe pijn)
personificatie (pijn nam bezit)
3 vergelijking (een kreng is een dierenlijk)
4 vergelijking (de rector, veldheer)
5 personificatie (het toeval wilde)
6 metonymia (België i.p.v. de regering)
personificatie (heeft zich bereid verklaard)
7 synesthesie (felle bewoordingen)
8 metonymia (de zaal i.p.v. de toeschouwers)
9 vergelijking (lopen alsof¼)
10 personificatie (de wind speelt)
11 synesthesie (zoete woordjes)
metafoor (kabouter)
12 metonymia (de hand als kenmerk van de trouwplechtigheid)
b -

opdracht 13
Persoonlijk. Dit is een opdracht voor een zogenaamd learner report: je geeft aan wat je in dit hoofdstuk hebt geleerd. De opdracht is niet alleen nuttig voor jezelf (je denkt na over je eigen werkzaamheden), maar ook voor je docent (die daardoor te weten komt wat het resultaat van de lessen is).
Samenvatting van de reacties uit de klas kan leiden tot:
- doorgaan met nieuwe leerstof (iedereen heeft de leerstof begrepen);
- herhaling voor enkele leerlingen (die een bepaald onderdeel van de leerstof nog niet voldoende beheersen);
- klassikale herhaling van leerstof die iedereen nog moeilijk vindt.

Antwoorden Teksten en opdrachten Nederlands havo

Afdeling 1 Literaire begrippen

3 Proza


opdracht 1
soort volksverhaal kenmerken voorbeeld
legende godsdienstig, wonderlijk ingrijpen Marialegende, bv. Beatrijs
sage historische kern, magie belangrijk heldensage, bv. Koning Arthur
mythe godenverhaal, verklarend mythen van Homerus
sprookje goed wint van kwaad, toverijvolkssprookje, oudcultuursprookje, ‘nieuw’ Roodkapjesprookjes van Hans C. Andersen
fabel dierenverhaal, met een moraal Anansi de spin
parabel verheven taalgebruik, onverwacht einde heeft vormende waarde de barmhartige Samaritaan

opdracht 2
Sage. Historische kern: de Romeinen. Lijkt waar gebeurd, maar dat is niet meer te achterhalen. Het verhaal verklaart de naam van het woud.

opdracht 3
Laat je sage beoordelen door je docent. Je kunt deze sage opslaan in je dossier.

opdracht 4
Laat je fabelbewerking beoordelen door je docent. Je kunt deze bewerking opslaan in je dossier.

opdracht 5
a De machthebbers.
b Het gewone volk.
c Dat machthebbers nooit genoeg hebben en de eenvoudige lieden bedriegen en manipuleren.
d Brecht veroordeelt de beschaving als een voorbeeld van hoe een samenleving níet moet zijn.
e -

opdracht 6
a -
b
ridderroman/avonturenroman avonturen van de hoofdfiguur.
schelmenroman avonturen van de slimme ‘vrije jongen’.
psychologische roman vanaf de 18e eeuw, uitbeelding geestesleven.
Zedenroman zeden, normen spelen een rol, opvoedende taak.
historische roman vanaf 19e eeuw, speelt in de geschiedenis, vaak avontuurlijk. Boeiende geschiedschrijving.
streekroman (regionale roman) speelt in provinciale omgeving, geromantiseerd beeld van de streek, dialect.
politieroman (detective), misdaadroman, thriller (oplossing van) misdaad, spanning, ingenieus
oorlogsroman over verzet, vervolging in oorlog (vaak 1939–45)
sciencefiction- en fantasyroman fantasiewereld in verleden en/of toekomst

opdracht 7
Fantasy. Magie en strijd goed-kwaad spelen een rol. In een onbestemde tijd gesitueerd.

opdracht 8
a Maak eventueel een kort verslag van deze gedachtewisseling en sla het op in je leesdossier.
b idem

opdracht 9
a Het verhaal speelt in de toekomst en behandelt theoretische oorlogsvraagstukken.
b De mensheid is in staat tot de meest dwaze daden. Uiteindelijk zal zij zichzelf vernietigen, ook al denkt men alles te kunnen beheersen.
c Persoonlijk.

opdracht 10
a 1e fragment (De Fluiter): cursiefje
2e fragment (De schok der herkenning): recensie
3e fragment (Mijn geboortegrond): column (cursiefje?)
4e fragment (Domkoppen): column
5e fragment (Weg): column

b 1e fragment: Typering van de fluitende mens: beetje zielig.
2e fragment: De avonden van Reve geeft een goed sfeerbeeld van het naoorlogse decennium. Goed boek.
3e fragment: De natuur en de schoonheid van het platteland worden opgeofferd aan de ‘vooruitgang’ en door op geld beluste toeristenindustrie uitgebuit.
4e fragment: Televisie en de commercie hebben zich meester gemaakt van ‘het voetbal’ en het daarmee vermoord.
5e fragment: De politicus Hans van Mierlo zal snel verdwijnen van het politiek toneel en dat vindt de schrijver jammer.

opdracht 11
-

opdracht 12
Laat je signalement aan je docent zien. Geef eventueel in een gesprek nadere informatie over de beschreven stripfiguur.

opdracht 13
a Persoonlijk
b Persoonlijk. Hierbij valt te denken aan pornografische strips, wrede sword & sorcery, enzovoort
c Persoonlijk

Antwoorden Teksten en opdrachten Nederlands havo

Afdeling 1 Literaire begrippen

4 Verhalen lezen


opdracht 1
-

opdracht 2
a Persoonlijk. Wissel je ervaringen uit in de vorm van een groeps- of klassengesprek. Misschien kun je iemand een goede tip geven, of andersom.
b Een kort gesprek over de ‘spannende’ ervaringen kan leiden tot een lijst van circa tien spannende boeken die in de klas een plaatsje kan krijgen aan de wand, ter inspiratie van klasgenoten die op zoek zijn naar een spannend boek.

opdracht 3
-

opdracht 4
De ruimtebeschrijvingen kun je in groepjes (van drie of vier leerlingen) lezen en bespreken. Waardoor spreekt de ene beschrijving meer aan dan de andere? Door bijvoorbeeld een betere keuze van bijvoeglijke en zelfstandige naamwoorden; kortere zinnen of juist langere, enzovoort.

opdracht 5
a De huiskamer wordt uitvoerig beschreven, de ruimte buiten minimaal.
b Bij de beschrijving van de voorkamer. De schrijver past hier tijdvertraging toe om spanning op te wekken: de lezer wil weten wat er op straat gebeurt!
c Persoonlijk.

opdracht 6
-

opdracht 7
Je kunt de persoonsbeschrijving opnemen in je dossier.

opdracht 8
-

opdracht 9
a Ik-verhaal.
b Auctoriaal verhaal.
c Personaal verhaal.
d Omdat je goed moet beseffen dat je door de ogen van Bleeker kijkt. Bij het tweede fragment neem je als lezer meer afstand.

opdracht 10
-

opdracht 11
a Kil, steriel, doods, beangstigend.
b ‘Dan is het gebouw begonnen’, grauwgesausde gevelplaten, licht dat uit broeibakken zoemde, knerpend gegons, het geheim (was glas).
c Nee, want hij is al als de dood zo bang. Bovendien wemelt het in de beschrijving van het gebouw van ‘bedreigende’ woorden.
d Personale vertelwijze.
e Glas, aluminium zijn koude materialen. Hij ziet al schaafwonden bij het aanschouwen van het gatenkaasbeton. De vraag: wat moest er worden doorgeseind?
f De moderne nieuwe school maakt een onpersoonlijke, bedreigende indruk op Lodesteijn.

opdracht 12
a park - trappenlopen
b flat
c personale vertelwijze
d een hond
e Ja: ‘alles is beter dan bij haar’ en: ‘Ik mis de kinderen het meeste.’ Er is geen sprake van een flashback (een uitgebreide beschrijving van wat in het verleden gebeurd is. Daarvan is hier zeker geen sprake).
f De hond moet wennen aan zijn nieuwe omgeving. Dat gaat gepaard met gevoelens van heimwee en weemoed.

opdracht 13
Voorbeeld:
1 Spanning
spanning
verwachting scheppen
2 Basiselementen van een verhaal:
ruimte + verhaalfiguren + situaties > handeling + thema
3 Ruimte
ruimte (plaats en tijd)
Tijdsverloop:
opening-in-de-handeling
informatieve opening
gesloten einde
open einde
chronologisch en niet-chronologisch
onderbroken verhaal
flashback
flash-forward
tijdvertraging
tijdversnelling
4 Verhaalfiguren
hoofdfiguur
bijfiguur
karakter (round character)
type (flat character)
karikatuur
5 Situaties
situatie
scène
handeling
6 Vertelwijze
ik-verhaal
auctoriaal verhaal
personaal verhaal (hij/zij-verhaal)
7 Motieven en thema
thema
motief
leidmotief

opdracht 14
Persoonlijk. Dit is een opdracht voor een zogenaamd learner report: je geeft aan wat je in dit hoofdstuk geleerd hebt. De opdracht is niet alleen nuttig voor jezelf (je denkt na over je eigen werkzaamheden), maar ook voor je docent (die daardoor te weten komt wat het resultaat van de lessen is).
Samenvatting van de reacties uit de klas kan leiden tot:
- doorgaan met nieuwe leerstof (iedereen heeft de leerstof begrepen);
- herhaling voor enkele leerlingen (die een bepaald onderdeel van de leerstof nog niet voldoende beheersen);
- klassikale herhaling van leerstof die iedereen nog moeilijk vindt.

