Hoofdstuk 4, Groei

Beoordeling 7.8
Foto van een scholier
  • Antwoorden door een scholier
  • Klas onbekend | 3551 woorden
  • 22 februari 2010
  • 14 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.8
  • 14 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!

4 Groei
Voorkennis
1 baby afhankelijk van de ouders, nog geen vaste voeding, snelle groei, veel slaap nodig, nog problemen met temperatuurregeling
kleuter leren, groeien, ontwikkeling gebit (melktanden), ontwikkeling moto-riek, ontwikkeling taal
kind leren, groeien, (definitief) gebit
puber rijping geslachtsorganen, laatste groeispurt, ontwikkeling van een kritische houding
volwassene volgroeid, zorg voor nakomelingen
bejaarde einde levensfase, lichamelijke achteruitgang, wijsheid

2 Bij een kind betekent groeien lengte- en gewichtstoename. De vrouw van middelbare leeftijd bedoelt gewichtstoename of psychische groei: beter met veranderingen in het leven leren omgaan. Ontwikkeling is voor dat laatste een beter woord.
3 In de babyfase tot en met de puberteit is de toe-name van het aantal cellen groter dan de afname. In volwassen leefstijdsfase zijn toename en afname van het aantal cellen ongeveer gelijk. Zowel in de jeugd als in de volwassen fase sterven er cellen door slijtage af. Deze worden vervangen door nieuwe cellen. Bij mensen die nog in de groei zijn, worden er ook nieuwe cellen gevormd voor de groei van de organen.
■■
4.1 Dooreten, daar word je oud van
1 Voorbeelden van verouderingskenmerken zijn:
– grijze haren;
– slechter gehoor;
– slechter gebit;
– geheugenverlies;
– slechtziendheid;
– rimpels.
2 a De afgelopen 100 jaar is de leeftijd die mensen gemiddeld bereiken hoger geworden.
De maximale leeftijd is niet (nauwelijks) toegeno-men.
b Voorbeelden van oorzaken zijn:
– betere hygiëne;
– betere voeding;
– betere medische verzorging die toegankelijk is voor iedereen.
c Het verouderingsproces wordt door deze verbe-terde levensomstandigheden niet gestopt. De cellen verliezen op een bepaald moment het vermogen zich te delen. Mensen kunnen dan de afgestorven cellen niet langer (voldoende) vervangen.

Zenuwcellen sterven af en worden niet vervangen. Het afsterven van te veel zenuwcellen zal leiden tot verstoring van de regeling van allerlei levensprocessen.
3 I is onjuist.
De lengte die je bereikt is ten dele bepaald door je erfelijke eigenschappen. Alleen het eten van voedsel dat rijk is aan eiwitten en kalk kan de lengtegroei enigszins bevorderen.
II is onjuist.
Uit onderzoek is gebleken dat mensen die veel
calorierijk voedsel eten, gemiddeld eerder sterven.
III is juist.
Door het eten van bepaald voedsel (vooral groente en fruit) kun je je gezondheid positief beïnvloeden.
IV is onjuist.
Het eten van veel vetten veroorzaakt een kortere levensduur. Vetten dragen bij aan vaatproblemen zoals aderverkalking.
4 Voor een lange levensduur is mager zijn, in com-binatie met het eten van voldoende bouwstoffen, zoals vitamines gunstig. Als je al je eten laat staan, krijg je onvoldoende bouwstoffen binnen. Om warm te blijven heb je ook energierijk voedsel nodig. Je moet dus ook koolhydraten en vetten eten.
5 Als het telomeer lang genoeg is, kan de cel lang blijven delen. Door de telomerase blijft het telo-meer lang genoeg en stopt het delen van de cellen die de kanker veroorzaken niet.
6 Bij het hardlopen gebruiken je spiercellen veel energierijke stoffen want de stofwisseling (met name de verbranding) van je spiercellen verloopt tijdens het hardlopen sneller. Door de grote (che-mische) activiteit van de cel is de kans groter dat het DNA beschadigt. Daardoor sterft de cel en de hardloper kan daardoor minder goed gaan functioneren.
