Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Kennen en kunnen lijst + tijdvak 1-8

Beoordeling 6.9
Foto van een scholier
  • Antwoorden door een scholier
  • Klas onbekend | 5196 woorden
  • 10 juni 2009
  • 50 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.9
  • 50 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Egypte

1.Enkele verschillen opschrijven tussen jagers/verzamelaars en boeren
Jagers/verzamelaars
Hoefden geen belasting te betalen.
Woonden niet altijd op dezelfde plek.
Hadden geen eten op voorraad.
Hadden niet veel bezittingen.
Boeren
Wonen op een vaste plaats.
Konden meer bezit hebben, want ze trokken niet rond.
Hadden eten op voorraad.
Moesten wel belasting betalen

2.Uitleggen waarom de uitvinding van de landbouw een revolutie betekende
De mensen kregen een heel ander leven. Ze gingen in huizen wonen. Daarvoor leken de mensen soms op dieren. We noemden deze tijd de prehistorie.

3.Uitleggen waarom de Egyptenaren niet zonder de Nijl konden leven
De Nijl overstroomde elk jaar, en liet daarbij veel vruchtbare slib achter. De Nijl was ook de enige waterbron en leverde drinkwater, vissen en watervogels.
4.Voor- en nadelen (voor "gewone" mensen) opschrijven van leven in een staat
Voordelen:
Men werd beschermd door het leger.
De waterhuishouding werd goed geregeld.
Niet iedereen hoefde meer boer te zijn.
Nadelen:
Men moest belasting betalen.
Men moest verplicht aan de waterhuishouding werken.
In oorlogstijd had men dienstplicht.
Gewone mensen hadden geen enkele invloed.
5.Uitleggen waardoor de farao veel meer invloed had dan "gewone" Egyptenaren
De mensen dachten dat de farao de macht had om de Nijl elk jaar te laten overstromen. Daarom werd hij als een God vereerd. Hij kon alle mannen oproepen voor het leger.
6. Uitleggen waardoor priesters veel invloed hadden bij de Egyptenaren
Priesters leidden de erediensten voor de goden. Ze bezaten veel grond en bestuurden dat zelf.

De priesters hadden dus Aanzien - Bezit - Macht.
7.Uitleggen waardoor hoge ambtenaren soms veel invloed hadden
Egypte was verdeeld in districten. Soms gedroegen hoge ambtenaren (gouverneurs) zich daar als koningen. Soms werd zelfs een farao afgezet.
8. Drie voordelen opschrijven van gebruik van het schrift
De regels konden worden opgeschreven/vastgelegd.
Inkoop en verkoop kon worden opgeschreven.
Kennis kon worden bewaard.
Woorden:
Dorp: Een kleine nederzetting waar de meeste inwoners leven van akkerbouw en veeteelt.
Staat: een land met duidelijke grenzen waarin een kleine groep mensen de rest van de bevolking bestuurd.
Bestuursapparaat: Alle ambtenaren samen die helpen met het besturen van een land.
Gelaagde samenleving: farao en familie, priesters en hoge ambtenaren, ambtenaren, boeren, vissers, ambachtslieden en kooplui, slaven.
Macht: Het hebben van kracht en wettelijke bevoegdheid.
Bezit: Eigendom
Aanzien: Belangrijk zijn en gerespecteerd worden.
Prehistorie: De tijd waarvan we alleen geschreven bronnen hebben.
Hiërogliefen: Beeldschrift
Feit: Als iets echt gebeurd/waar is en je het kunt nagaan.
Mening: Een opvatting over mensen of zaken.
Ongeschreven bron: Kunstwerken en voorwerpen uit het verleden (musea).
Geschreven bron: Boeken - kranten enz. (archief).
Primaire bron: Van een ooggetuige.
Secundaire bron: Informatie via een tussenpersoon.

Grieken

1. Beschrijven wat een stad is
Een stad is een grote nederzetting waar de meeste inwoners leven van iets anders dan akkerbouw en veeteelt.
2.Uitleggen waardoor de volksvergadering in een polis vaak weinig macht had
De volksvergadering stond vaak onder invloed van de adel en zij deed alles wat de adel wilde.
3. Het verschil beschrijven tussen autocratie, aristocratie en democratie
Autocratie is een regering door één persoon
Aristocratie is een regeringsvorm waarbij een kleine groep mensen de macht heeft.
Democratie is regeren door het volk (volksvergadering.
4. Het verschil beschrijven tussen directe en indirecte democratie
Bij een directe democratie worden alle beslissingen genomen door de volksvergadering
Bij indirecte democratie worden alle beslissingen genomen door gekozen vertegenwoordigers van de burgers. (dus niet voor iedereen).
5.Uitleggen waarom maar ongeveer een tiende deel van de inwoners van Athene mocht meedoen aan het democratisch bestuur
Het grootste deel van de inwoners van Athene hoorde niet tot de burgers. Dit waren kinderen tot 18 jaar, vreemdelingen, vrouwen en slaven. Die mensen hadden geen stemrecht.
6. Uitleggen waaromde Grieken goed onderwijs belangrijk vonden (voor mannen)
De Grieken vonden dat iedereen goed moest worden opgeleid, want dan kon men handel drijven, deelnemen aan politieke besprekingen. Ook vond men belangrijk, dat men goed was in sport.
7.De "nieuwe manier van denken" van de Grieken beschrijven
De Grieken hebben iets belangrijks veranderd in het denken van de oude culturen. Ze gingen zelf allerlei natuurverschijnselen onderzoeken, i.p.v. te denken dat de goden alles regelden. Ook hielden ze zich bezig met de mens en me vragen van 'wat is goed' en 'wat is slecht' enz.
Woorden:
Polis:
Politiek: De manier waarop de mensen macht onder elkaar verdelen.
Grootgrondbezitter: Bezitter/eigenaar van een polis.
Overbevolking: Als er niet genoeg grond is om alle mensen van voedsel te voorzien.
Burgeroorlog: Een oorlog tussen burgers van 1 (een) land.
Dictatuur: Als er een land door 1 (een) persoon wordt bestuurd.
Orakel: Een plaats waar volgens de oude Grieken een God(in) antwoord geeft op vragen. Ook het antwoord noemt men een orakel (Delphi).
Delphi:Het belangrijkste orakel van Griekenland; voor alles werd er raad gevraagd.
Olympia: Plaats waar om de 4 jaar de Olympische Spelen werden gehouden.

