1 Autisme, de onbegrepen handicap
Wouter R.
4HA
Greijdanus College Zwolle
Maart 2011


2 Inleiding

Autisme, een onderwerp dat door de maatschappij nogal eens wordt onderbelicht. Pestgedrag gaat vaak uit naar kinderen met autisme. Ongeveer 5,4 van de 100 mensen om je heen heeft een autistisch stoornis. Dat is dus best wel veel. Nou is het wel zo dat er heel veel verschillende soorten autisme zijn, er zijn eigenlijk evenveel soorten autisme als dat er mensen zijn. Ieder is op zijn of haar eigen manier toch een beetje autistisch. Nu is het zo dat bij sommige mensen (dus 0,54%) die autistische symptomen toch wat sterker zijn dan de ‘gemiddelde’ mens. Deze mensen krijgen een diagnose en worden dan autist genoemd. Net of ze een enge ziekte hebben of zoiets dergelijks. Alsof het besmettelijk is en vies. Het klinkt sowieso al een stuk vriendelijker wanneer we zeggen dat het om kinderen gaat met een autistisch stoornis. Waarom worden ze dan vaak toch behandeld alsof ze niet ook gewoon mensen zijn? Veel kinderen met een autistisch stoornis bezitten vaak een buitengewone intelligentie op een bepaald gebied. Kinderen met het syndroom van Asperger zijn vaak rekenwonders. Neem nou een voorbeeld: Albert Einsteijn. Een man die beroemd werd door zijn relativiteitstheorie, maar wel het syndroom van Asperger had. Ook pestgedrag gaat vaak uit naar kinderen met autisme. Er is een verschil in de denkwereld van een kind met autisme en een kind zonder autisme. Daarom worden kinderen met autisme te vaak verkeerd begrepen en zijn ze al snel onderdeel van pestgedrag. Toch weten veel mensen nog niet goed wat autisme nou eigenlijk is. Dit wordt geprobeerd duidelijk te maken in deze documentatiemap.
Er zijn dus heel veel soorten, maar welke soorten zijn er nou eigenlijk precies? Wat is de behandeling voor een kind met autisme? Wat voor invloed hebben gezin en autisme op elkaar? En in hoeverre heeft de (maatschappelijke) omgeving invloed op het functioneren van een autistisch kind? Deze vragen zullen centraal staan in deze documentatiemap en er zal een poging gedaan worden tot het beantwoorden ervan.

3 INHOUDSOPGAVE
Inleiding 2
Inhoudsopgave 3
Hoofdstuk 1: Wat zijn de verschillende soorten autisme 5
1.0 Inleiding 5
1.0.1 De verschillende soorten autistische stoornissen 5
1.1 Klassiek autisme 6
1.1.0 Inleiding 6
1.1.1 De triade 6
1.1.2 De zintuigen 8
1.1.3 Samenvatting 10
1.2 PDD-NOS 11
1.2.0 Inleiding 11
1.2.1 Problemen op verschillende terreinen 11
1.2.2 Co-morbiditeit: ADHD en GTS 13
1.2.3 Samenvatting 13
1.3 Syndroom van Asperger 13
1.3.0 Inleiding 13
1.3.1 Taal 14
1.3.2 Rekenen 14
1.3.3 Kritiek 15
1.3.4 Samenvatting 15
1.4 Syndroom van Rett 15
1.4.0 Inleiding 15
1.4.1 Definiëring 15
1.4.2 De 4 fases 15
1.4.3 Samenvatting 16
1.5 Desintegratiestoornis van de kinderleeftijd (Syndroom van Heller) 17
1.6 Conclusie 18
1.6.1 Samenvatting in een gedicht 18
Hoofstuk 2: Wat is de behandeling voor een kind met een autistisch stoornis? 19
2.0 Inleiding 19
2.1 Medicatie 19
2.1.1 De rol van medicijnen bij mensen met Autisme 19
2.1.2 Verschillende soorten medicijnen 19
2.1.3 Dosering 21
2.2 Therapieën 21
2.2.1 Psycho-Educatie 21
2.2.2 Dolfijnentherapie 23
2.3 Conclusie 24
Hoofdstuk 3: In hoeverre heeft de omgeving invloed op het kind met autisme?25
3.0 Inleiding 25
3.1 Auti-communicatie 25
3.1.0 Inleiding 25
3.1.1 Begrip 25
3.1.2 Auti-communicatie toepassen 29
3.2 Het gezin 29
3.2.0 Inleiding 29
3.2.1 De opvoeding 29
3.2.2 De structuur 30
3.2.3 Brusjes 31
3.3 Onderwijs 31
3.3.0 Inleiding 31
3.3.1 Welke schoolvorm past het beste bij welk kind? 31
3.3.2 Schoolgebonden relaties 32
3.3.3 Carrière 32
3.4 Conclusie 34
Eindconclusie 35
Bibliografie 36


Hoofdstuk 1 : Wat zijn de verschillende soorten autisme?

1.0 Inleiding
“Ik wou dat mensen machines waren, dan begreep ik tenminste hoe ze werkten.”
Jochem (8 jaar)
Een mens zit erg ingewikkeld in elkaar. Het is dan ook niet eenvoudig om bij kinderen vast te stellen of ze autisme hebben of niet, vanwege de vele soorten autisme en hun verschillende symptomen.
“Autisme heeft altijd al bestaan, maar pas in 1943 werd de stoornis voor het eerst beschreven door de Weense wetenschappers Leo Kanner en Hans Asperger. Sinds die tijd is steeds duidelijker geworden dat er veel vormen van autisme bestaan en autisme vaker voorkomt dan men dacht: in Nederland bij een op de honderdzestien mensen. Opvallend is dat de stoornis vier tot acht keer vaker bij jongens voorkomt dan bij meisjes.
Het begrip autisme roept bij mensen allerlei beelden op. Men denkt bijvoorbeeld dat kinderen met autisme geen contact met anderen maken, geen oogcontact hebben, niet of weinig praten, en voortdurend dezelfde bewegingen maken of handelingen doen. Inmiddels weten mensen die met kinderen met autisme werken, dat er een hele reeks van symptomen is en dat geen twee van deze kinderen hetzelfde zijn. Er zijn kinderen bij wie je het autisme direct ziet, bij andere kinderen is dit helemaal niet het geval. De aard en de ernst van de beperkingen van kinderen met autisme zijn zeer verschillend. Er is een grote groep (ongeveer 45-50%) die ook een verstandelijk handicap heeft; deze kinderen volgen geen regulier onderwijs. Maar er zijn ook veel kinderen met autisme die wel op een gewone school zitten, want bij hen is sprake van een normale of zelfs hoge intelligentie.”
(Monique Baard en Désirée van der Elst 2005: 13)
Let dus op: geen één autist is hetzelfde. Er zijn heel veel vormen van autisme, en daarin kunnen eigenlijk ook weer heel veel vormen worden opgebouwd. Evenveel vormen als mensen die een autistisch stoornis hebben. En dat zijn er heel veel. Vandaar dat er een aantal hoofdsoorten zijn, die behandeld worden in het volgende subhoofdstuk.

1.0.1 De verschillende soorten autistische stoornissen.
Autisme is een verzamelnaam voor psychiatrische stoornissen.
“Autistische stoornissen vallen onder de psychiatrische stoornissen en worden geclassificeerd volgens de criteria van de DSM-IV-TR, een systeem dat wereldwijd gebruikt wordt.”
(informatieoverautisme.web-log.nl)
Alle soorten autisme worden onderverdeeld in vijf verzamelgroepen. Deze zullen uitvoerig behandeld worden.
“In diagnostische rapportages van kinderen en in de literatuur kom je veel verschillende benamingen tegen voor autistische stoornissen. Men spreekt over pervasieve ontwikkelingsstoornis (POS), een spectrum van autistische stoornissen, autisme en aanverwante contactstoornissen, stoornis in het autistisch spectrum, enzovoort. Soms zie je door de bomen het bos niet meer.
In de literatuur worden voor autistische stoornissen verzameltermen gebruikt zoals PDD (Pervasive Developmental Disorder); ASS (Autistisch Spectrum Stoornis). Deze kunnen we zien als een paraplu die als volgt is onderverdeeld.
Kern-autisme
PDD-NOS
Syndroom van Asperger
Syndroom van Rett
Desintegratiestoornis van de kinderleeftijd
(Syndroom van Heller)”
(Colette de Bruin 2004: 13)


1.1 Klassiek autisme

1.1.0 Inleiding
“De autistische stoornis (Autistic Disorder, AD), het kernautisme of klassiek autisme is een erge vorm van autisme en wordt ook wel het Kannersyndroom genoemd. Kenmerkend zijn hierbij een extreme sociale isolatie, de drang om alles hetzelfde te houden, de fascinatie voor bepaalde objecten en gebrekkig gebruik van taal als communicatiemiddel. Een op de vier kinderen met deze vorm van autisme leert nooit spreken.”
(Monique Baard en Désirée van der Elst 2005: 14)
Dit is kort samengevat wat kernautisme inhoud. Toch best ingrijpend dat een op de vier nooit leert spreken. Alsof je op een andere wereld leeft. En dat anderen je misschien wel aankijken alsof je ook daadwerkelijk een buitenaards wezen bent.