7 Voorbeelden van tips zijn:
– eet weinig vet en genoeg koolhydraten;
– eet veel fruit;
– eet veel vezelrijke voeding;
– eet veel groente, vooral rauw;
– neem regelmatig beweging;
– niet te lang zonnebaden, zeker niet zonder goede zonnebrandcrème.
8 Honingbijen gebruiken hun spiercellen actief in de zomer en zijn na een aantal weken ‘op’, omdat er veel cellen beschadigd zijn. In de winter zijn ze minder actief en leven ze langer, doordat er minder cellen beschadigen.
9 Dat het werkelijke sterftecijfer lager ligt, kan ko-men doordat alleen mensen die over een goede gezondheid beschikken, zo oud worden. De mensen van 80 jaar en ouder vormen dus een niet representatieve, want extra gezonde, groep uit de bevolking.


■■
4.2 Giraffen en olifanten
1 De lange magere man:
– heeft een groter lichaamsoppervlak, waardoor hij meer warmte afstaat aan de omgeving;
– heeft een dunnere vetlaag, waardoor hij een slechtere warmte-isolatie heeft.
2 De groeistoornis is niet met extra groeihormoon te verhelpen, dus codeert het gen op chromosoom 10 waarschijnlijk niet voor het groeihormoon. Het eiwit waarvoor het gen codeert werkt mogelijk als enzym dat noodzakelijk is voor een groeiproces of als receptor voor de binding van groeihormoon.
3 a Een dikke groeischijf voorspelt dat je nog veel zult doorgroeien, er zijn veel kraakbeencellen die op het groeihormoon kunnen reageren door te gaan delen. Daardoor wordt het bot (en dus de hele persoon) langer.
b Op een leeftijd van 12-13 jaar, omdat in de peri-ode in den regel veel groei optreedt. Als je erg klein voor je leeftijd bent is het van belang te weten of je nog veel zult groeien.
4 Het gevolg is dat er minder celdelingen plaatsvin-den. Daardoor is er minder lengtegroei mogelijk.
5 a
ribbe
(cm) oppervlak kubus
(cm2) volume kubus
(cm3) verhouding oppervlak / volume
1 6 × 1 × 1 = 6 1 × 1 × 1 = 1 6
10 6 × 10 × 10 = 600 10 × 10 × 10 = 1000 0,6
100 6 × 100 × 100 = 60000 100 × 100 × 100 = 1000000 0,06
a 6 × a2 a3 6 / a
b Het volume neemt bij de groei meer toe dan het oppervlak.
6 Het gewicht van de mug zal met de derde macht toenemen. Het steunoppervlak van de poten neemt met de tweede macht toe. De poten worden in verhouding onvoldoende dik om het gewicht te dragen.
7 1 – c (of b)
2 – d
3 – a (of b of c)
4 – a (of b)
Een groeifactor heeft invloed op de celding. Bij een groot lichaamsoppervlak treedt veel warmte-verlies op. Bij toenemend gewicht zijn sterkere spieren nodig, maar een groter gewicht wordt ver-oorzaakt door celdeling (en dus groei). Testoste-ron is een geslachtshormoon dat veroorzaakt meer spierontwikkeling en versnelde groei in de puberteit.
8 Grote pinguïns kunnen beter in koudere klimaten overleven doordat ze een relatief kleiner oppervlak hebben ten opzichte van hun inhoud. De warmteproductie is daardoor ook in de kou in evenwicht te houden met het warmteverlies. De grote pinguïns hebben bovendien een dikkere vetlaag en meer donsveertjes. Beide aspecten zorgen voor een goede warmte-isolatie.
Het relatief grotere oppervlak van de kleinere pin-guïnsoorten helpt hen in warmere streken warmte te verliezen.
9 De kapotte cellen geven een stof af die de celde-lingen stimuleert. Onder andere daardoor wordt het herstel van de wond bevorderd.
10 In oren en neus zit kraakbeen. Kraakbeencel-len reageren op groei- (en geslachts)hormoon door te gaan delen. Dat ze langzaam groeien, komt doordat bij volwassenen minder groeihormoon wordt afgegeven dan bij kinderen.
■■
4.3 Jong blijven? Vernieuw je cellen!
1 In 1 milliliter bloed zitten 5 × 106 rode bloedcel-len. In 1 liter 1000 maal zoveel, dus 5 × 109 rode bloedcellen. In 4 liter dus 20 × 109 rode bloedcel-len. In 120 dagen worden al deze cellen ver-nieuwd.
