Door Scholieren.com te bezoeken geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Ben je onder de 16? Zorg dan dat je toestemming van je ouders hebt om onze site te bezoeken. Lees meer over je privacy (voor het laatst bijgewerkt op 25 mei 2018). Akkoord Instellingen aanpassen

De evolutie van de mens

Biologie

Profielwerkstuk

Evolutie

6.4 / 10
5e klas havo
  • KuifJJ
  • Nederlands
  • 10942 woorden
  • 8658 keer
    26 deze maand
  • 11 januari 2012
Voorwoord
Vorig jaar, aan het eind van het schooljaar 2010-2011, was het dan zover. We kregen alle informatie over het profielwerkstuk. Het profielwerkstuk dat iedere scholier moet maken als meesterproef in HAVO 5 of VWO 6. Het profielwerkstuk is dan misschien ook wel het belangrijkste in je examenjaar. Je moet alles wat je in die 5 of 6 jaar hebt geleerd toepassen in 1 groot verslag. Dat is niet niets! Gelukkig waren we er al snel uit waar we ons profielwerkstuk over wilden doen. Over de evolutie van de mens. We kozen er ook voor om een klein stukje over evolutie in het algemeen uit te leggen, zodat je een idee krijgt hoe evolutie in elkaar zit. Dit onderwerp valt natuurlijk onder het vak biologie. Een vak waar we sowieso ons profielwerkstuk over wilden doen. De evolutie is over het algemeen een erg uitgebreid onderwerp. We waren daardoor ervan bewust dat we ons onderwerp zorgvuldig moesten afbakenen. We schrokken ook van de hoeveelheid informatie die er was. We maakten ons al gelijk zorgen, moeten we dit allemaal in ons profielwerkstuk zetten? Gelukkig hadden we beiden al wat ideeën wat we zeker in ons verslag wilden terug zien, dus was het wat makkelijker om alles te scheiden en sorteren. De deelonderwerpen die na een lange selectie overbleven, waren nog steeds erg uitgebreid. Dit moet ook wel met die onderwerpen, anders kun je het niet goed uitleggen. Dit risico besloten we te nemen. Wij vertellen liever teveel dan te weinig. We hopen dat we alles zo duidelijk en overzichtelijk mogelijk in elkaar hebben gezet.

Wij hebben er ook voor gekozen om geen practicum te doen. Toch vonden we dat we iets wilden maken in plaats van een practicum. We waren nog niet helemaal tevreden over ons verslag. Er ontbrak nog iets. We wilden nog extra informatie geven wat betreft de evolutie van de mens. We hopen dat we de evolutie van de mens nu duidelijk en overzichtelijk beschreven hebben. De poster bestaat uit 5 menssoorten die elk apart beschreven worden, compleet met plaats van herkomst en de evolutie van de schedels.
Roosendaal, 9 januari 2012 


Inleiding

Wij hebben als onderwerp voor dit profielwerkstuk de evolutie van de mens gekozen. Een onderwerp wat we beiden erg leuk en interessant vinden. Het was daarom ook niet moeilijk om tot een besluit te komen dat de evolutie van de mens ons profielwerkstuk onderwerp zou worden. De evolutie, een erg breed en toch eigenaardig onderwerp. Tot heden weet men nog niet zeker hoe alle levensvormen zijn ontstaan. Ze hebben wel ideeën, maar niet voldoende bewijs om te achterhalen of het ook daadwerkelijk zo gebeurd is. Er zijn veel theorieën beschreven over hoe de aarde tot stand is gekomen. Die theorieën worden ook wel evolutietheorieën genoemd. Evolutie, een woord dat een proces beschrijft waarbij een steeds hogere orde van organisatie en intelligentie ontstaat. Dit proces zou volgens velen ontstaan zijn door de ‘'Big Bang’’ (de oerknal), maar niets is zeker. Zo heb je ook het verhaal van Adam en Eva, beschreven vanuit het geloof. Elke cultuur heeft zijn eigen theorie en peinst er niet over dat een oerknal het leven heeft geschapen. In hun geloof heeft god de wereld geschapen en niemand anders.

Maar is dit ook echt het geval? Heeft god ervoor gezorgd dat er leven ontstond op de aarde? Veel geleerden hebben vinden van niet. God is geen levend en bestaand persoon. Er zijn geen bewijzen dat god het leven heeft geschapen in tegenstelling tot sommige theorieën van geleerden. Het is echter zo dat er helemaal geen bewijzen bestaan van de schepping. Die schepping was namelijk miljarden jaren geleden! Men heeft wel fossielen en skeletten en andere voorwerpen gevonden, maar dit wil nog niets zeggen over hoe het leven op de aarde precies is ontstaan. Hierdoor werden geleerden verplicht om experimenten en onderzoeken te gaan verrichten. Geleerden gingen de hele wereld over en onderzochten onder andere de organismen die in daar leefden Met die informatie kamen ze terug en vergeleken ze de resultaten met andere organismen. De resultaten die hieruit kwamen, waren niet normaal voor die tijd. Niemand wilde hier iets van weten, het was taboe. Mensen spraken er niet over, ze waren bang. Gelukkig lieten de geleerden zich hierdoor niet stoppen. Ze waren er allemaal over eens dat de verschillende levensvormen (o.a. de mens) ergens vandaan moesten komen. Maar waar? Dat was de vraag waar geleerden zich het meest mee bezig hielden en nog steeds doen.

De geleerden hebben uit hun resultaten een eigen theorie bedacht. Een evolutietheorie. Die theorie beschrijft hoe het leven volgens hun ontstaan is. Veel theorieën komen met elkaar overeen. Dat wil dus zeggen dat de resultaten vel veel geleerden op hetzelfde neerkomen. De evolutietheorie die de meeste indruk heeft achtergelaten is die van Charles Darwin. Een natuurkundige die ook wel bekent staat als de belangrijkste grondlegger van de evolutie. Zijn evolutietheorie beschrijft een proces waarbij erfelijke eigenschappen binnen een populatie van organismen veranderen in de loop van generaties. Het gevolg dat hierdoor ontstaat wordt ook wel genetische variatie genoemd (voorplanting en natuurlijke selectie). Of dit ook echt is gebeurd weet men niet, maar zijn onderzoeken zijn zo geloofwaardig en logisch dat je er nauwelijks omheen kan. Of wel?

Wij hebben ons bezig gehouden met de evolutie van de mens. Hierbij gaan we onderzoeken hoe de menssoort waarschijnlijk is geschapen aan de hand van verschillende theorieën. Met namen de theorie van Charles Darwin. Onze onderzoeksvraag en hypothese die we bij dit verslag hebben opgesteld zijn dus:

Onderzoeksvraag: Is de homo sapiens de hoogst geëvolueerde menssoort?
Hypothese: De mens stamt van de apen af.


Hoofdstuk 1 - Charles Darwin

§1.1 Informatie over Charles Darwin
Charles Darwin, een Engels natuuronderzoeker, bioloog en geoloog die onder andere bekend was door zijn evolutietheorieën. Hij is geboren in 1908 is Downe (Kent). Zoon van Robert Waring Darwin (arts) en Susannah Wedgwood (bekend van beroemde porseleinfabrieken). Zijn vader was een groots arts, die een bloeiende medische praktijk uitoefende en hoopte dat Charles hem zou gaan opvolgen. Zijn vader gaf hem op voor een studie medicijnen aan de universiteit van Edinburgh in Schotland. Al snel bleek dat Charles niet goed tegen bloed kon. Hij verwaarloosde zijn studie. Daardoor besloot zijn vader hem op te geven voor de studie theologie (godsleer) aan het Christ’s College van de universiteit van Cambridge. In 1831 deed hij eindexamen. Hij blonk uit in de klassieke studies: wiskunde en natuurkunde. Ook theologie ging hem goed af. Op advies van een vriend (Henslow) liet hij zich niet direct tot priester wijden. Henslow gaf Charles ook een brief die hem wees op Robert FitzRoy. Een kapitein van de HMS Beagle. Robert FitzRoy zou naar onder andere Zuid- Amerika gaan voor een ontdekkingsreis om nieuwe kustkaarten te vervaardigen. FitzRoy was alleen nog op zoek naar een natuuronderzoeker die hem gezelschap zou houden en zelf onderzoek zou gaan verrichten op deze reis. Charles vertelde zijn vader het plan om met de Beagle de reis te gaan maken. Omdat de reis 2 jaar zou gaan duren wilde zijn vader hem eerst gaan toestemming geven. Doordat zijn vader uiteindelijk werd overgehaald door een broer, van zijn ondertussen al overleden vrouw, om toestemming te geven voor de reis.

Op 22 jarige leeftijd stapte Charles op de Beagle om zijn reis te maken. De reis die eerst 2 jaar zou gaan duren, duurde uiteindelijk 5 jaar. Charles was vaak te zien aan land omdat hij vaak zeeziek werd. Daar bestudeerde hij geologie en de natuur van gebieden. Alles wat hij ontdekte stuurde hij naar Cambridge, inclusief beschrijvingen van zijn ontdekkingen. Tijdens deze reis kreeg hij al veel ideeën over de manier waarop soorten kunnen veranderen en uit elkaar kunnen ontstaan. Het was echter niet gebruikelijk om begin van de negentiende eeuw je mening te verkondigen over het veranderen van soorten. Vele onderzoekers vonden dat soorten onveranderlijk geschapen zijn en niet anders. Hierdoor durfde Darwin zijn ideeën niet openbaar te maken. Pas 20 jaar later durfde Darwin zijn theorieën te publiceren. Darwin was zeer belangstellend. Zo bestudeerde hij allerlei artikelen en boeken over de gezichtsuitdrukkingen van mensen en apen en van alles over planten. Darwin was ook zeer geïnteresseerd in koraal. Hij was 8 jaar lang bezig met een studie van zeepokken en eendenmosselen. In 1859 kwam het boek ‘’The orgin of species’’ uit, waarin Darwin zijn evolutietheorie wereldkundig maakt. Het boek is algemeen van opzet en beperkt zich tot de grote lijnen. Die evolutieleer was onder anderen gebaseerd op het werk van de geoloog Lyell.


