Door Scholieren.com te bezoeken geef je toestemming voor het gebruik van cookies. Ben je onder de 16? Zorg dan dat je toestemming van je ouders hebt om onze site te bezoeken. Lees meer over je privacy (voor het laatst bijgewerkt op 25 mei 2018). Akkoord Instellingen aanpassen
Een studie kiezen is lastig, maar wat levert jou nou precies stress op? En hoe kunnen anderen jou beter helpen bij de keuze? Wij onderzoeken dat samen met Studiekeuze123, hier doe je anoniem mee. Je maakt kans op Bol.com bonnen t.w.v. 15 euro.

Beeldende begrippen

Techniek

Begrippenlijst

6.6 / 10
  • Miss Anoniem
  • Nederlands
  • 2801 woorden
  • 2728 keer
    155 deze maand
  • 21 juli 2016
Beeldende Begrippen
Beeldende aspecten = Kleur, vorm, ruimte, licht en compositie
Ruimte suggesties:
Overlapping
Lijnperspectief
Diepte
Groot voor, klein achter
Licht en donker (schaduw)
Verkorting
Stapeleffect
Hoofdstuk 1

Hoofdstuk 2
Verschijningsvorm = Een tekening, schilderij, affiche, gebouw, foto, stoel, tuin, broek en dergelijke
Tweedimensionaal = Zaken die twee richtingen (dimensies) hebben: lengte en breedte (hoogte en breedte)
Driedimensionaal = Zaken die drie richtingen (dimensies) hebben: lengte, breedte en hoogte
Vierde dimensie = Film heeft een vierde dimensie, tijd
Drager = Tweedimensionale beeldende kunst die aangebracht is op een ondergrond
Schets = Schetsen is een losse, zoekende manier van tekenen
Tekening = Een verzamelnaam voor alles wat is getekend
Schilderij = Een verzamelnaam voor al het werk dat is geschilderd
Illustratie = Alles wat tussen een foto en een tekening in zit en bedoeld is als afbeelding, versiering, grapje of instructie
Affiche = Grote aanplakbiljetten of posters die gebruikt worden om bijvoorbeeld een optreden aan te kondigen
Grafiek, prent(druk) = Gedrukte kunst, bijvoorbeeld hoogdruk, diepdruk, vlakdruk en doordruk
Druk = Een afdruk
Gravure = Een afdruk van een tekening die met een scherpe pen in een metalen drukplaat is gekrast (gegravuurd)
Miniatuur = Een klein schilderijtje of een verkleinde weergave van een ruimtelijk object
Paneel = Een vlakke (houten) plaat
Wandkleed of wandtapijt = Kleden of tapijten met de hand geweven en geknoopt soms geborduurd
Muurschildering =  Tekening of schildering op een muur
Graffiti = Teksten en figuren die illegaal op muren, tekenen en e.d. worden geschilderd
Tags = Paraaf of handtekening
Pieces = Grote schilderingen
Foto, fotoserie = Met een fotocamera gemaakte beeldende kunst
Fotomontage = Een collagetechniek waarbij het beeld is samengesteld uit verschillende foto’s of stukjes van foto’s
Mixed media = Een mix van allerlei media (middelen)
Collage = Een kunstwerk dat gemaakt is met stukjes papier, knipsels uit kranten, foto’s, uitgeknipte of uitgescheurde stukjes van tekeningen of schilderwerk

