Inhoudsopgave

Inleiding

1. Taal uit de Middeleeuwen

Geschreven taal

Talen veranderen

2. Het Oudnederlands

3. Het Middelnederlands

Lezen en schrijven

Kastelen, ridders en koningen

4. Het Nieuwnederlands (1500-1795)

De boekdrukkunst

Belgische vluchtelingen

Plat en beschaafd

5. Het Modern Nederlands (1795-nu)

Spelling

Spellingregels

Het grootste woordenboek van de wereld

6. Leenwoorden

Lenen en nooit meer teruggeven



Taalzuivering

7. Groepstalen

Boeventaal

Turbotaal

Mengelmoes

Literatuurlijst



Inleiding

Dit werkstuk gaat over de geschiedenis van de taal. Ik heb het daarover gehouden omdat ik van schrijven hou en omdat ik zelf ook wel eens wilde weten hoe dat in elkaar zit. De Nederlandse taal heeft zich op een speciale manier ontwikkeld. Als je wilt weten hoe, lees dan dit werkstuk.



1. Taal uit de Middeleeuwen



Geschreven taal

Boeken van vroeger zijn vaak vernietigd, vergaan of zoekgeraakt. Maar er zijn er toch nog een paar heel gebleven. Bijvoorbeeld een boek over de zwarte ridder en de koning. Daar kan dit een zinnetje uit zijn:

Die swerte was sterk ende snel, ende sine joesten waren fel, so dat die coninc was in vare ende waende dat die duivel ware. Het gaat over een gevecht tussen de koning en de zwarte ridder. Die zwarte was sterk en snel en zijn aanvallen waren zo woest dat de koning vreesde dat het de duivel was. We weten helaas niet hoe de woorden uitgesproken moeten worden, omdat er vijfhonderd jaar geleden nog geen cassettebandjes bestonden waar je geluid op kon zetten. Dus je moet ook niet denken dat je het goed uit kan spreken, want het lukt je niet. Wat we nog wel weten, is het alleroudste zinnetje. Het is ongeveer duizend jaar oud. Het werd opgeschreven door een monnik die zijn ganzenveren pen uitprobeerde. Hij schreef: ‘Hebban olla vogala nestas hagunnan, hinaese hic enda thu’. Het is een liefdeszinnetje. Het betekent letterlijk: hebben alle vogeltjes nestjes begonnen behalve jij en ik. Het Nederlands wat de mensen toen spraken was dus heel anders dan het Nederlands dat we nu spreken.





Talen veranderen

Bijvoorbeeld de woorden walkman en cd's bestaan nog niet zo lang. Elke dag komen er nieuwe woorden bij. Er verdwijnen ook woorden. Dat we weten wat een ridder is, komt doordat hij nog in sprookjes voorkomt. Wat is bijvoorbeeld een stoof? Een soort kistje waar vroeger mensen een schaaltje met hete kooltjes in zetten om hun voeten op warm te houden. Je kent het woord niet omdat een stoof niet meer bestaat. Misschien kent je opa het nog wel. En het wat zijn kooltjes? Weet je wat dat zijn? Kooltjes zijn kleine, zwarte dingetjes die brandbaar zijn. Ze zijn zo groot als een steen. We gebruiken ze nog voor de barbecue.



2. Het Oudnederlands



Duizend jaar geleden woonden de mensen op boerderijen of in dorpen. Er waren nog geen steden, televisie en radio. Auto's en fietsen bestonden ook nog niet. De mensen uit de verschillende dorpen hadden daardoor weinig contact met elkaar en spraken elkaar zelden. Daardoor kregen de mensen uit verschillende dorpen andere talen. Het Nederlands was dus niet één taal, maar bestond uit verschillende vormen die allemaal op elkaar leken. Die verschillen binnen het Nederlands noemen we dialecten. Ze bestaan nu nog, want in Noord-Brabant wordt anders gesproken dan in Groningen en in Amsterdam word ook weer anders gesproken dan in Rotterdam. Maar de verschillen zijn veel kleiner. We kennen de dialecten niet meer. Dat komt doordat er maar heel weinig boeken die in het Oudnederlands zijn geschreven zijn overgebleven.



Het Fries is geen dialect, maar een echte taal. Het Fries is ouder dan het Nederlands en het heeft eigen spellingregels.



3. Het Middelnederlands



Lezen en schrijven

Nu is het gewoon dat ieder kind kan lezen en schrijven. Maar vroeger ging lang niet ieder kind naar school om te leren lezen en schrijven. En zo'n zeshonderd jaar geleden waren er maar heel weinig mensen die dat konden. Geen kinderen of grote mensen, nee, alleen maar geleerde mensen en monniken. Monniken en geleerden woonden vaak heel ver uit elkaar en konden elkaar niet verstaan. Daarom schreven ze in het Latijn. Dat is een oude taal die lang geleden door de Romeinen gebruikt werd. Nu gebruiken de mensen over de hele wereld Engels en Spaans om elkaar goed te kunnen verstaan. De meeste middeleeuwse boeken zijn dus in het Latijn geschreven. Gelukkig bestonden er ook mensen die boeken in het Nederlands schreven. Sommige van die boeken zijn bewaard gebleven. De oudste Nederlandse schrijver waarvan we de naam weten, schreef in het Limburgs dialect. Dat was Hendrik van Veldeke.



Kastelen, ridders en koningen

Lang geleden trokken er minstrelen van kasteel tot kasteel. Ze werden overal met blijdschap ontvangen, want de winteravonden waren lang en er was nog steeds geen radio of televisie. En de ridders, koningen en andere edelen konden niet lezen. Daarom lieten ze zich vermaken door zangers en verhalenvertellers. Ze vertelden fantastische verhalen over helden en oude koningen en zongen over de liefde. Later werden die verhalen en liederen weer door mensen zoals Hendrik van Veldeke opgeschreven. Alleen rijke mensen konden toen een boek kopen.

Een boek was heel duur. Het werd met de hand geschreven en getekend en het papier werd met de hand gemaakt. Van elk boek bestond er maar één. Als iemand anders dat boek ook wilde hebben, dan werd het door iemand die kon schrijven met de hand overgeschreven. Zo'n iemand heet een kopiist. Soms konden de kopiisten niet lezen. Dan maakten ze veel fouten bij het overschrijven. Als een kopiist wel kon lezen en het eind van het boek te zielig vond of te vrolijk vond, schreef hij er een ander eind aan. Zo ontstonden er veel verschillende versies van een verhaal.



Minstrelen trokken van kasteel tot kasteel om de bewoners te vermaken met het vertellen van verhalen en het zingen van liederen.



4. Het Nieuwnederlands (1500-1795)



De boekdrukkunst

Rond 1450 werd de boekdrukkunst uitgevonden. Door die uitvinding hoefden de boeken niet meer over geschreven te worden. Voortaan kon een boek net zo vaak gedrukt worden als men maar wilde. Omdat drukken minder duur is dan overschrijven, werden de boeken goedkoper. Behalve rijke mensen kon nu ook het gewone volk boeken kopen. De gewone mensen hadden nu ook boeken waaruit ze konden leren lezen en schrijven. In deze periode ontstond het Nieuwnederlands.

Het Nederlandse volk kwam rond 1570 in opstand tegen hun heer Filips II. Omdat hij katholiek was, vond hij dat al zijn onderdanen dit ook moesten zijn. Daartegen protesteerde veel mensen. Protestanten heten die. Ze waren het met veel zaken van de katholieken niet eens. Eén daarvan was dat de bijbel in het Latijn was geschreven. Veel mensen kenden geen Latijn en konden daarom de bijbel niet lezen. De protestanten vonden dat iedereen de bijbel moest kunnen lezen, de rijke en de arme mensen. Ze wilden een bijbel in de volkstaal, in het Nederlands. Uit alle hoeken van Nederland kwamen geleerden bijeen om te vergaderen over de vertaling van de bijbel. Maar het Nederlands bestond alleen uit dialecten, het was niet één taal. De geleerden konden maar niet kiezen in welk dialect de bijbel nu moest worden vertaald, want iedereen in de Nederlanden (nu: Nederland en België) moest hem kunnen lezen. Ze besloten daarom woorden op te nemen uit alle dialecten. Vaak moesten ze kiezen uit verschillende schrijfwijzen. Bijvoorbeeld de verleden tijd van beginnen. Daarvan bestonden vier soorten: 'begon', 'begost', 'begonst' en ‘began’. Het werd begon. Of de vertalers bedachten gewoon nieuwe woorden en uitdrukkingen. 'Zondebok', 'slachtoffer', 'in zak en as zitten', gebruiken wij nu nog. In 1637 was de bijbel eindelijk klaar. Hij werd de Statenbijbel genoemd. In protestantse gezinnen werd iedere dag voor en na het eten uit de bijbel voorgelezen. De kinderen kregen de nieuwe bijbeltaal letterlijk met de paplepel ingegoten. Daardoor gingen ze zelf ook die taal gebruiken. Door de Statenbijbel werd het Nederlands steeds meer één taal.



Het opstellen van de taal van de Statenbijbel is belangrijk geweest voor het Nederlands dat we nu spreken.



Belgische vluchtelingen

Filips II was ook heer van de Zuidelijke Nederlanden (nu: België). Ook daar kwamen de mensen tegen hem in opstand. Als antwoord veroverde en verwoestte hij in 1585 Antwerpen. Tienduizenden protestanten vluchtten naar de Noordelijke Nederlanden. Zij vestigden zich vooral in de steden, die niet veel groter waren dan dorpen. Door de komst van deze Zuidnederlanders groeiden de stadjes enorm. Omdat vluchtelingen behalve hun geld en hun spullen ook hun taal meebrachten, veranderde de taal in steden zoals Amsterdam en Den Haag.



Plat en beschaafd

Door de komst van de Zuidnederlandse kooplieden werd Amsterdam rijker en groter. Onder de vluchtelingen waren ook veel schrijvers, schilders en geleerden. Ze hoopten in Amsterdam beroemd te worden. Zo werd Amsterdam het middelpunt van handel, kunst en wetenschap. De rijkere Amsterdammers keken naar de ontwikkelde Zuid-Nederlanders op. Ze namen de kleding, taal en gewoontes van hun over. Dat stond beschaafd, vonden de mensen. Ze voelden zich ineens veel beter dan de stedelingen en dorpelingen van het platteland. Het dialect van deze mensen werd door de rijkere burgers spottend 'plat' genoemd.



5. Het Modern Nederlands (1795-nu)



Dit alles heeft er toe geleid, dat wij praten, zoals we praten. We praten dus Modern Nederlands. Maar de taal blijft veranderen. Over een tijdje is wat wij nu Modern Nederlands noemen ook weer ouderwets. Luister maar eens naar een liedje van twintig jaar geleden. Daar worden de woorden duidelijker uitgesproken dan nu. Zelfs zo kort geleden spraken de mensen anders Nederlands. Het Nederlands wat we nu spreken is de taal die gemaakt is uit alle dialecten. Het is de taal die je op school leert en op de televisie hoort. We noemen dit het Algemeen Beschaafd Nederlands, afgekort het ABN. Het ABN lijkt het meest op het dialect dat vroeger in de Randstad werd gebruikt. Mensen in de Randstad spreken ABN, want de taal komt daar vandaan. Voor veel mensen buiten de Randstad is het plaatselijke dialect de eerste taal die ze als kind leren. Op school leren zij later het ABN. Daarom wordt buiten de Randstad nog vaak in dialect gesproken.



Spelling

Het verhaal van Karel ende Elegast is voor ons heel moeilijk te lezen. De letters zijn heel anders geschreven. ‘Coninc’ en ‘hebbic’ in plaats van ‘koning’ en ‘heb ik’. Deze woorden werden vroeger waarschijnlijk ook anders uitgesproken. Omdat het gesproken Nederlands veranderde, veranderde heel langzaam ook het geschreven Nederlands. Ook dat gaat nu heel snel. In een boek van dertig jaar geleden staan woorden ook anders geschreven dan nu, bijvoorbeeld 'mensch' en 'zoo'. Op een gegeven moment vonden de mensen dat je woorden moest schrijven zoals je ze uitsprak. Daarom schrijven we nu 'mens' en 'zo'.



Zo’n veertig jaar geleden werd een aantal woorden in het Nederlands nog anders geschreven. Als je deze advertentie leest, valt die oude spelling je vast op.



Spellingregels

Er zijn niet altijd spellingregels geweest. Vroeger schreef iemand zoals hij sprak. Omdat ieder dialect een andere uitspraak had, ontstonden van verschillende woorden verschillende schillende schrijfwijzen. In de zestiende eeuw (1500-1600) begonnen de Nederlanders aan spelling van hun taal te denken. De mensen vonden de Statenbijbel een goed voorbeeld. Daarom gingen ze de woorden schrijven zoals die in de Statenbijbel stonden. Geleerden probeerden in de zeventiende eeuw (1600-1700) spellingregels te maken. Maar die regels veranderden steeds. Pas in 1804 kwam er iemand met vaste spellingregels. Dat was de Leidse hoogleraar Siegenbeek. Bijvoorbeeld 'kachel' moest geschreven worden als 'kagchel'. Dat vonden de mensen uit de negentiende eeuw (1800-1900) wel wat vreemd. Daarom werden in 1844 de regels verbeterd: ch of g voor gch. Intussen is weer heel veel veranderd. Dat gebeurt om de zoveel tijd. Want anders zou het Nederlands zoals we het schrijven heel anders worden dan het Nederlands zoals we het spreken. De laatste verandering kwam in 1996.



Het grootste woordenboek van de wereld

Als je niet weet hoe je een woord moet schrijven, kun je het altijd opzoeken in het Groene Boekje. Dat is een lijst van ongeveer 110.000 woorden die geschreven zijn in de officiële spelling. Maar dat niet alleen. Je kunt ook kijken in een woordenboek. Daarin staat achter het woord ook nog eens de betekenis. Vanaf 1852 zijn geleerden in Leiden bezig aan het grootste woordenboek ter wereld, het Woordenboek van de Nederlandse Taal (WNT). Er wordt dus al bijna 150 jaar aan het woordenboek gewerkt! De geleerden hoopten het in 1998 af te hebben, maar dat is helaas niet gelukt. Het zou een boek zijn met 44.000 bladzijden, dat uit 40 delen bestaat en 3 meter in de boekenkast inneemt!



Veel buitenlandse woorden zijn letterlijk geïmporteerd.



6. Leenwoorden



Lenen en nooit meer teruggeven

Veel woorden uit het Nederlands komen uit een ander land. 'Majoor', 'adjudant' en 'gitaar' zijn eigenlijk Spaanse woorden. Die woorden hebben we uit het Spaans overgenomen, tijdens de oorlog met de Spaanse koning Philips II (1568-1648). We hebben ook woorden uit het Duits gehaald. ‘Aanslag’, beantwoorden’, ‘kotsen’, ‘lans’, ‘zwetsen’, ‘lummel’, ‘loofhut’ en ‘eenzaam’ zijn eigenlijk Duitse woorden. De tijd van 1650 tot 1800 wordt ook wel eens de Franse tijd genoemd. De Nederlanders vonden alles wat Frans was mooi en deftig. Ze namen daarom veel Franse gewoontes over en ook Franse woorden. ‘Fabrikant’, ‘industrie’, ‘ballet’, ‘decor’, ‘salon’ en ‘po’ komen allemaal uit het Frans en worden nu door bijna elke Nederlander gebruikt. Op dit moment nemen we veel woorden over uit het Engels. Dat komt doordat veel films en liedjes in het Engels zijn. Op de radio, op televisie, overal hoor je Engels. Daarom gebruiken we nu snel Engelse woorden. Denk maar aan ‘soap’, ‘tunnel’, ‘goal’ en ‘cake’. De woorden die via buitenlandse talen in het Nederlands zijn gekomen, noemen we leenwoorden. Ze heten wel leenwoorden, maar we zullen ze eigenlijk nooit meer teruggeven. Woorden worden geleend, bijvoorbeeld omdat er een nieuw product uit een ander land komt, waarvoor in het Nederlands nog geen woord bestaat, zoals ‘computer’.



Taalzuivering

In de zeventiende eeuw waren er ook mensen die al dat lenen uit vreemde talen maar niets vonden. De Nederlandse taal was de mooiste taal en iets waar je trots op moest zijn! Ze wilden het Nederlands zuiveren. Daarom vertaalden ze buitenlandse woorden in het Nederlands in plaats van ze letterlijk over te nemen. Appelen uit China werden ‘China’s appelen’, wat later veranderde in ‘sinaasappelen’.



7. Groepstalen

Veel beroepen hebben een speciaal, eigen woordgebruik. Een arts, een piloot, een schaker, ze hebben allemaal een eigen vaktaal. De schaker gebruikt woorden als ‘herdersmat’ en ‘gambiet’ waarvan een postzegelverzamelaar nog nooit heeft gehoord. Zo’n speciale taal van een groep mensen met hetzelfde beroep of dezelfde hobby’s, godsdienst of leeftijd wordt een groepstaal genoemd. Mensen gebruiken zo’n groepstaal om binnen een groep met elkaar ergens over te praten, zonder dat iemand anders hen begrijpt.



De vaktaal, of ook wel het ‘jargon’ waarin artsen met elkaar praten, is voor andere mensen vaak niet te begrijpen.



Boeventaal

Het bargoens is de taal van zwervers en boeven. Daarom zijn er in het bargoens veel woorden die te maken hebben met de gevangenis, de politie en inbrekersgereedschap. Als je in het bargoens ‘door de prinsemarij voor schut gaat’, dan word je door de politie gevangen genomen. Er zijn veel woorden uit het bargoens in het gewone Nederlands overgenomen. Woorden als ’meier’ (honderd gulden), ‘grienen’, ‘heitje’ (kwartje) en ‘bajes’ ken jij vast ook wel.



Turbotaal

Mensen die modern willen zijn spreken turbotaal. Bijvoorbeeld Veronica-presentatoren en discjockeys. Ze willen met hun taalgebruik indruk op de mensen maken. ‘Aso’ voor asociaal, ‘weird’ (uit het Engels, je zegt: wiert) voor vreemd. Turbotaal verandert steeds. Veel woorden bestaan te kort om in een woordenboek te zetten. Wij spreken zelf ook een groepstaal. Bijvoorbeeld een puber met z’n vrienden. Jongeren hebben hun eigen muziek, eigen kleding en een eigen taal; dus is het een aparte groep. De jongerentaal verandert net als turbotaal heel snel. Een sukkel is een ‘watje’, iets leuks is niet meer ‘tof’, maar ‘gaaf’ of ‘cool’. Over een paar jaar zullen weer andere woorden ‘in’ zijn.



Voor graffiti word bijna altijd Engels gebruikt.



Mengelmoes

Als je begrijpt hoe de taal in elkaar zit, weet je ook dat we eigenlijk een mengelmoes praten. Een mengelmoes van allerlei oude Nederlandse dialecten, een beetje Belgisch en een beetje Frans, Spaans, Duits en Engels! En dat als je eigenlijk gewoon Nederlands spreekt!



Literatuurlijst

Uit De Ruiter’s Documentatiecentrum:

Geschiedenis van de taal.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

W.

W.

ik moet morgen een verslag over Nederlandse taal inleveren, thnx

16 jaar geleden

S.

S.

idem hier. Het wordt tijd dat Rogier en Jord hun schoenen uitwisselden.

10 jaar geleden

A.

A.

ik vind het en saai werkstuk maar het heeft mij wel en goed cijfer geleverd ga zo door mak meer van zulke goeie werkstukken

16 jaar geleden

A.

A.

eehjjjj meid...
thnx voor t werkstuk..!
heb k nou tenminste een voldoende...;)
is echt een goed werkstuk..!

x
anke

16 jaar geleden

J.

J.

dankjewel

16 jaar geleden

F.

F.

ik heb geen commentaar ik vind het een heel goed werkstuk en ik heb er veel aan! Ik wou je er voor bedanken omdat ik een werkstuk over Taal moest maken want dat was een opdracht van school en ik kon niks vinden totdat ik dit werkstuk vond! bedankt.

Frederique

15 jaar geleden

J.

J.

Heel goed geschreven! Zeer interessant onderwerp!

12 jaar geleden

C.

C.

het was heel intresant,
ik heb er veel over geleerd.

9 jaar geleden

A.

A.

letterlijk overgetypt van het boekje over de geschiedenis van de taal...
goed werkstuk howr :P

8 jaar geleden

A.

A.

stoof en kooltjes, dat sommige mensen stoof niet kennen mwa maar kooltjes ?

8 jaar geleden

Q.

Q.

Wij weten wat een stoof is, en wat kooltjes zijn.

8 jaar geleden