Antwoorden Teksten en opdrachten Nederlands havo

Afdeling 1 Literaire begrippen

5 Poëzie


opdracht 1
Persoonlijk.

opdracht 2
Persoonlijk. Maar het zal je niet lukken. Poëzie is in ieder geval heel wat meer dan op elkaar rijmende regels, hoewel rijm meestal genoemd wordt als belangrijkste kenmerk van poëzie.

opdracht 3
a -
b Persoonlijk.
c Persoonlijk.
d Waarschijnlijk zijn er wel verschillen. Het aardige van poëzie is dat iedereen gelijk heeft.

opdracht 4
a -
b Met veel geraas stort de waterval zich ’s nachts in de diepte. Aan de plataan hing nog een laatste, verwelkt blad. Achter de boom kwam de maan op. Een tak was zichtbaar tegen de achtergrond van de maan.
c Bijvoorbeeld: werkelijkheid (dichten) en beeld (minigolf).

opdracht 5
a Persoonlijk. Vergelijk jouw mening met het volgende voorbeeld:
Nou ja, boodschap, we denken dat Bert Voeten vooral een sfeer heeft willen oproepen: de sfeer van een lome, warme zomerse zaterdag- of zondagmiddag. Elk beeld van Bert Voeten ademt dezelfde sfeer. Maar dat sfeerbeeld wordt ook bepaald door woorden als ‘drukt’, ‘langzaam’, ‘lui’, ‘rusten’ en ‘lome’.
b Persoonlijk. In de eerste strofe vinden we er al drie: de lucht die als een hand op het water drukt, roeiers die zich daarvoor bukken en een skiff die klapwiekt.
c Bijvoorbeeld bij ‘Een luie skiff klapwiekt naar de oever’. Een skiff is een soort roeiboot, waarbij de riemen rondzwaaien bij het voortbewegen, wat te vergelijken is met het klapwieken van een vogel.
d Persoonlijk. Denk bijvoorbeeld aan de twee beelden in de laatste strofe. Onze uitleg: Door de boomschermen zijn de tekens van de moderne tijd (tv-antennes, auto’s) niet te zien, waardoor het lijkt of de tijd heeft stilgestaan. En scooters komen op het jaagpad aanrijden en maken steeds meer geluid naarmate ze dichterbij komen.

opdracht 6
-

opdracht 7
Een ziek geweeste man getoetst aan dezes argumenten:
1 Er is sprake van een bepaalde regellengte en van een opbouw in twee strofen.
2 Er is sprake van geconcentreerde zinsbouw (bijvoorbeeld in de laatste twee regels).
3 Er is sprake van een momentopname: van een man die voor het eerst weer buiten is na zijn ziekte.
4 Er komt niet veel beeldspraak in de tekst voor.
5 Van herhaling is ook geen sprake.
6 De tekst gaat over één bepaalde persoon.

opdracht 8
Beknopte topografie van de Rijnmond getoetst aan de zes argumenten:
1 Er is sprake van een door de dichter bepaalde regellengte; er is geen opbouw in strofen.
2 Er is sprake van geconcentreerde zinsbouw (feitelijk is er slechts een opsomming van vier plaatsnamen en twee superkorte zinnetjes).
3 Er is sprake van een momentopname: de gedachte dat het niet goed gaat in de Rijnmond.
4 Er komt geen beeldspraak in de tekst voor. Toch is de tekst erg beeldend.
5 Herhaling van plaatsnamen.
6 Er is geen persoon aan het woord. Er is sprake van een verborgen verteller (de dichter).

opdracht 9
Volgens ons maakt de vorm duidelijk dat de schrijfster terugdenkt aan een veelbewogen dag en zich daar fragmenten van herinnert. Door de vorm vallen die fragmenten ook tijdens het lezen plotseling ‘binnen’. Bovendien zorgt de ruimte om de losse woorden ervoor dat de betekenis van die woorden extra sterk doordringen.

opdracht 10
Bijvoorbeeld: De beschaving komt met veel lawaai, maar kan de rust van de natuur niet definitief verbreken.

opdracht 11
Een traditionele opvatting wordt gesteld tegenover een moderne opvatting. De leraar Nederlands vond de poëzie van Achterberg topklasse. Dat zijn leerlingen een creatief spel speelden met een bundel van Achterberg, kon hij echter niet waarderen. Maar dat vond de ik-figuur pas echte poëzie (moderne poëzie, zo te zien aan de wijze waarop het woord gespeld is).

opdracht 12
-

opdracht 13
a Ik-figuur: iemand op leeftijd. Jij-figuur: idem dito, de echtgenoot of echtgenote van de ik-figuur. Vanwege: het feit dat de ik-figuur terugdenkt aan de tijd dat de kinderen thuis woonden. De jij-figuur komt bij de ik-figuur op de bank onder de appelboom zitten. En het prachtige slot: ‘zeldzaam / zacht en dichtbij / voor onze leeftijd’.
(De verleiding is groot om de ik-figuur te vereenzelvigen met de dichter. Maar dat hoeft natuurlijk helemaal niet, want het gaat om een fictionele tekst.)
b Er is sprake van een modern gedicht: er is geen sprake van eindrijm, de strofen zijn niet evenlang, evenmin als de regellengte.
c Strofe 1 De ik-figuur komt thuis op een zachte avond om een uur of acht.
Strofe 2 De ‘ik’ gaat onder de appelboom zitten en ziet de schemering invallen.
Strofe 3 Herinneringen komen aan de tijd dat de kinderen van de ik-figuur nog jong waren.
Strofe 4 De ik-figuur ervaart een sterk gevoel van eenzaamheid.
Strofe 5 Gelukkig komt de jij-figuur naast de ‘ik’ zitten.
d - zeldzaam zacht: een alliteratie in de vorm van een overlooprijm.
- jaar/klaar: mannelijk volrijm in de vorm van eindrijm.
- acht/zacht : mannelijk volrijm in de vorm van een soort overlooprijm.

opdracht 14
- nog/nog: mannelijk volrijm (rijk rijm/rime riche).
- Voet/vocht: alliteratie.
- jouw jas: alliteratie.
- De o-klanken in de eerste twee regels: assonantie (klinkerrijm).
- De e-klanken in de laatste twee regels: assonantie (klinkerrijm).

opdracht 15
Persoonlijk.

Antwoorden Teksten en opdrachten Nederlands havo

Afdeling 1 Literaire begrippen

6 Gedichten lezen


opdracht 1
Vergelijk je studiesamenvatting met het volgende voorbeeld:
Sonnet: (Italiaans) dichtvorm van veertien regels, verdeeld in vier strofen: twee kwatrijnen en twee terzetten. Tussen het octaaf en het sextet is sprake van een wending. Het Shakespearesonnet heeft een wending op de plaats tussen de eerste twaalf regels en de laatste twee.
Ballade: - rederijkersballade (referein): lied van tien strofen van acht tot tien versregels. Elke strofe besluit met een refrein: een of twee gelijke regels;
- verhalend gedicht met eenvoudige versvorm over heldendaden en
liefdessmarten.
Epigram: puntdicht: kernachtig, kort gedicht over emotionele oordelen of invallende gedachten.
Grafschrift: epitaaf, satirisch of humoristisch gedichtje, zogenaamd op iemands graf geplaatst.
Limerick: vijfregelige, humoristische dichtvorm van Ierse oorsprong. Er is sprake van een bepaalde regellengte en rijmschema.
Kwatrijn: vierregelig gedicht met gewoonlijk ernstige, levensbeschouwelijke inhoud.
Haiku: Van oorsprong Japanse dichtvorm, het gedichtje telt zeventien lettergrepen, verdeeld over drie regels (vijf-zeven-vijf).
Visuele poëzie: beeldgedicht, tekstbeeld, dichtvorm waarbij figuren samengesteld zijn met behulp van tekst.

opdracht 2
a Strofe 1: Een soldaat ligt vredig buiten op zijn jas te slapen.
Strofe 2: Een bom valt en doodt de slapende soldaat.
Strofe 3: Het wordt slecht weer. In de verte beginnen de kanonnen te bulderen.
Strofe 4: Uit de jas van de soldaat valt een brief aan zijn geliefde waarin hij vertelt dat de
oorlog nog niet is begonnen.
b Een soldaat.
c Metafoor voor bom (die net als een vogel vliegend door de lucht komt aanzetten).
d De soldaat werd geraakt door de ontploffende bom.
e Omdat het geluid van een grote afstand komt, waardoor het niet ernstig lijkt. (Vergelijk rommelend onweer in de verte.)
f Eerste acht regels: de tijd tot en met de dood van de soldaat. Laatste zes regels: wat er daarna gebeurde.
g Persoonlijk.