Objects trouvé = Gevonden voorwerpen
Film = Een kunstvorm met een vierde dimensie (tijd)
Filmsoorten = Commercial, dramaserie, documentaire, instructiefilm, reportage en speelfilm
Video = Een kunstvorm met een vierde dimensie  het verschil tussen film en video zit hem in het medium: film staat beeldje voor beeldje op een grote rol, een video is digitaal
Performance = Een verzamelnaam voor optredens van een of meer beeldende kunstenaars
Animatie = Het woord ‘animatie’ is afgeleid van ‘animus’, wat ‘ziel’ betekent. Een animatie worden 2D- of 3D- figuren ‘tot leven gebracht’
Speelfilm = Een verzonnen verhaal
Dramaserie = Een serie die voor een bepaalde periode op een vast tijdstip op een vaste avond in de week wordt uitgezonden
Commercial = Reclame, met als doel de kijker te verleiden
Reportage = Een verslag over een bepaalde gebeurtenis
Instructiefilm = Een filmpje laat zien hoe je iets moet doen
Sculptuur, beeldhouwwerk = Een beeld die ingehouwen/ingehakt is
Buste, borstbeeld = Een ruimtelijk portret dat bestaat uit hoofd, borst en schouders
Monument = Een speciale groep van beeldhouwwerk
Afgietsel = Gegoten of in elkaar gelast of aan elkaar gelijmde kunstwerk
Sokkel = Ruimtelijke kunstwerken staan meestal op een sokkel of voetstuk
Mobile = Beweegbaar kunstwerk
Kinetisch object = Bewegende kunstwerk
Assemblage = Onderdelen uit verschillende fabrieken tot het eindproduct geassembleerd (samengevoegd)
Ready made = Kant- en- klaar
Installatie = Een ruimtelijk kunstwerk met meestal een tijdelijk karakter op een speciaal daarvoor uitgekozen locatie
Reliëf = Een beeld op of in een vlak
Voorstelling = Een weergave
Thema = Aparte soorten schilderijen of categorieën in de kunst
Genre = Soort of stijl in de kunst
Hoofdstuk 3
Figuratief = Een voorstelling waarin je de echte of gefantaseerde werkelijkheid herkent
Naturalistisch  = Waarheidsgetrouw/natuurgetrouw
Gedetailleerd = Heel precies, alles weergevend
Vereenvoudigd = Alleen de hoofdlijnen
Impressionistisch = ‘Impressie’ is ‘indruk’, dus een indruk van de waarheid
Expressionistisch = De figuren zijn sterk vervormd (gedeformeerd). Bovendien is het kleurgebruik opvallend: niet realistisch maar geheel naar keus van de schilder
Gedeformeerd = Een schilderij vanuit de belevening van de schilder en daardoor enigszins vervormd
Abstract = Onherkenbare figuren
Vervreemd = Het veranderen naar iets anders, door bijvoorbeeld allerlei onderdelen, die niet bij elkaar horen te combineren
Surrealistisch = Een schilderij met een vreemde voorstelling
Realistisch = Zo echt mogelijk weergegeven; het moet kloppen met de werkelijkheid
Exotisch = Uit een ver en vreemd land afkomstig
Portret = Een kunstwerk met de mens als thema
Totaalportret = Wanneer iemand ten voeten uit is geportretteerd
Portret en profil = Zijaanzicht
Portret en face = Vooraanzicht
Portret a trois quart = Drie vierde in beeld
Zelfportret = Een portret dat de kunstenaar van zichzelf heeft gemaakt
Gestileerd = Alleen de hoofdlijnen zijn weergegeven en de details weggelaten
Kop = Een onpersoonlijke voorstelling
Karikatuur = Een bijzonder portret waarmee de figuur op de hak genomen wordt
Cartoon = Een situatie op een grappige of spottende wijze in beeld gebracht
Figuurstuk = Menselijke figuren spelen de hoofdrol die gezamenlijk een scene of een verhaal uitbeelden
Groepsportret = Een groep mensen die geen verhaal uitbeelden, maar wel gebruik maken van attributen
Attributen = Een voorwerp dat vast bij iemand hoort en je hem of haar daar ook aan herkent
Bijbelse voorstelling = De Bijbel n beeld om de verhalen door te geven
Mythologische voorstelling = Een schildering over een oud godenverhaal
Geposeerd = Kennis van het menselijk lichaam en hoe het is opgebouwd
Stilleven = Een voorstelling van levenloze spullen (voorwerpen, vruchten en etenswaren)
Lichtbron = Bron waar het licht vandaan komt, bijvoorbeeld van de zon, kaars of lamp
Interieur =  Aankleding
Symbool = Herkenbaar figuur
Hoofdstuk 4
Zeggingskracht, expressie = Je let waarschijnlijk op de voorstelling maar bewust of onbewust ook op het effect van de beeldende aspecten (kleur, vorm, licht, ruimte en compositie)