1. De kaart van het Romeinse rijk en de belangrijkste aardrijkskundige namen
2. Opschrijven wie de meeste macht had(den) in de Romeinse republiek
In Rome was een groep van rijke families de baas: De Patriciërs
3. Beschrijven hoe Octavianus alleenheerser werd in het Romeinse rijk (inc. Egypte)
Octavianus was de winnaar van de burgeroorlog na de dood van Caesar (die te machtig werd). Hij versloeg Antonius (getrouwd met Cleopatra) en werd 1e keizer.
4. Uitleggen waarom Octavianus zijn naam veranderde in Augustus Caesar
Augustus betekende 'de verhevene'. Met die naam bedoelde hij dat hij boven alle partijen wilde staan. Met de naam Caesar eerde hij zijn stiefvader Julius Caesar.
5.Uitleggen wat de Pax Romana inhield voor de bevolking van het Romeinse rijk
Tussen 27 voor Chr. en 180 na Chr. heerste er overal in het Romeinse rijk vrede.
De handel kwam tot grote bloei.
6.Uitleggen waarom de Pax Romana vooral de verdienste was van Augustus
Augustus zorgde voor een goed bestuur.
De soldaten bleven hem trouw.
7.Beschrijven hoe de Romeinen overwonnen volken gewoonlijk behandelden
Ze mochten hun eigen cultuur behouden.
Ze lieten besturen en wetten onveranderd.
Ze werden goed behandeld.
8. Beschrijven wat romaniseren inhield voor de overwonnen volken
Uiteindelijk namen de overwonnen volken veel van de Romeinen over en stonden onder bescherming van 1 (een) regering en konden het Romeinse burgerrecht krijgen.
9. Beschrijven waaraan typisch (Grieks-)Romeinse bouwwerken te herkennen zijn
Veel gebouwen kregen bogen en koepels.
Woorden
Imperium Romanum: Een imperium is een rijk dat bestaat uit een verzameling onderworpen staten.
Rijngrens: Tot aan de Rijn kwamen de Romeinen in ons land.
Griekenland: Dit land heeft grote invloed gehad op de Romeinse cultuur. Veel Romeinen spraken Grieks, de bouwkunst had Griekse invloeden en de kunst en ideeën van geleerden werden van de Grieken overgenomen.
Provincie: Het veroverde gebied buiten Italië. Er kwamen Romeinse troepen en aan het hoofd werd een gouverneur aangesteld.
Gouverneur: Hoofd van een provincie.
Grieks-Romeinse cultuur:(zie vraag 3)
Aquaduct: Brug waarover water werd geleid.
Amfitheater: Rond gebouw theater zonder dak.
Thermen: Badhuis
Middeleeuwen