Terug in Engeland is Darwin vastbesloten om natuurwetenschappelijk onderzoeker te worden. Hij trouwt met zijn nicht Emma Wedgwood en het echtpaar vestigt zich eerst te Londen. Charles en Emma krijgen 10 kinderen, waarvan er al 2 gelijk bij de geboorte sterven. De meeste kinderen die geboren werden leden allemaal aan ernstige ziekten en zwaktes. Darwin vermoedde dat de nauwe familierelatie, neef en nicht, tussen de twee echtgenoten de oorzaak kon zijn voor deze ziektes. Hierdoor bevestigde hij zijn theorie. Zijn theorie was omstreden, omdat deze in contrast stond met het ontstaan van de aarde volgens de leer van de kerk. Toch wordt deze theorie nog steeds gezien als één van de belangrijkste uit de hedendaagse wetenschap. Darwin overleed op 19 april 1882 en werd begraven in Engeland. 


§1.2 De evolutietheorie van Charles Darwin (Darwinisme)
Evolutie en evolutietheorie zijn twee verschillende dingen maar hebben wel veel met elkaar gemeen. Evolutie is het biologische verschijnsel dat de levensvormen in de loop van de tijd doet veranderen. De evolutietheorie is de verklaring van dat verschijnsel. Beide begrippen zijn van groot belang bij de huidige beeldvorming over de mens, de natuur en het leven. Charles Darwin ontdekte met zijn reizen van alles over het leven van organismen. Hij heeft hierbij een eigen theorie bedacht. Deze theorie word ook wel het Darwinisme genoemd. Darwin kwam met opmerkelijke resultaten en waarnemingen over zijn ontdekkingen. Deze resultaten publiceerde hij onder andere in een paar boeken.

Alle levensvormen kunnen veranderen. Of het nou op korte of lange termijn is, dat maakt niet uit. De generaties van soorten veranderen continu. Zelfs na miljoenen jaren. Sinds de eerste levensvormen zijn ontstaan op de aarde, zijn er in de loop van de tijd veel nieuwe soorten ontstaan en verdwenen. De historische ontwikkeling van het leven op aarde wordt uitvoerig gedocumenteerd door fossielen, en vormt het onderwerp van de paleontologie.

Ook de evolutiegeschiedenis van de mens wordt geleidelijk aan beter bekend dankzij recente fossiele vondsten in Afrika, Zuid-Europa, en andere delen van de wereld. De fossiele vondsten spelen een belangrijke rol in de huidige beeldvorming over de mens. Ze documenteren onze nauwe evolutionaire verwantschap met de andere primaten. Een ander voorbeeld van nu waarneembare evolutie is het ontstaan van nieuwe bacteriestammen die resistent zijn tegen bepaalde antibiotica. Ook het soms supersnel veranderen van virussen, zoals het aidsvirus, is een evolutieproces.

Alles wat leeft is, zoals door veel evolutietheorieën beschreven worden, ontstaan door evolutie. Evolutie heeft ervoor gezorgd dat er nieuwe eigenschappen ontstonden. Alle organismen hebben zicht ontwikkeld. Dat moeten ze ook want anders kunnen ze niet overleven. Zolang de omgeving verandert, veranderen de organismen. Ze moeten zich gaan aanpassen aan hun omgeving. Hun DNA verandert dus bij elke generatie. Dit verschijnsel werd onder andere bedacht door Charles Darwin. Hij noemt dit natuurlijke selectie. Darwin veronderstelde dat al het leven zich heeft ontwikkeld uit één oervorm.

Natuurlijke selectie houd in dat de best aangepaste soort overleeft. Het organisme dat zich het best heeft ontwikkeld zal overleven. De rest zal sterven. Darwin stelde dat dit altijd zo is gegaan en altijd zo zal blijven. Doordat organismen veranderen, natuurlijke selectie, evolueren organismen. Maar wat nam Darwin nog meer waar om tot natuurlijke selectie te komen?

1. Variatie
Individuen van populaties (= een groep dieren of planten van een soort in een bepaald gebied) vertonen kleine verschillen. Een deel van die verschillen is erfelijk.

2. Overcapaciteit
Er worden meer nakomelingen geboren dan er voor de vervanging van de ouders nodig zijn. Populaties die zich ongehinderd kunnen vermenigvuldigen nemen als een meetkundige reeks in omvang toe. Darwin rekende uit dat 1 paar olifanten na 700 jaar 19 miljoen afstammelingen kunnen hebben. Andere soorten planten zich nog veel sneller voort. Binnen 7 maanden kan 1 paar kakkerlakken 164 miljard nakomelingen hebben!

3. Constantie
In werkelijkheid blijft het aantal individuen binnen een populatie meestal vrijwel constant.

Darwin kon door zijn onderzoeken een aantal conclusies trekken:
A) Er is een strijd om het bestaan vooral door concurrentie tussen soortgenoten
(Struggle for life)
B) De best aangepaste organismen overleven (survival of the fittest ).

Natuurlijke selectie word onderverdeeld in abiotische en biotische factoren. Onder abiotische factoren verstaan we onder andere voedingsstoffen in de bodem, samenstelling van de lucht en temperatuur. Abiotische factoren zijn niet- levende factoren die in het milieu voorkomen. Biotische factoren daarentegen zijn juist levende factoren, zoals levende organismen. Die organismen leven samen bij elkaar in een bepaalde omgeving. Alle levende en niet levende factoren in een bepaald gebied noemt men een ecosysteem.

Maar wat bedoelt men nou met een ecosysteem? Onder een ecosysteem valt bijvoorbeeld: een bos, een woestijn, een vijver, een zee, etc. Omdat de omstandigheden in een bos anders zijn dan een in woestijn, zijn organismen geneigd zich aan te passen aan hun omgeving. Dat is de enige kans dat ze het zullen overleven. De nieuwe generatie zal het aangepaste DNA overnemen en een hogere overlevingskans hebben. Ook zal deze verandering (mutatie) zorgen voor meer nakomelingen.

Het DNA van een organisme kan niet zomaar veranderen. Er is al gesproken over de omgeving van een organisme. Maar wat ook een belangrijke rol speelt is isolatie. Isolatie zorgt ervoor dat groepen met een iets verschillende samenstelling van het erfelijk materiaal geen genen meer kunnen uitwisselen, zodat de verschillen blijven bestaan en door selectie steeds groter worden.

Een verandering in DNA wordt mutatie genoemd. Bij mutatie ontstaan er ‘’wijzigingen’’ in het DNA. Dat is het belangrijkste wat de evolutietheorie inhoud. En dit is ook wat ermee word bedoeld in de evolutietheorie. Het houd in dat het DNA van een soort word gewijzigd. Dit gebeurt vaak in de geslachtscellen. Hier worden deze wijzigingen door gegeven naar de volgende generatie. Het organisme zal de gewijzigde DNA in alle cellen van zijn lichaam hebben. Meestal zijn deze wijzigingen schadelijk, maar heel soms zorgen ze voor een veranderde eigenschap, waardoor een individu een grotere overlevingskans krijgt. Een voorbeeld bij een goed gelukte mutatie is dat er een zwarte konijnensoort die op een ijsvlakte leeft, een wit konijnenjong krijgt. Dit witte konijn heeft dus een grotere overlevingskans dan het zwarte konijn omdat het witte konijn minder goed opgemerkt wordt als prooi. Het witte konijn kan zich dus beter aanpassen aan de omgeving. Hierdoor kan dit konijn zich ook weer vaker voortplanten, zodat er nog meer witte konijnen bij komen. Na een aantal jaar zullen er op dezelfde ijsvlakte misschien wel alleen nog maar witte konijnen te vinden zijn. Het is wel zo dat al die witte konijnen allemaal anders zijn. Niet alleen door mutaties, maar ook door uitwisseling van genen, is er veel variatie tussen individuen van een bepaalde soort. Zoals bij de mens, dat geen twee mensen hetzelfde zijn, zo gaat het bij alle soorten. Hoe meer nageslacht, hoe meer variatie.

In de vrije natuur vinden er eveneens selectieprocessen plaats, en wel op grote schaal. De meeste organismen produceren nakomelingen in overmaat, en meestal, zeker als er geslachtelijke voortplanting in het spel is, lijkt niet één nakomeling precies op de ander. Als gevolg van telkens andere veranderingen in de ecologische parameters (fysische parameters zoals temperatuur en luchtvochtigheid, geologische parameters zoals hoogte en bodemgesteldheid, organische factoren zoals de aanwezigheid van andere planten en dieren) zullen telkens andere variaties in het voordeel of in het nadeel werken van de organismen. Toeval en noodzakelijkheid regeren het leven. Op denduur, zo beargumenteert Darwin, kunnen op deze manier heel nieuwe soorten ontstaan. Daarmee is het mysterie van de biodiversiteit opgelost

Het begrip variatie omvat de vele kleine verschillen die er tussen de individuele planten en dieren van alle soorten bestaan. In de pre-darwiniaanse biologie werd variatie gezien als een onbelangrijke bijkomstigheid. Soms zag men variatie ook als degeneratie ten opzichte van het ideale type of van het oorspronkelijk perfect geschapen type. Systematici, bijvoorbeeld, er vaarden variatie als een storende factor bij hun classificatiewerkzaamheden. Darwin’s opvatting over variatie staat lijnrecht tegenover die van de traditionele (typologische) biologie. In zijn visie, en die van de moderne biologie, is variatie van groot belang als het aangrijpingspunt voor natuurlijke selectie.