1.1.1 De triade

Er zijn een aantal hoofdkenmerken bij mensen met kernautisme die zullen worden behandeld.
“Toch hebben zij allemaal, in meer of mindere mate, last van de volgende drie hoofdkenmerken van autisme, ook wel de triade genoemd:
Moeite met het sociale verkeer.
Moeite met de communicatie.
Problemen met de verbeelding.”
(Monique Baard en Désirée van der Elst 2005: 16)
Moeite met het sociale verkeer
“Vriendschap sluiten is erg lastig voor deze kinderen. Ze willen vaak wel, maar kunnen moeilijk samen spelen. Er wordt vaak gedacht dat kinderen met autisme niet sociaal zijn en geen contact willen, maar dit is onjuist. Velen doen hard hun best om contacten te leggen, maar zijn sociaal onhandig. Ze hebben grote problemen met regels en aanwijzingen, zoals gezichtsuitdrukkingen, die zeggen wat ze in een bepaalde situatie moeten doen of zeggen. Ze kunnen zich bijvoorbeeld tegenover onbekende volwassenen hetzelfde gedragen als ze tegenover hun ouders of leeftijdsgenoten doen. Dit komt vaak over alsof deze kinderen onopgevoed en brutaal zijn.”
(Monique Baard en Désirée van der Elst 2005: 16)
Om het duidelijk te maken wordt het volgende voorbeeld gegeven:
“Er ontstaat een conflict tussen twee jongens in groep 6. Jan, een jongen met PDD-NOS zegt tegen Jaap: ‘Jouw moeder stinkt.’ Jaap is daar ontzettend kwaad om, maar Jan begrijpt niet wat hij verkeerd heeft gedaan. Jaaps moeder kwam toevallig net uit de sportschool en rook naar zweet. De opmerking van Jan was niets anders dan geven van een feit. Hij snapt niet dat dit kwetsend overkomt, en kan zich helemaal niet verplaatsen in de gevoelens van Jaap.”
(Monique Baard en Désirée van der Elst 2005: 16)
Moeite met de communicatie
“Kinderen met autisme nemen taal vaak zeer letterlijk. Zij hebben grote problemen met het verlenen van betekenis aan woorden. Ze hebben problemen met het begrijpen van grapjes en uitdrukkingen, en ook is het voor hen moeilijk om gebaren en gezichtsuitdrukkingen van anderen uit te leggen.
Zelf worden ze ook vaak moeilijk begrepen; ze weten wel wat ze zelf willen vertellen maar zijn soms moeilijk te volgen voor een ander. Ze hebben vooral problemen met communicatie in een grotere groep, en ze hebben moeite om zich aan te passen aan hun gesprekspartner. Vooral jonge kinderen begrijpen en onthouden alleen de kernwoorden in een zin. Ook begrijpen ze de boodschap vaak verkeerd.”
(Monique Baard en Désirée van der Elst 2005: 16-17)
Ook hier wordt een voorbeeld bij gegeven om het duidelijk te maken.
“Als een kind met autisme per ongeluk een beker laat vallen, en iemand anders zegt: "Nou, bedankt", dan zal het antwoord waarschijnlijk zijn "Graag gedaan". Dat is niet brutaal bedoeld maar een automatische reactie op het woordje 'bedankt'.”
(Monique Baard en Désirée van der Elst 2005: 17)
Problemen met de verbeelding
“Kinderen met autisme zijn star in hun denken. Vaak imiteren ze anderen en hebben ze zelf weinig fantasie. Sommige kinderen hebben echter een teveel aan fantasie en schieten hierin dan vaak in door. Dit kan hen angstig maken.
Veel van deze kinderen raken gefascineerd door bepaalde onderwerpen en ontwikkelen specifieke interesses waarvan ze dan ook alles weten, bijvoorbeeld automerken of dinosaurussen. Ook zie je vaak dat deze kinderen gedrag of bewegingen eindeloos herhalen, ze ‘fladderen’ of hebben tics. Op jonge leeftijd zijn deze kinderen liever bezig met mechanische activiteiten, zoals verzamelen en stapelen van dingen, dan dat ze net als leeftijdgenootjes ‘doen-alsof-spelletjes’ spelen. Ze voelen zich het gelukkigst als alles voorspelbaar is en hetzelfde blijft.”
(Monique Baard en Désirée van der Elst 2005: 17-18)
Samenvatting
Kinderen met autisme willen er graag bij horen, net als gewone kinderen. Maar dit is meestal wel moeilijk voor hen, omdat ze het lastig vinden de gangbare sociale regels te hanteren. Vrienden maken is daarom niet makkelijk voor hen.

1.1.2 De zintuigen
Een kind met autisme kan erg gevoelige of juist ondergevoelige zintuigen hebben. Dit is erg belangrijk om te weten, omdat dit de reacties van een kind sterk kan beïnvloeden. Een kind kan hier zelf niks aan veranderen, maar kan wel leren er beter mee om te gaan. Hoe een kind reageert met de 7 zintuigen (hier worden pijn en verandering ook als zintuig aangenomen) verschilt ook per kind.
Zien
“Het kind kan overgevoelig zijn op de ogen, zodat binnenkomende prikkels hem overweldigen. De hoeveelheid puzzelstukjes is dan te overheersend. Hij slaat handen voor de ogen en sluit zich letterlijk af voor deze prikkels. Voorbereiden op wat komen gaat en het benoemen van wat hij ziet helpt hem sneller puzzelen en het verwerken van deze prikkels.”
(Colette de Bruin 2004: 35)
Een voorbeeld:
“Jos, een jongen van 12, vertelde:
Als ik een boom zie, dan zie ik eerst honderden blaadjes, lichte, donkere, dan zie ik takken en dan een stam, en uiteindelijk zie ik dat het een boom is.”
(Monique Baard en Désirée van der Elst 2005: 15)
Ook kunnen kinderen met autisme moeite hebben met oogcontact houden. Ze kunnen zich vaak maar op één ding tegelijk concentreren en oogcontact én praten én nadenken lukt ze vaak gewoon niet.
Horen
“Overgevoeligheid op de oren bij kinderen met autisme komt meer voor dan we denken. Je kunt je dat ongeveer voorstellen zoals bij het terugkijken van een video-opname van een feest. Alle geluiden zijn even hard de microfoon binnengekomen en staan dus op de band. Toen je zelf bij dat feest was kon je niet ter zake doende geluiden naar de achtergrond verdringen. Een kind met autisme kan die hoofd- en bijzaken niet goed scheiden. Bij hem komen alle geluiden – belangrijk of niet – even hard binnen.”
(Colette de Bruin 2004: 36)
Kinderen met autisme kunnen dus moeite hebben met het selecteren van geluiden. Welk geluid belangrijk is en welke niet is voor hen moeilijk te onderscheiden. Vaak is het zelfs zo dat alle geluiden als één grote warboel binnenkomen.
Ruiken
“Het kind kan, voor jouw gevoel, overdreven reageren op ‘luchtjes’. Hij maakt regelmatig opmerkingen over geuren van bijvoorbeeld voedsel, andere mensen of geld. Het kan zijn dat hij overmatig goed kan ruiken en daar dus last van heeft. Hij wordt dan overspoelt door een (voor hem) vieze geur. Hij kan op zo’n moment alleen nog maar ruiken. Je zult hem alles wat hij doet zien staken en hem (overdreven) horen en zien reageren op het luchtje.”
(Colette de Bruin 2004: 36)
Een voorbeeld:
“De zesjarige Chantal reageerde altijd heftig op de juf die elke woensdag in de klas kwam om les te geven. Als deze juf in de buurt kwam, werd ze onrustig en vaak zelfs opstandig of boos. Ze reageerde brutaal en geïrriteerd: ‘Ik kan het zelf wel, ga weg!’ Na weken kwam de vader van Chantal erachter, dat deze juf een parfum gebruikte dat zeer sterk van geur was en waar Chantal slecht tegen kon. Toen de juf stopte met het gebruik van dit parfum, werden de problemen direct minder.”
(Monique Baard en Désirée van der Elst 2005: 32)
Een kind met autisme kan dusdanig heftig reageren op geuren en dit kan zelfs relaties sterk beïnvloeden.
Proeven
“Overgevoeligheid in de mond kan tot gevolg hebben dat het kind moeite heeft met het eten van bijvoorbeeld warme dingen, harde stukken, koud en warm tegelijk of een bepaalde substantie waarvan hij moet kokhalzen. (…) Tijdens het eten komt naast praten ook het proeven en voelen van de mond er nog bij. Op dat moment zijn dus alle zintuigen superactief en moet het kind hard puzzelen om deze informatie allemaal verwerkt te krijgen.”
(Colette de Bruin 2004: 37)
Proeven en vooral ook voelen met de mond, spelen dus ook een sterke rol bij de sociale interactie. Een kind met autisme heeft erg veel informatie te verwerken wanneer hij aan het eten is.
Voelen
“Kinderen met autisme houden alleen van aanraken wanneer ze er zelf om vragen en niet wanneer jij er zin in hebt. Een schouderklopje of een aai over de bol kan een kind als vervelend ervaren. Zeker als hij van achteren onverwachts wordt aangeraakt kan hij erg schrikken.”
(Colette de Bruin 2004: 37)
Als een kind met autisme zomaar wordt aangeraakt kan het zijn dat hij verontwaardigd of heftig reageert, hoe goed de bedoeling van de aanraking ook was.
Pijn
“Autistische kinderen voelen wel pijn (of andere klachten), maar dat hoeft niet altijd even hevig ervaren te worden als bij iemand zonder autisme. Daarnaast kunnen zij soms hun pijn niet goed aangeven. Zij hebben er geen of verkeerde woorden voor. Hierdoor kan de omgeving niet op tijd of niet goed reageren. Gevolg kan zijn dat een kind ziek naar school gaat.”
(Colette de Bruin 2004: 38)
Aangeven wat er pijn doet is lastig voor een kind met autisme. Vooral klachten die niet visueel zijn zoals een botbreuk, maagklachten of hoofdpijn vinden ze moeilijk om aan te geven. Daarentegen zijn natuurlijk ook weer de visuele klachten, waar ze heel anders mee om kunnen gaan.
“Aan de andere kant kan hetzelfde kind bij een minuscuul stipje bloed al helemaal in paniek raken. Bijvoorbeeld doordat het vreest dood te bloeden of doordat het bloed een duidelijke kleur heeft die daar niet hoort. Een gebroken arm kun je immers niet zien, bloed wel.”
(Colette de Bruin 2004: 38)
Veranderingen
Bij vrijwel alle zintuigen reageren kinderen met autisme heftig op veranderingen. Dit is een kenmerk dat erg bekend is bij kinderen in het Autistisch Spectrum. Bij een kleine verandering, bij voorbeeld een schilderij dat is verhangen, kunnen ze al paniekerig reageren. Kinderen met autisme hebben vaak een sterk oog voor detail, en terwijl ze het geheel niet zien, zal dat detail sterk benadrukt worden. Het is net als een puzzel waarvan er 1 stukje een andere kleur wordt gegeven, die mensen zonder autisme een goede aanpassing vinden, omdat ze het geheel zien. Daarentegen kan een kind daar hysterisch op reageren, omdat dat stukje niet zo hoort.

1.1.3 Samenvatting

Een autistisch kind kan dus moeite hebben met sociale interactie, de communicatie (waaronder vooral gezichtsuitdrukkingen en gebaren) en het inbeeldingsvermogen. Ze lijken vaak snel afgeleid, maar dit is simpelweg omdat ze even ‘puzzeltijd’ nodig hebben. Ze moeten vaak even alles op een rijtje zetten.
Een kind met autisme kan dus ook heel verschillend reageren op zintuigen. Vaak is het zo dat ze maar één zintuig tegelijk kunnen gebruiken, omdat ze anders teveel informatie te verwerken krijgen. Een geur, een kleur of een bepaald voorwerp kan de sociale interactie sterk beïnvloeden. Wanneer zo’n geur, kleur of voorwerp wordt aangepast naar de wil van het kind, kan het zo zijn dat een kind dan ook verandert. Al deze kenmerken van het kernautisme kunnen ook voorkomen bij andere vormen van autisme. Let dus op, bij elke vorm van autisme zal worden teruggewezen naar het kernautisme, omdat alle vormen zo op elkaar lijken. Er zullen vooral de verschillen met kernautisme worden behandeld.