1.Uitleggen waarom er maar weinig in steden woonden en bijna iedereen op het land moest werken
Er waren bijna geen steden, er was weinig handel en de boeren moesten zelf in hun levensbehoeften voorzien.
2.Uitleggen waardoor het groepsgevoel van de middeleeuwse mensen heel sterk was
Als individu was je niet belangrijk, je leefde precies volgens de regels van een dorp, stad of geestelijkheid.
3.Drie personen opschrijven die heer van een domein konden zijn
Edelman, bisschop of een klooster.
4.Uitleggen waarom vrije boeren vaak uit vrije wil horigen werden
Ze kregen dan bescherming van een edele.
5.Tenminste drie taken opschrijven van edelen
Bestuurder van hun domeinen.
Spraken recht over hun onderdanen.
Voerden oorlog.
6. Beschrijven hoe het leenstelsel (eigenlijk) moest werken
Koning - leenheer (hoge adel) - Leenman (lage adel).
7. Uitleggen waardoor de koning in het leenstelsel (in werkelijkheid) meestal weinig macht had
De hoge edelen deden alsof hun leen hun bezit was en luisterden niet altijd naar de koning.
8. Het verschil beschrijven tussen reguliere en seculiere geestelijken
Seculier: Paus - bisschoppen - Priester.
Regulier: Mannen en vrouwen in de kloosters.
9. Uitleggen waardoor de macht van de kerk en de geestelijkheid in de Middeleeuwen heel groot was
Iedereen was lid van dezelfde kerk.
De geestelijken konden als enige lezen en schrijven.
Men geloofde dat geestelijken je konden helpen in de hemel te komen.
Geestelijken schreven wetten en verdragen op en bestuurden ook een deel van het land.
De paus kon iedereen, ook de koningen, in de ban doen.
De kerk was heel rijk (belastingen).
Alleen geestelijken schreven boeken.
10.Uitleggen wat wordt bedoeld met standenmaatschappij
Adel - geestelijken - boeren
Boeren konden alleen in een andere stand komen door geestelijke te worden. Je zat bij je geboorte in een bepaalde stand.
11. Uitleggen waarom domeinen, kastelen en kloosters zelfvoorzienend moesten zijn
Er was weinig of geen handel.
12. Uitleggen waarom er in de vroege Middeleeuwen weinig handel was
Er waren weinig wegen en bruggen, er waren rovers en er moest vaak tol worden betaald.
13. Beschrijven hoe kooplieden hun problemen na het jaar 1000 wisten te overwinnen
Kooplieden gingen samenwerken in gilden.
Ze kregen steun van de vorsten, die de problemen (van vraag 12) hielpen oplossen.
De kruistochten zorgen voor de contacten.
14. Uitleggen waarom stadsbewoners stadsrechten kregen
Ze hadden dan geen verplichtingen meer tegenover hun heer, behalve belastingen.
Ze konden dan zelf bestuurd en rechtspraak regelen.
15. Uitleggen waarom landsheren de burgers stadsrechten verleenden
Omdat een stad in het domein van een heer lag.
16. Uitleggen waardoor de kooplieden en ambachtslieden op den duur vaak ruzie kregen
Kooplieden hadden het vaak voor het zeggen, maar er waren veel meer ambachtslieden en die wilden ook meebesturen.
17. Uitleggen waarom arbeiders (of werklieden) in de 14e eeuw vaak opstandig werden
Ze profiteerden niet van de welvaart, later raakten ze werkloos en kwamen in opstand (ook tegen de kerk).
18. Uitleggen waarom veel arbeiders zich aansloten bij godsdienstige groepen die beweerden dat God de grote verschillen tussen arm en rijk afkeurde
Omdat er zo'n groot verschil was tussen arm en rijk en dat dit onrechtvaardig was.
Woorden:
Germanen: Volken die in een groot deel van Europa woonden.
Bisdom: Kerkprovincie
Vazal: Leenman
Graaf: Hoge edele
Hertog: Hoogadelijke titel (meer domeinen).
Feodalisme: Het leenstelsel
Katholieke kerk:De enige kerk in de Middeleeuwen waarvan de Paus het hoofd is.
Parochie:Een groep gelovigen in een domein.
Kloosterorde: Is een organisatie(s) van een groep monniken of nonnen die in een klooster leven met vaste regels.
Heiligen: Iemand met een bijzondere gaven en wonderen die god hun laat verrichten.
Sacramenten:Gewijde handelingen die meestal door geestelijken worden verricht.
Eerste stand: Adel
Tweede stand: Geestelijken
Derde stand: Boeren
Tol: Doortochtgeld
Gilde: Vereneging van vakgenoten.
Muntstelstel: De bepalingen waaraan munten moeten voldoen.
Hanze: Verbond van kooplieden van verschillende steden.
Jaarmarkt: 1x per jaar een grote markt, soms meerder dagen.
(Gilden)meesters: Leerling gezel, - gezel - meester.
Meesterknechten: Geen leerling meer, maar nog geen meester.
Gezellen: Leerlingen.
Staking: Werkweigering.
Lakennijverheid: Textielindustrie
Ontdekkingsreizen
1.Uitleggen waardoor Europeanen in de Middeleeuwen een heel ander wereldbeeld hadden dan in de nieuwe geschiedenis
In de Middeleeuwen hadden de mensen geen flauw idee wat er in de rest van de wereld gebeurde. Men kwam niet in aanraking met mensen buiten hun stad of dorp en wisten dan ook niets van bijv. uitvindingen en kennis van andere landen.
2. Motieven opschrijven voor de Porugezen om in de 15e eeuw een zeeweg naar Indië te gaan zoeken
Ze waren op weg naar visgronden
Ze wilden handel drijven met andere volken
Ze zochten steun voor hun strijd tegen de moslims
3. Uitleggen waardoor de Portugezen gemakkelijk de Aziatische handel konden afpakken van de Arabieren en Chinezen
Arabieren en Chinezen hadden geen wapens om zich tegen de Portugezen te verdedigen.
4. De namen van de drie Europese volken opschrijven die de Aziatische handel weer van de Portugezen afpakten
Nederlanders - Fransen - Britten.
5. Uitleggen waardoor Columbus in westelijke richting wilde varen om Indië te bereiken
Hij dacht dat die route korter was.
6. Het verschil beschrijven tussen een factorij en een kolonie
Factorij: Handelspost bestaande uit een fort, haven, pakhuizen en woningen.
Kolonie: Veroverd gebied waar ook landgenoten gingen wonen en werken.
7. Tenminste 5 koloniale producten uit Amerika noemen die in Europa heel gewild waren
Zilver - suiker - tabak - koffie - bont.
8. Het verschil beoordelen en uitleggen tussen betrouwbare en onbetrouwbare bronnen
Betrouwbaar: Uit dezelfde tijd
Ooggetuige
Onbetrouwbaar: Uit een andere tijd
Van horen zeggen
Woorden
Maron: Weggelopen slaaf, bosneger.
Blankofficier: Blanke leidingsoldaat.
Suikerrietmolen: Werd gebruikt om van suikerriet suiker te maken.
Slavenstempel: Brandmerk
Huisslaven: Huisbedienden
Ambachtsslaven: Slaven met een vak (bijv. smit) die iets maken.
Veldslaven: Zijn mensen die alleen op de velden werkten en ze bewerkten.
Cassave: Uit de wortels van deze plant wordt cassavemeel of tapioca bereid.
Foetoeboy: Jonge huisslaaf.
Reformatie/tachtigjarige oorlog
1. Enkele verschillen opschrijven tussen katholiek en protestant
Katholiek
De paus is de leider van de kerk. Hij overlegt met de vergadering van alle bisschoppen
Taken in de organisatie van de kerk worden zoveel mogelijk vervuld door geestelijken.
Geestelijken mogen niet trouwen.
Naast de Bijbel zijn dogma's (kerkelijke uitspraken en geschriften van enige bisschoppen uit de eerste eeuwen van het Christendom richtsnoer voor het geloof.
Centraal in de kerk: Het altaar.
Protestant
Er s geen aparte leider of leiding van alle protestantse groeperingen te samen. De hoogste leiding binnen elke groepering berust bij een Synode (een vergadering van vertegenwoordigers van kerkelijke gemeenten)
Alle taken in de kerk worden door leken (niet-geestelijken) vervuld, uitgezonderd het ambt van de predikant.
Predikanten mogen trouwen.
Men ziet vooral de bijbel als richtsnoer voor het geloof
Centraal in de kerk: Het kansel
2. Enkele denkbeelden van Maarten Luther opschrijven.
De bijbel is de enige bron van geloof.
Elke gelovige heeft het recht de bijbel op zijn manier uit te leggen.
Het pausschap, het celibaat, veel sacramenten, de verering van heiligen en de kloosterorde moeten worden afgeschaft.
3. Het belangrijkste verschil tussen Luther en Calvijn opschrijven
Ook de Calvinisten waren ervan overtuigd dat alleen geloof men in de hemel kon brengen, alleen de Calvinisten zeiden dat men bij de geboorte al voorbestemd was voor hemel of hel. Als je voorbestemd was kon je dat aan de manier van leven zien.
4.Opschrijven welke landen (overwegend) protestants werden en welke (overwegend) katholiek bleven
Katholiek: Spanje,
Protestants: Nederland, Engeland, Frankrijk en Denemarken.
5.Beschrijven hoe koning Filips II van Spanje ook heer der Nederlanden werd
Hij volgde zijn vader op.
6.Uitleggen wat wordt bedoeld met centralisatiepolitiek
Het streven om de gewesten vanuit één plaats te besturen.
7.Uitleggen waarom Filips II protestantse Nederlanders liet vervolgen
Hij wilde dat alle mensen in Nederland katholiek bleven.
8.Beschrijven welke twee idealen Willem van Oranje had voor het Nieuwe Nederland.
Politieke eenheid en meer zelfstandigheid voor de Nederlanden.
Verdraagzaamheid tussen katholieken en protestanten.
9. Uitleggen waardoor die plannen van Willem mislukten
Willem van Oranje moest vluchten voor Alva.
10. Uitleggen waarom Filips II besloot Willem van Oranje te laten vermoorden

