Cookies..
Door Scholieren.com te bezoeken ga je akkoord met het gebruik van cookies. Klik hier voor meer info.

Kunststromingen voor centraal examen

Kunstgeschiedenis

Begrippenlijst

7.8 / 10
5e klas havo
  • eveline leddy
  • Nederlands
  • 2213 woorden
  • 1535 keer
    24 deze maand
  • 11 mei 2014

Abstract expressionisme. H4

Vanaf 1946 eerste echte Amerikaanse stroming in de beeldende kunst. Expressiviteit en improvisatie zijn kenmerkend voor deze stroming, met grote schilderijen.

Kunstenaars: Jackson Pollock, Willem de Kooning, Barnett Newman.

Avant-garde. H2/3

Aanduiding voor een groepering die experimenteert met vernieuwing op het gebied van kunst en cultuur en zich verzet tegen de geldende maatschappelijke en culturele orde. De term wordt vaak gebruikt om de ontwikkelingen op het gebied van film, theater, beeldende kunst en muziek vanaf 1900 tot de Tweede Wereldoorlog aan te duiden.

Belangrijke voorbeelden: dada en futurisme.

Barok. H1

Vanaf eind 16e eeuw tot begin 18e eeuw. Komt aan het einde van de Renaissance in Italië opzetten en is een bouwstijl. De bouwstijl heeft veel versieringen en deze stijl heeft ik alle kunsten overheerst in midden 18e eeuw. In de rooms-katholieke landen is de barok vaak verbonden met de contrareformatie. In de protestantse landen is er een meer sobere variant van barok zichtbaar.

 

Een barok kunstenaar streeft naar de eenwording van de beeldende kunst en de bouwkunst en het najagen van dramatische en theatrale emotionele effecten zijn zeer belangrijk.

 

In de schilderkunst gebeurt dit door veel beweging en grote licht/donker contrasten. In de beeldhouw-bouwkunst is barok te zien aan holle en bolle vormen, en licht/ donker contrasten.

 

In de muziek is de overbeladenheid terug te vinden door de ontwikkeling van de monodie (begeleidende eenstemmigheid) waar de opkomst van de solist en de doorbraak van de opera het gevolg kan zijn.

Bauhaus. H3

1919-1932, kunstopleiding gesticht in 1919 in Weimar Duitsland met nadruk op toegepaste kunsten en industriële vormgeving.

Classicisme. H1

Algemene stijlaanduiding voor kunst- en cultuuruitingen die geënt zijn op voorbeelden uit de klassieke kunst (grieken en romeinen) na de Renaissance. Meer specifiek wordt de benaming gebruikt voor de cultuurperiode in de tweede helft van de 18e eeuw, waarin nieuwe belangstelling voor de klassieken, onderdeel is van de Verlichting en leidt tot oa opgravingen en opmetingen van het klassieke erfgoed. In deze periode worden de klassieke voorbeelden zeer nauwgezet nagevolgd.

Cobra. H4

1948-1951, kunstenaarsgroep met leden uit Kopenhagen-Brussel-Amsterdam. Herkenbare, kleurrijke stijl beïnvloed door primitieve culturen of kindertekeningen.

Kunstenaar: Karel Appel.

Commedia dell’arte. H1

Geïmproviseerd volkstoneel in Italië vanaf eind 15e eeuw. Binnen een eenvoudig scenario bouwen de beroepsspelers hun rol al improviserend uit, kostuums en maskers vergroten de herkenbaarheid van de rollen. De toneelvorm kent vaste types:

 

Pantalone à

  • Mager met een lange haakneus, staat voor de vrek
  • Krijgt in theaterstukken vaak aanvaringen met de ijdele Capitano en geleerd voordoende Dottore.