Per dag maakt het rode beenmerg 20 × 109 / 120 = 167 × 106 rode bloedcellen.
2 Ongeremde celdeling kan leiden tot het ontstaan van tumoren. Het is dus belangrijk dat de celdeling geremd kan worden.
Bij beschadigingen of bij het afsterven van cellen is herstel nodig. Hiervoor moeten nieuwe cellen aangemaakt worden. De celdeling moet ook ge-stimuleerd kunnen worden.
3
4
5 Dit is belangrijk omdat het DNA voor eiwitten codeert. Als er een fout in de code zit, kunnen aan de ribosomen eiwitten ontstaan die een verkeerd aminozuur bevatten. Een gevolg kan zijn dat deze eiwitten de vereiste vorm niet meer hebben. Zij passen daardoor niet meer goed op bijvoorbeeld het substraat (als het eiwit een enzymfunctie heeft) of niet meer goed op het hormoon (als het eiwit een receptorfunctie heeft).
6 De juiste volgorde is: 2 (interfase) – 4 (profase) –
3 (metafase) – 1 (anafase) – 5 (telofase).
7 De spoelfiguur maakt het mogelijk dat de chromatiden bij de mitose uit elkaar gaan en precies gelijk over de nieuw te vormen cellen worden verdeeld.
8 a Voorbeelden van factoren die een snelle groei bevorderen:
– constante temperatuur, die optimaal is voor de enzymen;
– veel CO2 voor een goede fotosynthese;
– regulatie van de luchtvochtigheid;
– regulatie van de bodemvochtigheid;
– optimale belichting;
– genetisch gemodificeerde planten die sneller groeien en ontwikkelen;
– planten die geselecteerd zijn op snelle groei.
b Voorbeelden van factoren die een snelle vleesproductie bevorderen:
– weinig beweging;
– groeihormoon (hoewel verboden);
– selectie op kalveren die snel groeien;
– voedsel dat de groei bevordert.
9 Het speeksel bevat bijvoorbeeld bacteriedoden-de stoffen of stoffen die de celdeling bevorderen.
10 a – I
De lijn van RNA loopt overal horizontaal.
b – III
Het lijkt of er alleen tijdens de derde periode DNA wordt gemaakt. Van de andere momenten ont-breekt informatie. Je weet op basis van deze fi-guur alleen dus niet of er DNA bijgemaakt wordt in de andere periodes.
c – II
De eiwitproductie loopt niet synchroon met de vorming van RNA. Er is een constante RNA-synthese en een variabele eiwitsynthese.
d – I
De periode vanaf de eerste mitose tot en met de tweede mitose duurt (6 + 8 + 1,25 + 0,75 =) 16 uur.
e – III
Je hebt geen gegevens over andere activiteiten van de cel. Je kunt wel zien dat de eiwitsynthese minder is omdat de hoeveelheid eiwit afneemt in de mitosefase.
f – III
Je hebt geen gegevens over hoe het DNA wordt verdeeld, alleen over de hoeveelheid die wordt gevormd.
g – III
Je hebt geen gegevens over waar de eiwitten heen gaan.
■■
4.4 Beter een goede buur…
1 Voorbeelden van weefsels met hun functie zijn:
weefsel functie
spierweefsel beweging mogelijk maken
zenuwweefsel geleiden impulsen
klierweefsel het maken van klierproduc-ten
dekweefsel afdekken bloedvaten,
lichaamsoppervlak (huid), afdekken binnenkant darm enz.
bindweefsel onder andere aanhechting van spieren aan botten, houdt spierweefsel bijeen
beenweefsel stevigheid
kraakbeenweefsel soepelheid bij beenverbin-dingen, groei van bot, schokbreking
vetweefsel opslag, warmte-isolatie
2 Mogelijke verklaringen zijn:
– in de intacte planten verhinderen andere cellen dat wortelcellen ontstaan;
– stoffen uit andere cellen verhinderen dat er wortelcellen ontstaan.