11. Beschrijven hoe de zeventien Nederlanden tijdens de 'opstand' in twee stukken uiteenvielen
Godsdienstige onverdraagzaamheid tussen Noord en Zuid.
Zuidelijke gewesten kiezen voor Spanje (o.l.v. Parma).
Noordelijke gewesten gaan zich apart organiseren.
Noord en Zuid zijn niet in staat elkaar te verslaan.
Woorden:
Beeldenstorm:
Landvoogd(es): Een plaatsvervanger(ster) voor als de Heer niet in de Nederlanden is.
Karel V: Van 1515 tot 1555 heer der Nederlanden.
Geuzennaam: Roepnaam voor volgelingen van Willem van Oranje.
Ketter: Iemand die zich afkeert van het Katholieke geloof.
Hagenpreek: Stiekeme kerkdiensten van Protestanten buiten.
Watergeuzen: Aanhangers van Willem van Oranje.
Balthasar Gerards: Moordernaar van Willem van Oranje.
Verdraagzaamheid: Elkaar tolereren en respecteren.
Unie van Utrecht: Aaneensluiting van de Noordelijke Gewesten bij de Unie.
Unie van Atrecht: Aaneensluiting van de Zuidelijke Gewesten bij de Unie.
De Republiek: Staat zonder vorst.
Gewestelijke staten: Vergadering van de adel, geestelijken en rijke burgers.
Staten-generaal: Vertegenwoordigers van alle gewesten.
Verlichting/Franse Revolutie
1. Uitleggen wat het betekent dat Lodewijk XIV regeerde als een absoluut vorst
Hij besliste alles zelf, zonder naar de mening van het volk te luisteren.
2. Beschrijven welke gevolgen dat absolutisme had voor zijn volk
Het was de plicht van de onderdanen om hem te gehoorzamen zonder vragen te stellen.
3. Beschrijven wat Rousseau bedoelde met algemene wil en sociaal contract
Algemene wil: Iemand wordt vrij geboren maar overal zijn ze onvrij.
Sociaal contract: Iedereen zal doen wat goed is voor het volk en wat goed is voor het volk, is goed voor iedereen.
4.Uitleggen waarom Voltaire de Engelse regeringsvorm van zijn tijd ideaal vond
De koning heeft de macht om dingen te doen maar het volk kan hem ook op het matje roepen. De koning voert de opdrachten van het Hoger- en Legershuis uit. Iedereen betaalt naar eigen inkomen belasting.
5.Uitleggen waarom Montesquieu pleitte voor scheiding der machten
Als dezelfde persoon zowel de wetgevende als de uitvoerende macht bezit, is er volstrekt geen vrijheid. Want dan bestaat het gevaar dat dezelfde vorst onderdrukkende wetten uitvaardigt en die op een onderdrukkende manier uitvoert.
6. Beschrijven wie ca. 1780 in Frankrijk lid waren van de drie standen en wat hun wensen en klachten waren
1e stand: De geestelijken: Zij hadden niks te wensen of te klagen.
2e stand: De adel: Zij hadden niks te klagen
3e stand: Burgers in de steden en de boeren:Wensen
Meer grond
Eerlijker verdeling van de belastingen
Afschaffing van verplichtingen aan de adel
De stedelijke werklieden: Zij moesten lang en hard werken, meestal onder heel ongezonde en onveilige omstandigheden
Het loon dat ze kregen was te laag om hun eten, kleding en huis te betalen
De klachten van de bourgeoisie (de kleine bovenlaag van de bevolking in de steden):
De adel en geestelijkheid hoefden niets of heel weinig belasting te betalen
Er was geen vrijheid van meningsuiting
De kooplieden hadden bij hun werk weinig vrijheid
7. Uitleggen waarom de Nationale Vergadering een grondwet ging maken
De macht van de koning moest beperkt worden. Verder moesten er regels en wetten komen.
8. Uitleggen waarom Lodewijk XIV in januari 1973 werd onthoofd
Hij werd beschuldigd van landverraad
9. Uitleggen waarom de regering van Robespierre daarna nóg zo'n 40.000 mensen (waaronder de koningin) ter dood liet brengen
Het waren allemaal vijanden van de revolutie. En die vijanden moesten dood.
10. Beschrijven wat er in de tijd van Napoleon overbleef van de revolutie
Hervormingen, zoals code Napoleon.
Er kwamen in de meest Europese landen grondwetten.
Woorden:
Versailles: Plaats bij Parijs waar de koningen woonden.
Bastille: Vesting die als gevangenis werd gebruikt.
Oude Regime: Naam voor het bestuur van de Franse koningen na de revolutie.
Standenmaatschappij: Lagen in de bevolking van een land.
Revolutie: Een grote verandering in een korte tijd.
Vrijheid/Liberté: Onafhankelijk zijn.
Gelijkheid/Egalité: Gelijke rechten en plichten hebben.
Broederschap/Fraternité: Bij elkaar horen.
Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger:
Bourgeoisie: De rijke burgers.
Guillotine: Toestel waarmee mensen onthoofd konden worden. Uitgevonden door een Meneer Guillotine.
Koning Willem I: Koning der Nederlanden van 1815-1840.
Koning Willem II: Koning der Nederlanden van 1840-1849.
Thorbecke: Leider van de liberalen.
Industriële Revolutie/Ismen
1. Enkele kenmerken van een Industriële samenleving opschrijven
De meeste goederen worden in fabrieken gemaakt.