Expressies = Vrolijk, somber, agressief, angstig, zelfbewust, verstild, lieflijk, geëmotioneerd of zakelijk, romantisch, feestelijk, peizend, dromend
Futuristisch = Toekomst
Beweeglijk = Schuine en gebogen lijnen maken een dynamische, bewegelijke indruk
Religieus = Tempels, kerken, moskeeën en synagogen hebben een religieuze functie: ze zijn gebouwd om ruimte te bieden aan godsdienstige religieuze activiteiten
Klassiek, classicistisch = De oude Griekse en Romeinse cultuur dient als voorbeeld en inspiratie
Hoofdstuk 5
Functionaliteit = Het doel waarvoor iets is ontworpen
Gebruiksfunctie = Waarvoor iets is ontworpen, bijvoorbeeld een stoel is ontworpen om op te zitten
Verwijzend of symbolisch = Het verwijzen naar een status
Functie van kunst:
Decoratief = De versiering op een object
Esthetisch = Smaakvol, mooi
Historisch = De overheid laat belangrijke gebeurtenissen, zoals veldslagen, vredesverdragen, kroningen of bruiloften graag vastleggen in documenten, penningen en kunst
Waarschuwend = Het waarschuwen van personen, door middel van verkeersborden, teksten en stickers
Wervend = In dienst aannemen, dus het activeren van iemand
Hoofdstuk 6
Kleur = Bij kleur gaat het om drie verschillende eigenschappen: kleursoort, helderheid, zuiverheid of verzadigdheid
Kleursoort = Verschillende kleuren die allemaal bij een groep horen zoals lichtblauw, donkerblauw en marine blauw horen allemaal bij de kleursoort/kleurfamilie blauw
Kleurfamilie = Kleuren die maar weinig van elkaar verschillen, behoren tot één kleurfamilie
Kleurhelderheid = De mate van helderheid van een kleur zegt hoeveel licht een kleur terugkaatst
Verzadigde kleuren = Een kleur op zijn kleurigst, zoals rood 
Onverzadigde kleuren = Kleuren die zijn vermengd met andere kleuren en daarom onverzadigd, zoals bruin, donkergroen of donkerblauw
Kleurencirkel = Gemakkelijke manier om kleuren te rangschikken
Primaire kleuren = Zuiver rood, geel en blauw zijn de basiskleuren waarmee alle kleuren gemengd kunnen worden
Secundaire kleuren = Groen, oranje en paars zijn de secundaire kleuren. Je krijgt ze door twee primaire kleuren met elkaar te mengen
Tertiaire kleuren = Bordeauxrood, oudroze en sienna zijn kleuren die verdonkerd zijn. Je krijgt ze door drie primaire kleuren met elkaar te mengen
Kleurgebruik = De werking en de functie van kleuren hangen met elkaar samen
Expressief kleurgebruik = Gaat over het uitdrukken van gevoel
Symbolisch kleurgebruik = De kleuren hebben een diepere betekenis
Koele kleuren = Blauwe, groene en paarse kleuren
Warme kleuren = Rode, oranje en gele
Kleurperspectief = Door bepaalde kleuren naast elkaar te gebruiken, kan je diepte suggereren
Atmosferisch perspectief = Diepte gesuggereerd. Dichter bij de horizon vervagen en vergrijzen de kleuren en worden lichter
Schematisch kleurgebruik = Een kleur die iedereen kenmerkend vindt voor dat object
Functioneel kleurgebruik =  Een kleur die is toegepast om een bepaald doel te bereiken, bijvoorbeeld om wanden te versieren, of iemand waar te schuwen
Kleurcontrasten = De tegenstelling tussen kleuren die naast elkaar worden gebruikt
Kleur- kleurcontrast = Het verschil tussen twee verschillende kleursoorten naast elkaar
Licht- donker contrast = Door het grote contrast in licht en donker, wordt er iets benadrukt
Complementair contrast = Kleuren die in de kleurencirkel tegenover elkaar liggen, zoals rood- groen
Warm- koud contrast = Warme en koude kleuren naar elkaar om diepte te suggereren
Kleurmenging = Het mengen van primaire kleuren om secundaire kleuren of tertiaire kleuren te krijgen
Optische kleurmenging = De kleuren op de drager zijn niet gemengd, maar in kleine kleurstipjes naast elkaar aangebracht
Kleurverloop = De geleidelijke verandering van kleur
Egaal = Overal dezelfde kleur
Polychroom = Meerkleurig
Monochroom = Eenkleurig
Licht inval = De manier waarop je lichtval ervaart
Lichtintensiteit = De sterkte van het licht
Direct licht = Het licht vanaf een direct voorwerp zoals een kaars
Diffuus/indirect = De schaduwen zijn onscherp of vaag en alles is even sterk belicht
Lichtrichting = De richting van waaruit het licht schijnt
Tegenlicht = Het schijnt je tegemoet en het kan heel storend zijn