Natuurlijke selectie is het kardinale punt van de evolutietheorie. In zijn betoog beschrijft Darwin domesticatie van planten en dieren als een selectieproces verricht door de mens. Fokkers en telers veredelen continu gedomesticeerde planten en dieren door gerichte teeltkeus. Ze verbeteren ze volgens menselijke utilistische maatstaven, door doelgericht te selecteren op gewenste kenmerken en eigenschappen. Snellere of sterkere paarden worden verkregen door continu de variatie aan kenmerken en eigenschappen van de dieren vanaf de geboorte in het oog te houden en snel met snel te laten paren, en sterk met sterk. Daarbij gaat het vaak om zulke subtiele variaties dat ze alleen te zien zijn voor het geoefende oog van de fokkers.


§1.3 Evolutie vanuit de bijbel
Hoewel de meeste christelijke kerken geen enkel bezwaar meer maken tegen de evolutieleer, zijn er nog groeperingen die vasthouden aan de letterlijke uitleg van de Bijbel. Deze Christenen noemt men wel fundamentalisten.

Tegenover de evolutieleer stellen zij het creationisme , de leer van de schepping. Vooral in de V.S. zijn de fundamentalistische groeperingen zeer invloedrijk. Vroeger negeerden de fundamentalisten de evolutieleer volledig. Tegenwoordig bestrijden ze het darwinisme via wetenschappelijke weg.

De studie van de evolutie onderscheidt zich van ander natuurwetenschappelijk onderzoek. Bewijzen door middel van experimenten zijn maar af en toe te geven. Het grootste deel van de kennis is gebaseerd op de interpretatie van waarnemingen. De gegevens zijn vaak onvolledig. Grote delen van de leer steunen op onbewezen hypothesen. Het aantal aanwijzingen van een evolutie van het leven op aarde is echter voor de meeste deskundigen zo groot en overtuigend, dat van twijfel aan een evolutie bij hen geen sprake is.
Het staat vanzelfsprekend een ieder vrij te geloven wat hij wil met respect voor de afwijkende mening van anderen.

Creationisme is de theorie dat alles is geschapen door een goddelijk figuur. Het heelal, de aarde, en al het leven erop, zou zijn ontstaan door een schepping. Het hoeft niet perse een eenmalige schepping te zijn, dit kan ook geleidelijk aan zijn gegaan. In veel religies word er uit gegaan van een schepping van het leven. Deze theorie kan veel overeen stemmen met andere theorieën, zo is het bij het darwinisme niet bekent hoe het leven begonnen is, er word dus niet gezegd dat creationisme niet heeft plaats gevonden. Volgens sommige aanhangers van het creationisme, heeft een bovennatuurlijke kracht het leven begonnen, en is daarna het evolutieproces volgens andere theorieën op gang gekomen.

Velen aanhangers van het creationisme, doen dat vanuit hun geloof. Volgens hen is dit het enige wat is gebeurt, er is alleen een schepping geweest, en daarna is er niets geëvolueerd, alleen zogenaamde "micro evolutie" heeft misschien plaats gevonden, maar het leven is té complex om door toeval te zijn ontstaan. Ook worden veel argumenten gebruikt als "Ben jij een aap?" om mensen ervan te overtuigen dat creationisme de enige mogelijkheid is.

Er zijn verschillende soorten creationisme te onderscheiden, hieronder staan er een paar uitgelegd:

Jonge Aarde Creationisme: Deze vorm van creationisme gaat er vanuit dat zo'n zes tot tien duizend jaar geleden de hele schepping is gedaan, er is daarna niets meer heel erg geëvolueerd, alleen wat micro-evolutie. Deze soort creationisme staat recht tegenover andere evolutie theorieën, en aanvaard dan ook geen alternatieven. Er zijn aanhangers die proberen aan te tonen dat het heelal en de aarde niet ouder dan zes tot tien duizend jaar is, ook word geprobeerd om te bewijzen dat de gangbare wetenschap berust op misverstanden. Het is echter tot nu toe nog niet gelukt om dit te doen. Aanhangers van het jonge aard creationisme zijn vooral overtuigde christenen die de evolutie theorie recht tegen hun geloof in vinden gaan.

Oude Aarde Creationisme: Deze vorm lijkt op het jonge aard creationisme in het feit dat ze andere theorieën absoluut afwijzen, maar er zit toch een groot verschil in. De aanhangers van deze soort geloven, net als de gangbare wetenschap, dat de aarde al miljoenen jaren oud is, alleen volgens hen is in die tijd, wel door een bovennatuurlijke kracht, het leven op aarde gevormd. Er zijn drie hoofdstromingen binnen het oude aarde creationisme:

• Dag-Tijdperk theorie: Hier word er van uit gegaan dat het verhaal in de bijbel over de schepping, in plaats van dagen lang, miljoenen jaren lang heeft geduurd.
• Onderbreking theorie: In deze theorie word uitgegaan dat tussen de dagen van de schepping, telkens miljoenen jaren zaten. In deze miljoenen jaren, werden de aardlagen gevormd. Zo zijn sommige wetenschappelijke feiten te verklaren.
• Progressief Creationisme: In de miljoenen jaren dat er leven was, heeft de schepper van het leven telkens ingegrepen tijdens de ontwikkeling van organisme.

Theïstisch Evolutionisme: Deze vorm van creationisme word soms niet tot creationisme gerekend, omdat het erg lijkt op de evolutie theorie van het darwinisme. Mensen die aanhangers zijn van deze soort, accepteren de feiten die de gangbare wetenschap geeft, zij geloven in darwinisme, maar denken dat het een proces is, dat door een god is aangemaakt. Volgens hen zijn organisme geschapen door god, en is het de bedoeling dat ze verder zelf ontwikkelen.

Wat betreft de evolutie is, volgens het Christendom, alles gemaakt door een almachtige God. Door Christenen worden wetenschappers vaak met rare argumenten als gek verklaard, of worden argumenten verzonnen om de evolutietheorie in de schaduw te zetten. Het grootste argument wat gebruikt word is dat alles simpel weg is gemaakt door God, en dat daar niet aan getwijfeld mag worden. Ook hoor/lees je veel dat de wetenschap onzin is, omdat ze alleen zoeken naar feiten die zijn aan te tonen, maar omdat een almachtige God niet is aan te tonen, de wetenschappers dus "te dom" zouden zijn om dat aan te kunnen nemen.


§1.4 Evolutie vanuit andere aspecten
Catastrofisme is een theorie over de evolutie die in de 17e en 18e eeuw erg populair was. Het houd in het kort in dat in de lange geschiedenis van de aarde, de verschillende tijdperken werden afgesloten door een catastrofale vernietiging van al het leven op aarde, waarna er nieuw leven ontstond, dat verschilde van het leven uit het vorige tijdperk.
Volgens de catastrofisme theorie zijn de lagen van de aarde ook allemaal gevormd door de catastrofale vernietigingen van alles op aarde door de geschiedenis heen. Mensen die geloven in de catastrofisme theorie gebruiken de zogenaamde 'littekens van de aarde' als bewijs voor deze theorie.
Aan het begin van de 19e eeuw waren veel discussies tussen aanhangers van het catastrofisme en aanhangers van het uniformaitarisme (volgens het uniformaitarisme zijn de lagen in de aarde ontstaan door langzame processen van de aarde), waarbij het uniformaitarisme de discussie heeft gewonnen. Tegenwoordig komt het catastrofisme weer steeds meer op, vooral door het idee dat de dinosauriërs aan het eind van het Krijt tijdperk uitstierven door een grote meteoriet. Maar dit is natuurlijk maar één voorbeeld van een aardlaag die is ontstaan door een catastrofe.

Deze theorie heeft veel overeenkomsten met de andere theorieën, zo is het een soort van natuurlijke selectie als veel soorten uitsterven door een natuurlijke ramp. Maar het heeft ook overeenkomsten met bijvoorbeeld creationisme, want in de meeste geloven komt wel een ernstige ramp voor. Het is echter wel zo dat deze theorie typisch uit de 18e eeuw komt en niet veel besproken wordt.


Hoofdstuk 2 -Genetica in de biologie

§2.1 Gregor Mendel
De basisregels van de genetica werden in de negentiende eeuw het eerst ontdekt door Gregor Mendel. Hij werd geboren op 20 juli 1822 in Heizendorf onder de naam Johann Mendel. Hij groeide op als boer en was altijd al geïnteresseerd in planten. Zijn ouders kwamen er al snel achter dat hij heel intelligent was en mocht daarom naar het gymnasium. Toen hij zijn diploma had gehaald, wilde hij naar de universiteit om wetenschapper te worden en zo erkenning te krijgen, maar vanwege zijn status als arme boer mocht dit niet. Hij ging een tweejarige opleiding volgen aan het Filosofisch Instituut en nadat hij hier zijn diploma voor had gehaald ging hij naar het klooster. Hier kreeg hij de naam Gregor toegewezen. Vier jaar later werd hij priester en studeerde hij een tijdje natuurwetenschappen in Wenen. In 1850 besloot hij een experiment op te starten. Hij wilde beter begrijpen hoe soorten zich onderscheiden en wat het mogelijk maakte om hybriden te vormen. Zo kruiste hij duizenden erwtenplanten en hield hij bij hoe kenmerken werden doorgegeven van de ene generatie naar de andere. Tijdens het bestuderen, formuleerde hij erfelijkheidswetten.
Mendel koos voor 22 verschillende erwtensoorten en kruiste hen. Zo hield hij verschillende kenmerken in de gaten. Het viel hem op dat in de structuur van de erwten verschil zat. Sommige waren glad en sommige waren gerimpeld. Hij vond dat wanneer hij gerimpeld en glad kruiste, hij erwten produceerde die allemaal glad waren. Als hij weer een nieuwe soort erwten kruiste met de vorige gekruiste erwten, dan werd een kwart van de erwten gerimpeld. Hieruit maakte hij dat gerimpelde en gladde erwten niet werden gemengd. De gekruiste erwten heten hybriden en elke hybride erwt erfde eigen kenmerken, maar alleen het gladde kenmerk was te zien. Bij de volgende kruising tussen twee verschillende soorten erwten, kwamen er weer andere kenmerken tevoorschijn en een kwart van de nieuwe hybriden erfde twee gladde kenmerken. Mendel had ontdekt wat latere wetenschappers dominante en onderdrukte allelen noemden.