De meeste mensen wonen in steden.
2. Uitleggen waardoor de overgang van huisnijverheid naar industrie onvermijdelijk werd
De nieuwe machines waren te groot voor de huiskamer en de meeste spinners hadden geen waterkracht bij huis, wat nodig was voor het bedienen van de machines.
3. Het verband uitleggen tussen industrialisatie en urbanisatie
In een Industriële samenleving wonen de meeste mensen in steden. En urbanisatie is dat er steeds meer mensen in steden gaan wonen. Dus als er een Industriële samenleving ontstaat, ontstaat vrijwel tegelijk daarmee urbanisatie.
4. Uitleggen waardoor de vraag naar ongeschoolde arbeiders toenam
De producten werden per onderdeel gemaakt. Hiervoor was weinig vakbekwaamheid nodig. Verder waren ongeschoolde arbeiders veel goedkoper.
5. De woon- en werkomstandigheden beschrijven van arbeiders in de tijd van de Industriële Revolutie
Werkomstandigheden
Veel kinderarbeid, dit was vrij normaal.
14 uur per dag werken.
De temperaturen waren meer dan 30 graden, deed je een raam open, kreeg je een boete.
Woon omstandigheden
12 personen op een kamer.
Geen toilet of waterleiding.
Open riolen door straten, die uitkwamen in dezelfde beken/rivieren waar men zich in waste en uit dronk.
Grote onveiligheid in de steden.
Weinig vrijetijdsbesteding.
6. In je eigen woorden uitleggen wat kapitalisme inhoudt
Een economie waarin de grond en de bedrijven van ondernemers waren, die met hun bedrijf een zo groot mogelijke winst willen maken.
7. De sociale veranderingen beschrijven die het gevolg waren van de industrialisatie
Straatverlichting
Meer uitgaansmogelijkheden
Ondergronds riolenstelsel
Waterleidingen
Meer politie
Meer scholen, ziekenhuizen en bibliotheken
Arbeiders gingen eigen activiteiten organiseren om elkaar te helpen.
8. Uitleggen waardoor het verschil tussen arm en rijk tijdens de Industriëele Revolutie steeds groter werd
De fabrikanten werden rijker en rijker maar de werknemers werden er weinig rijker van.
9. Uitleggen dat dit een fraai voorbeeld is van de werking van vraag en aanbod
Hoe meer vraag hoe meer aanbod er komt, hoe meer er geproduceerd wordt.
10. Uitleggen waarom regeringen vanaf ca. 1900 werden gedwongen zich te bemoeien met de sociale kwestie
Arbeiders richtten vakverenigingen en nieuwe politieke partijen op.
Sommige politici uit oude politieke parijten deden hun best het lot van de arbeiders te verbeteren.
Paus Leo XIII schreef in zijn encycliek Rerum Novarum ('van nieuwe dingen') over de fouten van het industriële kapitalisme.
Schrijvers als de Engelsman Charles Dickens en de Fransman Emile Zola beschreven de mensonterende omstandigheden in de fabrieken en de woningen van de arbeiders.
Verschillende kunstenaars namer het in hun kunstwerken op voor de arbeiders.
11. Uitleggen waarom arbeiders zich organiseerden in vakbonden en politieke partijen
Ze vonden dat er veelt e weinig maatregelen voor de arbeiders waren genomen. Ze hadden de bedoeling het lot van de arbeiders te verbeteren.
Woorden:
Spinning Jenny: Een spinmachine die naar de vrouw van de uitvinder is genoemd.
James Watt: Uitvinder van de gloeilamp.
Telegraaf: Een seintoestel
Kapitaal: Wat je bezit.
Gevolg op korte of lange termijn:
Arbeidsverdeling: Het maken van producten in verschillende stappen.
NV: Naamloze vennootschap
Aandeelhouder: Iemand die een klein deel van een bedrijf bezit.
Dienstensector: Sector waarin mensen diensten voor anderen verlenen.
Staken: Stoppen met werken om iets te willen bereiken
Soc. Wetg.:
Feit: Iets wat vaststaat en is na te gaan.
Mening: Een opvatting over mensen of dingen.
Vooroordeel: Iets zeggen zonder dat je de feiten kent.
Algemeen kiesrecht:
Socialisten: Iedereen is van alles samen de eigenaar.
Liberalen: Streefden naar vrijheid van iedere individu.
Confessionelen: Laten zich leiden in de politiek door hun geloof.
Conservatieven: Wilden de oude toestand van voor de revolutie terug.
Amerika
1. Drie redenen opschrijven voor emigratie van Europeanen naar Amerika
Het zoeken naar politieke vrijheid
Het zoeken naar de mogelijkheid om de eigen godsdienst te beleiden
Het zoeken naar betere bestansmogelijkheden
2. Uitleggen waarom slavernij vooral voorkwam in de zuidelijke staten van de VS
Het ging aan het einde van de 18e eeuw niet zo goed met de plantages. Daarna steeg de vraag naar katoen echter. Daardoor nam het aantal plantages en dus de vraag naar nieuwe slaven toe.
3. Het ontstaan van de VS (1775-1787) kort beschrijven
IN 1775 kwamen de 13 koloniën in opstand tegen Engeland. Ze riepen de onafhankelijkheid uit. Onder leiding van generaal Washinton versloegen zij de Engelsen. De vroegere koloniën moesten een grondwet maken, welke in 1787 tot stand kwam. Elke kolonie werd een staat en alle staten bij elkaar vormden een Unie, die men de Verenigde Staten ging noemen, afgekort de VS.
4. De rolverdeling beschrijven tussen president, Congres en Hooggerechtshof
President: Uitvoerende macht, heeft het recht wetten die door het Congres worden aangenomen, te verbieden (vetorecht).
Congres: Wetgevende macht, Senaat en Huis van Afgevaardigen. Keurt de wetten goed of af. Kan de president stellen en afzetten.
Hooggerechtshof: Rechtsprekende macht, negen rechters die voor het leven worden benoemd. Wet in strijd met de grondwet, kunnen ze hem buiten werking stellen. Kijkt ook of de besluiten van de president kloppen met de grondwet.
5. De rolverdeling beschrijven tussen de federale regering en de (deel)staten
Federale regering: Regering van de Unie, bevoegd op het gebied van buitenlandse en economische politiek.
Deelstaten: Regelen alles zelf: onderwijs, politie, rechtspraak en verkeer.
6. Beschrijven in welke opzichten de VS lange tijd niet echt democratisch was
In de grondwet was nog niet vastgelegd dat alle burgers het recht hadden te kiezen en gekozen te worden.
7. Beschrijven hoe eens per 4 jaar de president van de VS wordt gekozen
Elke partij kiest een eigen kandidaat. De presidentsverkiezing wordt gehouden op de eerste dinsdag van de maand. Iedere staat heeft kiesmannen, naar het aantal inwoners. De presidentskandidaat die in een staat de meeste stemmen krijgt, krijgt alle kiesmannen van die staat. De presidentskandiaat die een meerderheid van de stemmen veroverd, wordt de nieuwe president. Tegelijkertijd wordt de nieuwe vice-president gekozen.
8. Beschrijven hoe de frontier in de negentiende eeuw steeds verder westwaarts schoof
Toen de VS onafhankelijk waren geworden trokken veel Amerikanen naar het westen.
Iedereen mocht er gaan wonen en vrij zijn.
Door spoorwegverbindingen met het westen schoof de frontier steeds verder naar het westen.
9. Kort beschrijven hoe de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) verliep
In de Amerikaanse Burgeroorlog vochten meer mensen tegen elkaar dan ooit tevoren. Er sneuvelden veel soldaten. Het zuiden hoefde zich alleen maar te verdedigen en had de bekwaamste legeraanvoerders. Maar het noorden had veel meer inwoners en een veel groter leger. Bovendien had het meer natuurlijke hulpbronnen. Op 09-04-1865 gaf de zuidelijke opperbevelhebber zich over aan Grant, de opperbevelhebber van het noorden. Vijf dagen later werd Lincoln vermoord door een aanhanger van het zuiden.
10. Beschrijven wat segregatie betekende voor African Americans na 1865 in het zuiden
De zwarten kregen wetten om te stemmen. maar de blanken verhinderden dat met oneerlijke middelen. Er werden veel terreurorganisaties opgericht om de zwarten schrik aan te jagen.
Woorden
Founding Fathers: De naam die in de VS gebruikt wordt voor de grondleggers van de VS van Amerika.
Trias politica: Het scheiden van de macht binnen een staat. Het houdt in dat de macht verdeeld moet zijn in: Wetgevende, Uitvoerende en Rechterlijke macht.
Senaat: In de senaat zitten van iedere staat 2 afgevaardigden.
Huis van Afgevaardigden: Hierin is iedere staat vertegenwoordigd naar het aantal inwoners, hoe meer inwoners een staat heeft, hoe meer vertegenwoordigers voor die staat in de senaat zitten.
Unie/federatie/bondstaat: Een vereniging van een aantal staten.
Confederatie/statenbond: Onafhankelijke deelstaten die o.a. buitenlandse politiek gemeenschappelijk regelen.
Partijconventie: Partij bijeenkomst.
Manifest Destiny: 1872, steeds meer Amerikanen geloofden dat de VS de roeping hadden het gehele westen van Amerika te veroveren.
Frontiermentaliteit: Dat is het westwaarts willen trekken van de Amerikanen omdat ze dachten dat daar goud, rijkdom, vrijheid en ruimte te vinden was.
Burgerrechtenstrijd: Dat de zwarten ook konden stemmen, eerlijk zonder verhinderd te worden door de blanken.
Wall Street: De plaats in de VS waar de meeste aandelen worden verhandeld.
Rusland
1. De regerinsvorm van de tsjaar ca. 1900 beschrijven
De tsaren beschermen de Kerk. In ruil daarvoor moesten de priester het volk aansporen tot trouw aan de tsaren. De tsaren wilden niet dat de kerk te machtig werd. Daarom moest de kerk in de 2e helft van de 18e eeuw bijna al haar grondbezit afgeven aan de staat. Omdat de geestelijken nu geen inkomsten meer hadden, werden zij voortaan door de staat slecht betaald. Daardoor waren ze nog meer gedwongen om de tsaar te steunen.
2. Opschrijven welke twee bevolkinsgroepen er in Rusland waren ca. 1900