Mee licht = Licht dat van voren op de voorstelling valt, met de kijker mee
Zijlicht = Licht vanaf de zijkant
Lichteffecten = Schaduw, schaduwwerking, plasticiteit, licht- donker contrast, clair- obscure en sfeer
Schaduw = Plekken waar weinig of geen licht op valt, terwijl dat in de directe omgeving wel gebeurt
Slagschaduw = De schaduw die een object op zijn omgeving ‘slaat’
Schaduwwerking/plasticiteit = Niet plat maar een bolle, ruimtelijke vorm
Licht- donker contrast = Verschil tussen de lichte en donkere delen van een foto of schilderij
Strijklicht = Zorgt voor lange slagschaduw
Clair- obscure = Overdrijven van schilders met licht- donker contrast of de licht- en schaduwwerking
Sfeer door licht = Kaarsen creëren bijvoorbeeld een knusse sfeer
Punten en lijnen = Worden gebruikt om vlakken mee op te vullen
Pointillisten = Schilderijen die zijn opgebouwd met uitsluitende stipjes verf
Lijnen = Een verbinding tussen twee punten. Lijnen zijn er in allerlei soorten en maten. Lijnen kunnen recht zijn of krom, hoekig, rond, afwisselend, gebogen, slingerend, lang, kort, dik, dun of haarfijn, onderbroken of ononderbroken, enkel of dubbel.
Contour = Omtrek van een vorm
Lijnwerking:
. Zorgen voor ordening
. Lijnen in de richting van één punt suggereren diepte
. Met schuine en gebogen lijnen kan beweging worden gesuggereerd
. Overwegende verticale lijnen, suggereren hoogte
. Horizontale lijnen benadrukken breedte, zwaarte, stabiliteit en rust en het aardse
. Dikke zware contourlijnen rond een vorm accentueren de vorm
. Lijnen kunnen dienen ter versiering
Lijnrichting = Waarin lijnen je dwingen om je ogen te volgen
Lineair = Lijnvorming, kortom een beeld dat bepaald wordt door lijnen bij voorkeur rechte lijnen
Structuur = De manier waarop iets in elkaar is gezet
Formaat = Grootte van een kunstwerk
Maatverhouding = Maatstaaf
Volume = Driedimensionale formaat:  de hoeveelheid ruimte die een vorm inneemt
Vormsoort = De kenmerken die een bepaalde vorm heeft, bijvoorbeeld een cirkel is rond
Vlak = Geen diepte in het schilderij
Ruimtesuggestie = Het schilderij suggereert ruimte of diepte
Echt ruimtelijk = Het werk heeft verschillende kanten die je kunt bekijken
Ruimtelijk = Een reliëf die 2d (vlak) of 3d (ruimtelijk) kan aangeven
Geometrisch = Wiskundige vormen
Figuratief = Herkenbare vormen, maar ook niet door andere vormen zoals geometrische en primaire kleuren
Abstract = Non- figuratief, geen herkenbare vormen
Gestileerd = Vereenvoudigd
Organisch = Vloeiende en golvende vormen
Vormcontrast = Verschil in vorm, bijvoorbeeld tussen groot- klein (formaat) of geometrisch- organisch
Geabstraheerd = Tussen zuiver figuratief en volkomen abstract zitten een wereld van mogelijkheden om iets uit de werkelijkheid te verbeelden
Vereenvoudigd = Het weglaten van details en het vereenvoudiging van vorm
 Schematisch = Bepaalde dingen op dezelfde wijze vormgeven
Silhouet = De omtrek van een vorm
Gestroomlijnd = Weinig luchtweerstand. De term ‘gestroomlijnd’ is afgeleid van de vorm van vissen en vogels die zo gebouwd zijn dat ze snel en gemakkelijk kunnen zwemmen of vliegen
Ruimte- innemend = Gesloten, als je door vormen niet heen kunt kijken of in kunt kijken
Ruimte omvattend = Open, als de vormen goeddeels doorzichtig zijn
Vorm- restvorm = Als iets het tegengestelde is (een negatieve vorm heeft)
driedimensionale ruimte = Je kunt naar voren en naar achteren, naar links en rechts, en naar boven en beneden
Begrenzing = Scheiding tussen interieur en exterieur
Kader = Rand om een beeldvlak van een tekening, foto of schilderij heen
Standpunt = De plek die bepaald hoe je ergens naar kijkt, bv. hoog, laag, van voren, dichtbij, veraf
Kikvorsperspectief = Vanaf een laag standpunt, van beneden naar boven
Vogelvluchtperspectief = Vanaf een hoog standpunt, van boven naar beneden
Close up = Een standpunt van dichtbij
Ruimte- of diepsuggestie = Beeldende middel om diepte of ruimte op een vlak te suggereren
. Voor- en achtergrond = voor is dichtbij en achter is ver
. Groot voor/ klein achter = Iets wat dichtbij is lijkt groter dan wanneer hetzelfde ding wat verder weg is