3 Verschillen tussen celdeterminatie en celdifferen¬tiatie zijn:
– celdeterminatie gaat vooraf aan celdifferentia-tie;
– na celdeterminatie zijn er nog geen uitwendige verschillen tussen de cellen, na celdifferentiatie wel;
– na celdeterminatie deelt een cel zich meestal nog vele malen, na celdifferentiatie meestal niet meer;
– na celdifferentiatie zijn er verschillen in eiwit-samenstelling, na celdeterminatie is dat niet
zeker.
4 a Mastergen 1 in cel A beïnvloedt de mastergenen 3 en 5.
b Het eiwit van mastergen 3 schakelt de genen a, c en d aan.
c Het eiwit van mastergen 4 schakelt de genen a, b en f uit.
d Het eiwit van mastergen 6 schakelt de genen c, d, e en g aan.
e Het gevolg is dat cel A zich in een andere richting ontwikkelt dan cel B.
In cel A is een ander combinatie van genen actief, waardoor in A andere eiwitten worden geproduceerd dan in B.
5 Mastergenen coderen voor eiwitten, die op het DNA van de cel gaan zitten. Ook bij een celdeling blijven de eiwitten op hun plaats zodat elk type cel alleen een nieuwe cel maakt van hetzelfde type.
6 Er is een mastergen voor de ontwikkeling van de kop, dat via een eiwit andere mastergenen aan-schakelt; bijvoorbeeld mastergen A en B. Gen A schakelt via een eiwit de genen aan die de ontwikkeling van kopdelen sturen: o.a. antennes. Gen B schakelt via een eiwit genen uit die voor aanhangselen van het borsstuk coderen: o.a. poten. Als het eerste mastergen gemuteerd kunnen er fouten optreden in het aan-en uitschakelen van genen, zodat op de kop poten ontstaan in plaats van antennes.
7 Bij inductie gaat een cel zich differentiëren onder invloed van zijn buurcellen. Inductie is het ver-schijnsel dat buurcellen de ontwikkeling van een cel beïnvloeden. Zonder buurcellen kan het mis-gaan met de cel door geprogrammeerde celdood.
8 a Je zou cellen van melkgangen van een zwanger proefdier elders in haar lichaam kunnen
implanteren of laten groeien op verschillende weefselkweken. Vervolgens kijk je of ze zich dan ook gaan vertakken. Vertakken ze overal gelijk dan is er geen sprake van inductie, maar van een andere (bijvoorbeeld hormonale) invloed. Is het vertakkingspatroon overal verschillend, dan is er zeker sprake van inductie.
b Je zou in een stukje huid van een heel jong em-bryo de zenuwcellen kunnen verwijderen. Als er toch tastzintuigcellen ontstaan is er geen sprake van inductie.
9 Het belang van geprogrammeerde celdood voor het embryo is dat bepaalde, aanvankelijk aanwe-zige, structuren weer kunnen verdwijnen. Organen of onderdelen daarvan kunnen zo hun uiteindelijke vorm krijgen. Cellen tussen de vingers en tenen sterven bijvoorbeeld af, zodat vingers en tenen kunnen ontstaan.
10 De ultra-violette straling leidt tot beschadiging van het DNA. Als deze beschadigingen te groot zijn, sterven de cellen af. Dit kan een vorm van geprogrammeerde celdood zijn, als de beschadigde cellen vanuit de omringende cellen een signaal krijgen dat te doen.
11 Huidcellen zijn al gedetermineerd en gespecialiseerd. De cellen kunnen niet alle eiwitten meer maken die nodig zijn voor voor de ontwikkeling an alle organen in het embryo.
Bovendien zijn cellen van een volwassen dier al ouder geworden en hebben dus kortere telomeren. De cellen kunnen niet meer zo vaak delen.
12 De beschadigde cellen geven blijkbaar stoffen af die de vorming van bloedvaten bevorderen. Hierdoor ontstaan nieuwe bloedvaten die onder normale omstandigheden niet zouden zijn ont-staan.
13 a De mastergenen zijn actief bij het vastleggen van de posities van de cellen in de vleugel en bij het vastleggen van de kleuren. De genen voor geprogrammereerde celdood worden actief bij het vastleggen van de vorm van de vleugels.
b Er zal een vlinder zonder vleugels ontstaan.
14 Stengelcellen zijn gedifferentieerd en zullen alleen andere stengelcellen maken. Door het wegvallen van de buurcellen valt de invloed op de ontwikkeling tot stengelcel weg. Daardoor gaan cellen in het beschadigde deel zich differentiëren tot wortelcellen.
■■
4.5 Wildgroei
1 Oorzaken van kanker kunnen zijn:
– röntgen straling;
– radioactieve straling;
– roken;
– veel vet in voedsel;
– verkoold voedsel (aangebrand);
– asbest;
– enkele virussen;
– enkele veranderingen (mutaties) in het DNA waardoor er makkelijker een verstoorde
celdeling ontstaat.
2 Dat longkanker bij vrouwen vaker voorkomt dan vroeger, staat in direct verband met het feit dat meer vrouwen zijn gaan roken.
3 B
4 Voorbeelden van genen die door mutatie kanker kunnen veroorzaken, zijn:
– proto-oncogen;
– tumorsuppressorgen;
– zelfmoordgen;
– gen dat codeert voor receptoreiwit voor een remstof;
– gen dat codeert voor groeifactor.
5 In huid, longen en darmen vinden voortdurend celdelingen plaats. Wanneer de celdelingen niet goed gereguleerd worden, kunnen tumoren ont-staan. Bovendien bevindt het DNA zich in deze cellen door de vele delingen voortdurend in een kwetsbare toestand. Daardoor is het DNA van de-ze cellen bevattelijk voor mutaties.
6 De darmen staan via de poortader in direct con-tact met de lever. Losgeraakte tumorcellen uit de darm kunnen zo in de lever terecht komen en zich daar vestigen.
De vaten vanuit de huid monden uit in de holle aders die via de rechterboezem en de rechterka-mer in verbinding staan met de longslagaders.
7 I nee
De groeifactor past dan niet meer. Dat kan nooit leiden tot wildgroei van cellen. De celgroei wordt juist beperkt.
II ja
Meer DNA-synthese leidt tot meer mitosen.
III ja
De cel kan dan makkelijker losraken en zich elders vestigen
IV ja
Als het eiwit niet functioneel is wordt DNA-synthese niet tegengehouden en meer DNA-synthese leidt tot meer mitosen.
8 Cellen met veranderd DNA worden vaak herkend en gestimuleerd tot geprogrammeerde celdood of verwijderd door witte bloedcellen. Het DNA kan ook zo veranderen dat belangrijke stoffen ontbreken waardoor de cel ook dood gaat.
9 Kankercellen die zich hechten aan lichaamscel-len worden niet herkend.
■■
Leertaken
■■
Leertaak 4A

■■
Leertaak 4B


■■
Inzicht en overzicht
■■
4.1 Dooreten, daar word je oud van
1 vitaminen, bouwstoffen
2 bouwstoffen
3 telomeren
4 energierijke stoffen, DNA-beschadiging
5 telomerase
6 DNA-beschadiging, celdood
■■
4.2 Giraffen en olifanten
1
groeispurt – snelle groei tijdens de pu-berteit
groeihormoon – hormoon, gemaakt door de hypofyse, dat tijdens de kinderjaren verantwoordelijk is voor de groei
groeifactor – klein eiwitmolecuul, dat cellen stimuleert te delen
lengtegroei – groei in de lengte, vooral ver-oorzaakt door de groei van de pijpbeenderen
groeischijf – schijf kraakbeen in de pijp-beenderen. In de groeischijf bevinden zich kraakbeencellen, die reageren op groeihormoon door te delen en te verbenen. Vanuit de groeischijf groeit het bot in de lengte
groei van het volu-me ten opzichte van het oppervlak – bij groei neemt het volume toe met een derdemachtsfunctie en het oppervlak met een tweedemachtsfunctie. Daar-door wordt het oppervlak bij het groter worden naar ver-houding kleiner.