De bovenlaag en de rest van de bevolking. De bovenlaag bestond uit de adel en rijke burgers. De rest van de bevolking zijn de boeren en de arbeiders.
3. De toestand van de Russische landbouw ca. 1900 beschrijven
De adel was de eigenaar van de helft van de landbouw. Steeds meer boeren raakten door armoede hun vrijheid kwijt en werden het eigendom van adellijke landeigenaren.
4. De toestand van de Russische industrie ca. 1900 beschrijven
De industrie ontwikkelde zich pas laat in de 19e eeuw, daarom was er in Rusland veel minder handel op grote schaal dan in West-Europa. Tijdens de 1e wereldoorlog moest de industrie alleen nog voor het leger produceren. Daardoor ontstond er een tekort aan allerlei artikelen voor de burgerbevolking.
5. De plannen beschrijven van bolsjewieken, mensjewieken, socialisten-revolutionairen en kadetten, ca. 1914
Bolsjewieken: Ze wilden de mach in Rusland direct veroveren en het socialisme invoeren. Dat kon alleen maar door een revolutie. Die revolutie moest worden uitgevoerd door een kleine, goed georganiseerde partij.
Mensjewieken:Ze wilden een grote partij opbouwen met zoveel mogelijk arbeiders als leden. Die partij zou moeten samenwerken met de vakbonden en met andere partijen. Op die manier zou de toestand in Rusland langzamerhand kunnen verbeteren. Ze hoopten dat hun partij in de toekomst ooit zo groot zou worden dat ze de macht in handen konden krijgen.
Socialisten-revolutionairen:Volgens hen moesten de boeren de revolutie uitvoeren. De socialisten-revolutionairen pleegden voortdurend aanslagen op overheidspersonen. Ze moedigden op het platteland opstanden van boeren aan.
Kadetten: Ze wouden een democratische staat met een grondwet, een parlement en algemeen kiesrecht. Ze wilden stap voor stap hun doel bereiken, maar als het niet anders kon, waren ook zij tot een revolutie bereid.
6. Vijf oorzaken beschrijven de Russische Revolutie(s) van 1917
Diepe kloof tussen de bovenlaag en de rest van de bevolking
De oprichting van politieke partijen
De 'revolutie van 1905'
Tsjaar Nicolaas II is een slecht bestuurder
7. Het verloop van de Oktoberrevolutie beschrijven
In 1916 waren er in de grote steden veel stakingen om te protesteren tegen het gebrek aan voedsel en de stijgende prijzen. Begin 1917 werd dat nog erger. In Petrograd werden de stakingen en demonstraties zo massaal dat de politie de situatie niet meer in de hand had. De regering gaf toen het leger de opdracht op de demonstranten te schieten. Maar de meeste soldaten weigerden dat. Sommige legerafdelingen vermoorden zelfs hun officiers. Omdat de regering machteloos was en de tsaar ook niets deed, besloot de Doema iets te doen. Ze benoemde zichzelf de voorlopige regering en zette de regering af. De voorlopige regering zou een tijde Rusland moeten besturen, totdat er verkiezingen zouden zijn. Op aanraden van zijn generaals besloot de tsaar afstand te doen van de troon. Kort daarna werden de tsaar en zijn gezin gevangen genomen.
8. Het verschil uitleggen tussen een revolutie en een staatsgreep
Een revolutie is een grote verandering in een korte tijd, een staatsgreep nemen mensen de regering over en veranderen voorlopig nog niets.
9. Uitleggen waardoor de Oktoberrevolutie een succes werd voor de bolsjewieken
De Voorlopige regering wilde geen eind maken aan de oorlog.
De propagenda van de Bolsjewieken sloeg aan bij veel soldaten, arbeiders en boeren.
De Bolsjewieken waren beter georganiseerd dan de andere partijen en hadden bekwamere leiders.
De ander partijen dachten dat de regering van de Bolsjewieken het niet lang zou volhouden.
De grote meerderheid van de bevolking had in het begin niet goed in de gaten wat er gebeurde en wat de plannen van de Bolsjewieken waren en bleven dus maar afwachten hoe het verder zou gaan.
Korte tijd na de revolutie begonnen de Bolsjewieken hun tegenstanders te arresteren.
10. Het verschil uitleggen tussen Rusland en de Sovjetunie
Rusland is 1 land, de Sovjetunie is een gebied bestaande uit meerdere landen.
11. Vier kenmerken beschrijven van stalisme
Vijfjarenplannen regelen de economie.
De landbouw word gecollectiviseerd.
De SU wordt een industriële staat.
Terreur neemt een grote omvang aan.
12. Het verschil uitleggen tussen planeconomie en vrije-markteconomie
Bij een planeconomie bepaald de staat wat de landbouw en de industrie mogen produceren. Bij een vrijemarkteconomie mag de producent dat zelf bepalen.
13. Twee voorbeelden opschrijven van verandering in Rusland, wanneer je de tijd van tsjaar Nicolaas II (ca. 1910) en de Sovjetunie onder Stalin (ca. 1940) met elkaar vergelijkt
D