Mendel wilde belangstelling krijgen voor zijn resultaten, maar dit leverde geen resultaat op. Botanisten, wetenschappers die bloemen, planten en plantachtige dingen bestuderen, waren in de tijd niet vertrouwd met toegepaste natuurwetenschappen en konden daarom Mendel’s ontdekking niet erkennen. Hij wilde een nieuw experiment uitvoeren om zijn resultaten opnieuw te bewijzen, maar hij faalde. Tien jaar later stopte hij maar met experimenteren en gaf hij de aandacht aan het beheren van zijn klooster. Hij stierf in 1884 en werd herinnert als de monnik die faalde met een verstand voor het kweken van planten. Pas 15 jaar later na zijn dood beseften wetenschappers dat Mendel gelijk had. Als eerbetoon aan hem noemden ze de erfelijkheidswetten: De Wetten van Mendel.

De uniformiteitswet: er worden twee verschillende raszuivere individuen met elkaar gekruist die maar in één kenmerk van elkaar verschillen. Hun nakomelingen hebben allemaal hetzelfde genotype en fenotype.
De splitsingswet: er worden twee heterozygoten gekruist. Deze zijn afkomstig van homozygoten ouders die in één kenmerk verschillen. Hun nakomelingen hebben verschillende fenotypen.
De onafhankelijkheidswet: als de verschillende kenmerken op verschillende chromosomen liggen, worden de kenmerken onafhankelijk van elkaar overgeërfd
Gregor Mendel staat nog altijd bekend als de vader van de genetica.


§2.2 DNA en RNA
DNA
Je lichaam is opgebouwd uit miljarden cellen. Bijna elke cel heeft een kern met daarin DNA. DNA is de afkorting voor het Engelse woord deoxyribonucleic acid (in het Nederlands desoxyribonucleïnezuur). In DNA is de erfelijke aanleg van organismen vastgelegd. DNA bevat de code met informatie waarin al onze erfelijke eigenschappen zijn vastgelegd, zoals bijvoorbeeld je bloedgroep, haarkeur en oogkleur. DNA-moleculen zijn normaal lang en dun en niet zichtbaar. Bij een celdeling zijn de moleculen opgerold tot chromosomen.
In 1953 ontdekten de onderzoekers James Watson en Francis Crick dat het DNA de vorm heeft van een spiraalvormige draad die samen met een andere DNA-draad een dubbele helix (spiraal) vormt. De bouw van het DNA-molecuul werd beschreven als een moleculaire wenteltrap. Elke helft van de dubbele helix bestaat uit een keten van aan elkaar gekoppelde nucleotiden. Een nucleotide bestaat uit een fosfaatgroep, een suikermolecuul en een stikstofbase. De ketens zijn als twee spiralen om elkaar heen gewonden. De zijkanten van de wenteltrap bestaan uit fosfaatgroepen en suikermoleculen (deoxyribose) die om en om tot een lange keten gerangschikt zijn. Aan het suikermolecuul zitten de treden en die worden gevormd door de stikstofbasen. Aan het suikermolecuul zit de stikstofbase. De basen zijn chemische stoffen. In DNA komen vier verschillende stikstofbasen voor: adenine (A), cytosine (C), guanine (G) en thymine (T). Er zijn steeds twee basen met elkaar verbonden die samen een trede van de trap vormen. Tegenover een nucleotide met cytosine (C) zit altijd een nucleotide met guanine (G). De volgorde waarin de stikstofbasen in het DNA voorkomen, is de code waarmee de erfelijke informatie is vastgelegd. De letters A, C, G en T in het DNA-molecuul vormen de basis voor erfelijke eigenschappen. Een andere volgorde van stikstofbasen betekent andere informatie en is bij ieder mens anders. Het DNA bevindt zich in de celkern die alles regelt in de cel. Als je alle DNA-strengen uit één celkern achter elkaar zou leggen, dan is hij 2 meter lang. Daarvoor is een celkern te klein. Hierdoor rollen lange dunne spiralen zich aan het begin van een celdeling op. Hierdoor ontstaan chromosomen. De kern van chromosomen bevat lange draden die goed kleurstof opnemen. Chromo staat voor kleur en soma voor lichaam. Chromosomen bestaan uit DNA en eiwitten. Als de cel gaat delen gaan de lange draden zich vormen als een spiraal en worden ze korter en dikker. Zo zijn ze zichtbaar onder een lichtmicroscoop. Chromosomen zijn altijd zichtbaar in delende cellen. Bij planten delen cellen vooral in de toppen en wortels (dit heet celdeling of mitose) en in de stamper en de meeldraden (meiose). In het menselijke lichaam delen veel cellen onder de huid en in het beenmerg (mitose) en in de testis eierstokken (meiose).
Tijdens mitose wordt het aantal chromosomen verdubbeld, omdat de centromeren zich delen. Een centromeer is de plaats waar twee chromosomen na verdubbeling aan elkaar blijven. Het bestaat uit een lang stuk DNA. Het aantal dubbele chromosomen wordt daarna over de dochtercellen verdeeld (precies zo dat iedere dochtercel over dezelfde chromosomen beschikt). Oftewel een cel word gekopieerd en in die kern zit dezelfde informatie als in de moedercel.

Bij meiose worden chromosoomparen gesplitst en één chromosoom van het paar gaat naar een dochtercel. Hierdoor wordt per cel het aantal chromosomen gehalveerd maar ieder kenmerk blijft nog wel aanwezig.
Voor de deling wordt het DNA verdubbeld. Iedere chromosoom bestaat dan uit twee precies gelijke helften, de chromatiden. De afzonderlijke chromatiden zijn vaak niet goed te zien, dus om het toch te kunnen zien voegt men een bepaalde stof toe waardoor de chromatiden elkaar afstoten. De chromosomen krijgen dan de vorm van een X. Chromatine zorgt voor de stevigheid.

De chromosomen zijn de dragers van ons erfelijkheidsmateriaal. Het DNA in een cel is verdeeld over 46 chromosomen. Chromosomen komen in paren voor dus elke lichaamscel heeft 23 paar chromosomen. Elk chromosomenpaar bestaat uit twee dezelfde chromosomen. In de geslachtscellen zitten 23 chromosomen. Tijdens de bevruchting komen 23 chromosomen van de eicel van de moeder en 23 chromosomen van de zaadcel van de vader bij elkaar. Zo ontstaat er weer een cel van 46 chromosomen. Een vrouw heeft twee X- chromosomen, één van haar vader en één van haar moeder. Een man heeft een X- chromosoom afkomstig van zijn moeder, en een Y- chromosoom afkomstig van zijn vader. Een organisme met één set chromosomen van beide ouders wordt diploïd genoemd. Een voortplantingscel heeft maar één set chromosomen en word haploïd genoemd. Er zijn ook organismen waarbij de vellen meer dan twee sets chromosomen hebben, bijv. 3 (triploïde), 4 (tetraploïde), 6 (hexaploïde) en 8 (octoploïde) cellen.

Chromosomen zijn de dragers van genen. Genen bevatten de informatie voor alle erfelijke eigenschappen. Een lichaamscel bevat ongeveer 25 000 genen. Een gen is een stukje van het DNA die informatie bevat van een bepaald eiwit. Genen bepalen al onze eigenschappen, maar zorgen er ook voor dat we bepaalde eigenschappen overerven. Ook spelen ze een rol bij de aanleg voor bepaalde aandoeningen. Elk gen bevat de code van een reeks aminozuren. Aminozuren vormen samen weer een eiwit. Elk gen bevat dus de informatie om een van de vele eiwitten te vormen waaruit ons lichaam is opgebouwd. Eiwitten vormen de basis voor het functioneren van ons lichaam.


RNA

Bij de moleculaire genetica speelt RNA ook een belangrijke rol. RNA bestaat uit een organische base, een suiker ribose en fosfaat. RNA heeft ook 4 organische base, net als bij DNA cytosine, guanine en adenine. Maar in plaats van thymine is het bij RNA uracil. Ribose, fosfaat en een organische basen vormen ook een nucleotide. Er zijn ook 4 verschillende nucleotide als bouwstenen van RNA. Een groot aantal nucleotiden aan elkaar vormen een streng RNA. Ribosomen zijn gemaakt van RNA. RNA-moleculen geven informatie door van het DNA in de kern aan de ribosomen. De ribosomen maken eiwitten aan de hand van die informatie.


§2.3 Klassieke genetica
Bij klassieke genetica wordt beschreven hoe de eigenschappen worden overgedragen van de ene generatie aan de andere generatie. Bij klassieke genetica richten wetenschappers zich vooral op het bestuderen van het fenotype. Het fenotype is een verzameling van alle waarneembare kenmerken van een individu. Het wordt tot stand gebracht door een gezamenlijke invloed van genen en milieufactoren. Klassieke genetica word ook wel de ‘Mendeliaanse genetica’ en ‘Erfelijkheidsleer’ genoemd. De naam ‘Mendeliaanse genetica’ komt van de ontdekker Mendel en daarom is de genetica ook naar hem vernoemd. En Erfelijkheidsleer beschrijft de overerving van de eigenschappen tussen organismen en hun nakomelingen.

Bij genetica onderzoek je de cellen en chromosomen, maar toen Mendel de genetica ontdekte wist hij nog niks af van cellen en chromosomen. Ook geslacht en voortplanting maakt deel uit van de klassieke genetica. Het geslacht (mannelijk of vrouwelijk) wordt bepaald door verschillende combinaties van genen en chromosomen. Het onderwerp geslacht is nog ingewikkelder en uitgebreider dan dit. Bij sommige organismen speelt de omgeving een rol bij het bepalen van het geslacht en sommige kunnen zelfs van geslacht veranderen.

Organismen kunnen eigenschappen doorgeven aan hun nakomelingen. Dit zijn erfelijke eigenschappen (oogkleur, haarkleur etc.). Erfelijke eigenschappen gaan van ouders naar nakomelingen, maar die eigenschappen hoeven niet meteen bij de kinderen zichtbaar te zijn, soms worden generaties overgeslagen. Alle erfelijke eigenschappen samen worden het genotype van een organisme genoemd. Het fenotype is alle eigenschappen die samen het uiterlijk, gedrag en het functioneren van het organisme bepalen. De hoeveelheid waarin een erfelijke eigenschap naar buiten komt hangt af van de omgeving.

De eigenschappen die worden doorgegeven aan nakomelingen heten genen. Elk gen heeft invloed op een bepaalde eigenschap van een organisme. Er bestaan verschillende versies van hetzelfde gen. Iedere verschillende versie van een gen wordt allel genoemd. Het aantal allelen dat een organisme heeft wordt de ploïdie genoemd. Een haploïde organisme heeft maar één kopie van elk gen, een diploïde organisme heeft er twee, een triploïde organisme drie en een tetraploïde organisme vier. Als een diploïde organisme twee dezelfde allelen van een gen heeft, wordt het organisme homozygoot genoemd en als het twee verschillende allelen bezit, wordt het een heterozygoot genoemd. De plaats waar een gen zich op de chromosomen bevindt heet locus. Elke erfelijke eigenschap van een organisme, wordt bepaald door één of meerdere genen. Welk allel een organisme heeft is onderdeel van het genotype van het organisme. Bij seksuele voortplanting erft een organisme voor elk gen één van de twee allelen van elke ouder. Welke van de twee allelen het organisme van een ouder krijgt is willekeurig. De kans op elk allel is 50%. Bij heterozygote organismen zal vaak een van de allelen overheersen en de eigenschap bepalen. Dit allel wordt dominant genoemd en de andere allel die zich niet uit is recessief. Als beide ouders heterozygoot zijn en toevallig het recessieve allel doorgeven, zal de nakomeling qua uiterlijk verschillen van beide ouders. Op die manier kunnen bepaalde eigenschappen een generatie overslaan.

In de genetica worden overerving van eigenschappen beschreven met symbolen en schema’s. Zo wordt een gen weergegeven door een letter (een hoofdletter als het een dominant allel is en een kleine letter voor een recessief allel). Bij experimenten worden de generaties aangegeven met de letters P voor de ouders, F1 voor de eerste generatie nakomelingen, F2 voor de tweede generatie nakomelingen etc.


§2.4 Moleculaire genetica
Bij moleculaire genetica houden ze zich bezig met het bestuderen van structuur en functie van genen op een moleculair niveau. Genetici richten zich bij de moleculaire genetica op de fysische en chemische structuren van de dubbele helix en DNA. DNA bepaald hoe je eruit ziet en het functioneren van je lichaam. Ook bepaald je DNA hoe vatbaar je bent voor bepaalde ziekte. Je genen kopiëren de boodschap uit het DNA en slaan deze op in een tijdelijke vorm genaamd RNA. Het RNA vervoert de boodschappen uit het DNA met zich mee door een proces dat translatie heet. Bij translatie bindt het RNA zich aan een aminozuur en deze wordt afgevoerd bij ribosoom. Er worden eiwitten aangemaakt en uiteindelijk zullen de eiwitten een organisme vormen. Bij moleculaire genetica wordt onderzoek gedaan naar genexpressie (hoe genen worden aangezet en uitgezet) en hoe de genetische code werkt van DNA en RNA. Ook onderzoek van kanker en de remedie tegen kanker vallen ook onder moleculaire genetica. Kanker kan namelijk worden veroorzaakt door mutaties en die vinden op het niveau van DNA plaats.

DNA bestaat uit een organische base, een suiker desoxyribose en fosfaat. Er zijn 4 organische base, namelijk cytosine, guanine, thymine en adenine. Desoxyribose, fosfaat en een base vormen samen een nucleotide. Er zijn dus 4 verschillende nucleotiden waaruit DNA opgebouwd is. De basen adenine en thymine vormen paren en de basen cytosine en guaninen vormen paren. Een keten van honderden van deze paren vormen een DNA-molecuul.

RNA bestaat uit een organische base, een suiker ribose en fosfaat. RNA heeft ook 4 organische base, net als bij DNA cytosine, guanine en adenine. Maar in plaats van thymine is het bij RNA uracil. Ribose, fosfaat en een organische basen vormen ook een nucleotide. Er zijn ook 4 verschillende nucleotide als bouwstenen van RNA. Een groot aantal nucleotiden aan elkaar vormen een streng RNA. Ribosomen zijn gemaakt van RNA. RNA-moleculen geven informatie door van het DNA in de kern aan de ribosomen. De ribosomen maken eiwitten aan de hand van die informatie.


§2.5 Genetische expressie
Bij genetische expressie wordt het DNA van een gen gekopieerd naar messenger RNA (mRNA) of andere RNA’s en dat wordt vertaald naar aminozuursequentie. Bij mRNA staat messenger voor boodschap. Het is een vorm van RNA die als ‘boodschapper’ twee processen met elkaar verbindt. Die twee processen zijn transcriptie van DNA in mRNA en translatie van mRNA naar eiwitten. Wat een cel zijn eigen karakter of functie geeft zijn de verschillen in gen-expressie.

Transcriptie is het proces waarbij het DNA van een gen wordt gekopieerd naar RNA. Tijdens de transcriptie wordt mRNA geproduceerd en wordt door middel van translatie vertaald naar een eiwit. Transcriptie vindt plaats in alle organismen, maar werkt niet precies op dezelfde manier. Hij kan op verschillende manieren worden beïnvloed. Het woord transcriptie staat voor overschrijving.

Tijdens het RNA proces wordt het pre-mRNA omgezet in mRNA. Bij organismen die een celkern en een intern membraam hebben kunnen meerdere mRNA’s, dus eiwitten, uit één gen gemaakt worden. De mRNA’s die niet functioneren zorgen voor negatieve regulatie van de genetische expressie. Als het (m)RNA zijn functies uit wil kunnen voeren, zal hij de celkern moeten verlaten door een kernporie. De RNA’s kunnen alleen door de kernporie als ze bepaalde eiwitten hebben gebonden. Als deze eiwitten niet aanwezig zijn of een bindingsmogelijkheid niet aanwezig is, dan kan het RNA de celkern niet verlaten.


§2.6 Genetische veranderingen
Mutatie is een belangrijke rol in de genetica. Ze zijn veranderingen in het erfelijk materiaal van een organisme. De volgorde van de nucleotide wordt een sequentie genoemd. Wanneer er in zo’n sequentie iets veranderd, wordt toegevoegd of wordt verwijderd, dan wordt dit mutatie genoemd. Mutaties kunnen op verschillende manieren opkomen. Als ze de structuur van een DNA-sequentie veranderen kunnen mutaties worden verdeeld in kleinschalige en grootschalige mutaties.

Wanneer de mutatie maar één nucleotide bevat dan is er sprake van kleinschalige mutaties. Bij meerdere nucleotiden is er sprake van grootschalige mutaties. Grootschalige mutaties worden ook wel chromosomale mutaties genoemd, omdat ze een deel van het structuur van een chromosoom kunnen beïnvloeden.

Mutaties veranderen het genotype van een organisme en soms veroorzaakt dit verandering van het fenotype. De meeste mutaties hebben weinig invloed, omdat ze alleen maar in enkele lichaamscellen voorkomen. Deze mutaties zijn niet erfelijk en worden somatische mutaties genoemd. Wanneer een mutatie in de geslachtscellen terechtkomt, wordt het een germline mutatie genoemd. Deze kunnen erfelijk zijn en spelen daarom een belangrijke rol in erfelijke aandoeningen en evolutionaire processen. De mutaties die wel effect hebben zijn meestal de schadelijke, maar soms kunnen er ook gunstige zijn. Ongunstige mutaties kunnen met behulp van natuurlijke selectie gunstig worden. Natuurlijke selectie houdt in dat organismen die zich beter aan kunnen passen aan hun omgeving, meer kans hebben om te overleven en voor nakomelingen te zorgen. Deze organisme hebben een grotere overlevingskans en zullen voor nakomelingen zorgen die ook goed aangepast zijn. Hierdoor zullen ze de overhand nemen in de populatie. In de populatie genetica houden ze zich hier meer mee bezig. Ze onderzoeken de genetische verschillen binnen populaties en hoe deze veranderen in een bepaalde tijd.


§2.7 Genetische modificatie
Genetische modificatie wordt ook wel genetische manipulatie genoemd, is een gentechnologie. Genetische modificatie is het door de mens handmatig en gericht veranderen van de genen van een organisme. Bij de translatie in alle organisme wordt een gen dat in het ene organisme codeert voor een bepaald eiwit, gecodeerd in een ander organisme voor eenzelfde eiwit. Dit maakt het mogelijk om erfelijke eigenschappen van een soort naar een andere soort over te brengen. Het overbrengen van een eigenschap van de ene soort naar een andere soort noemt men transgenese.
Om genetische modificatie toe te passen bij organismen zijn er verschillende technieken. De technieken worden per organisme anders toegepast en soms is genetische modificatie tijdelijk en soms blijvend. Er is een verschil tussen plant of dier. De basis van deze technieken verloopt via steeds dezelfde vijf stappen:

1. Isolatie van het gen dat je wilt aanpassen
Bij het isoleren van een specifiek gen wordt eerst DNA uit de cellen van een organisme gehaald. Vervolgens kan het gen worden geïdentificeerd op basis van de kennis die men vooraf van het gen heeft. Met deze kennis kan PCR techniek worden toegepast. PCR is een manier om uit hele kleine hoeveelheden DNA specifiek een of meer gedeeltes te verveelvoudigen tot er genoeg van is om het te analyseren.

2. Eventueel moet het geïsoleerde gen worden aangepast
Een intron (is een stukje DNA dat zich bevindt in een gen maar dat niet wordt gebruikt om het eiwit te coderen) moet vaak eerst worden verwijderd. Eukaryoten cellen hebben genen die meestal bestaan uit stukjes die aminozuren coderen, dit zijn exonen. Enzymen zorgen ervoor dat de introns uit het RNA molecuul worden gehaald en zo kunnen exonen aan elkaar verbonden worden. De verwijderde introns worden afgebroken. Het aangepaste gen gaat naar het cytoplasma voor de translatie.

3. Het gen moet worden overgebracht in een geschikte vector (drager).

4. De cel of het organisme dat je wilt aanpassen moet worden getransformeerd (het inbrengen van het DNA).

5. Selectie van de gemodificeerde organismen of cellen. Na de transformatie zijn er maar een aantal organismes die echt gelukt zijn. Nu moeten de mislukte en gelukte worden gescheiden van elkaar.


Hoofdstuk 3 - De mensheid

§3.1 Mensapen
Mensapen zijn groter en intelligenter dan de gewone apen. Voorbeelden van de mensapen zijn de chimpansees, de gorilla's en de orang-oetans. Tussen de mensapen en de gewone apen staan dieren die gibbons worden genoemd. Gibbons zijn erg slim. Ze hebben geen staart zoals de mensapen. De armen van gibbons zijn 2 keer zolang als hun lichaam. Ze leven in bomen in de wildernissen van Zuidoost Azië.

Chimpansees zijn grote, zwarte mensapen. Ze leven in groepen van 15 tot 20 dieren. Ze hebben geen staart en hun armen zijn langer dan hun benen. Ze leven in oerwouden en beboste savannes in Midden en West Afrika. Chimpansees lijken beetje op mensen. Chimpansees leven in grote zorgzame groepen bij elkaar. Een volgroeide chimpansee heeft drie keer zoveel krachten in zijn armen als een gemiddelde man. Chimpansees kunnen ongeveer met hun eerste verjaardag al zelfstandig lopen en bomen klimmen. Ze lopen dan meestal op hun handen en hun voeten. Ze buigen de vingers van de handen en lopen op hun knokkels. Maar ze kunnen ook rechtop lopen. Chimpansees leven net als de rest van de apen op de grond en in de bomen. Met hun lange armen slingeren de chimpansees van tak naar tak. De mannetjes wegen ongeveer 50 kg en is dus licht genoeg om in de bomen voedsel te zoeken zonder takken te breken. De vrouwtjes zijn zelfs lichter en wegen 30 kg. Chimpansees hebben grote handen en voeten. Ze hebben net als mensen 5 tenen en 5 vingers. De vingers van de chimpansees zijn lang en sterk zodat ze goed takken kunnen grijpen als ze van tak naar tak slingeren. Chimpansees hebben hele kleine neuzen maar ze kunnen heel goed ruiken waar de fruitbomen staan en ze hebben hele grote flap oren. Chimpansees kunnen rond de 40 jaar oud worden. Ze leven in groepen van 6 tot 8 soortgenoten. Iedere groep maakt weer deel uit van een grote stam van ongeveer 30 tot honderd chimpansees. De stammen hebben elk hun eigen territorium, dat door de andere groepen niet betreden mag worden. Iedere chimpansee heeft zijn eigen plaats binnen de samenleving.

Gorilla's leven in oerwouden en gebergten in het hart van Afrika. De gorilla heeft een groot, sterk lijf met diepliggende ogen, een vooruitstekend voorhoofd, brede schouders en een stevige borst kast. Ze hebben een donker bruine vacht, zwarte huid en bruine ogen. Hij ziet er indrukwekkend uit. De gorilla heeft geen staart, en zijn arme zijn langer dan zijn benen. Gorilla's zien er kwaadaardig uit, maar eigenlijk is dat niet zo. Gorilla's hebben een sterk gebit. Ze eten graag knapperig voedsel zoals bladeren, gras, stengels en fruit. Gorilla's leven in groepen van 10 tot 20 soortgenoten die geleid worden door een zilverrug. Dat is een mannetjes gorilla die een zilverkleurige vacht heeft. Hij bepaalt bijvoorbeeld waar de groep voedsel mag zoeken, wanneer er gerust mag worden en waar de groep de nacht mag door brengen.

Orang-oetan betekent in het Maleisisch bosman. Ze zijn de grootste in bomen levende apen en ze zijn de grootste fruiteters va de hele wereld. Ze verlaten de hoge bomen waarin ze leven bijna helemaal niet. Volwassen mannetjes zijn twee keer zo groot als vrouwtjes. Ze wegen ongeveer 90 kg. Orang-oetans leven in dichte oerwouden op de eilanden Bordeo en Sumatra in Indonesië. Vroeger leefden ze ook in Afrika maar daar zijn ze uitgestorven. Men denkt dat er nog ongeveer 150.000 wilde orang-oetans zijn. Daarvan hebben er maar 20.000 niets te vrezen van kappen van bomen.

Alle mensapen, behalve de orang-oetan, zijn echte groepsdieren. In een groep bestaat een bepaalde rangorde. Het ene dier heeft een hogere rang dan het andere. Dieren met een lage rang behandelen hogergeplaatste dieren met eerbied. Ze laten hen bijvoorbeeld voorgaan bij het eten en drinken.

Bij iedere mensapensoort zijn de groepen verschillend. Gorilla's leven in een harem. Eén volwassen mannetje is daarin de baas over een aantal vrouwtjes en hun jongen. Hij doet alles om zijn familie te beschermen. Het leven in een groep is gezellig en veilig. De groepsleden spelen en stoeien samen. Apen houden, net als mensen, ook van ruziemaken en knuffelen. Een heel speciale manier van contact met elkaar is het vlooien. Daarbij halen de apen vlooien en allerlei vuiltjes uit elkaars vacht.

Net als kinderen hebben de jongen van mensapen hun moeder lang nodig. Een chimpansee blijft tot zijn vijfde jaar bij zijn moeder. Ook daarna heeft hij nog lang een hechte band met haar. De moederaap leert haar jong alles wat het moet weten. Wat je wel en niet kunt eten, de groepsregels, en voor welke gevaren je moet oppassen.

Het gedrag van apen is uitgebreid onderzocht. Wetenschappers ontdekten dat mensapen elkaar, net als mensen, nodig hebben. Het zijn sociale dieren die voor elkaar zorgen. Als een van de apen in gevaar verkeert, zullen de andere hem proberen te helpen. Mensapen kunnen ook samenwerken. Chimpansees bijvoorbeeld, jagen in groepen op antilopen en andere zoogdieren. Behalve af en toe een vleesmaaltijd, eten chimpansees bladeren, zaden, vruchten en insecten.


§3.2 Het ontstaan van de mens
Men schat dat zo’n zestig miljoen jaar geleden de eerste primaten zich gevestigd hadden op de aarde. Deze groep organismen zijn één van de oudste overlevende groep zoogdieren. Er word door veel (de meeste) paleontologen aangenomen dat de primaten een gemeenschappelijke voorouder hebben met de vleermuizen, een andere oude groep zoogdieren. Deze voorouders leefde gezamenlijk met de laatste dinosauriërs in het late Krijt tijdperk. De oudste terug gevonden primaten komen uit Noord-Amerika, maar ze zijn ook gevonden in Afrika, Europa en Azië in het tropische klimaat in het Paleoceen en Eoceen. Bij de klimaat verandering naar het klimaat (in het begin van het Oligoceen) vergelijkbaar met het tegenwoordige, stierven de meeste primaten uit, met uitzondering in van Afrika en Zuid-Azië. Dit was ongeveer veertig miljoen jaar geleden. Deze overlevende primaten vormde de voorouders van de tegenwoordige primaten.

Nadat de tegenwoordige primaat was gevormd, is deze steeds gaan ontwikkelen, er zijn steeds nieuwe soorten gekomen. Uiteindelijk was er dan ook de homo sapiens. Gedurende de laatste 2 a 3 miljoen jaar, is de herseninhoud van de homo sapiens ongeveer drie keer vergroot. Door deze vergroting, is het mogelijk geweest om gereedschappen te ontwikkelen. Hierdoor werd het één van de weinige aapsoorten die jaagde op dieren. Het vlees was nodig om bijvoorbeeld de vergrote hersenen van meer energie te voorzien. Voor het jagen op grotere dieren waren betere wapens nodig, hierdoor werd het brein weer groter en complexer. Het is niet precies bekent wanneer de homo sapiens begon met gereedschap en wapens te ontwikkelen. Er zijn bewijzen dat er vier miljoen jaar geleden al dieren dood waren gemaakt door middel van wapens, maar hierover is nog veel discussie. De steentijd begon tussen de 2 en 5 miljoen jaar geleden in Oost-Afrika. Rond die tijd begon de Homo Habilis de eerste stenen werktuigen te maken van steen. Rond de 300 en 700 duizend jaar geleden heeft de homo erectus grote bijlen gemaakt.

Het eerste wat opvalt bij het zoeken naar informatie over de evolutie van de mens op internet, zijn websites waarin creationisten proberen de evolutietheorie af te kraken. Als je dan wat meer moeite doet en verder kijkt, dan is te zien dat hier eigenlijk alleen tegen argumenten (vaak ook subjectief) worden gegeven tegen de evolutietheorie van Darwin. Volgens deze mensen zouden bewijzen tegen de evolutie theorie hetzelfde moeten zijn als bewijzen vóór het scheppingsverhaal. Darwin was niets meer dan een rare man die allemaal onzin uitkraamde. Volgens het creationisme is het leven op aarde in één keer geschapen zoals het nu is. Er zijn natuurlijk veel verschillende soorten creationisme en intelligent design, vooral veel in religies.

Natuurlijk zijn niet alle religies het zelfde, maar bij veel komt het er op neer dat de organismes in één keer geschapen zijn, en daarna niet meer veranderd. Er zijn natuurlijk uitzonderingen, er zijn ook vormen van creationisme waar in word vertelt dat bijvoorbeeld de zeven dagen van schepping in het christendom staan voor miljoenen jaren waarin god de ontwikkeling van onder andere de mens word beïnvloed door god. Een overeenkomt tussen creationisme/intelligent design aanhangers tegenover het darwinisme is dat ze het niet accepteren dat de mens uit toeval is ontwikkeld.

Het Catastrofisme heeft niet in het speciaal een ontwikkeling van de mens. Zo is er ook het Raëlisme. Volgens Raël zijn de mensen hier op aarde eigenlijk klonen van een buitenaards ras. We zijn hier als een soort experiment op aarde "gedeponeerd". Het is niet precies duidelijk waar de aliens waarvan we gekloond zijn dan vandaan kwamen, misschien zijn deze wel geëvalueerd zoals in bijvoorbeeld het darwinisme. Deze buitenaardse wezens hebben nadat we hier op aarde zijn achter gelaten (duizenden jaren geleden), onze ontwikkeling bij gehouden, maar we zijn nog ongeveer hetzelfde gebleven. Ook hiervan kun je dus niet echt praten over de evolutie van de mens.


§3.3 Overeenkomsten aap- mens
Overeenkomsten en verschillen in DNA van mens en aap.
Er worden al jarenlang heel veel onderzoek gedaan naar het DNA van mens en aap. Alle wetenschappers waren het nooit echt helemaal met elkaar eens. Wetenschappers onderzochten stukjes DNA om daar een percentage uit op te maken. Goodman besloot het anders te doen. Hij bestudeerde alleen sliertjes erfelijk materiaal die ook een echte functie hebben, namelijk de genen. Genen zeggen veel meer dan de stukjes DNA omdat ze minder veranderlijk zijn en ze zeggen meer over de echte verschillen tussen diersoorten. Hieruit kwam Goodman op een percentage van 99,4% overeenkomst in het DNA van mens en chimpansee. Als de bloedgroepen van mens en aap hetzelfde zijn, gebruiken ze wel eens bloedtransfusies van chimpansees. De mens verschilt genetisch maar een half procent van de chimpansee. Dit hebben ze onderzocht door hybridisatie-experimenten door het DNA van een chimpansee en een mens samen te smelten.

Dat er toch nog een half procent verschil is in het DNA zou letterlijk in de genen kunnen liggen. Sommige wetenschappers beweren dat mensen toch anders zijn, omdat ze andere eiwitten en enzymen kunnen maken. Andere onderzoekers beweren dat mens en chimpansee bijna identieke eiwitten tot expressie brengen. De genen van mens en aap bevatten allebei ongeveer 3,5 miljard basisparen (DNA-codes). Van deze codes zijn er nog steeds 3,5 miljoen codes zie van elkaar verschillen. Hoewel onderzoekers het nog niet helemaal met elkaar eens zijn denken ze dat het verschil ligt in genexpressie. Genexpressie is wat een cel zijn eigen karakter of functie geeft.



Conclusie

Of de mens nou echt van de apen afstamt of dat de oerknal het leven heeft geschapen zal nooit duidelijk worden. Misschien was het zelfs God! Het zou zelfs kunnen dat onderzoekers in de toekomst, diep onder de grond waar men met de technologie van tegenwoordig niets mee kan, fossielen of overblijfselen van miljarden jaren geleden vinden! Misschien brengen die fossielen of overblijfselen wel veel nieuwe informatie met zich mee. Het zou zomaar kunnen dat al over 5 jaar de waarheid naar boven komt!

Nog een vraag die je jezelf kunt stellen is of de mens het zal overleven. Je kunt niet kijken in de toekomst. Wie weet ontwikkeld de mens zich niet verder en sterft de homo sapiens uit. Als de omgeving van de mens verandert, zal de mens zicht moeten aanpassen. Alleen de sterkste zullen overleven. De generaties daarna hebben ander DNA en zullen er misschien wel heel anders uitzien. Wie weet bestaat de soort homo sapiens wel niet meer, er zal dan een andere soort zijn. Daarmee beantwoord je onze onderzoeksvraag. Zal de homo sapiens de hoogst geëvolueerde menssoort zijn en blijven? Wie weet. Op dit moment kun je ervan uitgaan dat de homo sapiens de hoogst geëvolueerde menssoort is. Helaas kun je niet in de toekomst kijken. Er hoeft maar een klein ding te gebeuren en de homo sapiens kan zo uitgestorven zijn. Laten we hopen dat dat nog even duurt. Wel is bewezen dat ooit, in de toekomst, de aarde zal vergaan. Men weet niet hoe, maar op een gegeven moment is de aarde zodanis beschadigt dat hij ermee ophoud.

De hypothese die wij hebben gesteld is naar onze mening juist. Er zijn veel bewijzen dat de mens van de aap afstamt. Zeker als je kijkt naar het DNA van de mens en die van de chimpansee. Primaten hebben veel gemeen met de mens. Ze lopen niet helemaal recht, kunnen niet praten en zijn niet zo beschaafd als de mens, maar dat wil nog niet zeggen dat ze dat niet kunnen worden. Misschien zal de chimpansee zich evolueren tot de hoogst geëvolueerde menssoort, je weet maar nooit. Wij denken wel dat er nieuwe soorten zullen ontstaan na de homo sapiens. Het is zoals Darwin zei: Soorten blijven zich aanpassen, alleen de sterkste zullen overleven. Als de homo sapiens niet sterk genoeg is maar bijvoorbeeld een olifant wel, dan sterft de mens en evolueert de olifant verder.



Samenvatting
De mens is ergens ontstaan. Maar niemand weet hoe en waar. Mensen hebben wel een idee, maar niet genoeg bewijs. Vele geleerden hebben onderzoek verricht en hebben een theorie opgesteld. Een evolutietheorie. Een theorie die de schepping van het leven beschrijft. Charles Darwin heeft er een. En wat voor een. Een theorie die het best de schepping van de aarde beschrijft. En hoe komt dat? Door natuurlijke selectie, alleen de sterkste zullen overleven en kunnen zich aanpassen aan hun omgeving. Niet alleen Darwin had theorieën. Veel gelovigen hebben een eigen theorie en die komt allemaal met elkaar overeen. God is de scheper en niemand anders. Dit zijn onder andere de creationisten. Helaas weet niemand wat de waarheid is.

Men weet wel dat evolutie begint met genetica . De genetica is ontdekt door Gregor Mendel. Hij voerde experimenten uit op erwtenplanten. Hij hield bij hoe de kenmerken werden doorgegeven van de ene generatie naar de andere. Er werden erfelijkheidswetten geformuleerd, de wetten van Mendel.

Bij genetica wordt beschreven hoe de eigenschappen worden overgedragen van de ene generatie aan de andere generatie. Het fenotype (een verzameling van alle waarneembare kenmerken van een individu) wordt hier bestudeerd. De erfelijkheidsleer beschrijft de overerving van de eigenschappen tussen organismen en hun nakomelingen. De genetica bestaat uit moleculaire genetica. Hier houden ze zich bezig met het bestuderen van structuur en functie van genen op een moleculair niveau. Genetici richten zich bij de moleculaire genetica op de fysische en chemische structuren van de dubbele helix en DNA. Een ander onderdeel is genetische expressie. Hier wordt het DNA van een gen gekopieerd naar messenger RNA (mRNA) of andere RNA’s en dat wordt vertaald naar aminozuursequentie. Bij genetische veranderingen gaat het om mutatie. Dit zijn veranderingen in het erfelijk materiaal van een organisme. Als laatste heb je genetische modificatie. Dit is het door de mens handmatig en gericht veranderen van de genen van een organisme.

Waarschijnlijk is het DNA van de aapsoort zo verandert (mutatie) dat de mens ontstond. Het is namelijk zo dat het DNA van een mens (Homo sapiens) wel voor 99,4% overeenkomt met dat van een chimpansee. Ook als je kijk naar de stambomen, ligt de stamboom van de mens eigenaardig dichtbij met die van de apen. De skeletbouw van de vroegere primaten toont dezelfde overeenkomsten als met die van de moderne mens. De homo sapiens zal dus echt afstammen van de apen. Het ligt er maar net aan wat jij denkt.


Literatuurlijst

Boeken
Aartsbergen, A. (2003), ‘’De oorsprong van de mens’’, National Geographic
Dunbar, R. (2001), ‘’Apen, onze verwanten’’, Tirion uitgevers
Joustra, J.A.S. (2010), ‘’Evolutie’’, Elsevier
King, B. (2007), ‘’De spirituele aap’’, Have, Ten
Kukonis, G. (2008), ‘’Evolutieleer voor dummies’’, Pearson Education Benelux B.V.
Lewin, R. (1998), ‘’Evolutiepatronen’’, Veen Magazines
Robinson, T. Rodden (2006), ‘’Genetica voor dummies’’, Pearson Education Benelux B.V.
Zimmer, C. (2002), ‘’Evolutie, triompf van een idee’’, Het spectrum

Krantenartikel:
Gigengack, D. (2011), ‘’Terug naar onze roots‘’, BN DeStem


Internet - Evolutie:
Anoniem (1999), ‘’Charles Darwin’’,
http://www.literature.org/authors/darwin-charles/

Anoniem (2012), ‘’Darwin’s evolutietheorie’’,
http://www.allaboutscience.org/dutch/evolutie-van-de-mens.htm

Anoniem (2009), ‘’De evolutie van de mens’’
http://wetenschap.infonu.nl/onderzoek/45716-de-evolutie-van-de-mens.htm

Anoniem (2011), ‘’De evolutie van de mens’’,
http://www.kennislink.nl/publicaties/de-evolutie-van-de-mens

Anoniem (2008), ‘’De ontwikkeling van de mens: onze verre voorouders’’,
http://kunst-en-cultuur.infonu.nl/geschiedenis/26025-de-ontwikkeling-van-de-mens-onze-verre-voorouders.html

Donaldson, S. (onbekend), ‘’The evolution of men’’,
http://hannover.park.org/Canada/Museum/man/begin.html

Freud, S. (onbekend), ‘’Hall of Fame - Charles Robert Darwin’’
http://www.psyonline.nl/charles-darwin.html

Institute of Human Origins (2008), ‘’Becoming Human’’,
http://www.becominghuman.org/

Naturalis (onbekend), ‘’De evolutie van de mens’’,
http://www.natuurinformatie.nl/nnm.dossiers/natuurdatabase.nl/i002142.html

Naturalis (onbekend), ‘’Verschil tussen mens en chimpansee slechts 2%’’,
http://www.natuurinformatie.nl/nnm.dossiers/natuurdatabase.nl/i002643.html

Niels (onbekend), ‘’Profielwerkstuk evolutie’’,
http://evolutie.isfet.nl/index.php?p=index

Oppenheimer, S. (2003), ‘’Journey of mankid’’,
http://www.bradshawfoundation.com/journey/

Schinkel, G. (2011), ‘’Darwinisme’’,
http://www.vecip.com/default.asp?onderwerp=868

Slagter, D (2006), ‘’Evolutie’’,
http://www.bioplek.org/6ath/6ath_evolutie.html

Sorensen, D (onbekend), ‘’Evolutietheorie’’,
http://www.real-life.nl/evolutietheorie.html

Vleugel, V. (2001), ‘’Evolutietheorie van Charles Darwin’’, http://www.scholieren.com/werkstukken/851


Internet - Genetica:
Anoniem (onbekend), ‘’Erfelijkheidsleer’’,
http://www.bioplek.org/inhoudbovenbouw.html#erfelijkheidsleer

Anoniem (2011), ‘’Evolutie is voor christenen geen probleem’’, in Katholiek nieuwsblad
http://www.evolutieleer.nl/

Anoniem (onbekend), ‘’Genetica’’,
http://www.geolution.nl/science/genetica.htm

Anoniem (2011), ‘’Genetica’’,
http://nl.wikipedia.org/wiki/Genetica

Anoniem (2011), ‘’Wat zijn de verschillen tussen DNA en RNA?’’,
http://www.aljevragen.nl/sk/biochemie/BIO154.html

Dam, I. van (2003), ‘’DNA
http://www.kennislink.nl/publicaties/dossier-dna

Delight training and coaching (2009), ‘’Evolutie en genetica’’,
http://www.delighttrainingcoaching.nl/?p=evolutie-en-genetica

Gils, W. van (onbekend), ‘’De wetten van Mendel’’,
http://www.vogelsite.com/Artikelen/de_wetten_van_mendel.htm

Lequy, C. (2005), ‘’Wie was Gregor Mendel’’,
http://www.evolutietheorie.ugent.be/node/122

Mebride, M. (2004), ‘’Genetica of erfelijkheidsleer’’,
http://www.meervoudiggehandicapt.nl/Pagina's/Medisch/Onderzoeken/Genetica%20of%20erfelijkheidsleer.asp

Naturalis (onbekend), ‘’DNA: de erfelijke basis van evolutie’’,
http://www.natuurinformatie.nl/nnm.dossiers/natuurdatabase.nl/i002497.html

Senf, R. (2011), ‘’Erfelijkheid, DNA en chromosomen’’,
http://erfelijkheid.nl/erfelijkheid/dna-genen-en-chromosomen

Waver, S. (2009), ‘’Gregor Mendel’’,
http://www.degrotecavia.nl/mendel.html



Bijlagen

Artikel overeenkomst mens- chimpansee
Verschil tussen mens en chimpansee slechts twee procent
Het is en blijft een ontnuchterende gedachte. Het verschil tussen de mens en zijn naaste verwanten in het dierenrijk, de mensapen, is slechts 2%. Tenminste, als we rekenen in termen van DNA.
Lars van den Hoek Ostende, conservator paleontologie van Naturalis, vertelt wat die 2% genetisch verschil in zijn ogen betekent.

Wat die 2% aan genetisch verschil precies betekent, mag ieder voor zich invullen. De een ziet misschien een wereld van verschil, de ander zal vertellen dat onze kinderen zelfs de eerste twee jaar van hun leven achter lopen op chimpansees. Voor mij is het verschil zes miljoen jaar gescheiden evolutie. Verder maak ik me daar niet zo druk over. Want zolang we niet weten wat die twee procent nu daadwerkelijk voorstelt, kunnen we niet zoveel met dat DNA als het gaat om menselijke evolutie. Dan zijn we afhankelijk van wat de fossielen vertellen, en kan alleen de paleontologie ons verder helpen. Althans, dat vind ik, maar ik ben bevooroordeeld; ik ben paleontoloog.

Mijn vooroordelen hebben nu echter een gevoelige knauw gekregen. Want in Nature van 25 maart 2004 laten tien Amerikaanse wetenschappers onder aanvoering van Hansell Stedman zien, dat je wel degelijk met mensen- en apen-DNA meer kan dan alleen maar het verschil kwantificeren.

Studenten die in Naturalis komen om iets over menselijke evolutie te leren, laten we altijd goed kijken naar de verschillen tussen de schedel van mensen en mensapen. Een van de verschillen is de bouw van de kaak. De kaakspieren van apen zijn zwaarder gebouwd. Dat zie je onder andere aan de beenkammen op de schedel. Wij hebben die niet nodig. Onze schedel heeft zon groot oppervlak, dat de spieren gewoon aan de zijkant zijn aangehecht. En die spieren zijn een stuk minder zwaar ontwikkeld. Het DNA-onderzoek in Nature gaat over dit kenmerk.

Kaakspier-gen
De wetenschappers hebben het gen gevonden, dat zorgt voor de zware kaakspieren bij apen. Bij de mens is dit zogenaamde MYH-gen (MYosine Heavy chain) uitgeschakeld. Het handige van dit type onderzoek is, dat je ook kan zeggen wanneer die verandering ongeveer heeft plaatsgevonden. Dat gebeurde ongeveer 2,4 miljoen jaar geleden, aldus de Amerikaanse onderzoekers. En dat is een mooie tijd. Uit de fossielen weten we dat er toen verschillende aapmensen rondliepen, de Australopithecini. Sommige van deze soorten hadden vrij slanke kaken, andere, zoals de notenkrakermens Paranthropus boisei hadden juist extreem stevige kaken. Ik ben nu dus om. DNA-studies kunnen wel degelijk ook een belangrijke bijdrage leveren aan het reconstrueren van de evolutie van de mens.

Wat alleen zo jammer is, is dat de conclusies meteen doorslaan. Van die 2 % verschil wordt steeds één punt naar voren gehaald: onze superieure intelligentie. Nu wordt opeens gesuggereerd dat er een direct verband is tussen het uitschakelen van het MYH-gen en de toename in hersengrootte. De zware kaakspieren zaten niet meer in de weg, en dus kon de hersenpan gaan groeien. De timing van de mutatie zou dit bevestigen, want 2,4 miljoen jaar is eventjes voor het verschijnen van het moderne mensengeslacht Homo.

Volgens mij noemt alleen de onverbeterlijke optimist een tijdspanne van ruim 500.000 jaar eventjes. De moleculair biologen zijn dus niet beter dan de paleontologen. Bij het opstellen van modellen voor menselijke evolutie is de wens vader van de gedachte, en de wens is om de mens een status aparte te laten houden vanwege zijn superieure intelligentie. Bij iedere andere soort was de verandering in de kaakmusculatuur gewoon gezien voor wat hij is: een aanpassing aan een ander type dieet.

Maar als we de evolutie van de mens gaan behandelen zoals we dat voor andere soorten doen, dan werkt dat misschien niet zo ontnuchterend als die 2% verschil, of het feit dat onze kinderen tot hun tweede jaar achterlopen bij chimpansees. Het leert ons dat, als puntje bij paaltje komt, we gewoon primaten zijn. Misschien moet je er maar niet teveel bij nadenken. Die 2% is voldoende om ervoor te zorgen dat ik mens ben. En dat mijn zoontje achterloopt bij chimpanseebaby's, maak ik me ook niet druk over. Dat haalt hij wel weer in.

Lars van den Hoek Ostende
Conservator paleontologie van Naturalis

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

6133

Welkom!

Goed dat je er bent. Scholieren.com is de plek waar scholieren elkaar helpen. Al onze informatie is gratis en openbaar. Met een profiel kun je méér:

snel zien welke verslagen je hebt bekeken
de verslagen die je liket terugvinden
snel uploaden en reacties achterlaten

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Wat doe jij om het plastic in de oceaan te verminderen?