receptor voor groei-factor – antenne aan het celmem-braan van cellen die gevoelig zijn voor de groeifactor en op de groeifactor reageren
geslachtshormoon – hormoon, gemaakt door de geslachtsklieren, dat in de pu-berteit verantwoordelijk is voor de groeispurt en versnelde verbening van de groeischijf, waardoor de lengtegroei stopt
2 groeihormoon, groeifactor, receptor voor groeifactor, geslachtshormoon
3 receptor voor groeifactor
4 groeihormoon, groeifactor, receptor voor groeifactor, geslachtshormoon

■■
4.3 Jong blijven? Vernieuw je cellen!
1 G1-fase, S-fase, G2-fase, profase, metafase, ana-fase, telofase (zie ook bron 14)
2 bijmaken van celorganellen: G2-fase
spiraliseren van chromosomen: profase
chromosomen liggen in equatorvlak: metafase
DNA wordt verdubbeld: S-fase
chromatiden gaan uit elkaar: anafase
kernmembraan verdwijnt: profase
■■
4.4 Beter een goede buur…
1 1: celdifferentiatie
2: determinatie
3: mastergenen
4: regeleiwitten
5: inductie
6: geprogrammeerde celdood
2 a Oorzaak: determinatie; gevolg: celdifferentiatie.
Door deteminatie worden genen aan- of uitge-schakeld, waardoor de cel bepaalde eiwitten wel of niet maakt en gaat verschillen van een cel waarvan andere genen aan- of uitgeschakeld zijn.
b Oorzaak: regeleiwitten; gevolg determinatie.
De regeleiwitten zitten op bepaalde vaste plekken op het DNA en werken als schakelaar.
c Oorzaak mastergenen; gevolg regeleiwitten.
De genen met de code voor de regeleiwitten be-sturen de ontwikkelingpatronen van organen.
d Oorzaak: inductie; gevolg differentiatie.
Door contact met de buurcellen wordt de ontwikkeling van cellen beïnvloed.
e Oorzaak: inductie; gevolg: celdood.
Door een signaal van buitenaf (van de buurcellen) wordt een cel aangezet tot celdood.
■■
4.5 Wildgroei
1 a Gevolg: minder celdeling; de groeifactor past niet meer op de receptor en de cel wordt niet gestimuleerd tot deling.
b Gevolg: meer celdeling; het proto-oncogen is veranderd in een oncogen en de cel wacht het signaal tot celdeling niet meer af en deelt zonder signaal van buitenaf.
c Gevolg: meer celdeling; de cellen met een gemu-teerd zelfmoordgen sterven niet terwijl ze beschadigd DNA hebben. Daardoor kunnen ontregelingen van de celdeling optreden. In de cellen van de meeste tumoren is dit gen gemuteerd.
d Gevolg: meer celdeling; de celdeling wordt niet geremd doordat de remstof niet meer op de receptor past.
2 a Ja , want mutaties spelen een belangrijkerol bij het ontstaan van tumoren.
b Ja, want tumoren ontstaan door meerdere muta-ties. Een mutagene stof kan daardoor ook invloed hebben op het ontstaan van kanker.
■■
Leertaken
De hypothese luidt: De hypoyse heeft invloed op de rijping van de geslachtsorganen en het ontwikkelen van secundaire geslachtskenmerken.

■■
Test jezelf
1 Bij deze weefsels treden voortdurend celdelingen op. Daardoor worden de telomeren kleiner. Telomerase repareert deze telomeren, zodat de cel kan blijven delen.
2 Wanneer een groeifactor in contact komt met een cel, treden achtereenvolgens de volgende processen op:
– een groeifactor (1) bindt zich aan de receptor op het celmembraan (2);
– het signaal van dt groeifactor passeert het cel-membraan (3);
– daardoor worden in de celkern bepaalde genen aangeschakeld waardoor eiwitten die deling stimuleren gevormd worden (4).
3 D
De Siberische tijger leeft in koude omstandighe-den en zal dus gewapend moeten zijn tegen warmteverlies om zijn lichaamstemperatuur con-stant te houden. Hij zal dus een groot lichaam hebben (groot volume = relatief klein oppervlak) en kleine oren (klein oppervlak).
4 a In grafiek 2 wordt de groei aangegeven van het voortplantingsstelsel.
Dit ontwikkelt zich tussen ongeveer het 14e en het 20e jaar (vanaf de puberteit).
b A
Op leeftijd P is de proefpersoon het kleinst en heeft dus relatief het grootste oppervlak ten op-zichte van zijn inhoud. Daardoor zal hij op leeftijd P de meeste warmte verliezen. Om zijn tempera-tuur op peil te houden, heeft hij op leeftijd P de sterkste verbranding en dus het meeste zuurstof nodig.
5 B
Alleen een groeifactor zal de cellen tot deling sti-muleren.
6 D
Het DNA is verdubbeld, maar het kernmembraan is nog zichtbaar.
De juiste volgorde van de stadia is:
– 4 interfase
– 2 profase (kernmembraan is verdwenen, chro-mosomen in cytoplasma)
– 1 metafase (chromosomen midden in de cel en trekdraden aangehecht aan de centromeren)
– 3 anafase (chromatiden gaan uiteen).
7 I is juist.
Bij celdeterminatie wordt bepaald welke master-genen ‘aangeschakeld’ worden.
II is onjuist.
In principe hebben al je lichaamscellen hetzelfde DNA dus zijn al je cellen in staat dezelfde eiwitten te maken. Het is waarschijnlijk dat er gelijke eiwit-ten zijn in huid- en levercel.
III is onjuist.
Bij een volwassene zijn bij differentiatie van nieu-we huidcellen, bloedcellen, darmcellen, enzovoort, ook mastergenen werkzaam.
IV is juist.
Hier vinden dezelfde processen van deling, determinatie en differentiatie plaats.
8 Gedetermineerde cellen, omdat:
– deze cellen in de rups nog geen functie heb-ben. Er staat al wel vast dat ze een onderdeel van de volwassen vlinder zullen vormen;
– ze zich dus nog kunnen delen. Na differentiatie kan dat meestal niet meer.
9 Alle cellen van het tumorweefsel zijn door mitose uit dezelfde ‘oer-tumorcel’ ontstaan. In deze cel is een eenmalige mutatie opgetreden. Het DNA van deze cel wordt bij elke deling gekopieerd. Zo komt het oncogen EJ in alle cellen van het tumorweefsel terecht. De mutatie moet dus vroeg gebeurd zijn.
10 Grafiek 2 is juist.
In de interfase wordt het DNA verdubbeld, tijdens de mitose wordt het DNA over twee cellen ver-deeld. Elk van de twee nieuwe cellen heeft dan een gelijke hoeveelheid DNA als de oorspronkelijke cel.
Grafiek 1 is onjuist. De hoeveelheid DNA blijft hier twee keer zo groot als in de oorspronkelijke cel.
Grafiek 3 is onjuist. De hoeveelheid DNA is hier na deling slechts de helft van de hoeveelheid in de oorspronkelijke cel.
11 Bij iemand die lange tijd gedronken heeft, zijn veel hersencellen aangetast. Hersencellen delen zich niet. Ook al stopt iemand met drinken, de beschadigde cellen kunnen niet meer vervangen worden.
12 Het kan gaan om een ophoping van ingekap-selde cellen die, doordat ze zijn ingekapseld, zich niet langer delen. Dit noem je een goedaardige tumor.
Het kan ook een uitzaaiing zijn van een tumor die in een ander orgaan is ontstaan.
13 a Niet-eenduidige zinsdelen en woorden zijn:
– kleine dieren. Hoe klein precies? Er zijn geen afmetingen vermeld;
– welke dieren? Er zijn ook koudbloedige dieren;
– in de Andes. Waar precies? Geldt dit voor het gehele Andes-gebied?;
– afmetingen: lang, breed, dik, dun?;
– ’s nachts: Van hoe tot hoe laat? Ook als de temperatuur ’s nachts nauwelijks daalt?;
– hun lichaamstemperatuur verlagen: Met hoe-veel precies verlagen?;
– te veel afkoelen: Te veel voor wat?
b Voorbeeld van een betere formulering:
‘Door hun kleine volume en relatief grote opper-vlak zouden ze zoveel warmte verliezen dat
lichaamsprocessen niet meer goed zouden kun-nen verlopen’.



vragen hebben betrekking op
1, 5 4.1
2, 3, 4, 5, 13 4.2
6, 10 4.3
7, 8, 11 4.4
9, 12 4.5
13 Leertaak A
Bestudeer nogmaals de desbetreffende paragra-fen en leertaken als je niet alle vragen goed hebt beantwoord.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.