. Afsnijding = Het effect waardoor de kijker dichter het schilderij in wordt getrokken
. Overlapping = Iets is niet helemaal zichtbaar omdat er iets op of overheen zit
. Coulissewerking = Door een donkere zijkanten op de voorgrond wordt je geduwd om naar het midden te kijken van de achtergrond waar het lichter is
. Vormen van perspectief
. Vervaging = Hoe verder weg, hoe vager en minder scherp we de vormen nog kunnen zien
. Scherptediepte = Heeft betrekking op de scherpstelling van de lens
. Verkorting = Hoewel je lengte niet verandert terwijl je ligt, lijkt dat wel zo
Ruimtewerking = Een combinatie van verschillende trucs voor ruimtesuggestie levert een sterk ruimtelijk beeld
Kleurperspectief = De ene kleur komt meer op je af dan de ander, waardoor diepte wordt gesuggereerd
Atmosferisch perspectief = Diepte wordt daarbij gesuggereerd doordat de kleuren verder weg lichter en grijzer worden
Lijnperspectief = Naar de horizon toe lijkt alles steeds kleiner te worden
Verdwijnpunt/vluchtpunt = Evenwijdige lijnen in de richting van de horizon komen samen
Horizon = De grens tussen de lucht en aardbol
Plasticiteit = Ruimtesuggestie door de effecten van licht op de vorm: door licht- schaduweffecten
Compositie = De manier waarop dingen bij elkaar zijn geplaatst en zo een groep vormen
. Rechthoekige compositie
. Driehoekige compositie
. Over- all of verspreide compositie
. Centrale compositie
. Diagonale compositie
Lay- out = Ontwerpers en grafisch ontwerpers of vormgevers gebruiken liever de term lay- out of opmaak in plaats van compositie
Beeldvlak = Het hele schilderij of de hele foto of tekening
Uitsnede = Met een uitsnede kan een fotograaf of kunstenaar inzoomen op een deel van een beeld dat speciaal onder de aandacht te brengen
Plaatsing = Bij het opzetten van een beeld of scene om die te schilderen, te fotograferen of te filmen, overweegt de maker waar en hoe hij de onderdelen zal plaatsen
Afsnijding = Een deel wordt weggelaten of afgesneden
Kader = Een rand om het beeld heen
Aanzicht = De verschillende kanten waarop je een object kan bekijken (voor-, zij-, achter-, boven- en onderaanzicht)  aanzicht ligt aan je standpunt, waar je staat
Richting = De plek waar je naar toe wordt geduwd om te kijken, horizontale en verticale richtingen, maar ook diagonale, hoekige, gebogen of slingerende richtingen
Symmetrie = Samenhang en eenheid, twee spiegelbeeldige helften, regelmatig
Asymmetrie = Wanneer je de compositie niet in twee spiegelbeeldige helften kunt verdelen is er sprake van asymmetrie, het maakt de compositie levendiger, onregelmatig
Herhaling = Veel van de vormen en kleuren binnen een schilderij worden herhaald
Effect of werking van compositie = De manier van ordenen helpt de bedoeling van de maker en de effecten van kleuren, vormen, licht en donker, en ruimte over te brengen
. Samenhang en eenheid, herhaling van vormen en kleuren
. Rust, evenwicht en harmonie, symmetrische compositie, verticale en horizontale richtingen overheersen, een rust statisch beeld
. Dynamiek, beweging, onrust en spanning, suggereren de schuine en gebogen contouren, dynamisch, licht en donker, schuine richtingen en asymmetrie
. Aandachtspunten, vooral ogen en gezichten van mensen trekken de aandacht of lichte plekken in donkere omgeving, maar ook verdwijnpunten of overheersende primaire kleuren
. Kijkrichting, sterke lijnen die dwingen je aandacht steeds opnieuw in een bepaalde richting te kijken
Shot = Een opnamefragment van een situatie in een film met één camera
Scene = Een afgerond geheel of tafereel van verschillende shots
Tijdsverloop = De tijdsduur die verbeeld word. In een film kan een tijdsverloop van enkele jaren in een paar minuten in beeld worden gebracht
Plot = De verhaallijn van een boek, toneelstuk of film
 

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

1960

Welkom!

Goed dat je er bent. Scholieren.com is de plek waar scholieren elkaar helpen. Al onze informatie is gratis en openbaar. Met een profiel kun je méér:

snel zien welke verslagen je hebt bekeken
de verslagen die je liket terugvinden
snel uploaden en reacties achterlaten

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

bijlagen1

Bijlage 1Download