 

Zanni à

  • Komische knechten die iedereen op het toneel en in het publiek voorschut willen zetten
  • Lenig en vermaken het publiek met allerlei acrobatische kunsten

 

Capitano à

  • IJdel en een opschepper

 

Dottore à

  • Doet zich voor als geleerde en slimmerd

Constructivisme. H3

Kunststroming, ontwikkeld in Rusland vanaf 1915 met accent op experimenteel materiaalonderzoek en constructie. Abstracte, veelal ruimtelijke kunst. Vanaf 1917 vooral ontwerpen voor toegepaste kunst. Vanaf 1920 verspreidt de invloed van het constructivisme zich over de rest van Europa terwijl het in de SU volledig geïsoleerd raakt en later zelfs verboden.

Constructivistisch theater. H3

Theatervorm ontwikkeld door oa Meyerhold na de Russische revolutie. Nadruk op niet-naturalistisch spel en geabstraheerde industrieel ogende decors.

 

Dada. H2

Internationale artistieke beweging tussen 1916-1924 op het gebied van literatuur, beeldende kunst, muziek en theater. Reactie op Eerste Wereldoorlog. Benadrukken van toeval, spontaniteit, absurditeit. Afkerig van theorie, anti-burgerlijk en anti-intellectueel.

De Stijl. H3

1917-1932, groepering Nederlandse kunstenaars rond het tijdschrift ‘’De Stijl’’. Uitgaande van strenge vormgeving formuleerde De Stijl uitgangspunten voor beeldende kunst, architectuur en toegepaste vormgeving.

Entartete kunst. H3

Benaming die door het fascisme werd gebruikt voor moderne ontspoorde kunst. Uit in beslag genomen werk werd de reizende tentoonstelling ‘’Entartete Kunst’’ samengesteld. Opkomst van het fascisme en de Tweede Wereldoorlog legden voor ruim 15 jaar elke ontwikkeling op het gebied van de moderne kunsten stil.

Expressionisme. H2

Algemene benaming voor kunst waarbij sterk de nadruk ligt op uitdrukking geven aan gevoel.

 

In de muziek ontwikkelt men de twaalftoonsetechniek, atonale muziek als reactie op de romantiek en het impressionisme.

 

In het theater wordt de term gebruikt voor stukken die het effect van ‘’een schreeuw’’ beogen. Vaak een schreeuw van sociaal bewogen emoties, maar ook van de innerlijke gevoelens.

 

In de film wordt de term gebruikt voor de periode 1919-1924. Na de Eerste Wereldoorlog proberen enkele Duitse filmmakers een film in ‘’expressionistische stijl’’ te maken. Geïnspireerd door de schilderkunst creëren zij films als bewegende expressionistische schilderijen . dot bereiken zij door beelden te vervormen en te overdrijven. Acteurs gebben een zeer zware make-up en bewegen langzaam in merkwaardige patronen.

 

In de dans zijn twee vormen te onderscheiden: één die de nadruk legt op de hartstochten van het individu en de krachten laat zien die in iemand tot leven komen. De ander die de nadruk legt op het streven van het individu om zijn hartstochten te beheersen ten gunste van bepaalde idealen.

Functionalisme. H3

Denkwijze in de 20ste eeuw, architectuur en vormgeving waarbij de functie van een object, bouwonderdeel of gebouw uitgangspunt wordt genomen voor de vormgeving. Alleen functionele aspecten bepalen het uiterlijk van de vorm: ‘’form follows function’’. Alle overbodige decoraties kunnen worden weggelaten: ‘’less is more’’.

Futurisme. H2

Italiaanse beweging. Poging om literatuur, muziek, theater en beeldende kunst aan te laten sluiten bij een veranderende samenleving waarin industrie, machine en oorlog een belangrijke rol spelen. 

Gotiek. H1

13e en 14e eeuw, in de beeldende kunst is het streven naar een groter realisme kenmerkend. In de beeldhouwkunst wordt er weer uitdrukking gegeven aan menselijke gevoelens en onder kleding zijn er lichaamsvormen zichtbaar. In de schilderkunst verdwijnt de gouden achtergrond en worden figuren geplaatst tegen een landschappelijke achtergrond.  In de architectuur en dan voornamelijk in kerken is verticaliteit belangrijk alsof het naar de hemel reikt, kenmerken: luchtbogen, grote glas-in-loodramen, spitsboogramen.