opdracht 3
a Het gebruik van het eindrijm is humoristisch omdat Stip woorden verdraait om ze te laten rijmen, zoals: ‘geleden’, ‘natgeschreden’ en omdat hij opvallende woordcombinaties laat rijmen, zoals ‘begeerte’ / ‘eer te’.
b Een kip wordt verleid door een haan. Huilend vertelt ze het aan een kalkoen.
c De kip besluit het ei niet te leggen en knalt uit elkaar.
d Verschil in tijd en oorzaak/gevolg.
e Gewoonlijk gaat een sonnet over verheven zaken, nu handelt het over parende hoenders en over een kip die uit elkaar spat.

opdracht 4
a Herhalingen zijn:
- Zij ging al voor haar (vader/moeder/broeder/zuster) staan (4x)
‘Och (vader/moeder/broeder/zuster), mag ik naar Halewijn gaan?’ (4x)
- ‘Och nee, gij (dochter/zuster), nee gij niet!
Wie derwaarts gaan, die keren niet.’ (3x)
- Wat deed zij aan haar (schoon keurslijf/rode rok/schoon blond haar)? (4x)
- al zingend en klingend reed zij door ’t bos (2x)
- Gaat ginder (in het koren/onder de galge) (2x)
Al in (in het koren/onder de galg) daar ga ik niet (2x)
- Uw zoon heer Halewijn is (gaan jagen/dood) (2x)
b Van sprongen in de tijd is eigenlijk nauwelijks sprake. Wel worden alleen de belangrijkste gebeurtenissen verteld. Opvallend daarbij zijn drie dingen:
1 Ze krijgt toestemming van haar broer. Volgens het Germaanse rechtssysteem moest hij namelijk waken over haar eer en goede naam.
2 Er wordt vervolgens nogal veel tijd besteed aan de kledij van de prinses. Maar dat was in de Middeleeuwen de gewoonte als iemand op het punt stond iets heel belangrijks mee te maken.
3 Het hoofd van Halewijn werd op tafel gezet; dat is bijbelse invloed en herinnert aan het hoofd van Johannes dat geëist werd door de dochter van koning Herodes en dat tijdens een feestgelag midden op tafel gezet werd.

opdracht 5
-

opdracht 6
-

opdracht 7
a Over de boodschap kun je verschillend denken. vergelijk jouw idee met dat van ons:
Toen er nog geen auto’s waren: mensen zijn nog nooit gelukkig geweest.
Teren: opa vond het uiterst belangrijk dat zijn baas ooit iets tegen hem gezegd had.
Getrouwd: kenmerken van een op en top burgerlijk echtpaar.
Tijd: later zal blijken of er geen weg terug meer is.
Gemompel: het is moeilijk precies te zeggen wat je wilt.
b Persoonlijk.
c Persoonlijk.

opdracht 8
a Persoonlijk.
b -

opdracht 9
-

opdracht 10
Bijvoorbeeld:
In de dagbladen staat het bericht dat een zeppelin in Engeland is opgestegen vanuit Londen (vandaar de woorden: ‘good bye’ en ‘farewell’) vanaf Piccadilly Circus of Leicester Square.

opdracht 11
a De zij-figuur voelt zich draaierig. Vervolgens wordt de beweging omlaag weergegeven als ze in het water springt.
b Het meisje of de vrouw springt in het water en verdrinkt.
c Persoonlijk.

opdracht 12
a Het woord ‘troep’ voor leger is ouderwets, evenals het woord ‘ransel’ voor rugzak. De spelling van het woord ‘ruischen’ duidt ook op oude herkomst.
b De vorm van de dolk komt niet direct terug in het gedicht, maar wel indirect, namelijk als beeld (gevaarlijk, scherp, dreiging) voor het voorbijtrekkende leger.
c -

opdracht 13
a De spottende benaming smartlap (naar het Duitse Schmachtfetzen) wordt gebruikt voor een sentimenteel lied. In dat lied wordt verteld over het leven van gewone mensen (de ellende van een weduwe, de stervende soldaat, de arme lichtekooi, de vrolijke tuinman). Daarbij ligt de nadruk (te) sterk op droevige of pijnlijke gebeurtenissen. De smart wordt rechttoe, rechtaan vertolkt. Mary Servaes, de Zangeres zonder Naam was de koningin van het Nederlandse levenslied. Zij gaf zelf als omschrijving: ‘Het levenslied is net als het nieuws in de kranten en op de tv. Vroeger zeiden ze dat het smartlappen waren, maar ik zing over Vietnam. Ik zing over de wereld waar hongerige ogen vragen om brood. Dat zie je ook op de tv. Ik trek partij voor alle getroffenen.’
b Persoonlijk.
c Persoonlijk.

opdracht 14
-

opdracht 15
-

opdracht 16
-

opdracht 17
a -
b Als je klaar bent met de opdracht, is het goed om even na te gaan of je alle onderdelen van het leesverslag goed begrijpt en dus ook goed hebt kunnen uitwerken. Vraag je docent eventueel om hulp.

opdracht 18
-

opdracht 19
-

opdracht 20
Persoonlijk.

opdracht 21
Persoonlijk.

Antwoorden Teksten en opdrachten Nederlands havo

Afdeling 1 Literaire begrippen

7 Toneel cabaret, film en televisie


opdracht 1
Vergelijk je studiesamenvatting met het volgende voorbeeld:

1 Inleiding
Toneeltekst: niet lezen, maar zien.
2 Ontstaan van toneel
Grieks toneel onderwerpen (thema’s), die altijd terugkeren
Middeleeuwen religieuze sketches, later wereldser > splitsing: - geestelijk toneel - wereldlijk toneel
Italië, ± 1500 - eerste regels m.b.t. decor, muziek. Hieruit ontstaat o.m. de opera. (operatheaters) - commedia dell’arte, veel improvisaties.
Frankrijk, ± 1650 komedies van Molière, toneel ook in theaters.
19e eeuw realistischere uitbeelding, belichting.
3 Episch toneel
(Bertolt Brecht): losstaande scènes beelden het thema uit, de toeschouwer neemt afstand van wat hij ziet, denkt zelf na, vormt een eigen mening.
4 Toneel na de Tweede Wereldoorlog
Grote veelvormigheid in decors, kleding, grime, en speeltrant.
Absurdistisch toneel: geen logica, eenzaamheid/angst als motieven, accent ligt op symboliek.
Laatste dertig jaar veel mengvormen van toneel, ballet, muziektheater, enzovoort.

opdracht 2
Toneelsoorten
tragedie (treurspel, drama) - held verstoort maatschappelijke orde en gaat ten onder of verzoent zich met zijn lot- 5 bedrijven- 3 eenheden: van tijd, plaats en handeling
komedie (blijspel) luchtiger onderwerp, moraal.(tussenvorm: tragikomedie)
klucht één bedrijf, eenvoudig, humoristisch, alledaags onderwerp, vaak grof en seksueel getint.
Sketch kort, humoristisch, over herkenbare situaties.Ook op radio, tv en bij cabaret

opdracht 3
Sla jouw bewerking op in je dossier.

opdracht 4
-

opdracht 5
-

opdracht 6
a Persoonlijk.
b Let wel op de betere mogelijkheden bij film m.b.t. decors, belichting, close-up, enzovoort.

opdracht 7
Berg de lijst op in je leesdossier. Wellicht kun je later een vergelijking maken tussen een boek en de gelijknamige film.

Antwoorden Teksten en opdrachten Nederlands havo

Afdeling 2 Literatuurgeschiedenis voor je leesdossier

1 Voorgeschiedenis (tot circa 1100)


opdracht 1
In een studiesamenvatting noteer je de hoofdzaken van een hoofdstuk. Dat overzicht is handig bij het studeren. Aan de hand van die samenvatting kun je nagaan of je de hoofdzaken van dat hoofdstuk op een rijtje hebt staan en onder de knie hebt. Je kunt vaak volstaan met steekwoorden. Aan de hand van die steekwoorden kun je snel de inhoud van een hoofdstuk weer oproepen.

Vergelijk jouw studiesamenvatting met het volgende voorbeeld:

Prehistorie (tot 50 voor Christus)
In Europa sporen menselijk leven van 500.000 jaar (Z.- Frankrijk en Spanje).
500 jaar v. Chr. Germanen in Nederland, België en Duitsland, Kelten vooral in Gr.-Brittannië, Ierland, Frankrijk, Spanje en O.-Europa.
Germanen sterk betrokken bij de gemeenschap (o.a. bloedwraak).
Een god was een bondgenoot. Germaanse goden waren Odin of Wodan (oppergod, dood en oorlog), Thor of Donar (donder en vruchtbaarheid).
Voor de Kelten waren de goden net als bij de Germanen overal aanwezig. Aan bronnen, meren, moerassen en rivieren werd vooral oorlogstuig als offergave gegeven.
Kunst: grotschilderingen en ingekraste afbeeldingen (20.000 jaar oud). In Bretagne 5800 jaar oud groot ganggraf met geometrische symbolen.
Literatuur: Mondeling: gebed, lied en imitatiespel en verhalen.

Oude geschiedenis (50 voor Christus - 500 na Christus)
50 v. Chr. Romeinse schrijvers (Caesar). W.-Europa deel van goedgeorganiseerde en welvarende West-Romeinse rijk. Grote invloed van Griekse en Romeinse mythologie. Voorbeelden:
Zeus (Gr.)/Jupiter (Rom.), vader van goden en mensen; Poseidon/Neptunus, god zeeën en rivieren; Hermes/Mercurius, bode van de goden; Ares/Mars, god van de oorlog; Afrodite/Venus, godin der liefde; Apollo/Apollo, zoon van Zeus/Jupiter, god van alle schone kunsten; Pegasus symbool van de dichtkunst.
Christelijke Kerk heeft bij bekeringsacties oude, Germaanse, Keltische en Romeinse gebruiken gehandhaafd (Allerzielen, carnaval).
Kunst: kunstontwikkeling sterk beïnvloed door Romeinse kunst. Invloed van het christendom steeds sterker (kerken en kloosters). Romeinse basiliek was licht en helder.
Literatuur: Germaanse literatuur nog te herkennen in de Edda’s (dertiende eeuw) uit IJsland. Kenmerk van Germaanse vers: alliteratie (stafrijm). Keltische verhalen rondom Beowulf.
Invloed Griekse en Romeinse literatuur buitengewoon groot, bijv. Ilias en de Odyssee van Homerus.

Vroege Middeleeuwen (500–1100)
Ineenstorting van het West-Romeinse rijk rond 500 door invallen van N.-Europese volkeren . In grootste deel van W.-Europa systeem van leenmannen en leenheren. Kleine boeren en horigen zonder bezit werkten voor hun leenheer.
Katholieke Kerk breidde haar macht uit, beheerste het geestelijk leven en denken van alle middeleeuwers.
Kunst: Germaanse en Keltische gestileerde plant- en diermotieven, in hout, metaal, ivoor en steen. Letterschrift in de negende eeuw gestandaardiseerd: Karolingische minuskel.
Literatuur: schrijven was werk van geestelijkheid: Latijn. Bijbel meest invloedrijke boek in de wereldliteratuur.

opdracht 2
a Vooral in Oost-België en het zuiden van Nederland (tot aan de Rijn).
b Nehallennia: Germaanse voorspoeds- en moedergodin, in de Nederlanden vereerd in de tweede en derde eeuw. Nog te zien op talrijke altaartjes, beelden en resten van tempels die aan haar gewijd waren (Bij Domburg en Colijnsplaat in de Oosterschelde). Haar attributen: hond, korf met vruchten, schip.
c Zichtbaar in de bouwstijl en in muurschilderingen (fresco’s). In het Belgische Tongeren bijvoorbeeld is een mooi Romeins museum. In die stad zijn ook nog resten van Romeinse stadsmuren te zien.
d In de kerken en in bewaard gebleven Latijnse handschriften.
e Latijn.
f Er was toen alleen een verzameling dialecten.
g Er werden verhalen verteld en liederen gezongen, maar daarvan is niets overgeleverd.

opdracht 3
Persoonlijk.

opdracht 4
a Siegfried: vriendelijk, liefdevol voor Kriemhilde en zoon.
Hagen: grimmig, ombarmhartig, wreed.
Gunther: koning.
b Zie de laatste twee zinnen. Die spreken boekdelen.
c Siegfried kon zich onzichtbaar maken met behulp van een Tarnkappe, evenals de Germaanse god Odin (Wodan).
En Siegfried was onoverwinnelijk en had slechts één kwetsbare plek (tussen zijn schouderbladen), net als de Griekse held Achilleus (Romeinse naam: Achilles), die alleen kwetsbaar was aan zijn hiel (vergelijk de uitdrukking achilleshiel = zwakke plek).
d Persoonlijk.

Antwoorden Teksten en opdrachten Nederlands havo

Afdeling 2 Literatuurgeschiedenis voor je leesdossier

2 De late Middeleeuwen (circa 1100–1500)


opdracht 1
Vergelijk jouw studiesamenvatting met het volgende voorbeeld:

Tijdsbeeld
Rustige periode. Vooral in twaalfde/dertiende eeuw behoorlijke welvaart.
Uitvindingen (kruisboog, kanon) veranderden ideaalbeeld van ridders en feodale systeem: leenstelsel afgeschaft, boeren meer vrijheden, steden machtiger. Vanaf dertiende eeuw vormden adel, geestelijkheid en stedelijke toplaag van burgers de macht.
Mensen werden niet ouder dan 30 tot 35 jaar: grote kindersterfte, veel dodelijke ziekten, geringe medische kennis en verplegingsmogelijkheden. De builenpest of Zwarte Dood (rond 1350): 40 miljoen mensen dood.
Vanaf 1000 kruistochten tegen de islam. Nieuwe steden door sterk toenemende handel.

Kunst
Gemeenschapskunst: maker anoniem.
Christelijk karakter. In de kloosters scriptoria (schrijfateliers). Veel godsdienstige schilderijen. Veelvuldig motief van ‘triomf van de dood’ en ‘memento mori’ (gedenk te sterven) en dodendansen.
Vlaamse Primitieven: realisme, nauwkeurigheid in de details. Bijv. Hubert en Jan van Eyck (vijftiende eeuw).
Kunst was symbolisch: elk detail had bepaalde symboliek.
Romaanse bouwkunst (elfde en twaalfde eeuw):: gedrongen, horizontale bouw, een betrekkelijk kleine binnenruimte en kleine vensters met ronde bogen.
Gotische bouwkunst (dertiende eeuw): verticale bouw (driemaal hoger dan breed), een geweldige binnenruimte, luchtbogen en steunberen aan de buitenkant, grotere en spits toelopende, gebrandschilderde ramen en veel meer licht in het interieur.
Naast godsdienstige muziek ook volksliederen (liefdesliederen, drinkliederen en verhalende liederen) van oude, heidense oorsprong (Kelten en Germanen). Daarnaast kunstlied (minnelied, danslied en politiek lied) door troubadours (Provence, Z.-Frankrijk, trouvères (N.-Frankrijk) en Minnesänger (Duitsland).

Literatuur
Weinig geschreven literatuur over (handgeschreven op perkament (manuscript). Tot ver na de vijftiende eeuw werd er naar literatuur geluisterd; ‘stillezen’ was iets bijzonders.
Boekdrukkunst (1450) heeft na 1550 boekenmarkt verruimd en daardoor de menselijke horizon.
Oudste in de volkstaal geschreven verhaalvorm is ridderroman. Er waren Karelromans (voorhoofse ridderomans) en Arthurromans (hoofse ridderromans).
Karelromans: Karel de Grote stond centraal. Over de moed en de felle strijdlust van edele ridders. Gepresenteerd als waar gebeurd. Persoonlijke moed, lichaamskracht, recht van de sterkste, onwankelbare trouw aan leenheer. Vrouwen onbelangrijke rol (onbeschoft en ruw behandeld).
Arthurromans: milder en romantischer. Geïdealiseerd beeld twaalfde-eeuws hofleven. Ridder vecht ook tegen vijanden en draken, maar ook hulpvaardig voor de zwakken en vereert adellijke dames. Koning Arthur is ideale vorst; zijn hof vormt ideale wereld. Ridder aanvaardt uitdaging en begint aan ‘queeste’. (Chrétien de Troyes eind twaalfde eeuw eerste Arthurromans.)
Grootste invloed op dichtkunst is hoofse poëzie, ontstaan in Z.-Frankrijk. Kenmerkend is onbeantwoorde liefde, de liefde als spanning, waarbij de vrouw vergoddelijkt wordt. Daardoor verfijning in omgangsvormen. Troubadours uit Z.- Frankrijk actief tussen 1075 en 1275.
De Kerk verbood toneel, heeft toch extra impuls gegeven aan het voortbestaan. Godsdienstige kerkspelen ook buiten het kerkgebouw: ontstaan religieus toneel, vooral mirakelspelen (wonder) en mysteriespelen (geloofswaarheden).

opdracht 2
a Bijvoorbeeld:
1200 bouw gotische kathedraal Notre Dame, Parijs
1450 opnieuw ‘uitvinding’ van de boekdrukkunst in Europa (Gutenberg, Coster)
1492 Columbus ontdekt Amerika
b Sint-Servaeskerk, Maastricht.
c Sint-Janskathedraal, ’s-Hertogenbosch.
d Het Middelnederlands was een verzameling dialecten die in de late Middeleeuwen in het Nederlandse taalgebied gesproken werden.
e Roelandslied, Renout van Montalbaen, De vier Heemskinderen, Karel ende Elegast.
f Walewein, Lancelot en het hert met de witte voet.

opdracht 3
Persoonlijk.

opdracht 4
a Sinte Brandaan zelf.
b Hij doet het voorkomen of hij het verhaal uit een boek overgenomen heeft.
c ‘zo meldt het boek. Het is dus waar.’ De vertaler beroept zich blijkbaar op de macht van het geschreven woord: het staat in een boek, het is (dus) waar. Maar in de oorspronkelijke tekst staat het niet zo. In het Middelnederlands staat ‘het staat zo in het boek, echt waar’.

opdracht 5
-

Antwoorden Teksten en opdrachten Nederlands havo

Afdeling 2 Literatuurgeschiedenis voor je leesdossier

3 De Renaissance (1500–1700)


opdracht 1
Vergelijk jouw studiesamenvatting met het volgende voorbeeld:

Tijdsbeeld
In veertiende eeuw in N.-Italië basis voor vernieuwing. Wedergeboorte van klassieke cultuur en geboorte van moderne mens: humanist, mens op zoek naar eigen waarden, christen die kritisch met geloof omging.
Pausen leefden als koningen. Gelovigen hadden niets in te brengen. Steeds meer kritiek (Luther, Calvijn). Gevolgen: geloofshervormingen, geloofsvervolgingen (inquisitie) en godsdiensttwisten tussen katholieken en protestanten.

Kunst
Individueler karakter. Italië toonaangevend (Leonardo da Vinci, Michelangelo en Rafaël ). Kunstenaar in hoog aanzien. Veel aandacht voor de anatomie. Mens centraal. Perspectief. Kunst en techniek nauw verbonden. Veel aandacht voor compositie. Invloed Reformatie (sobere kunst).
Barok was uitbundige katholieke bouwstijl met weelderige groeivormen en krullen.
Barokschilderkunst sterke licht-schaduwcontrasten.
In Z.-Europa ontstond de opera. In Frankrijk het ballet. In N.-Europa de godsdienstige orgelmuziek.

Literatuur
Verhalen uit de mode. Echte literatuur vond men poëzie en toneel op klassieke leest. Wel reisverslagen.
Petrarca (1304–1374) veel invloed op de poëzie: beschrijving van de schoonheid van de geliefde in sonnetvorm.
Het ‘literaire’ toneel verplaatste zich van het plein in het dorp naar ‘speelhuizen’, de schouwburgen. Vaak poëzie in toneelvorm. Aansluiting bij klassieke toneelvormen: tragedie, komedie en tragikomedie.

opdracht 2
a 1568 Begin Tachtigjarige Oorlog
1576 Spaanse soldaten vallen Antwerpen in en moorden en plunderen
1585 Val van Antwerpen, stad weer ingenomen door Spanjaarden, Veel Antwerpenaars vluchten naar Amsterdam
1648 einde Tachtigjarige Oorlog (Vrede van Munster)
b Antwerpen en Amsterdam.
c Frans Hals, Gerard Terborch, Jacob Ruysdael, Adriaen van de Velde, Hendrik Averkamp, Aert van der Neer, Willem van de Velde (sr. en jr.) Willem Kalff, Pieter Paul Rubens, Rembrandt van Rijn
d Pieter Paul Rubens
e In 1567 publiceert Jan van der Noot zijn bundel Het Bosken.
f De Muiderkring was een gezelschap van geleerden en kunstenaars, dat regelmatig op het Muiderslot bijeenkwam om te discussiëren over kunst en filosofie.
g De overwintering op Nova Zembla (1598), De schipbreuk van de Batavia (1629), De gedenckwaerdige reisen van Willem Ysbrantz. Bontekoe (1646).
h Jan van der Noot, Gerrit de Veer, Gerbrand Adriaens. Bredero, Pieter Cornelisz. Hooft, Joost van den Vondel, Jacob Cats, Jan Luijken, Constantijn Huygens, Daniël Heinsius, Willem van Focquenbroch.

opdracht 3
Persoonlijk.

opdracht 4
Er lagen twee hellebaarden (soort lansen) op de slee
In het kombuis wordt nog vuur geslagen (met vuurstenen).

opdracht 5
-

Antwoorden Teksten en opdrachten Nederlands havo

Afdeling 2 Literatuurgeschiedenis voor je leesdossier

4 De achttiende eeuw


opdracht 1
Vergelijk jouw studiesamenvatting met het volgende voorbeeld:

Tijdsbeeld
Periode van modernisering: Verlichting. De wereld keurig geordend, door vaste natuurwetten geregeld. Mensheid eindelijk vanuit duister in het licht: de eeuw van de ‘Verlichting’ (Siècle des Lumières, Aufklärung, Enlightenment), van het geloof in de vooruitgang.
Geloof verloor invloed, ‘gezond verstand’ stond centraal: alles kon uitgelegd worden met de rede: rationalisme. Wetenschappelijke revolutie.
Veel ‘verlichte’ ideeën enorme invloed (scheiding tussen Kerk en staat, inperking van gezag van vorst, afschaffing van slavernij en lijfstraffen, belangrijke hervormingen door opvoeding en beter onderwijs).
Halverwege achttiende eeuw landbouwmachines en effectieve verbouwingsmethoden. Werkloze landarbeiders naar de steden: krottenwijken met sociale wantoestanden en schrijnende armoede. De sociale ontwikkelingen vormden kiem van de romantiek (tot bloei in negentiende eeuw).
Achttiende eeuw was pruikentijd..

Kunst
Kunst droeg politieke en culturele ideeën uit van de ‘sponsors’. Strenge regels voor vorm en inhoud van kunst; emoties verdacht. Ideaalbeeld was klassieke oudheid.
Burgerlijk realisme. In schilderkunst overheerst rococostijl: sierlijke variant op zware barokstijl.
Classicisme met strenge vormvoorschriften: strakke eenvoud, symmetrie, helderheid en regelmaat.
Naast rococobouwkunst ook neoklassieke bouwkunst (pilaren, koepels, timpanen).
Vanaf 1725 ook muziekvoorstellingen voor de burgerij.
Beethoven, Haydn en Mozart. Opera, menuet, soloconcert, sonate. Piano rond 1800 ingeburgerd.
Vroege romantiek en sentimentalisme (na 1775) reactie op nadruk op verstand van Verlichting en de sociale gevolgen daarvan. Niet verstand, maar gevoel. Meer vrijheid voor kunstenaars.
Aanvankelijk veel uitingen van overdreven gevoeligheid (sentimentalisme). Nog onevenwichtige voorloper van de romantiek (negentiende eeuw).

Literatuur
Literatuur bleef vooral tijdverdrijf voor maatschappelijke bovenlaag. Ontstaan letterkundige genootschappen, leesgezelschappen of salons. Groeiende aandacht voor vrouwelijke lezers (regelden de opvoeding).
Geleidelijk aan geen belangstelling meer voor de klassieke stoffen uit de Renaissance, maar voor ‘verlichte’ literatuur over burgerlijke deugden. Kunst moest leerzaam zijn en betrekking hebben op de werkelijkheid (realisme).
Behoefte aan nieuws, wetenswaardigheden en opinies in verhaalvorm. Overal in Europa spectatoriale geschriften (spectator = toeschouwer). Persoonlijke, duidelijke, waar gebeurde en geloofwaardige verhalen. Eerste romans veelal in briefvorm vooral voor vrouwelijke middenklasse. Ook avonturenromans met verzonnen maar als waar gebeurd gepresenteerde verhalen (Defoe). In Engeland griezelroman (Gothic novel).
Sentimentalisme: zwaartepunt van hoofd naar hart. Fundament van latere psychologische roman.
Tragedies onder invloed van het Franse classicisme (Corneille, Racine en Molière). Ook veel lichte komedies, zoals zedenblijspel (comedy of manners).

opdracht 2
a Patriotten: democraten, voorstanders van de verlichte ideeën over staatsinrichting. Prinsgezinden: gezagsgetrouwen.
b In 1795 werd de Republiek der Nederlanden bezet door de Fransen.
c Bijvoorbeeld Cornelis Troost, Blindemanspel.
d De intellectuele elite las en schreef in het ‘deftige’ Frans.
e De Hollandsche Spectator (1731-1735) met als redacteur Justus van Effen
f Bijvoorbeeld Het wederzijds huwelijksbedrog (1714) van Pieter Langendijk.

opdracht 3
Persoonlijk.

opdracht 4
-

Antwoorden Teksten en opdrachten Nederlands havo

Afdeling 2 Literatuurgeschiedenis voor je leesdossier

5 De negentiende eeuw


opdracht 1
Vergelijk jouw studiesamenvatting met het volgende voorbeeld:

Tijdsbeeld
Sterke toename van de bevolking van West-Europa. Industriële revolutie. Afhankelijkheid van werkgevers, hard werken voor weinig loon. Maar gouden tijden voor fabrikanten en kooplieden. Daartussenin redelijk welvarende middengroep van kleine zelfstandige boeren, winkeliers en ambachtslieden.
Binnen gezin en huwelijk het ‘traditionele rollenpatroon’, huwelijk en gezin waren de hoekstenen van de samenleving. Nog geen emancipatie. Tweede helft negentiende eeuw: Victoriaanse tijd (duidelijke regels, vooral voor huwelijk en opvoeding, preutsheid).
Onder druk van revoluties (1848 in diverse Europese landen) liberale grondwet volgens de ideeën van de Verlichting en de Franse Revolutie. Positie van arbeiders pas beter door vakbonden en socialistische partijen.
Veel uitvindingen en ontdekkingen (metro, fiets, de automobiel, eerste vlucht met vliegmachine, eerste films) en wetenschappelijke ontwikkelingen (evolutieleer, basis van de moderne psychologie).

Kunst
Verzet tegen het koele en statische classicisme: beweging, warme kleuren. licht-donkercontrasten. Onderwerpen: revolutie, literatuur, verre landen en de natuur.
Romantiek in de beeldende kunst en literatuur zette zich af tegen het achttiende-eeuwse geloof in de vooruitgang en de deugden van het burgerleven: afwijzing en verzet. Ontstaan weltschmerz.
Kunst werd opstand tegen onderdrukking, tegen de maatschappij, de Kerk en God of een vlucht uit de werkelijkheid.
Verschillende stromingen: terug naar de natuur, droom en fantasie, vlucht naar vreemde en exotische culturen, vlucht naar het verleden.
In schilderkunst en beeldhouwkunst rond 1850 tegenbeweging, het realisme: het onderwerp moest eigentijds zijn, over arbeiders.
Na 1875 impressionisten (legden de indruk vast die een landschap, een stadsbeeld of een mens maakte op een bepaald moment. Nadruk op licht, nauwelijks mengkleuren) en symbolisten (achter de voorstelling gaat een innerlijke wereld schuil; kunst van ideeën met religieuze, verborgen en vreemde elementen). Fotografie concurrent van portretschilderkunst.
In bouwkunst allerlei imitaties van vroeger toegepast: neoclassicisme, neobarok, neogotiek.
In Italië, Frankrijk en Duitsland muzikale bloeiperiode; Nederland slechts bescheiden rol.
Naast kamermuziek grote symfonieën en opera’s over sterke gevoelens en verlangens (Van Beethoven) Ontstaan programmatische muziek (verhaal in muziekvorm).
Wagner, Chopin, Liszt, Schubert, Schumann en Verdi.

Literatuur
Literatuur bleef tot 1850 voorrecht van gegoede burgerij. Leesgezelschappen met voorleesavonden. Analfbetisme slechts heel geleidelijk minder. Na 1850 werden boeken goedkoper. Feuilletons heel populair. Door bibliotheken konden meer mensen lezen.
Kenmerken literaire romantiek: verzet, humor, liefde voor de natuur, belangstelling voor het verleden, aandacht voor droom en fantasie. Aanvankelijk veel tegenstanders van de sterke hartstochten en gevoelens. Men wenste meer evenwicht tussen verstand en gevoel: burgerlijk realisme en biedermeiertijd. Het literaire ‘landschap’ was dus een tweestromenland.
Historische roman is typisch romantische verhaalvorm: vanuit onvrede toevlucht tot ongecompliceerd verleden (Hugo, Scott).
Realisme: Dickens en Flaubert. Leidde tot naturalistische roman (Zola) vanuit behoefte aan absolute waarheid: race, milieu et moment. Psychologische diepgang en sterk sociaal gevoel.
Aanvankelijk veel gelegenheidspoëzie. Later individuele emoties en ervaringen (Baudelaire). Poëzie is sindsdien individuele gevoelszaak (Coleridge, Wordsworth, Shelley en Keats).
Nog steeds weerstand tegen het ‘wufte schouwtoneel’. Pas tegen 1900 realistisch en speelbaar toneel in proza.

opdracht 2
a Indië en West-Indië (Suriname en de Antillen).
b 1839: Vrede tussen België en Nederland wordt getekend: Verdrag van Londen. Nederland erkent België dat zich in 1830-31 had afgescheiden van Nederland. Andere landen erkenden België al sinds 1831.
c Aletta Jacobs werd als eerste meisje toegelaten tot de middelbare school.
d Het ‘Kinderwetje van Van Houten’: het werd verboden om kinderen jonger dan twaalf jaar te laten werken in fabrieken.
e Willem Maris en Jozef Israëls.
f Vincent van Gogh.
g Kunst waarin de schoonheid zelf centraal stond.
h De Tachtigers waren een groep jonge dichters die zich verzetten tegen de ‘brave’ domineespoëzie. Niet het verstand, maar het gevoel moest volgens hem de bron zijn. En zij wilden in hun kunst de schoonheid zelf centraal stellen.
i Max Havelaar (1859) door Multatuli (pseudoniem van Eduard Douwes Dekker).
j Goed zijn titels van romans van Louis Couperus, Marcellus Emants en Frederik van Eeden.

opdracht 3
a In het boek wordt het Vlaamse verleden sterk geïdealiseerd.
b De gulden ridder wordt beschreven alsof hij Hercules is of Samson. Dat geldt niet alleen voor zijn uiterlijk, maar vooral ook voor zijn machtige krijgsdaden. Evenals voor zijn gezel, broeder Willem van Saeftinge. Ietwat overdreven is het feit dat een enkele ridder, hoe sterk ook, de strijd tussen twee legers een beslissende wending kan geven.

opdracht 4
-

Antwoorden Teksten en opdrachten Nederlands havo

Afdeling 2 Literatuurgeschiedenis voor je leesdossier

6 1900–1940


opdracht 1
Vergelijk jouw studiesamenvatting met het volgende voorbeeld:

Tijdsbeeld
Vraag naar geschoolde arbeiders nam toe. Lager onderwijs voor iedereen. Ontstaan van vakbonden, daardoor lonen en werkomstandigheden verbeterd.
Belangrijke wetenschappelijke ontdekkingen: draadloze telegrafie, eerste gemotoriseerde vliegtuig relativiteitstheorie (basis moderne elektronica). Snelle ontwikkeling automobielindustrie.
1914–1918: Eerste Wereldoorlog. Geloof in welvarend Europa sloeg om in pessimisme.
Tussen de twee wereldoorlogen (1918–1939) aanhoudend spanningen. Grote economische crisis in 1929. Grote werkloosheid en bittere armoede. Het fascisme stak de kop op (Mussolini, Hitler).
Tweede Wereldoorlog begon in 1939.

Kunst
Art nouveau: sierlijk gebogen lijnen, ontleend aan de planten- en dierenwereld, en allerlei vlechtmotieven werden toegepast in alle kunsten, vooral in Frankrijk, Nederland, België, Duitsland (Jugendstil), Nederland, België en Engeland (modern style).
Expressionisme was reactie op het impressionisme en symbolisme: persoonlijke uitdrukking van gevoelsmatige indrukken door veel beweging, felle kleuren, gescheiden kleurvlakken en krachtige lijnen.
Dadaïsme was antibeweging in de kunst. Vreemde combinaties van alledaagse artikelen en massaproducten (Duchamp).
Das Bauhaus, Duits opleidingscentrum voor kunst, architectuur, nijverheid en fotografie (1919–1933), veel invloed met Sachlichkeit: schoonheid door doelmatigheid. In schilderkunst strakke vormen en kleurpatronen. In bouwkunst moderne materialen als glas, staal en beton.
Surrealisme (boven de werkelijkheid, Breton): de wereld van de droom, van het onderbewustzijn (Magritte).
Vooral na 1930 enorme stroom films.
In muziek lijnen voortgezet, maar de programmatische (‘verhalende’) muziek moest het afleggen tegen absolute muziek (muziek die geen verhaal ‘vertelt’) en atonale muziek (niet in een bepaalde toonaard gecomponeerd, bijv. Satie). Rond 1900 jazz met veel invloeden. Lichte muziek: foxtrot en de charleston. Begin pop(ulaire) muziek.

Literatuur
Modernisme verzamelnaam voor vernieuwingsbewegingen: expressionisme, dadaïsme, surrealisme en nieuwe zakelijkheid. Vernieuwers: Joyce, Proust, Mann, Pirandello, Gide, Woolf.
Expressionisten gebruikten abstracte beelden en gevoelens in krachtig, kleurrijk taalgebruik om de werkelijkheid door te lichten tot de kern gevonden is. Niet het uiterlijk van mensen is belangrijk, maar hun persoon , hun karakter, hun ziel. De emotie staat centraal in al haar hevigheid. Men kiest het vrije vers.
Dadaïsten nog grotere vrijheid in teksten, zinnen, woorden en zelfs letters. Soms collageachtige lees- en kijkteksten (Schwitters).
De beeldspraak is associatief: men schreef ‘automatisch’, liet het ene beeld het andere oproepen.
Nieuwe zakelijkheid is een manier van schrijven (een stijlprocédé) en geen stroming: sobere en strakke manier van schrijven, geen bijkomstigheden, filmische reportageachtige stijl (Ehrenburg).

opdracht 2
Er zijn vaak meerdere mogelijkheden. Vergelijk jouw antwoorden met de volgende:
a Vakbewegingen werden opgericht en verschillende sociale wetten werden ontworpen: leerplichtwet, wet op vrouwenarbeid, ongevallenwet, gezondheidswet en woningwet.
b De Stijl-groep wilde regels formuleren voor een algemeen geldende universele kunst. De beweging is sterk beïnvloed door het Duitse Bauhaus (opleidingscentrum voor kunst, architectuur, nijverheid en fotografie, 1919–1933). Zakelijkheid en functionaliteit stonden voorop. Schoonheid volgt uit doelmatigheid. Primaire kleuren, strakke vormen zonder ‘overbodige’ versieringen.
c Schilder Theo van Doesburg, Bart van der Lek en Piet Mondriaan, architect Gerrit Rietveld.
d Bauhaus.
e Herman Heijermans schreef vooral geëngageerd sociaal toneel.
f Belg Paul van Ostaijen en de Nederlander Hendrik Marsman.
g Expressionisten zochten naar abstracte beelden en gevoelens en gaven die weer in krachtig, kleurrijk taalgebruik. Emotionele woorden en veel nieuwe woorden vormden hartstochtelijke kreten. De nieuwe zakelijkheid streefde naar precies het tegenovergestelde: naar kort en krachtig en functioneel taalgebruik zinder bijkomstigheden, waarmee waaruit en men de werkelijkheid objectief en zakelijk weer wilde geven.
h Ferdinand Bordewijk, Bint en Karakter.

opdracht 3
a Een Indonesiër, boekhouder op dezelfde fabriek waar Bake werkt, jaagt op een leguaan aan een plas met behulp van lokkend fluitspel van de jongen Si-Bengkok. Bake is er getuige van dat de leguaan wordt gedood.
b Leguaan (tropische, grote hagedissoort), donkerbladige struik met grote rode bloemen, schitterblauwe vogel, bamboescheut.
c Persoonlijk.

opdracht 4
-

opdracht 5
a Kaashandel Te onbepaald.
Algemene kaashandel Te Vlaams (gewoontjes).
Commerce général de fromage Al beter.
Commerce général de fromage hollandais Weer beter. Maar commerce is minder.
Entreprise général de fromage hollandais Entreprise klopt niet.
Entrepots généraux de fromage hollandais Opslaan is bijzaak. Engelse naam is erg in.
General Cheese Trading Company Oké. Maar cheese moet eruit.
General Antwerp Feeding products Association Bingo!
GAFPA De beginletters vormen een echt slagwoord.
b Persoonlijk.

opdracht 6
-

Antwoorden Teksten en opdrachten Nederlands havo

Afdeling 2 Literatuurgeschiedenis voor je leesdossier

7 1940–1960


opdracht 1
Vergelijk jouw studiesamenvatting met het volgende voorbeeld:

Tijdsbeeld
De Tweede Wereldoorlog (1939–1945): miljoenen mensen vonden de dood. West-Europa verwoest en verarmd. Periode van wederopbouw met Marshallhulp. Herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog vormden fundament van het existentialisme (Sartre en Camus): de mens is tegen zijn wil slachtoffer in chaotische wereld, maar hij kan zijn eigen lot kiezen, en vechten tegen wat er in de wereld mis is. Optimistisch geloof in de American dream. Consumptiemaatschappij: steeds hogere lonen en steeds meer bestedingen.

Kunst
Geëngageerde kunst tegen sociale en politieke wantoestanden, maar ook tot absurde kunst. Aanvankelijk weinig ruimte voor artistieke experimenten (pas in jaren vijftig).
Aandacht voor design, industriële vormgeving. Vanuit Amerika colorfield painting. Action painters maakten doeken als ‘slagvelden’. Popart vanuit de VS en Engeland met collages over eigentijdse onderwerpen. Cobra: internationale kunstbeweging, 1948–1951 (Cobra = Copenhagen, Brussel, Amsterdam): Appel, Corneille, spontane en experimentele kunst .

Literatuur
Door oorlog einde aan vrije meningsuiting. Veel verzetsliteratuur tegen de Duitse bezetters. In de jaren na 1945 grote stroom oorlogsliteratuur. Veel bekentenisromans direct na 1945 over persoonlijk leven. Inhoud van naoorlogse romans: mensen zijn vervreemd van elkaar en staan alleen, worden door egoïsme gedreven en niet door naastenliefde; idealen ontbreken, beschaving is een laagje vernis.

opdracht 2
a Verdeling in ‘zuilen’ van de Nederlandse samenleving op basis van politieke en godsdienstige opvattingen eigen scholen, verenigingen, kranten en omroepen: protestanten, katholieken, socialisten en communisten.
b Nee, direct na de Tweede Wereldoorlog werden de oude ‘zuilen’ snel hersteld.
c Onder anderen de dichters Jan Elburg, Lucebert, Bert Schierbeek en Gerrit Kouwenaar.
d Door Duitse bezetters ingerichte vereniging (1941). Alleen kunstenaars met ‘Ariërsverklaring’ konden zich aansluiten. Anderen mochten hun werk niet tentoonstellen of publiceren.
e Aantal jonge dichters verenigde zich tot de Vijftigers. Ze noemden zichzelf de ‘experimentelen’. Ze wilden de dichtkunst ontdoen van de vaste regels, wilden vrijheid van woordkeuze, vorm en zinsbouw, en wensten niet uit te gaan van logica en intellect, maar van spontane creativiteit.
Vijftigers waren onder anderen: Hans Andreus, Jan Elburg, Jan Hanlo, Gerrit Kouwenaar, Lucebert, Paul Rodenko en Simon Vinkenoog.

opdracht 3
Volgens Osewoudt staat op de film een foto waarop Dorbeck en hij samen te zien zijn. Dat blijkt niet het geval te zijn. Osewoudt voelt zich reddeloos verloren en draait finaal door. Hij rent het gebouw uit en wordt door de wacht met een stengun neergeschoten.

opdracht 4
-

opdracht 5
a Persoonlijk.
b 1 Langzame opbouw van de informatie. Pas na de helft van het verhaal weet je dat het meisje Allens stiefzusje is en dat de Vader dus zijn stiefvader is.
2 Langzaam komt het verhaal tot een climax: de actie van de Vader, het optreden van het gemene Stiefzusje, dan de Vader die hem komt straffen, ten slotte de dood van de Vader.
3 De Vader die aan het begin van het verhaal eigenschappen van een roofdier heeft.
4 Dat je als lezer niet begrijpt of het stiefzusje nu wel of niet met opzet tegen Allen zegt dat de ladder helemaal los kan.
c Er is sprake van een personale vertelwijze. Het standpunt van de verteller wisselt: van de Vader naar Allen (ongeveer na het eerste kwart van het verhaal) dus van de dader naar het slachtoffer (maar niet heus) en daarbij blijft het. Behalve dan de laatste twee regels: dan komt ineens de ik-verteller in beeld.
d Vader - Meisje (stiefzusje) - Allen.
e Allen daadwerkelijk. Het is echter niet duidelijk of het meisje ook een aanzet heeft gegeven. (Waarom zou ze anders dat verhaal over de losse ladder aan Allen verteld hebben?)
f Grappig dat de schrijver ineens en tegen de regels in in zijn eigen verhaal stapt en meedeelt dat hij dat gemene stiefzusje ook wel dood zou willen zien.

opdracht 6
-

opdracht 7
-

Antwoorden Teksten en opdrachten Nederlands havo

Afdeling 2 Literatuurgeschiedenis voor je leesdossier

8 1960–1980


opdracht 1
Vergelijk jouw studiesamenvatting met het volgende voorbeeld:

Tijdsbeeld
West-Europa zeer welvarend. Enorme invloed radio, televisie en film. Gaandeweg steeds meer protest tegen de gevestigde macht, tegen luxe en energievretende economie. Jongeren pleitten voor radicale tegencultuur. Zij wilden zich afzetten tegen de burgerlijke samenleving, de autoriteit van gezagsdragers (studentenacties voor democratisering van universiteiten, popsongs over vrijheid: Bob Dylan, Beatles, Rolling Stones), tegen de groeiende wapenwedloop.
Jaren zestig woelige jaren met romantische doorbraak van de jeugd met rock-’n-roll, flower power, drugs en oosterse mystiek.
In jaren zeventig minder grootschalige protestbewegingen, maar zorg voor goed inkomen en behoorlijke baan op eerste plaats. Techniek en elektronica beheersten het dagelijks leven.
Sinds somber rapport Club van Rome (1972) over slechte toestand waarin de wereld verkeert, is milieuvervuiling een issue.

Kunst
Vanaf 1965 super-, foto- of hyperrealisme: schilderijen en beelden met fotografische precisie over alledaagse dingen of gebeurtenissen weergegeven als een camera, zonder gevoelsinhoud, waardoor nieuwe werkelijkheid ontstond.
In zestiger jaren verschenen de eerste ambiances of environments, waarin de omgeving als kunst beschouwd wordt (bijv. spiegelkamer van Samaras).
Het functionele en zakelijke bouwen verliest invloed. Terugkeer van klassieke vormen. Ook art-nouveauvormgeving keert terug.
Rond 1970 ontstaat land art: veranderingen aanbrengen in een landschap, waardoor de inhoud van die omgeving verandert (Christo).
Minimalisme of minimal art: steeds meer eenvoudige geometrische vormen, vervaardigd uit industriële materialen, zonder opsmuk en betekenis.
Sinds 1950 is fantasie in de fotografie steeds sterkere rol gaan spelen. Na 1970 gebeurt dit nog opzienbarender door speciale druktechnieken. Waarheidsgetrouwe registraties, maar druktechniek en plaats van onderdelen zorgen voor tweede werkelijkheid.

Literatuur
Thema’s: omvergooien van heilige huisjes, streven naar eigen manier van leven, afwijzen van gevestigde waarden en normen. En steeds grotere aandacht voor de dagelijkse werkelijkheid (realistische en psychologische roman).
De literatuur werd ‘democratischer’: voor iedereen. Strips en sciencefiction mochten weer.
Publieksvriendelijker winkels, boekenclubs, veel boekenstukken goedkoper (pockets).
Voor jongeren gaven popartiesten de toon aan. Beat poets probeerden popmuziek en poëzie samen te brengen.

opdracht 2
a Provo’s: (afgeleid van ‘provoceren’) jongeren die zich in de zestiger jaren op een ludieke manier afzetten tegen de burgerlijke samenleving en het bestaande gezag (Amsterdam 1965–1967).
Kabouters: aanhangers van uit de provobeweging voortgekomen beweging in Amsterdam, voorstanders van ludieke, anti-autoritaire maatschappijvorm.
Dolle Mina’s: vrouwenbeweging voor vrouwenemancipatie in de jaren zestig (‘Baas in eigen buik’).
b De antitelevisieshows van Wim T. Schippers (o.a. Waldolala), bijvoorbeeld met de provocerende tv-creatie Sjef van Oekel.
Het tv-cabaretprogramma Zo is het toevallig ook nog eens een keer kon er ook wat van.
c Persoonlijke keuze. Het gaat om twee namen en voorbeelden van hun werk.
d Gerard Reve en Willem Frederik Hermans. Je keuze van een van hun boeken is persoonlijk.
e Jan Cremer met Ik Jan Cremer.
f Bijvoorbeeld: Anja Meulenbelt, De schaamte voorbij (1976) of Hannes Meinkema, En dan is er koffie (1976).
g Wat oudere Nederlandse detectiveschrijvers zijn Ivans en Havank. Een leuke parodie op het genre is van Godfried Bomans: De avonturen van Bill Clifford (1956). Huidige Nederlandse detectiveschrijvers zijn bijvoorbeeld Janwillem van de Wetering, Koos van Zomeren en Tomas Ross. Een populaire Nederlandstalige detectiveschrijver is de Belg Jef Geeraerts.
h Neorealisme: stroming in de dichtkunst. De afkeer van de experimentele poëzie van de Vijftigers leidt tot nieuw-realisme of neorealisme in de jaren zestig. Poëzie moest verbruiksgoed worden (‘wegwerppoëzie), voor iedereen verstaanbaar. Men sprak ook wel van ‘totale’ poëzie. Alles was geschikt als materiaal, maar het moest zo gebracht worden dat het geheel meerwaarde had zodat de lezer geïnformeerd kon worden over het raadsel van het leven. Het ging dus niet om het kopiëren van de werkelijkheid, maar om de persoonlijke manier van kijken. De neorealisten sloten aan bij popart en het hyperrealisme in de beeldende kunst.
i Actie uit onvrede door het gebruik aan belangrijk actueel toneel van eigen bodem. Door het gooien van tomaten werd de zoveelste plichtmatige voorstelling van Shakespeares De storm verstoord. Het heeft geholpen.
j De tegenpartij ofwel Het Simplistisch Verbond (1979–1981) van Kees van Kooten en Wim de Bie (Koot en Bie).

opdracht 3
-

opdracht 4
Wat makkelijk te lezen is, is het resultaat van hard zwoegen door de schrijver.

opdracht 5
Je kunt eventueel ook een ander verfilmd boek kiezen.

opdracht 6
a Persoonlijk.
b Persoonlijk.
c Niet erg omvangrijk (circa 100 bladzijden), geen uitvoerige karakterbeschrijvingen, maar korte typeringen, weinig verhaalfiguren.
d Persoonlijk.

opdracht 7
-

opdracht 8
Uitwerking is afhankelijk van het jaar waarin je de opdracht uitvoert.

opdracht 9
-

opdracht 10
-

Antwoorden Teksten en opdrachten Nederlands havo

Afdeling 2 Literatuurgeschiedenis voor je leesdossier

9 De periode na 1980


opdracht 1
Vergelijk jouw studiesamenvatting met het volgende voorbeeld:

Tijdsbeeld
Geavanceerde wetenschap en technische ontwikkelingen pilaren van de moderne samenleving. Nieuwe communicatietechnieken: fax, kabelkrant, videogames, kooptelevisie en Internet.
In jaren tachtig terugval economie met werkloosheid als gevolg. Veel aandacht voor sociale problemen. Beangstigende herwaardering ultrarechtse denkbeelden.
Massale demonstraties tegen kernenergie. Hollanditis ontwikkelt zich.
Internet-periode: het worldwide web en e-mail onder groot publiek bekend.
Twintigste eeuw is de Revolutie te noemen (in navolging van een aanduiding als de Renaissance): snelle en ingrijpende veranderingen (industriële kennisrevolutie en de politieke revolutie van democratisering).
Het al dan niet hebben van werk misschien criterium voor onderscheid happy few en massa. En verschil jong en oud leidt tot steeds grotere tegenstellingen.

Kunst
Wildgroei van stijlen en stijlcombinaties met verzamelnaam: postmoderne kunst.
Nieuwe ‘renaissance van de klassieken’ in westerse wereld.
Fotografie, film en video uitgegroeid tot media voor massaproductie en avant-gardekunst: nieuwe interpretatie van de wereld door isolatie uit oorspronkelijke omgeving.

Literatuur
Overal bibliotheken, boekwinkels, bibliobussen, boekenclubs, kiosken, warenhuizen en zelfs supermarkten met enorm gevarieerd lectuuraanbod. Databanken, digitale en optische informatiedragers worden net zo belangrijk als boeken.
Steeds minder grenzen tussen Literatuur en literatuur (strips, detectives, sciencefiction, columns). Overweldigend aanbod. Literaire bijvoegsels, culturele supplementen en boekenbijlagen in elk dag- of weekblad.
Ook in literatuur postmodernisme: een keuze uit verschillende stijlen en stijlcombinaties en het gebruikmaken van elementen uit de film, de televisie, muziek en de literaire taal.
Impulsieve groei massamedia, vooral film en televisie. Leescultuur naast kijkcultuur. Film nieuwe kunstvorm. Rijk aanbod van tv-programma’s. Film en televisie positieve invloed op lezen; verkoopaantallen boeken en uitleningen stijgen.
Vrijwel ononderbroken ‘debutantenbal’. Maar literaire ‘ontdekkingen’ worden even snel weer vergeten als ze geïntroduceerd zijn. Ook literatuur is handelswaar en vast onderdeel van de massamedia.
Rond 1980 in West-Europa sterk toenemende belangstelling voor derdewereldliteratuur en Latijns-Amerikaanse schrijvers (García Márquez, Cortázar).Categorie multiculturele ‘wereldschrijvers’ (niet aan een land gebonden) neemt toe (Nabokov, Rushdie en Naipaul).
Literatuur in een bepaalde taal wordt steeds gevarieerder: literatuur van mensen die uit het land komen en dus de taal gebruiken, mensen die historische, koloniale of politieke redenen de taal gebruiken (immigrantenliteratuur). ‘Eurocentrisme’ in de West-Europese literatuur heeft langste tijd gehad.
Van gelaagd proza (spel met verbeelding en werkelijkheid) naar het zeer realistische, makkelijk leesbare verhaal (dirty realism). De verkoopaantallen stijgen indrukwekkend. Veel debuten van begaafde jonge mannelijke en vrouwelijke auteurs met een voorkeur voor de roman.
Dag- en weekbladen geven (naast tv) nieuws over schrijvers. Steeds minder literaire tijdschriften. Column wordt zeer populair.
Taalgebruik in poëzie is nog steeds helder, eenvoudig, zoals ‘gewone’ taal. Daarnaast romantiserende neiging, een ondertoon van warmte, melancholie en verlangen.
Toneel: minder vernieuwingsdrang dan eind jaren zestig. Heeft plaatsgemaakt voor goed handwerk en evenwichtigheid. Grote concurrentie vanuit moderne media. Toneel is slechts één van de mogelijkheden om ideeën over te dragen.

opdracht 2
Persoonlijk.

opdracht 3
a Vergelijk jouw aantekeningen met de volgende:
Tessa de Loo
Debuut: verhalenbundel De meisjes van de suikerwerkfabriek (1983). Fragment uit het titelverhaal. Een van de vele debuten van vrouwelijke auteurs in de jaren tachtig, andere namen: Hermine de Graaf, Marijke Höweler, Marja Brouwers.
Joost Zwagerman
Debuutroman De Houdgreep (1986). Geëngageerd schrijver die actuele onderwerpen gebruikt, bijvoorbeeld in De buitenvrouw (1994). Fragment uit Gimmick! (1989).
Adriaan van Dis
Van Dis is vooral bekend door reisverhalen o.a. Barbaar in China (1986, fragment). Reisverhalen populair na 1980. Andere namen: Lieve Joris, Cees Nooteboom.
Abdelkader Benali
Schrijvers met buitenlandse voorgeschiedenis verrijken onze literatuur: Indische literatuur: Louis Couperus, Hella Haasse; Surinaamse en Antilliaanse literatuur: Tip Marugg, Astrid Roemer, Cynthia MacLeod, Anil Ramdas. In jaren tachtig en negentig vooral tweede generatie immigrantenschrijvers uit met name Marokko en Turkije. Een voorbeeld is de Nederlandse schrijver van Marokkaanse afkomst Abdelkader Benali. Fragment uit Bruiloft aan zee (1996).

opdracht 4
Persoonlijk.

opdracht 5
-

opdracht 6
-

opdracht 7
Voorbeelden van columnisten: Jan Blokker, Hugo Brandt Corstius (diverse pseudoniemen, o.a. Piet Grijs), Remco Campert, Renate Dorrestein, Youp van ’t Hek, Kees van Kooten, Rudy Kousbroek.

opdracht 8
Poetry International.

opdracht 9
a Uitwerking is afhankelijk van het jaar waarin je deze opdracht uitvoert.
b Persoonlijk.
c -

opdracht 10
-

opdracht 11
Uitwerking hangt af van het moment waarop je deze opdracht uitvoert.

opdracht 12
-

opdracht 13
-

opdracht 14
Persoonlijk.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.