D

14. Twee voorbeelden opschrijven van continuïteit wanneer je de tijd van tsjaar Nicolaas II (ca. 1910) en de Sovjetunie onder Stalin (ca. 1940) met elkaar vergelijkt
D

D

Woorden:
Marxisme: De belangrijkste vorm van socialisme. Genoemd naar Karl Marx.
Comminisme: Aanvankelijk de naam voor het marxisme
Constitutie: Belangrijkste wet van een staat, waarin de rechten van de mens zijn vastgelegd, en de regeringsvorm en de verdeling van de macht staan beschreven.
Parlement: Volksvertegenwoordiging
Doema: Het parlement in Rusland
Winterpaleis: Winterverblijf voor de tsjaren.
Sint-Petersburg: Vroeger Petrograd (een stad dus)
Leningrad: Oude naam van Sint-Petersburg
Lenin: Gevluchte leider van de bolsjewieken
Trotski: Aanhanger van het communisme
Stalin: Leider van 1929-1953.
Tsjeka: Politieke politie, opgericht door de bolsjewieken
Marxisme-leninisme: De leer van de Communistische partij.
Wereldrevolutie: Revolutie die wereldwijd plaatsvindt.
Vijfjarenplannen: Daarin werd door de regering bepaald wat de landbouw en de industrie in de komen 5 jaar mogen produceren.
Collectivisatie: Boerenbedrijven van 1 dorp werden samen in de SU samengevoegd tot 1 groot bedrijf, een kolchoz.
Kolschoz: Een samengevoegd bedrijf, dat eerst uit verschillende bedrijven bestond.
Terreur: Georganiseerd politiek geweld.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

A.

A.

Goede antwoorden!

12 jaar geleden

J.

J.

Leuk werkstuk, goed ook!

gegroet,
jes

12 jaar geleden

H.

H.

hoi goed hoor

12 jaar geleden

J.

J.

Hallo,
Ik vind dit werkstuk erg mooi,
Groetjes,
jessie

12 jaar geleden

L.

L.

goeie samenvatting
thank youuu

10 jaar geleden