Gregoriaans. H1

Benaming voor de eenstemmige Latijnse onbegeleide kerkzang in de katholieke kerk. In de eerste eeuwen van het Christendom ontstaan.

High tech. H5

Architectuurstroming vanaf 1975 waarbij alle nadruk ligt op het zichtbaar maken van de technisch hoogwaardige constructie van het gebouw. Staalconstructies bepalen het uiterlijk. Voorbeeld: Centre Pompidou in Parijs.

Impressionisme. H1

Vanaf 1870, schilderstijl waarbij het direct waarnemen van de werkelijkheid uitgangspunt wordt voor onderwerpskeuze, kleurkeuze en compositie van het doek. Bijzondere aandacht voor licht en kleur. Invloeden: fotografie en Japanse prentkunst.

 

In de muziek wordt geprobeerd een onderwerp niet langer te ‘beschrijven’ maar in klanken een indruk te geven. Om dit te kunnen bereiken wordt afgeweken van de traditionele harmonie en toonsoorten. 

 

In de literatuur zijn schrijvers geïnspireerd door de impressionistische schilders en op zoek gegaan naar een passende wijze om hun zintuigelijke weergave te verwoorden. Lange beschrijvingen waarin personen en objecten tot in het kleinste detail worden omschreven zijn het gevolg.

 

In de filmindustrie tussen 1918-1930 in Frankrijk ligt de nadruk op het innerlijke leven van de personages, herinneringen, dromen en fantasieën spelen een belangrijke rol dmv flashbacks. Anders dan de surrealisten hebben deze filmmakers deel uitgemaakt van het commerciële circuit.

Klassieke oudheid. H1

Periode van de Griekse en Romeinse kunst en cultuur. In de latere West-Europese kunst en cultuur geschiedenis staan uitgangspunten en kenmerken uit deze periode vaak opnieuw in de belangstelling.

Kubisme. H2

Stroming in de beeldende kunst ontwikkeld door Picasso en Braque, waarin vormen in de natuur teruggevoerd worden tot geometrische basisvormen.

Modern dance. H3

Verzamelnaam van danstechnieken gebaseerd op de grahamdans waarbij de regels van het klassieke ballet zoals het buitenwaarts draaien en het ontkennen van de zwaartekracht niet meer gelden.

Naturalisme. H3

Eind 19e eeuw, natuurgetrouwe weergave van de werkelijkheid. Literaire stroming die voortkomt uit het realisme. Dichtbij de werkelijkheid en het normale leven blijven.

Het Nieuwe Bouwen. H3

Benaming die in Nederland tussen 1925-1940 gebruikt wordt voor moderne architectuur beïnvloed door Bauhaus en CIAM. Architecten introduceren in Nederland een functionele bouwstijl waarin  glas, staal en beton een belangrijke rol zijn. Er is aandacht voor de bouw van de industrialisatie en voor de stedenbouwkunde.

Notre-Dame school. H1

Vroege meerstemmige vocale muziek, religieus, zoals die ontstaan is vanuit de koorschool van de Notre-Dame uit Parijs in de 13e eeuw.

Nouveau réalisme. H4

Stroming in de beeldende kunst die ontslaat in Frankrijk in 1960. De werken kennen vaak een ironische betekenis en zijn vaak gemaakt van alledaagse afvalmaterialen.

Kunstenaars: Yves Klein, Jean Tinguely, Christo.

Nouvelle vague. H4

Letterlijk: nieuwe golf, filmstroming die in Frankrijk ontstaat rond 1959. Nouvelle-vague films zijn heel persoonlijk en vaak experimenteel. Voorbeeld: Jean Luc Godard.

Pop art. H4

Stroming in de beeldende kunst vanaf 1955. De popart ontleent haar naam aan het gebruik van motieven uit de populaire massamedia.

Postmodernisme. H5

Het postmodernisme gaat in tegenstelling tot het modernisme uit van de onmogelijkheid van grote utopieën te verwezenlijken. Postmodernisme benadrukt dat maatschappelijke en persoonlijke ontwikkelingen instabiel zijn en door veel vaak tegengestelde culturele factoren wordt bepaald. Als stijlaanduiding in de kunsten geeft het begrip aan dat een veelheid van stijlen en uitganspunten worden gecombineerd in één kunstwerk

Realisme. H5

Eind 19e eeuw, stroming waarbij verwerping van idealistische onderwerpen, de academische schildertrant en burgerlijke conventies centraal staat. Op de zichtbare werkelijkheid gebaseerde onderwerpen in een stijl zonder opsmuk.

 

In de literatuur is realisme een overgang van de romantiek naar het naturalisme.

 

In het drama heeft het verhaal meer te maken met de realiteit. Gestreefd wordt naar het objectief weergeven van de eigentijdse alledaagse werkelijkheid. In de muziek moet je kijken naar verisme.

Renaissance. H1

15e eeuw, herleving van de idealen en vormentaal van de klassieke oudheid en voornamelijk Romeinse kunst. Ambachtsmannen gaan over naar kunstenaars die op alle gebieden iets kunnen en het ideaal de homo universalis, alleskunner komt op.

Rococo. H1

Eerste helft 18e eeuw, benaming voor decoratieve lichtvoetige stijl in de bouwkunst en beeldende kunst. De rococo borduurt verder op de Italiaanse barok. Kenmerkend voor de rococo zijn grillige ‘schelp’ vormige decoraties en gebruik van pastelkleuren. In de architectuur veel aandacht voor het verstrooien van licht in spiegels en kristal.

Romantiek. H1

Eind 18e eeuw begin 19e eeuw, cultuurhistorische periode die wordt gekenmerkt door belangstelling voor het individu en zijn gevoelsbeleving. Verzet tegen de Verlichting, opkomst van industrie en de verstedelijking. Men vlucht uit deze alledaagse realiteit wat blijkt uit een waardering voor landschap, de emotie, religieuze ervaringen, hang naar het verleden en exotische culturen. Niet langer is de natuurgetrouwe afbeelding van belang, maar de creatieve schepping van de kunstenaar.

Suprematisme. H3

1915-1924, schilderstijl ontwikkeld door de Russische kunstenaar Malevich. Volledig abstracte kunst met geometrische figuren als vormelementen. Doel: opwekken van pure, niet aan de werkelijkheid gekoppelde, gevoelens.

Surrealisme. H2

Beweging in beeldende kunst, literatuur en films ontstaan in 1924, in verval geraakt door de opkomst van fascisme en uitbreken van Tweede Wereldoorlog. Het surrealisme roept op tot het verbeelden en uitbeelden van een hogere realiteit achter de uiterlijke verschijningsvorm. Belangstelling voor droom, visioen en erotische fantasieën.

 

In de beeldende kunst onderscheiden we automatisme en de trompe l’oeil- schilderskunst (H2).

 

Anders dan impressionisten zijn de surrealisten altijd afhankelijk geweest van particuliere geldschieters.

Symbolisme. H1

1870-1916, stroming in de literatuur en beeldende kunst waarin wordt gepoogd de niet waarneembare ervaringen (ideeën, dromen en fantastie) te symboliseren in een waarneembare vorm. Het onzichtbare wordt zichtbaar gemaakt.

Verisme. H1

Het in de literatuur opkomende realisme en naturalisme voert eind 19e eeuw in de Italiaanse muziek tot verisme. Richt zich vooral op het thema van de opera: realistisch. De taal bepaalt ritmisch en melodisch zang. Handeling vaak gepassioneerd om te shockeren. Muziek is grover van structuur met springende effecten. Componist: Verdi.

Verlichting. H1

Filosofie en levenshouding uit de 18e eeuw die uitgaat van de rede, het gezonde verstand. Wetenschappelijk iets onderzoeken is kenmerkend. Verwerven en verspreiden van kennis zal leiden tot ‘verlichten’ van de mensheid. Kerk en vorst worden bekritiseerd omdat hun gezag niet op rationele gronden is gebaseerd.

 

 

 

 

 

Muziek.

 

Bebop. H4

Rauwe, snelle jazzstijl met veel improvisaties, ontstaan rond 1940. Wordt meestal uitgevoerd in een kleine bezetting van drums, bas, piano, saxofoon en trompet.

Artiesten: Charlie Parker, Miles Davis.

Blues. H2

Een van de oudste vormen van zwarte Amerikaanse muziek, ontstaan einde 19e eeuw. De blues kent vaste regels, zoals het twaalfmatig akkoordschema, het slepende tempo en drieregelige coupletten en droevige inhoud.

Disco. H4

Dansmuziek met stuwend ritme voortgekomen uit soulmuziek. Populair geworden eind jaren 70. Invloedrijk op verdere ontwikkelingen in de dansmuziek, zoals house en dance.

 

Funk. H4

Soul, accent ligt op ritmesectie, vaak herhaalde akkoorden, bijvoorbeeld James Brown. 

Hiphop. H5

Verzamelnaam van cultuur van zwarte stadsjeugd in de VS. Dansstijl, rap, graffiti, gedragcodes en kledingstijl zijn uiting van deze cultuur. 

House. H5

Muziekstijl ontstaan vanuit disco met snellere beat. Remixen van bestaande nummer komt vaak voor. 

Jazz. H2

Muziekstijl vanaf 1900, gemaakt door zwarte bevolking van VS. Soms luistermuziek, soms dansmuziek, improvisatie komt veel voor. 

Psychedelische rock.H5

Progressieve rock eind jaren 60, experimenteren met afwijkende instrumenten en geluidstechnische foefjes, muziek om naar te luisteren, ook onder invloed van drugs. Term is verboden met de hippietijd.

Punk. H5

Stroming in popmuziek, eind jaren 70 ontstaan in Groot-Brittannië als reactie op populaire commerciële en industriële popmuziek. Shockerende teksten, afzetten tegen middelmaat en burgerlijkheid door middel van ideeën en uiterlijk. 

 

 

Reggae. H4

Muziekstijl ontstaan in Jamaica, eind jaren 60 in popmuziek. Nadruk op tweede en vierde tel van een vierkwartsmaat (afterbeat). De Jamaicaanse roots reggea kenmerkt zich met politiek en sociaal getinte teskten. Zanger: Bob Marley, groen rood en geel. 

R&B. H4

Verzamelnaam voor zwarte dans en amusementsmuziek. Ontstaan als vermenging blues en gospel, populair in jaren 50 en 60 in zwarte Amerikaanse gemeenschappen. 

Rock-‘n-roll. H4

Muziekgenre ontstaan in jaren 50 uit R&B en country. Ten opzichte van de toen bestaande muziek was roch-’n roll ritmisch en rauw. De benaming wordt gebruikt voor algemene aanduiding voor popmuziek. Zanger: Elvis Presley.

Soul. H4

Zwarte popmuziek ontstaan uit gospelzang en R&B.

Swing. H4

Jazzvorm, zeer populair van 1930-1950. Dansmuziek uitgevoerd door grote orkesten (bigbands) met eventueel aanvulling van een zanger. Swing wordt gebruikt als werkwoord als de muziek dansbaar is.

Symfonische rock. H4

Benaming voor rockmuziek waarin de opbouw van een nummer associaties oproepen met klassieke muziek. Zanger: A night af the opera – Queen.

 

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

2467

reacties

heeeeeel mooooiiii xxxkusjessss
door milan (reageren) op 8 juni 2015 om 13:59

Welkom!

Goed dat je er bent. Scholieren.com is de plek waar scholieren elkaar helpen. Al onze informatie is gratis en openbaar. Met een profiel kun je méér:

snel zien welke verslagen je hebt bekeken
de verslagen die je liket terugvinden
snel uploaden en reacties achterlaten

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer