HET VITALISME



1. Algemeen

Het vitalisme kwam op in de tweede helft van de 19de eeuw. Velen begonnen toen te protesteren tegen het materialisme en het rationalisme dat door de opkomst van de natuurwetenschappen zoveel aanhang had gekregen. De Vitalisten vonden het maar bezwaarlijk dat het leven (vita = leven) werd gezien als een materieel, mechanisch proces. De Vitalisten zagen dat lang niet alles verklaarbaar was met het verstand (rationalisme). Door de opmars van de wetenschap had men volgens de Vitalisten de intuïtie en het gevoel helemaal vergeten. Men kon juist volgens de Vitalisten doordringen tot de werkelijkheid door haar te voelen en door gebruik te maken van de intuïtie.

Het vitalisme was ook een protest tegen de maatschappij. De levensfilosofie sprak daarom ook vooral bij die mensen aan die zich bekneld voelden door de bestaande maatschappij met al haar normen, waarden en regels.



Het leven kan worden beschouwd als een grondbeginsel waaruit alles wordt afgeleidt. De wereld wordt gezien als een groot levend wezen. De Vitalisten keurden het Idealisme af omdat de geest volgens hen werd gedragen door het leven. Bij sommigen wordt de geest zelfs als schadelijk gezien voor het leven (anti-intellectualisme/irrationalisme).

De levensfilosofie vond vooral zijn oorsprong bij grote schrijvers en denkers uit de Romantiek zoals Herder en Goethe. Bekende levensfilosofen zijn o.a. Schopenhauer, Kierkegaard, Nietzsche en Bergson.

In brede zin van het woord staat het vitalisme voor een filosofie en een levenshouding die de vitale krachten van het leven vooropstellen. Dus het organische oftewel het leven als uitgangspunt neemt. Het leven wordt hier gezien als de enige werkelijkheid waarvan al het andere een vorm of product is.

Het vitalisme als literaire stroming is vooral terug te vinden in werken (meer specifiek romans) die geschreven werden tussen de twee wereldoorlogen.

Het conflict tussen natuur en cultuur staat centraal in de vitalistische kunstopvatting.

Een steeds wederkerend thema, dat de hele gedachtengang achter het vitalisme samenvat, is de cirkelgang van het leven: na leven volgt dood en na dood volgt leven, tot in de eeuwigheid. Belangrijke elementen die gebruikt worden om een vitalistische levenshouding onder woorden te brengen zijn: ‘de verheerlijking van animale erotiek en heroïsche dadendrang, en een sterk paradijsverlangen, vindt men in romans van o.a. Giono, Steinbeck, Hemingway.





2. Hendrik Marsman



Het werk van de Nederlandse dichter en prozaïst Marsman (1899-1940) mag karakteristiek genoemd worden voor het Interbellum. Het ontwikkelt zich van een naoorlogs vitalistisch expressionisme tot een plastisch humanisme in het zicht van een nieuwe oorlog.



Tussen 1921 en 1922 bezoekt Marsman Duitsland en raakt beïnvloed door het expressionisme. Het befaamde -in Duitsland gedrukte- ‘rode boekje’, de bundel Verzen (1923) vormt hiervan de neerslag. Marsman erkent slechts één wet: "leven".

In datzelfde jaar werkt hij aan de voorbereiding van het tijdschrift De Vrije Bladen, dat echter pas in 1928, wanneer Marsman de leiding op zich heeft genomen, een werkelijk nieuw geluid vormt in de Nederlandse letteren. De snel populaire dichtbundel Paradise regained (1927), een bloemlezing van zijn dichtwerk tussen 1923 en 1927 is dan reeds een feit.



Wanneer in De Vrije Bladen echter een meningsverschil ontstaat tussen Menno ter Braak en D.A.M. Binnendijk over de ‘vormkracht’ van poëzie is het einde van het blad in zicht en zal het zich na het ontstaan van het tijdschrift Forum nog slechts in cahiervorm voortzetten. Marsman publiceert in Forum, schrijft vanaf 1938 kritieken voor de NRC en publiceert in datzelfde jaar reeds zijn Verzameld Werk. Hij komt om het leven, wanneer het schip, waarmee hij vanuit Zuid-Frankrijk in juni 1940 naar Engeland tracht te vluchten, wordt getorpedeerd.



Hoewel Marsman destijds werd gezien als een leidsman, heeft hij uiteindelijk in de schaduw moeten staan van Menno ter Braak en E. du Perron. Voor zichzelf vond hij uiteindelijk een antwoord in de synthese tussen het heidendom van de oudheid en de barmhartigheid van het christendom. Zijn allerlaatste bundel, het cyclische Tempel en kruis (1940), vormt hiervan het klinkend bewijs.



Hoewel Marsman als criticus niet altijd even overtuigend was, is, als tijdsdocument, de lectuur van veel kritisch en essayistisch werk nog de moeite waard: over zijn boekje Menno ter Braak (1939) was de laatste zeer te spreken. Behalve poëzie en essayistisch proza, schreef Marsman de -deels mislukte- roman De dood van Angèle Degroux (1933) en samen met Simon Vestdijk de briefroman Heden ik, morgen gij (1936). Ook vertaalde hij Also sprach Zarathustra van de filosoof Friedrich Nietzsche.


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.