1.2 PDD-NOS


1.2.0 Inleiding

Bij Pervasive Developmental Disorder – Not Otherwise Specified, ook wel PDD-NOS, gaat het om een grote groep kinderen die de restgroep van de andere Autistisme Spectrumstoornissen vormt. Een aantal kenmerken komt dan wel bij hen voor, maar de samenstelling kan anders zijn. Kinderen met PDD-NOS kunnen problemen hebben met de sociale vaardigheden, de communicatie en fantasie. Ook hebben ze vaak grote problemen met het verwerken van informatie, vooral gesproken informatie. Informatie als films en foto’s kunnen ze beter onthouden. Op school hebben de kinderen met PDD-NOS vaak leerproblemen en presteren ze lager dan ze eigenlijk kunnen. Ze zien net als veel anderen in het Autisme Spectrum wel goed de details, maar hebben moeite het geheel van iets te kunnen zien. Omdat deze restgroep zoveel verschillende soorten bevat, zal dit hoofdstuk wat groter zijn dan de andere soorten autisme.
In de DSM-IV wordt PDD-NOS als volgt omschreven:
“Deze categorie moet worden gebruikt als er een ernstige en pervasieve beperking is in de ontwikkeling van de wederkerige sociale interactie of van de verbale en non-verbale communicatieve vaardigheden, of als stereotiep gedrag, interesses en activiteiten aanwezig zijn, terwijl niet voldaan wordt aan de criteria voor een specifieke pervasieve ontwikkelingsstoornis, schizofrenie, schizotypische persoonlijkheidsstoornis of ontwijkende persoonlijkheidsstoornis. Zo behoren tot deze categorie ook de "atypische autisme" beelden die niet voldoen aan de criteria van de autistische stoornis vanwege een begin op latere leeftijd, atypische symptomatologie of te weinig symptomen of deze allemaal.”
(Dijkshoorn, Pietersen & Dikken 1998: 9)

1.2.1 Problemen op verschillende terreinen
Kinderen met PDD-NOS hebben vaak problemen op verschillende terreinen:
1. Contact en communicatie
2. Het praten
3. Reageren op prikkels
4. Het bewegen
5. Sociale intelligentie
1. Contact en communicatie
Het lijkt soms wel alsof er bij kinderen met autisme amper sprake is van ‘normale’ communicatie. Er is natuurlijk wel sprake van communicatie, alleen wordt dit vaak verkeerd opgevat.
“Sommige kinderen reageren te weinig op hun omgeving en maken geen gebruik van oogcontact. Daar tegenover staat dat andere kinderen juist te eisend of te dwingend zijn. Deze twee kenmerken kunnen ook nog eens afwisselend bij één kind voorkomen. In het contact is er vaak sprake van eenrichtingsverkeer.”
(Dijkshoorn, Pietersen & Dikken 1998: 9)
2. Het praten
“Nogal eens verloopt de taalontwikkeling bij kinderen met PDD-NOS moeizaam. Deze kan laat op gang komen. Ook kan de verbale informatie die een kind geeft onnatuurlijk overkomen. Vaak zien we dat kinderen de taal erg letterlijk nemen en dat ze humor niet begrijpen. Hier staat weer tegenover dat sommige kinderen met PDD-NOS tot taalkundige hoogstandjes in staat zijn, waarbij het opvalt dat ze hun taal toch op een verkeerde manier gebruiken. Zo komt het vaak voor dat kinderen met PDD-NOS volwassenen napraten en daarbij uitdrukkingen gebruiken die niet bij hun leeftijd passen.”
(Dijkshoorn, Pietersen & Dikken 1998: 133)
Het valt dus op dat kinderen met PDD-NOS moeite hebben met het ‘normaal’ communiceren. Ze hebben een soort van eigen taal, die je pas ontdekt als je je erin verdiept.
3. Reageren op prikkels
“Onder prikkels verstaan we datgene wat een kind hoort, ziet, proeft of ruikt, maar ook wat er intern bij het kind zelf opkomt. PDD-NOS kinderen reageren te weinig of juist te sterk op prikkels van buitenaf. Zo kunnen ze bijvoorbeeld niet in de klas reageren op een opmerking van de leerkracht die voor alle kinderen bedoeld is. Maar het kan ook zijn dat ze juist reageren op een geluidje dat aan alle andere aanwezigen voorbij gaat”
(Dijkshoorn, Pietersen & Dikken 1998 : 133)
Kinderen met PDD-NOS kunnen dus een soort van extra zintuig hebben, die op een vreemde manier functioneert. Ze kunnen dingen horen, zien of ruiken waar anderen geen erg in hebben, terwijl ze juist algemene dingen over het hoofd zien, of in dit geval ook over het hoofd ruiken, proeven of voelen.
4. Het bewegen
Sommige kinderen met PDD-NOS maken wel eens vreemde bewegingen waardoor ze raar worden aangekeken.
“Kinderen met PDD-NOS bewegen zich nogal eens houterig. Tevens zien we vaak verschijnselen als wiegen, bonken, tenen lopen en fladderen.”
(Dijkshoorn, Pietersen & Dikken 1998: 133)
5. Sociale intelligentie
Gesprekken gaan vaak gepaard met gezichtsuitdrukkingen en bewegingen. Bijvoorbeeld knikken, glimlachen, een zwaai met een arm, enzovoort. Kinderen met PDD-NOS hebben hier moeite mee.
“Kinderen met PDD-NOS hebben door hun beperkte intelligentie in veel mindere mate gevoel voor dit soort reacties van de ander. Daardoor hebben ze vaak moeite om precies te begrijpen wat de ander bedoelt.”
(Dijkshoorn, Pietersen & Dikken 1998: 134)

1.2.2 Co-morbiditeit : ADHD en GTS
Co-morbiditeit wil zeggen dat een kind naast PDD-NOS ook nog andere typen van problemen kan hebben. Sommige kinderen hebben een combinatie van PDD-NOS en ADHD en/of Gilles de la Tourette (GTS).
“Sommige kinderen zijn erg druk, kunnen niet stil zitten (friemelen en schommelen) en vliegen van hot naar her. Ze zijn vaak lawaaierig en kletsen de oren van je hoofd. Ze zijn hyperactief. Vaak flappen ze er ook voortdurend alles uit. Ze doen meteen wat in hen opkomt, staan niet stil bij de gevolgen en reageren op alles en iedereen. (.....) Ze zijn impulsief. Daarnaast kost het hen veel moeite hun aandacht bij de dingen te houden waar ze mee bezig zijn.”
(Veen-Mulders, Serra, Hoofdakker en Minderaa 2003: 15)
Dit zijn typische kenmerken van ADHD. De problemen die de kinderen met PDD-NOS al hebben worden nog gecompliceerder met deze bijkomende zaken als aandachtsproblemen, hyperactiviteit en impulsiviteit.
“Met tics bedoelen we ‘zenuwtrekjes’, zoals bijvoorbeeld het voortdurend knipperen met de ogen, trekken met de mond of met het gezicht, of het maken van geluidjes zoals kuchen piepen en keelschraapgeluiden. Wanneer er gedurende langere tijd sprake is van meerdere tics (zowel bewegingstics als geluidtics) sprekken we van het syndroom van Gilles de la Tourette (GTS). Een deel van de kinderen met PDD-NOS heeft ook tics.”
(Veen-Mulders, Serra, Hoofdakker en Minderaa 2003: 15)
Je kunt dus zeggen dat veel kinderen met een PDD-NOS vaak ook problemen hebben die behoren tot de kernproblemen van ADHD en GTS. Andere vormen van co-morbiditeit kunnen angststoornissen, dwangstoornissen en depressies zijn.

1.2.3 Samenvatting
Kinderen met PDD-NOS hebben veel weg van kinderen met kernautisme, alleen zijn de symptomen anders samengesteld of minder sterk. Eigenlijk is de groep PDD-NOS een soort opvangbak. Er is dan ook geen precieze omschrijving van een kind met PDD-NOS, elk kind is weer anders.

1.3 Syndroom van Asperger
1.3.0 Inleiding
“De Oostenrijkse kinderarts Hans Asperger beschreef in 1944 een stoornis met als kenmerkende symptomen een gebrek aan inlevingsvermogen, weinig vaardigheden om vriendschappen te sluiten, eenzijdige conversatie, enorme belangstelling voor bepaalde zaken en onhandige bewegingen.”
(Trix van Lieshout 2009: 277)
Het syndroom van Asperger lijkt in de eerste instantie sterk op het kernautisme. Iets wat overigens niet heel verbazingwekkend is, omdat elke vorm van autisme wel op elkaar lijkt.
Toch zijn er ook verschillen in de omgang met taal, rekenen en kritiek. Deze zullen hieronder behandeld worden.

1.3.1 Taal

“Deze kinderen hebben dezelfde ernstige sociale en communicatieve probleemgedragingen als autisten, maar er is geen significante algemene achterstand in de taalontwikkeling (vóór de leeftijd van 3 jaar moeten ze begonnen zijn met spreken).”
(Trix van Lieshout 2009: 277)
Er is geen significante algemene achterstand in de taalontwikkeling. Dat wil zeggen dat kinderen met het syndroom van Asperger een stuk minder moeite hebben met het spreken en lezen.
“Kinderen met het syndroom van Asperger kunnen opvallen door een "pedante" manier van spreken. Hun spreektaal is vaak formeel en barok en vertoont veel overeenkomsten met schrijftaal. Ze komen vaak autoritair over door de stelligheid van hun uitspraken en vaak eentonige stemgeluid. Verder hebben ze een sterke neiging lang over hun "specialisme" door te praten terwijl de gesprekspartner er allang geen interesse meer voor toont.”
( Wikipedia, Syndroom van Asperger)
In de spreektaal kunnen kinderen met Asperger erg goed zijn. Al weten ze soms niet eens wat het betekent of plaatsen ze het in een onjuiste context.
“Veel kinderen met het syndroom van Asperger scoren heel hoog bij schoolse vaardigheden als lezen, spellen en rekenen. Sommige kinderen ontwikkelen zogenaamde hyperlexia: ze zijn extreem goed in het herkennen van woorden maar begrijpen woorden of het verhaal niet (Tirosh en Canby, 1993). Andere kinderen hebben er juist moeite mee de ‘code’ van het lezen te ontcijferen. In het oorspronkelijke onderzoek van Hans Asperger (1944) zaten kinderen die moeite met spellen hadden en tekenen van dyslexie vertoonden.”
(Tony Attwood 2001: 108)
Ook op school zijn kinderen met Asperger vaak wel goed in woorden herkennen, maar niet in het ontcijferen van het woord of de zin.

1.3.2 Rekenen
“Anderen waren juist van jongs af aan gefascineerd door getallen en konden al heel jong erg goed rekenen. Asperger beschrijft als voorbeeld een kind dat net op school begonnen was. Hij vroeg het kind 5 en 6 bij elkaar op te tellen. Het kind zei: ‘Ik vind kleine sommen helemaal niet leuk. Ik vind duizend keer duizend veel leuker.’ Toen de jongen een heleboel zelfverzonnen sommen had gemaakt, wilde ik toch graag dat hij mijn som ook maakte. Het kind maakte de som op de volgende originele, maar wel wat omslachtige manier: ‘kijk, zo doe ik dat: 6 plus 6 is 12, en 5 en 6 is 1 minder en dus 11.’”
(Tony Attwood 2001: 109)
Kinderen met het syndroom van Asperger zijn vaak zeer begaafd in rekenen, maar houden er wel een aparte manier op na. Vaak rekenen ze dingen een stuk omslachtiger uit dan kinderen zonder Asperger.

1.3.3 Kritiek

Kinderen met het syndroom van Asperger kunnen soms als de dood zijn om kritiek te krijgen.
“Zij zijn vaak bang om iets verkeerd te doen of om kritiek te krijgen. Jack legt het op de volgende manier uit (Dewey, 1991):
Ik ben op een ziekelijke manier bang voor kritiek. Ik ben bang dat mensen niet blij met mij zijn. Ik ben bang dat ik, als ik één keer iets verkeerd doe of zeg, alles verspeel wat ik tot dan toe heb opgebouwd. Ook als ik iets per ongeluk doe.”
(Tony Attwood 2001: 110)

1.3.4 Samenvatting

De verschillen tussen het syndroom van Asperger en het kernautisme zijn dus voornamelijk de reken- en taalvaardigheid. Ook kunnen sommige kinderen met Asperger slecht tegen kritiek. Overeenkomsten met het kernautisme zijn een slecht verbeeldingsvermogen, een goed geheugen voor details, overgevoeligheid voor zintuiglijke waarnemingen en sociaal gedrag.

1.4 Syndroom van RETT
1.4.0 Inleiding
Over het syndroom van Rett is relatief weinig informatie beschikbaar. Dit omdat dit syndroom bijna niet voorkomt.

1.4.1 Definiëring

“Het syndroom van Rett ook wel Rettsyndroom is een vrij zeldzame (ca 10 nieuwe gevallen per jaar in Nederland, incidentie 1:12.000 tot 1:18.000) aangeboren aandoening die vrijwel alleen bij meisjes voorkomt, en die leidt tot ernstige geestelijke en lichamelijke invaliditeit. In termen van klassieke genetica gaat het om een X-gebonden dominante stoornis die bij jongetjes letaal is (voor de geboorte al dodelijk). In het DSM-IV wordt het syndroom gezien als een pervasieve ontwikkelingsstoornis.”
(Wikipedia, Syndroom van Rett)

1.4.2 De 4 fases
Het syndroom van Rett ondervindt 4 fases waar een kind doorheen loopt.
Fase I
In de eerste fase stagneert de ontwikkeling van het kind.
“Na een normale prenatale ontwikkeling, een geboorte op of rond het verwachte tijdstip en een normale ontwikkeling tot de 6e à 18e levensmaand, stagneert de ontwikkeling. De ontwikkeling van de hersenen vertraagt, de ontwikkeling van sociale vaardigheden en spelontwikkeling komen tot stilstand. Dit beschouwt men als de knik in de ontwikkeling en is vaak het eerste en enige symptoom dat een afwijking doet vermoeden en dat moet doen denken aan het syndroom van Rett.”
(Wikipedia, Syndroom van Rett)
Fase II
In de tweede fase wordt het kind moeilijk hanteerbaar.
“Het kind wordt in deze fase vaak moeilijk handelbaar. Het heeft ontroostbare huil- en/of gilbuien, en/of (vaak onverklaarbare) lachbuien en raakt snel geïrriteerd; mogelijk is dat het gevolg van het onvermogen zich te kunnen uiten door de afasie en apraxie. Het kan ook het gevolg zijn van de aan autisme verwante kenmerken. Kinderen met autisme hebben deze 'buien' vaak ook. De oorzaken in dat geval kunnen zijn: dwangmatigheid, overprikkeling of overgevoeligheid voor geluiden. Ook kan een huilbui een gevolg zijn van een epileptische aanval.”
(Wikipedia, Syndroom van Rett)
Fase III
De derde fase is een vooruitgang in de situatie van het kind. Het gedrag is verbeterd en het kind zit lekkerder in zijn of haar vel.
“Ongeveer tussen het tweede en tiende levensjaar verbetert het gedrag van het kind en is het minder in zichzelf gekeerd. Er wordt weer vooruitgang geboekt en het meisje voelt zich kennelijk wat beter. Veel van de kinderen met het syndroom van Rett blijven hun leven lang in deze fase.”
(Wikipedia, Syndroom van Rett)
Fase IV
Een kind met het syndroom van Rett maakt niet altijd de vierde fase mee. In deze fase is weer sprake van een lichte achteruitgang op enkele gebieden, maar op sommige vlakken kan het kind juist een stap vooruit gaan.
“Na het tiende levensjaar treedt de vierde fase op, maar soms bereikt een persoon deze fase veel later of zelfs helemaal niet. Ze kenmerkt zich door een nieuwe achteruitgang, meestal uitsluitend op motorisch vlak. Veel meisjes met Rett ontwikkelen een scoliose, sommige meisjes die konden lopen, kunnen dit nu niet meer. Op andere vlakken blijft de toestand stabiel of kan er een verbetering optreden. De epilepsie neemt vaak af of is beter instelbaar op medicatie. Het (oog)contact met mensen om de persoon heen kan verbeteren.”
(Wikipedia, Syndroom van Rett)

1.4.3 Samenvatting
Het syndroom van Rett is een weinig voorkomend stoornis dat tot nu toe alleen nog bij meisjes is ontdekt. Kinderen met het Rettsyndroom zijn zowel lichamelijk als geestelijk gehandicapt. Een leven van een kind met het syndroom van Rett is in feite opgebouwd in vier fases. In de eerste fase stopt het kind geestelijk met groeien. Het kind ontwikkelt zich niet meer en leert geen sociale vaardigheden aan. In de tweede fase wordt het kind onhandelbaar, kan het epileptische aanvallen krijgen en vertoont het sterke overeenkomsten met kinderen met kernautisme. In fase drie verbetert het gedrag. De meeste kinderen met Rett blijven de rest van hun leven in deze fase. De vierde fase is een fase die zich niet altijd voordoet. Het kind gaat achteruit in de motorische ontwikkeling, maar kan vooruit gaan in de sociale interactie.

1.5 Desintegratiestoornis van de kinderleeftijd (Syndroom van Heller)
Het syndroom van Heller is een stoornis die, net als het syndroom van Rett, nauwelijks voorkomt. Ook hier is bijna geen informatie over beschikbaar.
Het syndroom van Heller heeft meerdere benamingen:
“Childhood Desintegrative Disorder (CDD), een desintegratieve stoornis, ook wel syndroom van Heller genoemd. Dit syndroom hoort bij de Autisme Spectrumstoornissen. Hierbij ontwikkelt het kind zich tot twee, drie, vier of vijf jaar normaal, maar na deze leeftijd gaan de vaardighedenachteruit. Het wordt ook wel kinderdementie genoemd.”
(Monique Baard en Désirée van der Elst 2005: 102)
Belangrijk om te weten is dus dat een kind met CDD na een jaar of 5 weer ‘jonger’ wordt. Neem bijvoorbeeld duimzuigen of bedplassen. Een kind met CDD kan op zijn veertiende weer terugvallen op duimzuigen en bedplassen.

1.6 Conclusie
Autisme bestaat uit een spectrum met verschillende stoornissen. Per stoornis en per autist verschillen de kenmerken in mate en in voorkomen. Autisme is een stoornis waarbij problemen op treden in het verwerken van informatie in de hersenen. Hierdoor zijn er problemen op het gebied van sociaal contact, communicatie, voorstellingsvermogen, het tonen van emoties en veranderingen. Doordat mensen deze denkwereld niet snappen wordt er vaak verkeerd gereageerd op autisten.

1.6.1 Samenvatting in een gedicht
Hieronder worden aan de hand van een gedicht, alle verschillende soorten autisme op een simpele manier uitgelegd.
“Dyscalculielied 3 maal 3 is... ehhhhh... 6? ...7? ...33? ...9? ...12? Ieder zingt z’n eigen lied Als ik dit niet tellen kan Dan zing ik lekker niet! Dyslectielied Dire maal dire si ngeen Ieedr zgnit z’n egein leid Deir mala dier is neeng Ki sanp dti leidej neit! Autismelied Drie maal drie is negen Ik zing hier mijn eigen lied Zing ik dan door alles heen Dan merk ik dat toch niet! ODD-lied Drie maal drie is zeven Ik vind dit een heel stom lied Als je wilt dat ik dit zing Dan zing ik het dus niet!
ADHD-lied DRIE MAAL DRIE IS NEEEEEEGEEEEEEN!!! IEDER SCHREEUWT Z’N EIGEN LIED!!! IK ZING DIT LIED WEL HONDERD KEER!!! WANT STOPPEN KAN IK NIET!!! ADD-lied Drie maal dr... hé, een vogel! Zingen? ...o ja. Drie maal drie is negen Ieder... mooi weer buiten zeg! Wat? O ja. Ieder zingt z’n eigen lied Drie maal... ehhhh... Wat deed ik hier ook al weer? Aspergerlied 312 maal 3754 is 1171248 Ik maak wel mijn eigen lied Want ik ben wel heel erg slim Maar mensen snap ik niet Gilles de la Tourette-lied Drie maal drie is negen Ieder *tic* ieder zingt z’n eigen *tic* eigen *tic* eigen lied Als ik nu maar heel snel zing Dan scheld ik misschien @#$%@#$$ niet Oeps… Te laat *tic* laat *tic* laat…”
(Arwin Wels 2006: 15)


Hoofdstuk 2: Wat is de behandeling voor een kind met een autistisch stoornis?
2.0 Inleiding
Een kind met autisme kan op verschillende manieren behandeld worden. Dit kan door medicatie en therapieën. Er zijn verschillende medicijnen voor verschillende symptomen en er zijn ook verschillende therapieën om kinderen met autisme te behandelen. Een therapie kan zeer effectief zijn. Medicatie daarentegen kan weinig resultaat geven of soms helemaal het verkeerde resultaat.
2.1 Medicatie
2.1.1 De rol van medicijnen bij mensen met autisme
Als er over een kind met een autistische stoornis wordt gepraat, wordt het onderwerp medicijnen al snel geopend. Toch zijn dit niet de medicijnen tegen autisme. Simpelweg omdat die niet bestaan. Medicijnen kunnen weliswaar een positieve rol spelen bij de omgangsvormen van het kind, maar autisme is een stoornis en kan (tot nu toe) niet opgelost worden met medicijnen.
“Autisme is een psychiatrische stoornis en geen psychiatrische ziekte. Medicatie kan het kernprobleem van autisme dus niet oplossen. Wel kan bepaald probleemgedrag verminderd worden. Kinderen en volwassenen met autisme kunnen ook lijden aan psychiatrische stoornissen, zoals depressie en psychose waarvoor medicijnen nodig zijn. Medicatie kan alleen voorgeschreven worden door een arts of psychiater, die het effect en/of de bijwerkingen in de gaten houdt.
De medicijnen die bij autisme worden voorgeschreven hebben invloed op de werking van de hersenen. Er worden soms medicijnen voorgeschreven tegen angst, agressie, depressie, hyperactiviteit, dwangmatig gedrag, hallucinaties of concentratieproblemen. De medicijnen kunnen ertoe leiden dat het contact tussen het kind verbetert en het kind zich beter ontwikkeld.”
(Monique Baard en Désirée van der Elst 2005: 38)
Medicatie is dus (nog) niet de complete oplossing. Ze zijn wel druk bezig met het onderzoeken van medicijnen die psychiatrische stoornissen verminderen.
“Medicatie speelt nog een bescheiden rol in de behandeling van autisme. Er wordt volop onderzoek gedaan naar de effecten en bijwerkingen van gebruik van medicijnen bij mensen met autisme.”
(Monique Baard en Désirée van der Elst 2005: 38)

2.1.2 Verschillende soorten medicijnen
Er zijn verschillende soorten medicijnen. Ritalin® bijvoorbeeld, is een van de bekendste. Er zijn verschillende medicijnen voor verschillende symtomen.
Hyperactiviteit, verminderde concentratie en impulsiviteit
Kinderen met een ASS kunnen soms ontzettend hyperactief zijn, met name kinderen met ADHD, en ook bij PDD-NOS kan dit voorkomen. Hier zijn middelen voor, al moet men bij PDD-NOS oppassen.
“Er zijn twee middelen die worden gegeven bij hyperactiviteit, verminderde concentratie en impulsiviteit: methylfenidaat (Ritalin®) en d-amfetamine (beide eigenlijk stimulerende middelen). Deze twee middelen werken goed bij kinderen met ADHD. Bij kinderen met PDD- NOS is wel de nodige voorzichtigheid geboden. De stimulerende middelen (methylfenidaat en d-amfetamine) kunnen bij hen leiden tot verergering van het stereotype gedrag en angst. Ook kunnen tics sterker worden. Belangrijke bijwerkingen van deze medicijnen zijn moeite met inslapen en verminderde eetlust.”
(Veen-Mulders, Serra, Hoofdakker en Minderaa 2003: 63)
Boosheid, chaotisch gedrag en driftbuien
Kinderen met een autistische stoornis kunnen last hebben van driftbuien en chaotisch gedrag. Soms lijkt het alsof ze helemaal zonder aanleiding ineens een woedeaanval hebben. Dit kan voorkomen worden met bepaalde medicijnen, al is het verstandig om dit niet op de lange termijn te doen.
“Er zijn medicijnen om boosheid te behandelen. De mogelijkheid van een snelwerkend kalmerend middel lijkt aantrekkelijk, en kan in perioden van grote stress erg handig zijn. Gebruik het echter alleen als tijdelijke maatregel. Kinderen en volwassenen met autisme zijn erg gevoelig voor de langetermijn-bijwerkingen van kalmerende middelen, vooral van antipsychotica. Medicatie is mogelijk waardevol, maar dan alleen om speciale klachten te behandelen. De behandeling moet regelmatig geëvalueerd worden en zo kort mogelijk duren.”
(Tony Attwood 2001: 148)
“Dan zijn er de medicijnen die worden gegeven om chaotisch gedrag, driftbuien of agressie te verminderen. Deze middelen zijn dipiperon, cisordinol, risperidon (antipsychotica) en verder clonidine (Dixarit®).
(Veen-Mulders, Serra, Hoofdakker en Minderaa 2003: 63)
Rigiditeit
Rigiditeit wordt volgens het woordenboek omschreven als stijfheid. Bij kinderen met autisme wordt dan gesproken van houterige bewegingen.
“Bij het voorkomen van rigiditeit kan gedacht worden aan het geven van moderne middelen tegen depressie zoals fluvoxaminine (Fevarin®), fluxetine (Prozac®) en paroxetine (Seroxat®).
(Veen-Mulders, Serra, Hoofdakker en Minderaa 2003: 64)

2.1.3 Dosering
De dosering is bij alle soorten medicijnen belangrijk. Een overdosis is vaak eerder gemaakt dan men denkt. Bij kinderen met autisme is het van belang erg precies te doseren.
“De dosering van de medicatie voor autistische kinderen komt heel precies. Ook zijn er bijwerkingen mogelijk.”
(Irene Bal 2003: 319)

2.2 Therapieën
Therapieën kunnen zeer effectief zijn bij een kind met autisme. Door de juiste therapie bij het juiste kind te zetten, kan het bij zo’n kind de sociale interactie sterk bevorderen.
2.2.1 Psycho-educatie
“Een belangrijk onderdeel van de begeleiding van jongeren met gedragsproblemen en – stoornissen is psycho-educatie. Deze maakt de verschillende probleemgebieden inzichtelijker, waardoor het vaak beter mogelijk wordt het probleem en het kind te accepteren. Een onderdeel van de psycho-educatie vormt het aanleren van een andere benadering. Dit gaat vooraf de ‘echte’ behandeling. Vaak is deze psycho-educatie zo verhelderend dat de last van het probleem al minder wordt.”
(Trix van Lieshout 2002: 17)
Psycho-educatie kent vijf strategieën:
1. De inzichtgevende (psychodynamische) relatiebevorderende strategie
2. De (cognitieve) gedragstherapie
3. De experiëntiële ervaringsgerichte benadering
4. De systeemtheoretische behandeling
5. De benadering die gebaseerd is op onderzoek vanuit de hersenwetenschap
1. De inzichtgevende (psychodynamische) relatiebevorderende strategie
Deze benadering is vooral gericht op de persoon zelf, hoe een kind met autisme zelf problemen kan oplossen en kijkt waarom hij of zij precies bepaald probleem gedrag vertoont.
“Hierin staan vooral de intermenselijke relaties centraal en gaat het om het ontwikkelen van een vertrouwensrelatie door een goede basisverhouding en een adequate pedagogische aanpak. Door een positief geestelijk werkklimaat te creëren, kunnen intrapsychische problemen bewerkt worden en kan de ander zich (weer) (gaan) ontwikkelen vanwege de zogenaamde correctieve emotionele ervaring.”
(Trix van Lieshout 2002: 19)
2. De (cognitieve) gedragstherapie
“De volgende psychologische principes zijn van belang voor een strategie om tot gedragsverandering te komen:
- Het meeste gedrag wordt aangeleerd en kan dus ook afgeleerd worden
- De verwachte consequenties (gevolgen) bepalen het gedrag
- Mensen streven in hun gedrag positieve gevolgen na
- Het effect van de verwachte gevolgen hangt af van de emotionele waarde ervan voor de persoon
- Ook emotionele reacties kunnen geleerd worden
- Voorbeeld doet volgen”
(Trix van Lieshout 2002: 24)
Bij deze benadering is de opvoeder dus gericht op concreet waarneembaar gedrag en niet op intrapsychisch gedrag. Hij of zij zoekt daarbij naar factoren in de leefomgeving van het kind. De oorzaken en gevolgen worden bekeken. Belonende consequenties geven herhaling van het gedrag, en zullen het kind stimuleren vaker positief gedrag te vertonen.
3.De experiëntiële ervaringsgerichte benadering
“Hier ligt de nadruk op het proces, waarbij het ervaringsleven sterk op de voorgrond staat. Mensen/kinderen komen tot inzicht in hun eigen handelen door hun ervaringen, waardoor ze hun handelingen kunnen aanpassen en al of niet mee kunnen nemen naar andere situaties. Echt leren en veranderen ontstaat pas wanneer men reflecteert op zijn ervaringen en die dan al niet aangepast toegepast op andere ervaringen en omstandigheden.”
(Trix van Lieshout 2002: 20)
Door ervaringen kunnen mensen met autisme zich dus aanpassen. Door die ervaringen mee te nemen naar andere situaties kunnen ze die ervaring daar ook weer toepassen.
4. De systeemtheoretische behandeling
“Deze benadering legt de nadruk van iemands gedrag op zijn omgeving en andersom. Hier gaat dus niet in de eerste instantie alle aandacht naar de persoon met zijn probleem, maar veeleer ook naar zijn omgeving: hoe die zijn probleem in stand houdt, versterkt of juist verminderd. Bijvoorbeeld wat de rol van de leraar, de klasgenoten, de ouders of zusje en broertjes is. Men probeert hen dan te betrekken in de begeleiding.”
(Trix van Lieshout 2002: 31)
Deze behandeling kijkt wat meer naar de omgeving van de persoon met autisme. De omgeving heeft namelijk veel invloed op het gedrag van de persoon met het probleem. Deze benadering schakelt dus de omgeving in om het gedrag van de desbetreffende persoon te beïnvloeden.
5. De benadering die gebaseerd is op onderzoek vanuit de hersenwetenschap
Ook de hersenwetenschap kan een rol spelen bij kinderen met autisme. Gedrag wordt niet alleen bepaald door onze omgeving, maar ook door de hersenen.
“Kahn (2006) stelt dat menselijk gedrag niet alleen bepaald wordt door sociale of familiale omstandigheden, maar vaak door veranderingen in de hersenen; in de eerste instantie wordt ons gedrag immers gestuurd door de hersenen. Zo weten we bijvoorbeeld dat bij kinderen met autisme bepaalde hersendelen niet goed functioneren.”
(Trix van Lieshout 2002: 20)
De manier waarop dit wordt onderzocht is door middel van scans. Zoals je voor een tumoronderzoek een scan maakt van de tumor, een scan gemaakt van de hersenen.
“Door middel van zogenaamd ‘neuro (hersen) imaging’-onderzoek, met behulp van fMRI- scans (functionele MRI-scans) , kan men met zo’n ‘hersenplaatje’ de werking zien van verschillende hersendelen. Zo kan men zien dat kinderen met bijvoorbeeld leerstoornissen voor bepaalde functies – zoals aandacht, geheugen, planning, organisatie – andere delen van de hersenen gebruiken dan een gemiddeld kind.”
(Trix van Lieshout 2002: 37)
Deze informatie kan van groot belang zijn, omdat bijvoorbeeld het onderwijs zich hierop kan aanpassen. Doordat men erachter komt welke delen van de hersenen een kind met autisme gebruikt kan hierop worden ingespeeld.

2.2.2 Dolfijnentherapie
Een bijzondere therapie is de dolfijnentherapie. Dolfijnentherapie is niet iets dat veel in ons land voorkomt. Voor deze therapie zal men naar bijvoorbeeld Curaçao moeten vliegen.
Waarom Dolfijnen?
Dolfijnen zijn speels, ontzettend intelligent en altijd in voor een truckje. Maar waarom worden juist deze dieren gebruikt voor therapie met kinderen met autisme?
“Uitgebreid onderzoek heeft aangetoond dat interactie met dolfijnen de aandacht spannen en het concentratievermogen tot wel vier maal verhoogd. Daarnaast stimuleert het de sensorische integratie van zicht, geluid, aanraking, smaak en geur. Sensorische integratie is cruciaal voor de verbetering van leervaardigheden, zoals gedrag gerelateerd aan spraak, taal, grove en fijne motoriek, cognitieve ontwikkeling en sociale en functionele levensvaardigheden.”
(Youtube, CDTC: 1:51 – 2:23)
Wat is de opzet van Dolfijnentherapie?
“De opzet ervan is onconventioneel. Wanneer het kind een oefening met succes heeft uitgevoerd, wordt het beloond met de speelse interactie van de dolfijn. De verhoogde motivatie om extra hard te werken tijdens de therapie helpt het kind al spelend naar de volgende stap van zijn of haar ontwikkeling.”
(Youtube, CDTC: 1:31 – 1:47)
Door beloning, iets waar kinderen met autisme heel gevoelig voor zijn en wat ook vaak een positieve uitwerking heeft, zullen de kinderen extra gemotiveerd zijn in het uitvoeren van de oefeningen.
Het CDTC
Het Curacao Dolphin Therapy and Research Center (CDTC) is een van de bekendste organisaties die dolfijnentherapie bieden. Het is geplaatst op het eiland Curaçao.
“Het CDTC biedt kinderen met een lichamelijke of geestelijke handicap en de rest van het gezin de gelegenheid om deel te nemen aan een bijzonder geavanceerd therapieprogramma. Hierbij speelt de interactie met dolfijnen een belangrijke rol. Deze wetenschappelijk gefundeerde therapie wordt uitgevoerd volgens de grondbeginselen van de gedragstherapie. Dolfijn ondersteunende therapie vult de traditionele therapeutische benadering aan en versterkt deze.”
(Youtube, CDTC: 1:02 – 1:30)

2.3 Conclusie
Autisme is niet te genezen. Medicatie kan wel helpen bepaalde symptomen te remmen, maar kan ook vervelende bijwerkingen hebben. Er zijn relatief veel therapieën voor een kind met autisme. Ook die therapieën zullen het kind niet genezen, maar zullen wel symptomen remmen. Therapieën worden veelal gegeven door professionals. Een bijzondere vorm van therapie is dolfijnentherapie. Deze schijnt zeer effectief te zijn, omdat dolfijnen volgens wetenschappelijk onderzoek de aandacht spannen en het concentratievermogen aanzienlijk verhoogd. Er zijn veel behandelingen voor een kind met autisme, nu is het wel zo dat niet elk kind met een ASS positief reageert op elke behandeling.


3. In hoeverre heeft de omgeving invloed op het functioneren van een autistisch kind?
3.0 Inleiding

Een kind met autisme wordt al snel verkeerd behandeld door de directe omgeving. Dit komt doordat mensen vaak niet weten hoe ze met zo’n kind moeten omgaan. Hun denkwereld is heel anders dan die van de meeste mensen.

3.1 Auti-communicatie
3.1.0 Inleiding
Een kind met autisme communiceert niet zoals een ‘normaal’ kind dat zou doen. Een goede oplossing is het werken met auti-communicatie. Deze omgangsvorm kan door iedereen worden toegepast.
“Bij de omgang van een kind met autisme moet je aansluiten bij zijn manier van waarnemen, denken en communiceren. Met jouw kennis over en inzicht in dit unieke kind kun je tot een geslaagd contact komen.”
(Colette de Bruin 2004: 91)

3.1.1 Begrip

Allereerst is het belangrijk om een kind met autisme te begrijpen. Om te begrijpen wat hij of zij bedoelt is het nodig in zijn denkwereld te stappen. Als de omgeving zijn best doet te begrijpen hoe een kind met autisme denkt, is het al een stuk gemakkelijker er een oplossing voor te zoeken. Er zijn 10 belangrijke problemen die men zal moeten begrijpen:
1. Informatie verwerkingstijd
2. Lichaamstaal en mimiek
3. Complimenteren
4. Eén ding tegelijk
5. Het waarom
6. Taal letterlijk nemen
7. Te veel opmerkingen
8. Moeite met relativeren
9. Onzichtbare relaties tussen mensen (en dingen)
10. Straffen helpt niet

1. Informatie verwerkingstijd
Probleem: Het kind kan moeilijk hoofd- en bijzaken scheiden. Ook vindt hij of zij het moeilijk om het verband van de zinnen te zien en er betekenis aan te geven. Het kind zal vaak later een reactie geven.
Oplossing: “Het is van groot belang om in korte bondige zinnen, op nadrukkelijk stellende toon (zonder twijfel) en in begrijpelijke taal met het kind te communiceren. (…) Volwassenen willen graag dat een kind iets meteen doet. Geef dit kind puzzeltijd en tijd om de opdracht in zijn programma in te voegen.”
(Colette de Bruin 2004: 81)
2. Lichaamstaal en mimiek
Probleem: Het kind reageert niet of nauwelijks op lichaamstaal. Volgens het kind ziet ieder gezicht, als men naar de details kijkt, er weer anders uit. Dit geeft hem of haar onvoldoende houvast.
Oplossing: “Wij kunnen het kind hierbij helpen – ook al gaat het daar niet om – door onze emoties te benoemen en de bedoelingen te verwoorden, die we anders met lichaamstaal zouden laten zien. Dit noem ik ook wel ‘ondertitelen’.”
(Colette de Bruin 2004: 81)
3. Complimenteren
Probleem: Een kind met autisme heeft van zijn omgeving complimenten nodig, een positieve bevestiging. Het probleem is echter dat als een kind een complimentje krijgt, het vaak zo in taal verpakt zit dat hij of zij het niet snapt of niet doorheeft omdat het kind denkt dat het niet voor hem of haar bedoelt is. Ook vindt het kind het slagen van een taak belangrijker dan een welgemeend compliment ontvangen.
Oplossing: “Koppel een compliment aan concrete feiten, dan zal hij beter begrijpen wat je goed van hem vindt.
Marcel vangt de bal, moeder zegt: ‘Goed zo!’ Marcel hoort en ziet van alles en daardoor weet hij nu niet dat moeder hiermee het vangen van de bal bedoelt. Zijn het de fluitende vogels of de rijdende auto? Moeders compliment komt wel bij Marcel aan als ze zegt: ‘Wat goed dat jij die bal gevangen hebt!’”
(Colette de Bruin 2004: 82)
4. Eén ding tegelijk
Probleem: Een kind met autisme kan maar één ding tegelijk. Als hij bijvoorbeeld ergens antwoord op moet geven, stopt hij even met de handeling waar hij mee bezig is. Als hij bijvoorbeeld aan het eten is, is hij alleen maar gefocust op het eten. Een gesprek aanknopen is dan lastig. Als men het kind dan aanraakt of vragen stelt kan dit frustratie bij het kind oproepen. Ook keuzes maken vindt hij of zij moeilijk.
Oplossing: “Houd het bij enkelvoudige opdrachten, die zijn gekoppeld aan handelingen. (…) Als het kind zelf iets aan het vertellen is, onderbreek hem dan niet. (…) Je helpt hem door keuzemogelijkheden beperkt te houden. Je kunt hem helpen door vooraf de keuzes te selecteren.”
(Colette de Bruin: 2004: 82)
5. Het waarom
Probleem: Veel kinderen vragen ‘waarom’ iets is. Vervolgens worden er door de ouders allerlei keuzes, voors en tegens uitgelegd. Een kind met autisme heeft hier moeite mee. Doordat er bij zo’n uitleg van ouders vaak veel woorden aan te pas komen, ‘verzuipt’ het kind hierin.
Oplossing: “‘Geef mij maar uitleg met feiten, een (leef)regel of afspraak, dan weet ik ten minste waar ik aan toe ben.’ Hoe je ertoe bent gekomen, laat hem meestal koud.”
(Colette de Bruin: 2004: 83)
6. Taal letterlijk nemen
Probleem: Kinderen met een ASS reageren vaak anders op woordgrapjes, dubbelzinnigheden en cynische opmerkingen dan kinderen zonder een ASS. Een kind met autisme neemt de taal letterlijk en zal deze grapjes en opmerkingen dus ook niet goed begrijpen. Ook snapt hij of zij vragen, die eigenlijk een mededeling zijn, niet.
Oplossing: “Je taalgebruik moet dus concreet en ondubbelzinnig zijn. Grapjes met taal of dubbelzinnige uitspraken kan het kind vaak niet snappen doordat hij de dubbele bodem niet ziet. Van sarcastische opmerkingen kan het kind totaal van slag raken. (…) Maak concreet wat je bedoelt, zowel in tijd als Wat. (…) Als iets van jou uit geen vraag is, stel hem dan ook niet als vraag maar als een mededeling. Dan ben je pas duidelijk.”
(Colette de Bruin: 2004: 85)
7. Te veel opmerkingen
Probleem: Een kind met autisme kan nog wel eens doordraven met commentaar. Kinderen met een ASS zijn wel heel eerlijk, maar hebben geen besef van het gevolg van hun directe opmerkingen. Ook als een kind een verhaal vertelt, heeft hij of zij moeite om te stoppen wanneer het oninteressant bevonden wordt, omdat het kind dit niet door heeft. Dit geeft chaos in het hoofd van het kind en bovendien krijgt hij of zij alleen maar negatieve kritiek. Het kan zelfs zo zijn dat mensen het kind gaan mijden.
Oplossing: “Je kunt hem stoppen door een duidelijke stop af te spreken. Dit is een sleutelwoord dat in elke situatie kan worden gebruikt.”
(Colette de Bruin: 2004: 87)
“Stop is een doewoord en daarom voor kinderen met autisme een gebod om te gehoorzamen, zeker als zij gewend om ermee te werken. ‘Stop!’ laat het kind ophouden met zijn taak, communicatie of denken. Door de duidelijke taal kan het kind de huidige taak afbreken. Daardoor krijgt hij ruimte voor iets anders, dat jij op dat moment belangrijke voor hem vindt.”
(Colette de Bruin: 2004: 116)
8. Moeite met relativeren
Probleem: Een kind met een autisme spectrumstoornis kan moeite hebben verbanden (relaties) te zien. Hij of zij kan dus ook niet de binnengekomen informatie een plek geven. Als een kind met autisme bijvoorbeeld op de boerderij is en er landt een vlieg op zijn of haar hand, dan kan het kind zich nog maar op één ding concentreren, de vlieg. De prikkels overweldigen.
Oplossing: “Door een kind standaardzinnetjes mee te geven (in dit geval: ‘Vliegen horen op de boerderij.’) kunnen dit soort zaken hanteerbaar worden. Na enige tijd heeft het kind een nieuwe map in zijn hoofd aangemaakt, waardoor ze beter met de prikkel kan omgaan. Het kind is nu zelfs in staat dit zinnetje met deze prikkel in een andere situatie te gebruiken.”
(Colette de Bruin: 2004: 88)
9. Onzichtbare relaties tussen mensen (en dingen)
Probleem: Iemand met autisme heeft moeite met onzichtbare relaties. Daarmee worden emotionele banden, ongeschreven afspraken en waarden bedoeld. Dit is niet te zien, niet opgeschreven, en dus niet concreet voor iemand met autisme. Hij of zij voelt dit niet aan en kwetst daardoor onbewust anderen.
Oplossing: “Door normen in regels op papier aan te bieden, kun je het kind leren zich te gedragen zoals in de situatie passend is.”
(Colette de Bruin: 2004: 88)
10. Straffen helpt niet
Probleem: Als een volwassene een kind straft, hoopt hij hiermee te bereiken dat een kind beseft dat zijn gedrag ongepast was en dit zal moeten aanpassen. Straffen werkt echter niet of nauwelijks bij een kind met autisme. Het vraagt inzicht om gedrag te verbinden met straf, en een kind met autisme heeft dat simpelweg niet.
Oplossing: “Een beloning koppelt het kind vaak aan een bepaalde activiteit. Bij een volgende keer verwacht hij dezelfde beloning, in plaats van dat het leidt tot herhaling van het goede gedrag. De beloning weglaten kan tot gevolg hebben dat het juiste gedrag ook weer vervalt. Het enige wat je kunt doen is: vertellen wat hij wèl moet doen en dit zo mogelijk visueel maken.”
(Colette de Bruin: 2004: 89)

3.1.2 Auti-communicatie toepassen
Er zijn een heel aantal punten die aangeven hoe je auti-communicatie kunt gebruiken. Men kan goed communiceren met een kind met een ASS, mits de volgende ‘regels’ worden toegepast:

- Wees duidelijk en voorspelbaar in je communicatie.
- Volg eerst zijn verhaal, pas dan kan hij jou volgen.
- Bekijk en volg je kind door de autibril (situatie bekijken als iemand met autisme).
- Hij heeft liever een opdracht dan een vraag.
- Wees vriendelijk maar beslist in optreden en communicatie.
- Benoem nadrukkelijk, stellend, concreet en gedetailleerd wat je wilt.
- Laat in jouw manier van praten en doen geen twijfel bestaan.
- ‘Ondertitel’ jouw en zijn gedrag, gevoel, zintuiglijke ervaring, gedachten en de te verwachten situatie.
- Vermijd waaromvragen.
- Zijn pesten is testen ofwel zoeken naar duidelijkheid. Wees dus duidelijker!
- Pas je grapjes aan of vermijd ze. Gebruik geen sarcasme.
- Help hem om de draad van het verhaal vast te houden.
- Ga niet in discussie.
- Houd je eigen emoties in bedwang.
- Leg het waarom van iets uit aan de hand van feiten, regels en afspraken, maar niet aan de hand van inzicht of gevoel.
- Wees eenduidig in lichaamstaal en taalgebruik.
- Houd in je contact rekening met zijn zintuiggevoeligheid.
- Wees vriendelijk in houding, gezichtsuitdrukking en intonatie.
- Vertaal je eigen onmacht niet in boosheid naar het kind maar in een taak (het Wat).
- Zijn er zaken ‘in overweging’, deel die dan niet met je kind.
- Kun je hem nu geen duidelijkheid bieden, geef hem dan aan wanneer wel.
- Voel je niet persoonlijk aangesproken bij beledigende opmerkingen.
- Geef denktijd om informatie te verwerken.
- Sluit zijn denkmap af als hij in iets blijft hangen.
- Ondersteun visueel als hij niet doet wat je zegt.
- Kom afspraken en beloftes nauwgezet na. Houd je aan de afgesproken tijd.”
(Colette de Bruin: 2004: 90)

3.2 Het gezin
3.2.0 Inleiding
Een kind met autisme komt als eerste in aanraking met het gezin waar het in opgroeit. Het gezin speelt zo goed als de belangrijkste rol in het leven van een kind. Het kind laat het gezin vaak moeilijk los, omdat hij of zij daar een bepaalde veiligheid ervaart.

3.2.1 De opvoeding
“Baby’s zijn totaal afhankelijk van hun ouders of verzorgers. Normaliter wordt het kind in zijn ontwikkeling steeds zelfstandiger. Als een ouder kind met autisme afhankelijk blijft van de volwassene en daar ook zijn gevoel van veiligheid aan ontleent, is het erg kwetsbaar. Als die ander wegvalt of verandert heeft het kind, dat juist zo hecht aan onveranderlijkheid, een probleem. Voor de volwassene is dit een zeer vermoeiende situatie. Het vergt nogal wat om elke (deel)handeling te moeten aansturen. Zoals het ook vermoeiend is om altijd maar duidelijk en voorspelbaar te moeten zijn.
Kinderen met autisme zijn van nature niet gemakkelijk geneigd zich los te maken van de ouder. De ouder zal dat losmakingsproces bewust in gang moeten zetten, wat vrij onnatuurlijk is.”
(Colette de Bruin, 2004: 92)
Een kind met autisme opvoeden vergt veel energie van de ouders/verzorgers. Ook zal een kind met autisme zich moeilijk losmaken van zijn of haar verzorgers. Juist daarom is zo’n kind erg kwetsbaar.
Een ‘normale’ opvoeding zal bij een kind met een ASS moeizaam of niet werken.
“We verwachten van het kind, als je het hem maar vaak genoeg te zegt of voor doet, op een gegeven moment iets zelf gaat doen. Maar bij een kind met autisme is dat lang niet altijd het geval. De oorzaak hiervan is het ontbreken van inzicht in de samenhang. Samenhang aanbrengen is daarom het antwoord op zijn vraag.”
(Colette de Bruin, 2004: 91)

3.2.2 Structuur

Structuur is erg belangrijk voor een kind met een ASS. Hij begrijpt bepaalde routines minder goed dan een kind zonder een ASS.
“De stoornis zorgt ervoor dat het kind routines die wij eenvoudig vinden, niet begrijpen en onthoudt. Het kan voor het kind bijvoorbeeld al moeilijk zijn om op te houden met tv-kijken om aan tafel te gaan. Ouders en verzorgers kunnen dan ontzettend kwaad worden.
Veel kinderen met een ASS zijn niet in staat om de non-verbale signalen uit de omgeving die een verandering aankondigen, op te vangen.”
(Dion E. Betts en Nancy J. Patrick, 2006: 15)
Voor iemand zonder autisme zijn bepaalde signalen snel opgevat, terwijl een kind met autisme deze signalen vaak niet eens door heeft.
“De sleutel tot een succesvolle oplossing in al die situaties is het structureren van de omgeving van het kind. Terwijl voor andere kinderen een regime van belonen en discipline heel goed kan zijn, werkt deze methode bij kinderen met een ASS veelal minder goed. Dat komt omdat zij vaak reageren op interne en externe prikkels die hen volledig overdonderen en waar ze dus gewoon op moeten reageren.”
(Dion E. Betts en Nancy J. Patrick, 2006: 15)
Structuur en duidelijke planning van wat er gaat gebeuren is dus belangrijk. Als dit niet duidelijk is kan dit leiden tot woede- of huilaanvallen en/of angst.

3.2.3 Brusjes
Brusjes, de broertjes en zusjes van het kind met autisme, kunnen het soms ook zwaar te verduren krijgen. Omdat het voor hen nog moeilijker is kinderen met autisme te snappen, kan dit tot vervelende conflicten leiden. Om deze conflicten op te lossen is wederom eerlijkheid nodig. Er moet duidelijk uitgelegd worden wat er precies met hun broertje of zusje aan de hand is.
“Broertjes en zusjes van kinderen met een autisme spectrumstoornis – zogenaamde brusjes – hebben ouders nodig die in alle eerlijkheid de positieve en negatieve aspecten van de stoornis kunnen uitleggen. De broertjes en zusjes weten dat de stoornis slechts één aspect is van iemands persoonlijkheid. Dat hun broertje of naast de moeilijkheden die veroorzaakt worden door de autisme spectrumstoornis ook kwaliteiten en mogelijkheden heeft.
Gezinsleden moeten kunnen praten over hun ervaringen met een broer of zus met ASS. Veel ouders vragen hun kinderen hier gericht naar. Bijvoorbeeld hoe ze het vinden dat hun broertje speciaal eten krijgt en waarom hij op de ‘lekkerste’ bank mag zitten.”
(Dion E. Betts en Nancy J. Patrick, 2006: 21)


3.3 Onderwijs

3.3.0 Inleiding
Voor kinderen met autisme waren er vroeger speciale scholen, maar tegenwoordig is het beleid zoveel mogelijk kinderen op het reguliere onderwijs te zetten.
“De meeste onderwijsinstellingen zijn gericht op het omgaan met kinderen zonder stoornissen. In het verleden werden kinderen die speciale aandacht nodig hadden, altijd naar een aparte school voor bijzonder onderwijs gestuurd. Tegenwoordig is het beleid om deze kinderen zoveel mogelijk in het normale basisonderwijs op te vangen. Er is bovendien een grote toename in het aantal kinderen bij wie een autisme spectrumstoornis wordt vastgesteld en ouders verwachten dat de basisschool deze kinderen gewoon onderwijs geeft als alle andere kinderen. Maar hoe meer van deze kinderen de basisschool binnen komen, hoe meer deskundigheid vereist wordt binnen het onderwijs. Om kinderen met ASS te kunnen onderwijzen, moeten onderwijskrachten en andere medewerkers van de school over speciale vaardigheden en kennis beschikken.”
(Dion E. Betts en Nancy J. Patrick 2006: 113)

3.3.1 Welke schoolvorm pas het beste bij welk kind?
Veel ouders met een kind met een autisme spectrumstoornis weten niet precies waar ze allemaal terecht kunnen voor hulp aan hun kind en aan hun gezin. De ouders kunnen daarvoor hulp inschakelen bij de schoolbegeleidingsdienst.
“Elke school is aangesloten bij een schoolbegeleidingsdienst. Deze dienst test kinderen op verzoek van de school; veel scholen dienen ook zo’n verzoek in als de ouders daar bij de school om verzoeken. De dienst kan bepalen wat het beste is voor het kind: op de basisschool blijven of naar een school voor speciaal onderwijs gaan.”
(Dion E. Betts en Nancy J. Patrick 2006: 116)

3.3.2 Schoolgebonden relaties
Relaties met de lerkracht
Belangrijk is het ‘klikken’ tussen het kind met autisme en de leerkracht. Dit kan echter niet geforceerd worden, en zal dus energie en geduld vergen van de leerkracht.
“Kinderen met het autisme spectrumstoornis kunnen net als alle kinderen nogal wispelturig zijn en dan hier, dan daar belangstelling voor hebben. (…) Het is misschien een steun voor de ouders in te weten dat zo’n band tussen leerkracht en leerling niet geforceerd kan worden. Niet alle leerkrachten hebben belangstelling voor het werken met kinderen met ASS en niet iedere leerkracht heeft een vergaande interesse in ieder kind. Maar als er op school één leerkracht is met wie het ‘klikt’, is dat vaak de basis voor een hechte band gedurende de hele schoolperiode.”
(Dion E. Betts en Nancy J. Patrick 2006: 114)
Relaties met klasgenoten
Een kind met autisme wil net als alle andere kinderen samen spelletjes doen. Als een kind met een ASS mee wil doen met voetbal, zal hij daar niet goed aan mee kunnen doen, omdat hij de regels niet kent. Het kind zal worden buitengesloten door leeftijdsgenoten.
“De meeste kinderen leren met elkaar samen spelen. Maar bij kinderen met een autisme spectrumstoornis is dit een vaardigheid die moeilijk voor hen blijft. Vaak is het nodig om het kind dit soort vaardigheden specifiek aan te brengen.”
(Dion E. Betts en Nancy J. Patrick 2006: 127)
Dit probleem kan goed opgelost worden in de pauzes.
“Pauzes in de schooldag kunnen erg nuttig zijn. Een pauze biedt het kind met ASS de mogelijkheid om waardevolle sociale vaardigheden op te doen en uit te voeren. Maar pauzes zijn vaak veel te ongestructureerd. Andere kinderen kunnen in een dergelijke situatie spelen en andere sociale vaardigheden toepassen. Zij maken zich heel veel van die vaardigheden eigen zonder tussenkomst van volwassenen. Maar jammer genoeg werkt die benadering niet voor kinderen met een autisme spectrumstoornis, die juist de noodzakelijke vaardigheden missen om onafhankelijk in zo’n situatie te kunnen functioneren.”
(Dion E. Betts en Nancy J. Patrick 2006: 127)
Deze sociale vaardigheden kunnen worden opgedaan wanneer het schoolpersoneel contact met de kinderen met een ASS legt.
“Om pauzes toch productief te laten zijn voor kinderen met ASS, kunnen hun sterke punten worden gebruikt om nieuwe vaardigheden te leren. Dat betekent wel dat het schoolpersoneel op zich moet nemen om ook in hun pauze met deze kinderen te werken. Onderwijsassistenten kunnen in pauzes fantastisch werk doen en een belangrijke taak vervullen in het onderwijs aan kinderen met ASS. Onderwijskrachten zelf moeten zien te bepalen welke vaardigheden de klasgenoten van de kinderen met ASS tijdens hun pauze gebruiken. Dan kunnen zij aan de ontwikkeling daarvan actief gaan werken.”
(Dion E. Betts en Nancy J. Patrick 2006: 127)
Leerkrachten en onderwijsassistentes spelen dus een grote rol bij ontwikkeling van de sociale vaardigheden van een kind met een ASS op school. Er worden hier ook een paar tips bij gegeven:
“Als bijvoorbeeld het gooien van een bal op het schoolplein belangrijk is, dan moet een kind met ASS worden geleerd hoe het moet gooien. Hetzelfde geldt voor de speeltoestellen op het schoolplein en de regels van de spelletjes die daarop worden gespeeld. Er kunnen foto’s worden gemaakt van elk stuk speelgoed en scripts geschreven over hoe die gebruikt moeten worden. Zo’n script kan dan elke dag vlak voor de pauze begint even met het kind doorgenomen worden.”
(Dion E. Betts en Nancy J. Patrick 2006: 127)
Wederom speelt visualisatie een belangrijke rol. Door dingen te visualiseren en duidelijk op papier te zetten, begrijpt een kind met autisme al heel snel wat wel kan en mag. Een goede methode om iets te visualiseren is doormiddel van pictogrammen.

3.3.3 Carrière
Kan een kind met een ASS ook carrière maken? Jazeker, maar niet in elke factor. Leidinggevende functies zullen lastig zijn in verband met hun problemen in de sociale interactie. Het is belangrijk voor een kind met autisme zijn sterke eigenschappen op een rijtje te zetten en van daaruit een keuze te maken welke carrière of baan het kind wil.
“Tijdens de laatste jaren op de middelbare school is het belangrijk om na te denken welke carrière of welke baan het kind graag wil. Het is belangrijk om zijn sterke eigenschappen naar voren te halen, zoals toewijding, specifieke kennis en betrouwbaarheid. De speciale interesse kan mogelijk een richting geven voor een loopbaan. Een speciale interesse in exacte wetenschappen kan uitmonden in een universitaire studie en een wetenschappelijke loopbaan. Universiteiten staan bekend om hun tolerantie voor wat aparte personen, vooral als zij originele ideeën hebben en toegewijd zijn.”
(Tony Attwood 2001: 163)
Kinderen met een ASS kunnen dus wel een universitaire opleiding genieten, met name bij de exacte vakken. Vooral in de techniek kunnen kinderen met een ASS later zich goed ontplooien. Er zijn ook meer dan alleen exacte vakken waarin zo iemand zich kan ontwikkelen.
“Maar er zijn natuurlijk meer mogelijkheden dan exacte wetenschappen, technische opleidingen en computers. Er zijn mensen met een succesvolle carrière in de zorgsector, bijvoorbeeld als leerkracht, of in het werk met ouderen, met dieren of bij de politie. Deze mensen hebben een sterk moreel besef en kunnen fervente bestrijders van sociale onrechtvaardigheid zijn.”
(Tony Attwood 2001: 163)
Sollicatiegesprekken kunnen echter valkuilen zijn voor mensen met een ASS. Omdat ze hun kwaliteiten niet goed kunnen presenteren, kan dit een baan kosten.
“Bepaalde vaardigheden moeten aangeleerd worden, zoals het presenteren bij sollicitatiegesprekken. Niet iedereen is in staat om zijn eigen capaciteiten duidelijk te presenteren, lichaamstaal te begrijpen en door te hebben wat de gangbare loop van een sollicitatiegesprek is.”
(Tony Attwood 2001: 163)

3.4 Conclusie

Het is belangrijk om structuur en visualisatie toe te passen in het onderwijs. (Gedrags)regels uitbeelden door visualisatie, met behulp van bijvoorbeeld pictogrammen, komen goed aan bij kinderen met een ASS. Het is ook belangrijk dat de leraren zich openstellen voor het werken met autistische kinderen. Door sociale vaardigheden te blijven aanleren kan een kind met een ASS nog een behoorlijke carrière maken. Eén van de bekendste mensen met een ASS die een ongelofelijke carrière heeft gemaakt en een belangrijk persoon is in de moderne wetenschap is Albert Eijnstein.


Eindconclusie

Autisme is een veelomvattend begrip. Ieder kind is uniek en heeft zijn eigen talenten en kwaliteiten. Wanneer kinderen problemen hebben die uit een ontwikkelingsstoornis voortkomen en een diagnose hebben gekregen, worden ze al snel autist genoemd. Veel mensen denken dat een autist niet veel meer in zijn mars heeft, maar dit is absoluut niet waar.
Er zijn veel soorten autisme, zoals kern-autisme, PDD-NOS, het syndroom van Asperger, het Syndroom van Rett en het syndroom van Heller. Per stoornis en per autist verschillen de kenmerken in mate en in voorkomen. Autisme is een stoornis waarbij problemen optreden in het verwerken van informatie in de hersenen. Hierdoor zijn er problemen op het gebied van sociaal contact, communicatie, voorstellingsvermogen, het tonen van emoties en veranderingen.
Autisme is niet te genezen. Medicatie en therapieën kunnen helpen bepaalde symptomen te remmen, maar deze behandelingen zullen het kind niet van autisme afhelpen.
Doordat mensen de denkwereld van autisten niet snappen wordt er vaak verkeerd gereageerd op autisten. De kinderen met autisme gedragen zich misschien wel anders dan anderen, maar dit wordt voor een groot deel bepaald door de omgeving van het kind. Hoe de ouders, familie, leerkrachten en verzorgers met het kind omgaan kan een grote invloed hebben op het kind. Mensen die moeite doen om het kind te begrijpen en om er meer inzicht in te krijgen, zijn vaak sneller bereid aanpassingen te maken. Dit zal het gedrag en levensgeluk van het kind in de meeste gevallen verbeteren.
“Het is niet genoeg te weten, men moet ook toepassen.
Het is niet genoeg te willen, men moet ook handelen.”
(Goethe (1749-1832))


Bibliografie


Internet

http://nl.wikipedia.org/wiki/Syndroom_van_Asperger
Wikipedia, de vrije encyclopedie, staat vaak vol met moeilijke woorden en begrippen. Wikipedia kan een goede aanvulling zijn op een onderwerp, al moet men wel opletten bij de betrouwbaarheid. Iedereen kan wat op Wikipedia zetten, ook ondeskundige mensen. In dit geval werd het syndroom van Asperger goed gedefinieerd en uitgelegd, het kwam sterk overeen met de literatuur die ik had gevonden over het syndroom van Asperger.
http://nl.wikipedia.org/wiki/Syndroom_van_Rett
Hetzelfde verhaal geldt voor deze site van Wikipedia. Het is niet altijd even betrouwbaar. Ik had bij het syndroom van Rett ook geen andere bronnen dan Wikipedia. Het is een lastig te vinden onderwerp in de literatuur, omdat dit stoornis weinig voorkomt en dus wat minder relevant is.
http://informatieoverautisme.web-log.nl/
Dit is een weblog die heel veel informatie over autisme bevat. Veel van de teksten op die site zijn vaak letterlijk geciteerd uit literatuur die ik ook heb. Ook hier is het nadeel dat iedereen er wat op kan zetten, al kwam deze site wel redelijk deskundig op mij over.
http://www.youtube.com/watch?NR=1je&gl=NL&hl=nl&v=EgfjjwVdHJ4
Dit is een documentaire over dolfijnentherapie. Erg duidelijk en deskundig, maar er werden veel moeilijke woorden gebruikt en de manier waarop de persoon uitlegde was zeer monotoon en voorgelezen.

Literatuur

BAARD, MONIQUE Ongewild Lastig
VAN DER ELST, DÉSIRÉE Inzicht in veelvoorkomende (ontwikkelings)stoornissen bij kinderen
Huizen, Pica, 2005
Ongewild Lastig vond ik zeer gemakkelijk om mee te werken, het was in relatief makkelijke woorden geschreven en vrijwel alles over autisme kwam aan bod.
DE BRUIN, COLETTE Geef me de 5
Een praktisch houvast bij de opvoeding en begeleiding van kinderen met autisme
Doetinchem, Graviant educatieve uitgaven, 2004
In dit boek staan veel praktische tips voor kinderen met autisme. Vooral in hoofdstuk 3 heb ik hier veel aan gehad. Het boek geeft duidelijk alle do’s en don’ts aan.
DIJKSHOORN, PETER Kinderen met een contactstoornis
PIETERSEN, WELMOED Een groepsbehandeling voor PDD-NOS kinderen en hun ouders
DIKKEN, GERARD Steenwijk, Grafisch productiebedrijf Gorter, 1998
Dit boek is al wat ouder en dus is het wat minder actueel. Autisme wordt nog steeds actief onderzocht en elk jaar worden er weer nieuwe ontdekkingen gedaan, dus een actueel boek is wel gunstiger dan een wat oudere. Uit dit boek heb ik dan ook niet zo heel veel informatie gehaald. Vooral bij het stuk over PDD-NOS heb ik dit boek gebruikt.
BAL, IRENE Pedagogische begeleiding
(m.m.v. VAN GESSEL, ANDRÉ) Arnhem, Uitgeverij Angerenstein, 2003
Dit boek zal zeer geschikt voor studies zijn, maar voor mij was het soms nog wat moeilijk. Er worden veel praktische tips en oefeningen gegeven waar ik niet zo heel veel mee kon.
VAN DER VEEN-MULDERS, L. Sociaal Onhandig
SERRA, M De opvoeding van kinderen met PDD-NOS en ADHD
VAN DEN HOOFDAKKER, B.J. Assen, Koninklijke van Gorcum BV, 2005
MINDERAA, R.B.
Sociaal onhandig was een van de makkelijkere boeken. Wel wat saai vormgegeven met grote lappen tekst, maar duidelijk, concreet en met goede voorbeelden.
ATTWOOD, TONY Het syndroom van Asperger
Een gids voor ouders en hulpverleners
Lisse, Swets en Zeitlinger BV, 2001
Dit boek is een vertaling van ‘Asperger’s syndrome’, door Tony Attwood. Dit was een pittig, informatief en eigenlijk een beetje een saai boek. Het waren veelal grote lappen tekst doorspitten. Er stonden, net als in veel andere boeken over autisme spectrumstoornissen, veel voorbeelden in. Omdat dit boek over het Aspergersyndroom gaat, heb ik het vooral kunnen gebruiken bij het hoofdstuk over Asperger.
VAN LIESHOUT, TRIX Pedagogische adviezen voor speciale kinderen
Een praktisch handboek voor professionele opvoeders, begeleiders en leerkrachten
Houten, Bohn Stafleu van Loghum, 2002
Van beknopt hebben ze in dit boek nog niet gehoord. Alle aspecten, symptomen en behandeling van autisme worden uitvoerig besproken. Dit tot ergernis van mij, omdat ik er weinig beknopte, duidelijke citaten uit kon halen. Zoals de ondertitel al zegt, is dit een boek voor professionals, en was het niet erg geschikt voor iemand die zich net verdiept in het onderwerp.
BETTS, DION E. Autisme wegwijzer
PATRICK, NANCY J. Doeltreffende oplossingen voor alledaagse problemen
Huizen, Pica, 2006
Eigenlijk bestaat dit boek alleen maar uit voorbeelden met daarop een advies en/of oplossing. Als je de wereld van autisme in wilt stappen is dit een prima boek om kinderen met autisme te leren begrijpen en oplossingen van hun gedragsproblemen toe te passen. Ik heb hem vooral om voorkennis te vergaren gebruikt.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

L.

L.

er staat geen plaatje bij en ik zit trouwens op de basisschool dus niet op de middelbare en op de basisschool halen ze er geen plagiaat over. maar verder is het een mooi werkstuk

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

R.

R.

Heel goed Wouter, bedankt voor je voorbeeld! ;D

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

S.

S.

Dankje Wouter!
Heel goed verslag, heb er heel veel aan gehad. Mooi ook die voorbeelden, erg duidelijk. Had je een goed cijfer? =P

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast